grotere letterskleinere letters

U bent hier: home > inspiratie > overwegingen

OVERWEGINGEN

Sint Petrusbasiliek Boxmeer – 27 september 2020
overweging bij Mattheüs 21,28-32     

'Wat denkt u van het volgende?', begint de evangelielezing van vandaag. Het is over de hoofden van de toehoorders van Jezus heen ook een vraag aan ons. Wat denk je er zelf van? Hoe past dit in jouw leven? Herken je de situatie? 'Wat denkt u van het volgende?' Wát er dan volgt is een  parabel die gaat over twee zonen: zonen van dezelfde Vader. Hun vader legt hen precies dezelfde vraag voor: 'wil je in mijn wijngaard gaan werken?' Maar hun antwoorden zijn niet hetzelfde. De een zegt 'ja' en de ander zegt 'nee'.

Stel je voor dat de wijngaard waarover Jezus in het evangelie vertelde, familiebedrijf was, en dat je daar als familie iets moois van probeerde te maken en dat dan een van de zoons zegt: 'nee, ik doe niet mee!' En de andere zegt 'ja, vader', maar hij gaat gewoon niet.
En dat dit gebeurde in een cultuur waar zonen veel respect voor hun vader moesten hebben. Voor oosterse oren moet dit wel heel vreemd geklonken hebben! Maar…. er staat nog wel iets achteraan: 'Later bedacht zich de zoon die 'nee' zei en hij ging alsnog'. In dat woordje 'alsnog' zit misschien wel de kern van het verhaal. Want daar blijkt uit dat deze zoon toch nagedacht heeft over zijn eerste 'nee'. Hij is serieus bezig geweest met zijn vaders vraag en heeft bedacht dat hij toch maar moest gaan.

Toen Jezus dit verhaal, deze parabel, vertelde, was hij in een fel gesprek verwikkeld met de schriftgeleerden en de andere godsdienstige leiders van zijn volk. En ik stel me zo voor dat Jezus aan het eind van zijn parabel even stil is geweest en de schriftgeleerden en de leiders strak in de ogen keek. En dat hij hen toen vroeg: 'wie van de twee heeft de wil van zijn vader gedaan?'
Ik denk dat de schriftgeleerden en de leiders ook even stil zijn geweest.
en dat ze toen schoorvoetend toegaven: 'De laatste, de zoon die eerst 'nee' zei en uiteindelijk 'ja' deed, - die deed de wil van zijn vader'.

Het was pijnlijk dat ze dat moesten toegeven. Vooral omdat ze op hun klompen aanvoelden wat er zou volgen. Het was de zoveelste keer dat Jezus hen het verwijt maakte dat zij, de schriftgeleerden en de leiders, niet het goede voorbeeld gaven aan de mensen. Zij waren weliswaar voortdurend bezig met de mensen erop te wijzen dat ze zich aan de joodse wet moesten houden, maar in de praktijk hielden ze zich daar zelf niet aan. Dat was het waarover Jezus heel vaak met hen in conflict was. Maar vandaag was hij wel heel scherp. Hij wees hen op de tollenaars en zondaars, de ambtenaren die in dienst waren van de Romeinse bezetter en de vrouwen van de straat, - dus de mensen die in de ogen van de schriftgeleerden absoluut niet deugden, die in hun ogen juist niet luisterden naar de wat God van ons vraagt… juist die mensen  hadden zich laten bekeren door Johannes de Doper. Hun aanvankelijk 'nee' was alsnog een 'ja' geworden.

Het gaat er Jezus vandaag om dat we ons net als de schriftgeleerden en de leiders bewust worden dat we soms wel dénken te luisteren naar God en zijn bedoeling met ons, maar dat het vaak nog maar de vraag is óf wij wel echt luisteren. En dat we ons al helemaal niet een oordeel aan moeten meten over andere mensen. Want het zou best kunnen dat de mensen van wie wij denken en soms ook zeggen dat ze alles doen wat God verboden heeft… dat hun 'nee' in de praktijk veel vaker dan wij dat zien alsnog een 'ja' is.

Nog even terug naar de parabel. Die begint met 'wat denkt u hiervan?' Daar zouden we in kunnen horen dat Jezus de schriftgeleerden en de leiders uitnodigde om alsnog  na te denken en tot inkeer te komen, zoals ook de zoon die aanvankelijk 'nee' zei zich alsnog bedacht…

Hoe het ook zij, wíj worden in ieder geval wél uitgenodigd om Jezus na te volgen en te kiezen voor de weg die God ons wijst. Of met de woorden van de parabel van Jezus: om steeds weer 'ja' te zeggen tegen de bedoelingen van God met ons, ook al zeggen we misschien in eerste instantie liever 'nee'. En wat ik vandaag ook nog leer van Jezus, dat is: door een aanvankelijk 'nee' heen kun je soms tot een dieper 'ja' komen.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Overweging Basiliek

Door zuster Susan werd ik bij de voorbereiding gewaarschuwd dat veel parochianen wat vreemde associaties zouden kunnen krijgen bij deze evangelielezing. Het is traditioneel de lezing uit de carnavalsmis. Dus ik begrijp het helemaal als u nu wat herinneringen krijgt aan onschuldiger tijden….

Als u goed hebt opgelet, hebt u echter gemerkt dat de lezing vandaag iets eerder begint, niet bij: maak je geen zorgen, maar bij: niemand kan twee heren dienen.

Vanuit het perspectief van die twee heren wil ik met u nadenken over wat het nou betekent dat je je geen zorgen hoeft te maken, en vooral ook hoe dit de vrede kan dienen.

Eerste vraag is waarom je eigenlijk geen twee heren kunt dienen. Je kunt toch gewoon twee banen hebben zonder dat dit een probleem hoeft op te leveren? Maar het dienen van een heer is wat anders dan een baan van 9-5 op werkdagen. Het gaat hierbij om loyaliteit, om totale inzet en toegewijdheid aan de heer die je dient. Dat wordt er van je verwacht als dienaar. Dat is dus ook de wereld waarin wij ons even moeten verplaatsen, als we willen begrijpen wat er hier wordt gezegd.

Jezus zegt: je hebt de keuze wie je dient. God, of de mammon. De mammon staat voor alles wat met bezit, geld samenhangt, en dus ook met de zekerheid en de veiligheid die je denkt te verkrijgen met dat bezit.

Ik denk dat het Jezus vooral om dat laatste gaat. Het is helemaal niet erg om wat geld te hebben, iedereen moet tenslotte eten en leven en er wordt hier geen houding van totale zorgeloosheid aangeprezen, alsof iedereen maar moet gaan zwerven omdat God wel voor hen zal zorgen. We hebben onze handen en talenten niet voor niets gekregen.

Waar het om gaat is onze neiging om met alles wat we doen veiligheid en zekerheid voor onszelf te creëren. Het probleem is namelijk dat wij ons leven lang kunnen blijven denken dat we bijna alles onder controle hebben… we zijn goed verzekerd, hebben een pensioen opgebouwd, de hypotheek is bijna afgelost, nu alleen nog een vaccin voor dat vermaledijde virus en dan hebben we het wel voor elkaar.

We hebben het natuurlijk nooit voor elkaar en daar worden we in de afgelopen maanden heel hardhandig met onze neus op gedrukt. Denk maar niet dat wij onze zaken ooit helemaal voor elkaar zullen krijgen – niet op het persoonlijke vlak en niet op het maatschappelijke vlak, en al helemaal niet als we mondiaal, op wereldniveau gaan kijken. Ik heb de indruk dat wij in ons land dit de afgelopen decennia wel even gedacht hadden. Dat we het bijna voor elkaar hadden. En dat wij inmiddels heel slecht kunnen omgaan met alle onzekerheid die we voelen nu we ontdekken dat onze wereld in haar voegen kraakt.

Neem corona: Mensen klampen zich vast aan iedereen die zegt dat hij weet hoe het zit, liever dan toe te geven dat we met zijn allen proberen er het beste van te maken. Er wordt tegen elkaar aan geschreeuwd over wat het beste zou zijn, en daar zijn we zo druk mee dat we vergeten dat er ook nog andere zaken op de wereld zijn waar we ons ook wel eens druk over zouden kunnen maken.

Terug naar de woorden van Jezus. Je hebt ook een andere keuze, zegt hij, dan je vastklampen aan zekerheden die niet zeker blijken te zijn. Houd je allereerst bezig met Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid. Gods koninkrijk: het moment dat Gods mensen en Gods wereld tot bloei komen, samen leven in vrede. En dat kan, als niet iedereen met zichzelf bezig is, maar ook zorg en verantwoordelijkheid draagt voor de anderen, de kwetsbaren, de kleinen. Voor God is elk mens evenveel waard en zo zouden wij moeten leven, werken, onze samenleving vorm geven, onze wereld bekijken.

Laat je niet beheersen door angst om je eigen welzijn, zegt Jezus eigenlijk, maar zet je energie in voor wat groters, breders.
Wat God met ons, met onze wereld voor heeft is wat anders dan wat we zelf kunnen bedenken. Zijn plannen zijn niet onze plannen en onze wegen zijn niet zijn wegen, zegt Jesaja zo treffend. Laat het los om allereerst aan je eigen belang te denken, je mag erop vertrouwen dat als we niet meer uit een angstig zelfbehoud leven, we in Gods hand veilig blijken te zijn.

Ik vind dat nogal wat, als ik eerlijk ben. Het druist lijnrecht in tegen mijn instinct. En toch…. de keren dat ik het aangedurfd heb, om in goed vertrouwen een sprong in het duister te maken, heb ik dit wel ervaren. Dat het misschien heel anders liep dan ik gedacht of gehoopt had, maar toch goed was.

Deze woorden van Jezus zijn niet alleen relevant als het carnaval is. Ze zijn een pittige opdracht waar je een heel leven mee bezig bent. Alleen als we de Heer van de vrede dienen, kunnen we misschien ooit vrede bereiken, in onszelf en om ons heen. Amen.

ds. Marise Boon

Susan van Driel - overweging protestantse kerk

Wat een tegenstellingen zijn er toch in die eerste lezing van Jesaja die we hebben gehoord. Het begint eigenlijk al in de verzen die voorafgaan. U kent ze ongetwijfeld: 'Waarom besteedt u geld aan wat geen brood is en loon aan iets dat niet verzadigt'.

In de lezing die wij zojuist hebben gehoord kunnen de woorden zelfs paradoxaal worden genoemd: Zoek, nu Hij zich laat vinden, roep Hem terwijl Hij nabij is.

Het verstand wringt zich in een bocht om die tegenstellingen te begrijpen. Waarom zoeken wat te vinden is, waarom roepen wat dichtbij is…?

De profeet Jesaja doet mijns inziens hier erg zijn best om zijn gehoor duidelijk te maken dat God, de Schepper van hemel en aarde, de God die Mozes en het volk van Israël heeft bevrijd uit de knechtende handen van Farao, dat die God niet in ons menselijke straatje past; dat Hij ons ver ontstijgt. Ja, zó ver, dat wij mensen ons helemaal geen idee kunnen hebben van Wie Hij is: 'mijn plannen zijn niet jullie plannen; jullie wegen zijn niet mijn wegen'. 'Zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven', ook dat hoorden we in die eerste lezing.

Zoals u misschien wel weet, woon ik in het karmelklooster, hier in Boxmeer. Ik sta dus in de karmelitaanse traditie. In die traditie is dat anders-zijn van God een belangrijk thema. Ja, Hij is zo anders dan wij zijn, dat de karmeltraditie zegt dat wij God helemaal niet kunnen kennen. Daarom is een gevleugeld woord in die traditie: 'gelukkige nacht'. Die woorden betekenen dat als een mens een leven van geloof leidt vaak, op een moment dat wordt geschonken, beelden en woorden worden weggenomen. Waar voorheen kracht uit werd geput, doet niets meer'; waar inspiratie uit werd gehaald, werkt niet meer. Ook het gevoel dat er was bij verzen uit de H. Schrift of vrome boeken: het gevoel blijft dor en droog. Die toestand die ook 'niet-weten' of 'duisternis' wordt genoemd wordt dus 'gelukkig' genoemd.

Een belangrijke figuur in de karmel is Johannes van het Kruis. Johannes vertelt in de boeken die hij heeft geschreven waarom dat zo gelukkig is. Ja, waarom het juist deze duisternis is waar Gods genade tot ons komt. In die dorre toestand, zegt hij, haalt de Heer ons mensen namelijk uit onze eigen ideeën, gedachtenstelsels en -constructies. Wij weten zo immers goed wat hoort en goed is. Maar in dit proces naar niet-weten wordt Gods goedheid iets dat wij helemaal niet meer in onze begrippen kunnen vatten. Dat proces naar het niet-weten noemt Johannes van het Kruis zelfs 'sterven'.

Zelf had Hij dit meegemaakt toen hij in de gevangenis zat, opgesloten door zijn eigen medebroeders, dagelijks gegeseld, in een piepkleine cel waarin hij in zijn eigen vuil moest leven. Op een avond, op een moment dat hij zich totaal verlaten voelde, hoort hij vanuit zijn cel een jongeman een liefdesliedje zingen. Hij hoort de woorden zingen: Ik sterf van liefde, Liefste wat moet ik doen? Sterven.
Johannes wordt in zijn beroerde situatie diep door de woorden geraakt en het haalt hem zelfs uit zijn angstige verlatenheid. Een grote vreugde overvalt hem. Hij beseft als bij toverslag en heel diep: Hier en nu ís de Heer bij mij. Hij is niet weg, Hij is nooit weg. Ik ben weg als ik Hém wil vertellen wat de juiste wegen zijn. Als ik mijn plannen zíjn plannen maak. Nee, vanaf toen begreep Johannes dat het doorheen alle ellende die mensen kunnen meemaken het er om gaat om op God georiënteerd te blijven. Hij vergeleek dat zelfs met 'verliefdheid'. Ja, dat kunnen wij vergelijken met onze menselijke verliefdheid: als wij werkelijk van onze man of vrouw houden, dan loopt dat mis als onze levenspartners zich helemaal moeten voegen naar hoe wij ze precies willen hebben. Nee, liefde laat die ander er zijn zoals hij of zij is. Wij houden dan juist van de rare gewoontes of zelfs van de onvolkomenheden die iemand heeft. Wij houden van die 'ander' met alles er op en eraan.
Johannes begreep in die duistere cel dat hij op die manier, onvoorwaardelijk van God wilde houden en dat God met die onvoorwaardelijke liefde altijd al van hem had gehouden, die liefde was nooit weggeweest en zal ook nooit weg kunnen zijn. God is immers liefde: liefde waaruit wij zijn ontstaan en die ons in het leven houdt; liefde ook als een weg die wij kunnen gaan. God is liefde, staat in onze Schrift, de vraag is echter altijd: Zijn wij het?
Johannes geloofde dat in die liefde zonder voorwaarden God en mens elkaar kunnen raken en er zelfs eenheid kan zijn tussen God en mens.
Dat hoeft u niet al te mystiek te zien: nee, waar het om gaat is dat God in deze wereld komt met iedere daad van onzelfzuchtige goedheid. Wij brengen God aan het licht als wij onze levensweg in caritas en vrede, gaan. De oude mystici zeggen dan: God wordt dan in onze wereld geboren.

'Kijk naar de vogels in de lucht', 'Kijk eens naar de lelies', zij gaan altijd de weg van de liefde waaruit ze zijn ontstaan. Ze worden, ze groeien en ze zijn gewoon zichzelf. Daarmee zijn ze op de weg van hun Schepper; daarmee volgen ze Gods bedoeling.
Bij ons mensen is het niet genoeg dat we zijn en groeien om op de goede weg te zijn. Wij moeten zoeken naar wat het goede is om te doen; wat in caritas is.
Gelukkig hebben we een goed voorbeeld gekregen: Wij christenen, álle christenen, worden van oudsher 'mensen van de weg' genoemd; de weg van Christus, de waarheid en het leven. Hij is ons voorgegaan op die weg.
Het is een weg die veel verder reikt dan onze mensenplannen. Want, waar komt de liefde vandaan en waar gaat zij naar toe? In geloof mogen wij zeggen: zij komt uit de liefde en zij gaat naar de liefde toe; naar de zuivere liefde. Weten wij dan wat dat is? Nee, dat weten wij niet. Zuivere liefde, die alleen maar kijkt naar hoe die ander is, die alleen maar het goede wil voor die ander en niets voor zichzelf vraagt, zo zitten wij mensen helaas niet in elkaar. Wij zijn God niet. Toch, we vertrouwen, we geloven dat ergens over onze horizon heen het die liefde is die op ons wacht. Ondertussen zoeken wij in het duister en op de tast de wegen van de Heer: het koninkrijk en zijn gerechtigheid; een koninkrijk van vrede. Gelukkig vertelt ons geloof ons: het is dichtbij; Hij is er, vlakbij, Hij laat zich vinden en tegelijk moeten we blijven roepen en zoeken. Bidden wij dat Hij, de Heer van de vrede, ons daarvoor de kracht zal schenken. Amen.

Overweging Sint Anna:

Soms zijn wij mensen wel eens in een discussie beland; soms ook wel eens een hele vurige discussie of zelfs een heftige woordenwisseling. De één vindt dit en de ander vindt dat. Misschien heeft de één ook daadwerkelijk gelijk en is er één waarheid. En soms is het ook onduidelijk wie er gelijk heeft of blijft de slotsom een abstractie; iets waar wij mensen niet bij kunnen. In het laatste geval wordt er dan ook wel eens tegen elkaar gezegd: "Ach wat weten we nu eigenlijk?!" Met andere woorden: je kunt wel doorgaan in het heetst van de strijd, maar sommige dingen behoeven een overgave; we weten er eigenlijk geen klinkklaar antwoord op te geven…..het overstijgt ons mensen. Het is een weten dat wij niet alles kúnnen weten.
Het is soms verleidelijk dat wij alles willen weten….. en wij mensen zijn per slot van rekening ook intelligente wezens die veel hebben bereikt.

De kunst zit hem niet zozeer in het steeds meer vergaren van kennis, vaardigheden, macht en geld…. maar de kunst zit hem er juist in door ons eigen uniekheid als een licht in te zetten voor anderen.

Kijk naar deze gemeenschap hier: ieder met zijn/haar eigen lichtje. De religieuzen onder ons die zich dienstbaar hebben gemaakt voor de gemeenschap, voor de mede-christenen. Zich door arbeid en gebed hebben gegeven aan de ander en daardoor veel liefde in de wereld hebben verspreid. En ook de niet-kloosterlingen of lekenbewoners onder ons, die bijvoorbeeld hard hebben gewerkt; in de winkel, op de boerderij of anderszins. Mensen die hebben gezorgd voor anderen of -als ze ermee gezegend zijn- hebben gezorgd voor een heel gezin/ voor hun kinderen en kleinkinderen.

Als mensen proberen we ons zo goed mogelijk te verhouden tot datgene wat ons overkomt, ons gegeven is én tot de keuzes die wij mensen maken.
Uiteindelijk staat er niet voor niets in Jesaja 55: Jullie wegen zijn niet mijn wegen. Het is een oproep aan ons mensen om uiteindelijk het vertrouwen in Gods handen te leggen. Tevens is het een meditatieve oproep, in die zin dat wij niet alles hoeven te weten, maar de kunst van ons mensen zit hem in het verhouden tot onszelf en naar de omgeving. Hoe willen wij vandaag de dag ons verhouden tot de andere mens, tot de natuur tot onszelf? En in Mattheus 6: Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last.

Het is een oproep tot meditatie: om stil te staan bij het moment, niet teveel op de zaken vooruit te lopen en niet teveel controle op de dingen te willen hebben.

Mattheus 6 is daarom tevens een verwijzing naar het oefenen van bescheidenheid en meer te focussen op je eigen kleine bijdrage op deze planeet. Elk individu is -geloof ik- met een opdrachtje op deze aarde. Elk mens is uniek en heeft zijn/haar unieke bijdrage op de wereld. Maakt niet uit of deze groot of klein is, als je maar doet waartoe je bent gecreëerd. De één is goed in het brengen van een prettige sfeer, de ander is goed in dingen regelen, weer een ander is goed met de handen, heeft een talent als het gaat om techniek of juist in vormgeving. Mensen die veel energie hebben en daardoor in korte tijd veel voor een ander kunnen betekenen of mensen met een kalm gemoed die makkelijk anderen op hun gemak kunnen stellen. Mensen met veel humor die zorgen voor ontlading, mensen met leiderschap die voor de goede richting zorgen enz. Allemaal voorbeelden van kleine talenten die groots kunnen uitpakken voor de omgeving 😊 Deze talenten kun je alleen ontdekken als je ook daadwerkelijk niet teveel zorgen maakt voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last. Het is geen toeval dat bijvoorbeeld retraites in kloosters steeds meer in trek zijn: mensen die graag voor een paar dagen/of weken zich willen terugtrekken, de rust willen opzoeken, tot zichzelf willen komen. Niet aan jezelf voorbij lopen, maar juist stilstaan bij je eigen unieke bijdrage zodat jij op jouw manier een klein verschil kunt maken op deze aardbol. Amen.

Viola Schrover, geestelijk verzorgster van verzorgingshuis Sint Anna

Zondag 13 september 2020 - 24e zondag door het jaar

lezingen: Sirach 27,30.28,1-7 Mattheüs 18,21-35

inleiding

Vandaag horen we – evenals vorige week – Jezus opnieuw spreken over schuld en vergeving. Dit keer omdat Petrus een vraag heeft. "Als iemand tegen mij gezondigd heeft, hoe vaak moet ik hem dan vergeven?" Ik denk, dat dat ook dikwijls ónze vraag is. "Hoe vaak moet ik of kan ik iemand vergeven?" En op grotere schaal, als het gaat over conflicten tussen groepen, volken of landen, is die vraag zo mogelijk nog dringender: "Hoe vaak moeten we met elkaar opnieuw beginnen? Of mag er maar eens een einde komen aan het geduld?"

In het evangelie verwijst Jezus Petrus en ook ons naar God: "Kijk, hoe Hij het zou doen!" Hij doet dat met een parabel waarin we ons zeker zullen herkennen.

overweging bij Matt. 18,21-35

Het verhaal dat ik u ga vertellen, heb ik hier al een keer vaker verteld. Ik hoorde het van een gevangenispastor. Iemand heeft een moord gepleegd. De pastor gaat met hem praten. Hij kent hem al wat langer en hij wil hem graag wat moed inspreken. Hij  zegt tegen de man, dat hij hem ergens wel kan begrijpen, want hij had ook álles tegen gehad in zijn leven: wonen in een slechte buurt, ouders gescheiden, school niet kunnen afmaken, geen werk kunnen krijgen…
Wanneer hij zo met de man praat, dan zegt deze in eerste instantie niks. Hij kijkt de pastor alleen maar een tijdje zwijgend aan. En dan zegt hij: "Eigenlijk begrijpt u er niets van. U zoekt verontschuldigingen waar geen verontschuldigingen zijn. Ík heb die moord gepleegd en niemand anders!"
De pastor besefte ogenblikkelijk dat daar iets heel belangrijks gebeurde. Deze man deed geen pogingen om van zijn schuld en zijn schuldgevoelens af te komen. Integendeel. Hij liet zien dat hij heel goed wist wat hij gedaan had en dat wát hij gedaan had ook heel ernstig was… Hij liet zien dat hij besefte dat hij alleen maar verder zou kunnen met zijn leven als hij de grote schuld die op zijn schouders lag zou aanvaarden, - ook in zijn hart. Alleen zo zou er een ommekeer kunnen komen in zijn leven. 

Zo'n ommekeer horen we niet in de parabel die Jezus ons vertelt. Daar horen we over een man die een hele grote schuld heeft bij zijn heer, - zo groot dat hij die nooit van zijn leven terug kan betalen. Zijn heer peinst er niet over ook maar iets van die schuld kwijt te schelden. Maar de man bidt en smeekt om medelijden en geduld. En dan gebeurt het onverwachte: de baas krijgt tóch medelijden en scheldt hem zijn hele schuld kwijt.


De inspiratie van Mattheus, Michelangelo Merisi da Caravaggio (1602)

Maar anders dan in het geval van die man over wie ik zojuist vertelde, lijkt het erop dat de man uit de parabel van Jezus alleen maar medelijden had met zichzelf. Hij bad en smeekte en klaagde…  maar in zijn hart veranderde er niets. Integendeel: hij stelde zich keihard op tegenover zijn collega, terwijl die maar een kleine schuld had bij hem. Van de barmhartigheid die hij zelf had ondervonden, zien we niets terug.

Ik zei straks dat het om twee dingen draait in het evangelie van vandaag: schuld en vergeving. Maar eigenlijk is dat te eenvoudig gezegd, te simpel. Het gaat om meer. "Hoe vaak moet ik vergeven?" vraagt Petrus aan Jezus. "Zeven keer?" "Nee, niet zeven, maar zeventig maal zeven keer." En als Jezus dat zegt, dan bedoelt hij beslist iets anders dan 490 keer... Dan bedoelt hij dat we ons zouden moeten spiegelen aan de grote goedheid van God, - want die heer in de parabel, dat is God. Jezus zegt ons in zijn parabel dat we moeten leren van de liefde van God, en van de liefde die we ondervinden van de mensen om ons heen.

Jezus neemt ons in zijn parabel mee naar de wereld van de onvoorstelbaar harde onmenselijkheid waarmee mensen elkaar soms te lijf gaan… Maar hij vertelt ons ook over de wereld waar God het laatste woord heeft, het koninkrijk van God, waar vrede en belangeloze goedheid het voor het zeggen hebben. en zo laat hij ons zien dat er zich in ons een soort leerproces kan voltrekken. Een proces waarin we van de ene kant leren aanvaarden dat wij op eigen kracht vaak maar kwetsbare en wankelmoedige mensen zijn, die soms tot van alles in staat zijn…Paulus zegt het in een van zijn brieven heel pakkend: "Het goede dat ik zou willen doen, doe ik niet. Het kwade dat ik niet wil, doe ik toch".  Van de andere kant mogen we ook weten dat onze schuld en onmacht niet het laatste woord hoeven te hebben. We kunnen leren van de liefde en de goedheid die we ondervinden van elkaar en van God.   
 
Uiteindelijk kan liefde alles overwinnen, - ook onze onmacht en schuld. Jezus heeft het ons keer op keer laten zien.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Basiliek 7 september 2020

Enige tijd geleden las ik over de ervaringen van een pastoraal werker in een verpleeghuis. Zij vertelde het volgende.
'In het verpleeghuis waar ik regelmatig kom woont een mevrouw. Acht jaar geleden kreeg zij een ernstige hersenbloeding. Als gevolg daarvan was zij niet alleen halfzijdig verlamd, ook haar spraakvermogen was zij bijna helemaal kwijt. Maar ze kreeg goede therapie en langzaamaan kon ze weer woorden vormen.
Maar de halfzijdige verlamming bleef. En dat maakte haar boos; boos op God, op haar man, op haar kinderen, op heel haar omgeving. Boos dat zij opgesloten zat in
een lichaam, in een leven, in een instelling, waar ze niet wilde zijn. De boosheid droop van haar af. Haar man schold ze uit, haar kinderen stuurde ze weg, de zusters en broeders snauwde ze af en iedere medebewoner die ze tegenkwam zat haar in de weg. Niets en niemand was goed. Het duurde niet lang voordat iedereen in het huis in een grote boog om haar heen ging. Iedereen meed haar.
Maar, heel opvallend, niemand vertelde haar waarom de mensen dat deden. Ze bleef boos en alleen achter en niemand sprak meer met haar.'

Ik denk dat dit een prachtig en duidelijk voorbeeld is van hoe moeilijk het voor ons is om iemand aan te spreken, om eerlijk te zeggen wat er aan de hand is. Nee, liever mijden we iemand. Is dat omdat dit de gemakkelijkste weg is?
Ja, als ik naga hoe ik zelf met dit soort zaken om ga, kom ik daar wel bij uit.

'Laat haar het zelf maar uitzoeken', of: 'bij die kun je beter vandaan blijven, voordat je het weet word je afgesnauwd.' Dat zijn woorden die wel bij mij kunnen opkomen, die ik ook anderen wel hoor zeggen. Toch denk ik dat we juist hier tegen gewaarschuwd worden in de lezingen die wij zojuist hebben gehoord.

Eerst hoorden bij de profeet Ezechiël God zeggen: 'Mensenkind, Ik heb u als wachter over het volk van Israël aangesteld.' Met dat woord 'mensenkind', worden deze woorden iets dat wij allemaal op ons fatsoen mogen trekken. Wij zijn immers allemaal mensenkinderen, en zo zijn wij volgens deze woorden ook allemaal wachters, geroepen om te waken over onze medemensen.

Maar die woorden uit het boek Ezechiël gaan nog een stap verder. We zijn niet alleen geroepen om te waken over de ander, we worden vervolgens ook verantwoordelijk gehouden als we nalaten in te grijpen. Die nalatigheid gebeurt als we ons afkeren, als we bang zijn om aan te spreken; als we stoppen om met mensen te praten. Er is dan namelijk ook geen enkele kans meer dat we iemand vooruit helpen. Nee, langzamerhand helpen we iemand juist de andere kant uit, uit de gemeenschap en uit de relatie.

Jezus sprak- en Hij at zelfs - met tollenaars en zondaars én met farizeeën. Hij sloot niemand buiten en Hij wist juist vanuit zijn innige relatie met de Vader hoe belangrijk het is om het contact met iemand te houden, om met iemand in gesprek te blijven. Immers, die relatie met de Vader was de drijvende kracht in zijn bestaan; vanuit die kracht verkondigde Hij aan wie het maar wilde horen dat zijn Vader de Vader is van alle mensenkinderen en voor ieder mens niets anders wil dan leven en liefde geven.

In de evangelielezing worden wij opgeroepen Hem daarin na te volgen. Wij kunnen mensen niet veranderen door ze alleen te laten. We kunnen alleen maar proberen om ze te bereiken, soms moeten we dat telkens weer proberen. Wat we echter van Jezus mogen aannemen is dat liefde de enige helende kracht is die er is.
Wat als iemand niet wil luisteren of zelfs niet eens het gesprek wil aangaan? Ja, we weten allemaal, ook dat komt voor. Soms lopen onze goede bedoelingen helemaal stuk.
'Waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden', zegt Jezus. Daar mogen we ons aan vasthouden. Het is en blijft een moeilijke zaak maar we hoeven het dus niet alleen te doen. Uiteindelijk is Hij toch altijd groter dan ons mensenhart. Amen.

Susan van Driel, o.carm.

Startzondag Onze Lieve Vrouweparochie – 30 augustus 2020
lezingen: Jeremia 20, 7-9 en Matteüs 16, 21-27

begroeting

Van harte welkom in onze startviering!
We leven in een vreemde en voor velen ook nare tijd. Corona. Ik hoef daar niet verder over uit te weiden. Iedereen die ik tegenkom, begint erover en heeft er wel een mening over. Steeds vaker hoor ik de verzuchting: "Hoe lang zal dit nog duren?"


Michelangelo Buonarotti: de profeet Jeremia

Ondertussen hoor ik óók bij steeds meer mensen de hoop dat we uit deze crisis lessen zullen trekken… hoor ik ook het verlangen naar meer persoonlijke verantwoordelijkheid en saamhorigheid met elkaar, speciaal met hen die extra kwetsbaar zijn… hoor ik ook het besef dat óns eigen persoonlijke gedrag de sleutel is tot de beheersing van dit vreselijke virus.

Bij dit laatste sluit het thema van onze startviering aan: durven verliezen om…
Saamhorigheid en persoonlijke verantwoordelijkheid vrágen van ons dat we af en toe ook een beetje van ons persoonlijke gemak, onze vertrouwde gewoonten, soms zelfs een beetje van onze vrijheden durven prijs te geven. En dat we onszelf af en toe op de tweede plaats durven te zetten.

Onze parochie is bij uitstek een plek waar je daar af en toe aan herinnerd kunt worden. Want jezelf prijsgeven is een belangrijk thema in de boodschap van Jezus. We kunnen het straks horen in het evangelie.

We starten vandaag een nieuw parochieel werk- en vieringenjaar, waarin we samen zullen zoeken naar manieren waarop we het beste gestalte kunnen geven aan ons geloof. Belangrijk in dat zoeken is dat we ons regelmatig bezinnen op wat we allemaal tegenkomen in ons eigen leven én in de maatschappij. En dat we ons bezinnen op de betekenis van ons geloof voor ons eigen gedrag én voor onze maatschappelijke  verantwoordelijkheid. Laten we daar vandaag weer een nieuw begin mee maken.

overweging

Ik kom regelmatig mensen tegen op een verjaardag bij voorbeeld of op een receptie die mij openlijk en voor iedereen hoorbaar vragen wat ik nog zie in de kerk of waarom ik me daar nog druk voor maak. "Want", hoor ik dan, "het zondagse kerkbezoek gaat toch gestaag achteruit… niet dan?" of: "Volgens mij komen er alleen nog 'grijze koppen' in de kerk, of komen er bij jullie in de kerk nog jongeren?" of: "Beseft de kerk nog wel wat er werkelijk leeft in de maatschappij…?"

Eerlijk gezegd begin ik me dan altijd een beetje geïrriteerd te voelen. Ik krijg dan de neiging om mijzelf of de kerk of onze parochie te verdedigen. Maar doe ik bij nader inzien toch maar niet. Want ik zie ook wel dat onze kerk vergrijst. En ook ik hoop van harte dat er weer meer jongeren zullen komen die zich thuis voelen bij ons. En ook ik zou willen dat onze kerk soms wat duidelijker stelling neemt in maatschappelijke vraagstukken. Dus als het kan, ga ik niet in de verdediging maar kies ik voor een andere weg.

Als het gesprek er zich voor leent, wijs ik liever op het geloof van al die mensen die elk weekend in duizenden kerken in ons land samenkomen om te bidden, om eucharistie te vieren en om te luisteren naar de wijsheid en de goede raad van de bijbel. Duizenden mensen in even zoveel kerken… dat is toch nog steeds de moeite waard! Ik zeg er dan meestal bij dat ik vind dat er te weinig stil gestaan wordt bij de liefde en de inzet waarmee veel mensen juist vanuit hun geloof zorg dragen voor de armen en de mensen die het moeilijk hebben. "Het diaconale werk van de kerk", zei onze bisschop vorig jaar, "is nog steeds een niet weg te denken factor in het sociale leven van Nederland". En hij heeft gelijk.
Menigeen die zich als vrijwilliger inzet in Amnesty of in milieuorganisaties of in de voedselbanken doet dat vanuit zijn of haar geloof.

Ik vertel er in dit soort gesprekken ook graag bij dat ik mij een rijk mens voel dat ik bij deze parochie mag horen… dat ik vind dat wij een prachtige parochie hebben waarin wij  ons geloof op een eigentijdse manier beleven… dat mij dit in deze lastige corona-tijd nog eens extra duidelijk is geworden omdat de onderlinge betrokkenheid van veel parochianen bij het wel en wee van elkaar en van onze parochie-gemeenschap hartverwarmend was en is. Iemand zei ooit dat het kwade schreeuwt en het goede fluistert. Ik grijp zulke gesprekken daarom graag aan om het goede maar eens flink hardop te zeggen.

Wat in zulke gesprekken vaak minder aan de orde komt, maar waar het best ook wat vaker over zou mogen gaan, - dat is ons geloof zélf… dat is de vraag wat de eigenlijke bron is van onze betrokkenheid. Wat brengt ons hier naar toe? Waarom vinden wij onze parochie, ons geloof en de kerk belangrijk? Ik denk dat wij daarvoor niet zo gauw de woorden van Jeremia zullen gebruiken; die zei in de eerste lezing dat er een vuur oplaait in zijn hart en dat het brandt in zijn gebeente. En we zullen ook niet zo gemakkelijk de woorden van Jezus in de mond nemen: "wie zijn leven wil redden, die zal zichzelf moeten prijsgeven". Vroeger gebruikten wij hier het woordje 'offer' en 'jezelf opofferen'. Voor velen ook ongemakkelijk woorden.

Maar toch… Als we toch eens kijken naar de oorspronkelijke betekenis van 'offer' en 'opofferen'?  'Offer' heeft te maken met 'toenadering'. Wie de ander echt als 'ander' wil benaderen, zal altijd op de een of andere manier afstand moeren doen van eigen 'baatzucht' en dus van zichzelf. Wil je echte betrokkenheid onder elkaar, - en dat geldt ook voor onze betrokkenheid op God en onze betrokkenheid op onze parochie - dan zul je soms iets van je eigen belangen of verwachtingen of oordelen los moeten laten…  
En dit is precies ook één van de belangrijkste elementen uit de boodschap die Jezus uitdroeg in woord en daad. Er is een prachtig lied dat die boodschap heel mooi samenvat: "Wie zijn leven niet wil geven, niet wil delen met zovelen, met een ander, gaat verloren. Wie wil geven wat hij heeft, die zal leven, die zal weten dat hij leeft."
Eigenlijk is dit het waarom wij samen parochie proberen te zijn en waarom wij hier elke zondag samenkomen om eucharistie te vieren, - om ons dit in herinnering te brengen. "Wie zijn leven niet wil geven, niet wil delen met zovelen, met een ander, gaat verloren. Wie wil geven wat hij heeft, die zal leven, die zal weten dat hij leeft."
Er ligt een nieuw parochiejaar voor ons. Dat we in de geest van dat mooie lied parochie kunnen zijn. Dat het een gezegend jaar mag worden.  

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Woord- en Communievering Overweging 'Sleutels ten leven'

Lezingen: Jesaja 22,19-23 Matteüs 16,13-20

In de vakantietijd krijgt menigeen huissleutels van buren, nabij wonende familie of vrienden tijdelijk overhandigd met de vraag tijdens hun afwezigheid een oogje in het zeil te houden, de planten zo nodig zowel binnen als buiten wat water te geven, de brievenbus te legen en te zorgen dat de woning er niet verlaten uitziet. Vaak over en weer draag je zorg voor elkaar en vertrouwen speelt daarin een grote rol, een sleutelrol. Het is belangrijk wie je je huissleutel toevertrouwt, je huis is immers een belangrijk ankerpunt in je bestaan.

De sleuteloverdracht bij de aankoop of huurovereenkomst van een huis, appartement of studentenkamer is in ieders leven een gewichtig moment. Met je huissleutels ga je zorgvuldig om, daar zoek je menig keer naar als je ze -in een moment van onachtzaamheid- even ergens hebt neergelegd. Sleutels geven toegang… of sluiten af…

Zo horen we vandaag in de lezingen over sleutels die toegang geven tot veel méér dan alleen een woning. Aan de ene overste van de tempel was de tempelsleutel – en daarin een sleutelpositie toevertrouwd maar hij verloor zich genoegzaam in de uiterlijkheden van z'n functie. De mensen waar hij zorg voor moest dragen verwaarloosde hij en zo werd hij door God uit z'n ambt gezet ten bate van een opvolger die wel een vader zou zijn voor de bewoners van Jerusalem en het huis/het geslacht van Juda.

Petrus, 'haantje de voorste' en de woordvoerder van de apostelen, krijgt alvast - in een bijzonder moment met Jezus - een aanzegging dat hij de sleutels zal krijgen van 'het rijk der hemelen' en dat is een nog veel verantwoordelijkere 'baan', die een grote liefde voor de 'zaak' vraagt. Jezus die van zich zelf zegt: 'Ik ben de deur', vertrouwt met deze sleutels de toegang tot Gods koninkrijk toe aan iemand die allerminst een perfecte rots was, opvliegerig en impulsief, die regelmatig wankelde maar die wel - met vallen en opstaan - trouw probeerde Jezus te volgen en te dienen. Diep onder de indruk van Jezus zei hij spontaan: 'Jij bent de Messias, de Zoon van de levende God!' Dit was voor Jezus de bevestiging dat bij Petrus de sleutels ten leven in goede handen zijn.

Niet alleen Petrus, maar wij allemaal hebben we sleutels ten leven in handen. We mogen toegroeien naar het besef dat we allen werkers zijn in Gods Koninkrijk, ieder naar ons eigen kunnen en op onze eigen plek.

Iemand die bijvoorbeeld de reserve huissleutel van een alleenstaande buurman of vriendin krijgt en dan de mantelzorg in rolt, verwezenlijkt daarin Gods liefde. Mantelzorg kan zich onverwacht aandienen en gaat door zolang het nodig is. In diè tijd mag liefde op een onverwachte plek groeien. De sleutels tot liefde in het koninkrijk van God worden op niet voorziene plekken aangereikt en het is aan ons welke deuren we er mee openen, sluiten of gesloten laten. Het vraagt soms offers en we kunnen ons afvragen wat Jezus in ons ziet wanneer Hij ons vraagt Hem te volgen maar we weten uit de Evangeliën dat Jezus Petrus accepteerde zoals hij was. Ondanks zijn zwakke kanten deed Petrus grote dingen voor God.   Jezus kiest mensen die met Zijn toegedragen liefde aan de slag gaan en deze liefde zo vermeerderen en verspreiden. We realiseren het ons meestal niet dat de sleutel naar Gods koninkrijk niet groot is maar wel groots. Naar Jezus' voorbeeld en met Hem samenwerkend door gebed zien we dat liefde en trouw sleutels ten leven zijn, die oneindig gelukkig leven geven in dat grote koninkrijk van God. Amen

Maria Hemelvaart

De kerken lopen meer en meer leeg. Ze worden gesloten en vaak afgebroken. Dat weten wij allemaal. Tóch, zou je dat niet zeggen als je in een bedevaartsoord komt als Lourdes, Fatima, of Banneux. Daar komen immers miljoenen mensen.

Je zou dat ook niet zeggen als je, dichter bij huis, naar Kevelaer gaat, de Onze Lieve Vrouwe Basiliek in Maastricht of de Sint Jan in Den Bosch binnenloopt. In de tijd die achter ons ligt was er iedere dag een zee van licht, hier in het portaal van de Basiliek. Talloze mensen gingen even naar binnen om een kaars op te steken. Om even in gedachten hun zorgen bij Maria te brengen. En die mensen waren heus niet allemaal zo kerkelijk. Tóch, we lopen bij Maria binnen, als we ons zorgen maken, of als we ronduit bang zijn.

Waarom speciaal bij haar? Wat zoeken we in al die Mariakapellen?

Benozzo Gozzoli, (Firenze 1420 - Pistoia 1497), Madonna, 1450-52 (Pinoteca, Vaticaanstad)

Ik vermoed dat we iemand opzoeken die heel dicht bij ons staat, iemand die het leven helemaal heeft gekend. Maria heeft een mensenleven geleid, van geboren worden tot sterven.  Ze heeft meegemaakt wat het meebrengt om kinderen te krijgen. Ze heeft de vreugde ervan meegemaakt, ze heeft haar kind zien opgroeien. Maar ook de pijn om dat kind dat zijn eigen, gevaarlijke weg ging en daarbij machtige vijanden maakte. Maria moet de angst hebben gekend dat dit Hem zijn leven zou kunnen kosten. Ze heeft erbij gestaan toen Hij stierf. Iets ergers kan iemand eigenlijk niet meemaken.
Maar ver daarvoor al heeft ze de angst en het verdriet gekend van mensen in nood. Haar kind werd geboren terwijl ze onderweg was en kort daarna moest ze vluchten naar Egypte, op zoek naar asiel. Mensen op de vlucht, asielzoekers, mensen zonder papieren, mensen in de greep van de angst en de armoede, de verlatenheid, het moeten leven in een wrede dictatuur waarin een mensenleven van geen tel is: Maria heeft het allemaal zelf ervaren. Onze pijn, onze angst, ons verdriet is ook haar verdriet.

Maar in Maria vinden we ook dát wat ons mensen gaande houdt doorheen alles wat het leven kan brengen: hoop en vertrouwen dat ondanks alles toch Hij het laatste woord zal hebben en dat dit niet afhankelijk is van wat wij mensen als groot en machtig zien.
Want in de lofzang die ze aanheft, het Magnificat, wij hoorden het in de evangelielezing, horen we dat rijkdom, macht en bezit niet belangrijk zijn in de ogen van God. Hij kijkt naar het kleine, naar Maria, een vrouw, die in die dagen, net als de kinderen niet eens geteld werden.  Maar juist met dat jonge meisje sluit God een verbond. Niet met de machtigen, niet met de mensen die krachtig zijn en die alles hebben, maar met Maria, een meisje dat in de ogen van de wereld waarin ze leefde van geen enkel belang was. Zij was belangrijk in de ogen van God en zij, zij geloofde…

Van dat meisje verklaart het dogma dat God haar bij zich nam nadat zij was gestorven. 'Is dat nou echt gebeurd?', is een vraag die soms bij mensen opkomt. Ook als het gaat om de opstanding van Jezus. Dat is echter volgens mij niet zo belangrijk. Waar het om gaat is of wij meekunnen met die notie van ons geloof dat God heel anders kijkt dan wij mensen kijken. Dat God heel andere prioriteiten heeft dan onze prioriteiten: Hij kijkt niet naar geld, naar macht of eer ook niet naar ras en sekse of geaardheid, maar naar het vertrouwen dat we kunnen opbrengen in zijn Rijk van liefde: een Rijk waarin wordt omgezien naar de mensen die niets hebben, naar de mensen die niet meer zoveel kunnen, waarin zonden worden vergeven en hongerigen naar ziel en lichaam worden gevoed.

Maria was de eerste onder de gelovigen. Zij vertrouwde en Hij liet haar door alles heen niet los. Eigenlijk vieren we dat vandaag: God laat niet los. Maria niet en helemaal niemand laat Hij los.
Als wij soms dat vertrouwen kwijtraken omdat het leven soms echt zwaar is, dan kunnen we altijd nog een kaarsje bij Maria aansteken. Daar hoeven we dan helemaal niet zoveel bij te zeggen. Want zij weet het wel, ze heeft het meegemaakt. Amen.

Susan van Driel, o.carm.

In de eerste lezing hoorden we: 'Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries'. Interessant is wat er niet staat: er staat namelijk helemaal niet dat God in die zachte bries is…

Wij hoorden alleen waarin Hij niet is: niet in de storm, niet in de aardbeving, niet in het vuur. In al die verschijnselen in de traditie van Israël God aanwezig is, is Hij niet. En dan is er…
Heel letterlijk heeft het Hebreeuws iets als 'een luide stem van vergruizelende stilte'. Een vreemde tegenstelling, zoiets als onze uitdrukking dat het 'oorverdovend stil' kan zijn.

Gaspare Diziani (Belluno 1689-1767 Venice) Elia roept om vuur

De profeet Elia geloofde, net als alle mensen in zijn tijd, in een machtige God, een God die ingrijpt, die redde uit de hand van Egypte en die de Farao met zijn leger in de zee liet verdrinken; een God die er voor zorgde dat Israël zijn vijanden overwon. Die God had, toen Elia daarom vroeg, vuur vanuit de hemel gestuurd om de priesters van bloeddorstige God Baäl te verslaan. Elia had ze daarna met het zwaard gedood.

Elia geloofde in een God die ingrijpt; een God die wint…
Maar dat Godsbeeld was Elia in heel korte tijd verloren. Nu moest hij vluchten voor zijn leven. Zijn missie om het volk terug te brengen naar de God van Israël leek heel even gelukt te zijn, maar al heel gauw viel het volk in afgoderij terug. Alles waarop hij had gehoopt was weg, stuk. Inclusief zijn beeld van de God van macht en heerschappij. Elia is alle vertrouwen kwijt. Maar wat voor geloof was dat? Is het idee dat God als een soort grote tovenaar de dingen wel goed maakt eigenlijk wel geloof?

Opvallend is dat als mensen spreken over geloof in God, zij het toch vaak hebben over die God waarin ook Elia geloofde: een God die ingrijpt; een God die bv. ervoor zorgt dat kinderen niet ziek worden en niet doodgaan, die er voor zorgt dat er geen hongersnood en oorlog is. Vroeg of laat zien ze in dat die God er niet is. Mensen gaan wel dood, ze worden wel ziek, er is oorlog…Sommige mensen geloven dan helemaal niets meer, ze lachen erom dat er mensen zijn die tóch vertrouwen houden. Andere mensen komen tot een ander soort ongeloof:
 'de ellende op deze wereld is een straf van God' of ze geloven in de letterlijke betekenis van de Bijbel, ze worden fundamentalistisch, zoals iemand ooit tegen mij zei: 'als het scheppingsverhaal niet waar is gebeurd, is helemaal niets waar…'

Ons christelijk geloof is eigenlijk een heel raar geloof.
Het volk Israël waarmee alles is begonnen is een volk van Egyptische slaven. De mens die aan het begin staat van ons geloof is een smadelijke dood gestorven en het symbool dat centraal staat, het kruis, is een martelwerktuig.

De God van Israël, de God van Jezus van Nazareth, de God van Elia en ook van Petrus, is er niet in macht maar bij uitstek op de momenten dat er naar menselijke maat geen uitzicht meer is. Dát is een van de belangrijke redenen dat dat kruis in ons geloof zo centraal staat. Het is een teken, juist van mislukking. Pas daar doorheen was Hij er.

Elia gaat 'naar buiten' als hij de oorverdovende stilte hoort. Dán ontmoet hij God.
Hij laat zich zien zoals hij is: depressief, verslagen, een zwak schepsel die niet meer in staat is om zichzelf te redden. Het is die verpletterende stilte waarin hij zichzelf aanvaard zoals hij is: onmachtig om aan zijn eigen situatie iets te veranderen en niet meer in staat om  de krachten die hem bedreigen het hoofd te bieden. Hij gaat naar buiten en bedekt zijn gezicht. Dan ontmoet hij God als hij Hem aan het woord laat. Als hij Hem het initiatief laat hebben.

Hier hebben wij mensen niets meer in de hand. Op zulke momenten, als we werkelijk niet meer weten hoe wij verder moeten kan het ons gebeuren dat we, onverklaarbaar, ons gedragen voelen. Dat we innerlijk in een stilte komen waarin Hij zich laat kennen. Dat gebeurt niet vaak en we kunnen het niet oproepen. Maar zo nu en dan voelen we die hand, zoals Petrus die hand voelde, die hem a.h.w. aan zijn haren uit het water trok.
Bidden wij dat ook wij ons kunnen overgeven aan die God die er is, als wij geen verder meer zien. Amen.

Susan van Driel, o.carm.

overweging 18e zondag door het jaar
Sint Jan de Doperkerk Sambeek en Sint Petrusbasiliek Boxmeer
1 en 2 augustus 2020 – Jesaja 55,1-3 en Mattheus 14,13-21

Het is een overbekend verhaal dat we zojuist hoorden: Jezus geeft meer dan vijfduizend mannen en vrouwen te eten, terwijl er maar vijf broden en twee vissen zijn. Hoe is dat mogelijk? Nou, ik zou zeggen: dat is onmogelijk , - menselijkerwijs gesproken tenminste.

Met vijf broden en twee vissen kun je onmogelijk vijfduizend mensen te eten geven … Maar het staat wel in alle vier de evangelies, Mattheus en Lucas hebben het zelfs twee keer. Dit verhaal van vandaag moet dus wel een heel belangrijke boodschap bevatten.
Wat die boodschap zou kunnen zijn, -daarvan kregen we al een voorproefje in de eerste lezing, van Jesaja. Daar geeft God de mensen overvloedig te eten en te drinken. We hoorden God zeggen: "Kom wie dorst heeft, hier is water; en allen die geen geld hebben kom, eet en drink zonder geld.  Luister naar mij, en u zult eten wat goed is en uw honger stillen…" De mensen van toen wisten natuurlijk heel goed dat Jesaja hier niet een soort luilekkerland beloofde. Nee, Jesaja wilde hier met heel gewone alledaagse woorden vertellen hoe onvoorstelbaar groot de goedheid van God is. En daar gaat het volgens mij in het evangelie ook over.

Ik moest hier denken aan dominee Carel ter Linden, u weet wel, de dominee die het huwelijk van Willem-Alexander en Maxima inzegende en die voorganger was bij de uitvaart van prins Claus. Hij was vaak op de tv. Eens werd hem gevraagd of hij vond dat Bijbelse verhalen altijd echt gebeurd zijn. Hij zei toen: dat is niet de goede vraag. Het gaat erom wat de schrijver ermee heeft willen zeggen. En hij gebruikte toen een leuk voorbeeld. Als ik aan mijn vrouw zeg: jij bent een roos', zeg ik dan dat ze een echte roos is? Nee, - ik wil dan zeggen hoe mooi ik ze vind, hoe kostbaar ze is voor mij, hoe veel ik van haar hou… Ik vond dat een belangrijke opmerking. Ter Linden zei in feite dat wij ook bij de Bijbelse verhalen moeten proberen te horen wat er achter de woorden wordt gezegd.

Laten we terug gaan naar de lezingen. Daar gaat het over de overgrote goedheid van God. Maar bij Mattheus, in het evangelie, gaat het niet alleen over wat God doet. Het gaat ook over wat wij zouden kunnen en moeten doen.
De mensen hebben honger. Een paar mensen hebben wat brood en vis, helaas niet genoeg voor zo'n grote menigte. Maar wat ze hebben willen ze wel delen. En dat gebeurt; er wordt gedeeld en ze hebben plotseling meer dan genoeg te eten, - een wonder van overvloed.
Daarmee leert het evangelie ons iets over God én over ons. Als wij goed zijn in het kleine, als wij delen wat we hebben, ook al lijkt het maar weinig, - als wij dat doen dan kan er iets zichtbaar worden van hoe God ons en onze wereld heeft bedoeld.
Wie deelt kan wondermooie dingen bewerken bij zichzelf én bij de ander: delen kan ons leren dat geven evenzeer een kunst is als ontvangen; delen laat je ondervinden hoe goed het is om af en toe meer te doen dan je meent te kunnen; het leert je dat er in de schaarste toch overvloed te ontdekken is; delen laat je ervaren dat het leven soms onverwacht wonderlijk kan zijn.

Wanneer we de geweldige nood zien in onze wereld, maar ook de zorgen in de kleine wereld om ons heen, dan voelen we ons vaak
net zoals die mensen met die paar broodjes en dat beetje vis, toen ze al die hongerige mensen zagen. Machteloos. Het is waar: in ons eentje hebben we altijd te weinig om de onmetelijke noden van de wereld op te lossen. Maar, als het uit een goed hart komt, kun je met dat beetje dat je hebt, toch wonderen verrichten. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat elk teken van menselijke goedheid een bewijs kan worden dat God aan het werk is.

Wat hier, in dit overbekende verhaal uit het evangelie, gebeurt - het weinige dat je hebt delen met velen - dat is en blijft een wonder… Maar tegelijkertijd is dat het wel wat wij met elkaar te doen hebben: een beweging op gang brengen van geven en delen, net zolang tot er op onze wereld genoeg is voor iedereen.

Klinkt dit te mooi? Ja, misschien wel. Maar dat is ook het geval met al de verhalen die iets willen vertellen over het koninkrijk van God. Die klinken ook bijna altijd erg mooi. En toch:  ze vertellen ons wél in welke richting wij de zin van ons leven moeten zoeken.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

2020-07-26 Overweging Basiliek

Van Titus Brandsma werd verteld dat hij onnadenkend goed was. Onnadenkendheid zou je toch eigenlijk niet verwachten bij zo'n intelligente man: hij was per slot hoogleraar wijsbegeerte en mystiek.

Titus Brandsma

Toen na zijn dood mensen over Titus verklaringen en getuigenissen aflegden, verklaarden zij dat toch bijna allemaal: Titus Brandsma was onnadenkend goed. De wachtkamers in het klooster zaten altijd vol met mensen die hem wilden spreken, die zijn hulp zochten voor materiele of geestelijke zaken. Arm of rijk, ongeletterd of geleerd, jong en oud, iedereen wist hem te vinden. Dat was voor zijn omgeving niet altijd makkelijk. Zijn medebroeders waren nog weleens aan het mopperen dat mensen misbruik van hem maakten en dat het in het stille klooster veel te veel drukte gaf. Zijn  collega professoren klaagden nog wel eens dat hij naar hun zin niet genoeg tijd aan wetenschap besteedde. Uitgevers moesten weleens een poos wachten op een boek dat hij beloofd had te schrijven. Titus liep wél stad en land af om iemand te helpen aan een baan, voor een ander om een studieplek te regelen, dan weer zocht hij een pleeggezin voor een jonge vluchteling en dan weer had iemand gewoon geld nodig om zijn gezin te voeden. Zijn wetenschappelijk werk deed hij vaak 's nachts als andere mensen sliepen.

Het is dan ook niet te verwonderen dat als mensen over Titus Brandsma spreken, zij al heel gauw de nadruk leggen bij deze sociale houding van Titus. Toen er jaren geleden een Titus Brandsma gedachtenis kapel in een karmelkerk in Nederland werd geopend, werden er in die kapel teksten van Titus op gedenkpanelen opgehangen. Op bijna al die teksten staat die sociale houding van Titus centraal. Die woorden op de muur zíjn van Titus. Toch, als ik die teksten lees krijg ik altijd het gevoel dat het hem niet echt recht doet.
In de tijd dat ik werkte met het Titus Brandsma-archief heb ik veel van de geschriften van Titus gelezen: veel gaat over vrede en gerechtigheid. Titus was bewogen om mensen en de schepping. Maar het is mij in de loop van de jaren ook duidelijk geworden dat zijn bewogenheid om mensen en de schepping ergens vandaan kwam; er was een diepere laag in hem die in die teksten in die kapel niet aan het licht komt. Een laag, waarover Hij eigenlijk met nog veel meer passie sprak en schreef. Niet dat hij zijn eigen zielenroerselen  besprak. Nee, dat deed hij niet. In zijn tijd sprak je daar niet over. Maar hij sprak en schreef wel  over anderen. Over mensen waar hij bewondering voor had, die een gelovig leven hadden geleid en die wel hadden gesproken over waar zij in geloofden en wat hun geloofservaringen waren. En als Titus dan over deze mensen schreef dan kun je door de woorden heen lezen wat zíjn passie was. Waar hij geraakt was in zijn geloofsbeleving.
Als je daarop gaat letten, bij het lezen van al die boeken, artikelen, brieven en nog veel meer geschriften, dan kun je zien dat als Titus naar de mensen en de dingen in zijn omgeving keek, hij iets van God in deze wereld zag. Hij geloofde vast en zeker dat alles op deze aarde door God is geschapen en in het bestaan wordt gehouden, altijd door. Alles is uit en in God, geloofde Titus. En precies om die reden was hij in alles en iedereen geïnteresseerd.  Dat kun je ook zien aan alles waar Titus wel eens een artikel over heeft geschreven. Of het nu over de mystieke geschriften was die hij bestudeerde of over kloosters of over vromen en  heiligen, maar ook over Friesland en de Friese taal, de brandweer, over de dierenbescherming, overstromingsgebieden, vrouwen, onderwijs, alcoholmisbruik, de dierenbescherming,  veemarkten…enz. Titus was geïnteresseerd in Gods hele schepping, met alles er op en er aan. Er was voor hem helemaal geen verschil tussen de dingen van deze wereld en de dingen van God. Bidden deed hij graag in de kapel, in het klooster. Als hij echter werd geroepen omdat er weer eens iemand om hulp bij hem aanklopte – iets dat verschillende keren tijdens het gebed kon gebeuren - dan liep hij eruit. Titus had bewondering voor een biddend leven maar, schreef hij, 'niet ondanks het werk maar door en in het werk', werk voor mensen en de hele schepping. Een tegenstelling tussen het zgn. contemplatieve, biddende leven en het werkzame leven wees hij af. God is overal en in alles. In hem immers leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Dat was zijn geloofspassie. Dat was de parel die hij elke keer opnieuw vond als hij naar de schepping keek of in de ogen van een mens. Als we dát weten, kunnen we misschien beter begrijpen dat hij zelfs met de kampbewaarders in Dachau bleef praten en voor ze bleef bidden.  Ook in die ogen ontmoette Hij God.
Bidden wij dat ook onze ogen geopend zullen worden voor die schat, zo kostbaar, maar soms ook zo verborgen. Amen

Susan van Driel, o.carm.

Karmelfeest 20 juli 2020 Sint Petrusbasiliek Boxmeer

begroeting en inleiding

Vandaag vieren we Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel, het Karmelfeest. De eigenlijke feestdag is 16 juli. Omdat wij op die dag niet samenkomen als parochie, sluiten wij ons vandaag in gebed en bezinning aan bij de wereldwijde Karmelfamilie. Want onze parochie is een Karmelparochie en het is goed daar af en toe even bij stil te staan.

Vanaf het allereerste begin kent de Karmelorde een bijzondere verbondenheid met Maria. Alleen al onze naam maakt dat duidelijk: zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel. Haar leven is een voorbeeld geworden voor hele generaties mannen en vrouwen. Vandaag willen wij ons bezinnen op de vraag wat het leven van Maria voor ons nu zou kunnen betekenen.

overweging

Afgelopen week donderdag vierden heel veel mensen over de hele wereld het feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel.

Ooit begon het met een klein groepje monniken die bij elkaar woonden in hutjes en grotten in het Karmelgebergte, in het toenmalige Palestina. Omdat ze hun verblijfplaats in de Karmel hadden, werden ze al gauw Karmelieten genoemd.
Diezelfde monniken voelden zich op een bijzondere manier verbonden met Onze Lieve Vrouw, Maria, de moeder van Jezus. Daar komt die andere naam van de karmelieten vandaan: zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel.
Iets meer dan een halve eeuw na dat eerste begin vertrokken de Karmelieten onder de druk van hevig oorlogsgeweld naar Zuid-Europa. Daar breidde de groep zich snel uit en in een mum van tijd waren ze te vinden in bijna alle landen van Europa. Maar hun naam bleven ze houden: Karmelieten, zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel. 

Een belangrijke vraag bij het feest van vandaag is volgens mij: welk aspect van het leven van Maria zou óns als zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel het meest kunnen aanspreken? Maria als onze zuster? Maria als moeder van Karmel? Voorspreekster? Tochtgenoot? Toevlucht? Gids? Luister van Karmel? Dit zijn allemaal namen die ze in de loop der jaren binnen en buiten de Karmel heeft gekregen.

De meeste zusters en broeders van de Nederlandse Karmel hebben niet zoveel met die namen. Wij voelen ons meer thuis bij het antwoord dat Maria gaf aan de engel, toen die haar de boodschap kwam brengen die u net in het evangelie hoorde: "Schrik niet, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en zoon van de Allerhoogste worden genoemd". En dan vooral haar antwoord: "Laat met mij gebeuren wat u hebt gezegd. Mij geschiede naar uw woord". Dat antwoord is voor velen en ook voor mij het meest inspirerende in de houding van Maria. In groot vertrouwen is ze vanaf die eerste boodschap blijven kiezen voor de weg waarvan ze zelf het einde niet kon overzien. Maria durfde zich toe te vertrouwen aan de weg die ze kreeg te gaan. En dát spreekt ons aan. Ze durfde erop te vertrouwen dat God niet alleen spreekt in de woorden van de Schrift. Hij spreekt ook in wat er met je gebeurt, in de feiten van je leven.

Als Jezus als twaalfjarige tijdens een bedevaart met zijn ouders naar Jeruzalem drie dagen zoek is, vinden ze hem terug in de tempel terwijl hij daar druk zit te praten met een groepje Schriftgeleerden. En als Maria dan zegt: "Kind hoe kon je ons dit aandoen?" en Jezus antwoordt: "Wist je dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?" – dan staat er dat Maria hem niet begreep. Maar er staat ook: "Zijn moeder bewaarde alles in haar hart." Precies dát is kenmerkend voor Maria. Ze gebruikte niet veel woorden, ze overwoog de dingen die haar overkwamen in de stilte van haar hart, ook als ze het niet helemaal begreep, en ze durfde zich dan over te geven aan wat er gebeurde.

Dit is ook een van de kenmerken van onze karmelitaanse weg. Je durven toevertrouwen aan wat er op je weg komt. Onze nieuwe prior generaal zei in een videoboodschap aan de wereldwijde Karmel: "Karmel is een manier van leven waarin we proberen ons bewust te zijn van de tegenwoordigheid van God in de heel gewone dingen en gebeurtenissen van ons leven. We proberen ons leven en ons werk biddend te beleven, met beide voeten op de grond van de alledaagse problemen en zorgen". 

Daarom nog even terug naar Maria. Toen de engel Maria de boodschap kwam brengen die we in het evangelie hoorden, trok ze zich niet terug in haar huis en hield ze niet op haar gewone dagelijkse leven te leven. Ze bleef niet lang stilstaan bij wat haar gebeurd was, - nee, al na een paar dagen trok ze door de bergen naar haar nicht Elisabeth die ook in verwachting was. Ze bleef drie maanden bij haar om haar te helpen bij de bevalling en de verzorging van haar kind. Luisteren naar God wil niet zeggen je terugtrekken in je binnenkamer en het voor jezelf houden. De weg die God ons wijst, leidt ons altijd naar het gewone leven. Daar spreekt Hij ons aan. En daarin spreekt Maria ons aan.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Inleiding
Vandaag zullen we Jezus een heel bekende gelijkenis horen vertellen, - de gelijkenis over een man die zijn akker in gaat zaaien. Met die man verwijst Jezus naar God zelf. We horen hoe de goddelijke Zaaier het zaaigoed uitstrooit over  zijn hele akker, - ook op de onvruchtbare stukken. Jezus vertelt ons een parabel, een verhaal dat uiteindelijk over onszelf blijkt te gaan.

De Zaaier, Van Gogh

'De zaaier', Vincent van Gogh, Arles, november 1888

Overweging bij Mattheus 13,1-23
Het is opvallend, dat de goddelijke Zaaier niet zuinig is met het zaaigoed dat hij uitstrooit over zijn akker. Het maakt hem niet uit waar of er weggetjes lopen en hij kijkt ook niet waar de bodem rotsachtig is of waar er onkruid groeit. Blijkbaar interesseert hem dat niet. Hij strooit zijn zaaigoed uit over zijn hele akker. Hij let niet op waar het terecht komt. Wat mij betreft verwijst Jezus hier naar de onvoorwaardelijke goedheid van God. God laat het immers ook regenen over goede en slechte mensen, zonder onderscheid?
Misschien is het goed om hier ook even te vermelden dat de meeste boeren voor het nieuwe seizoen graag het beste zaad bewaren. Het zaad waarover Jezus vandaag spreekt, is het woord van God dat wij hier wekelijks horen; dat is het beste zaaigoed dat God heeft. Het is krachtig en vruchtbaar. Het komt voort uit de grond van zijn hart. In dit woord laat God zien wie Hij is, laat Hij zichzelf zien, helemaal. En daarom is het krachtig en vruchtbaar… en hoopt God dat het zijn weg vindt in mensen, in ons, en dat het daar vruchtbaar zal worden.

Maar dan die akker… Dat zijn wij, dat is ieder van ons. Wijzelf zijn die grond waarin God zijn woord zaait. Onze grond is niet zoiets als de mooie vruchtbare klei hier langs de Maas. Over onze grond lopen platgetreden weggetjes, op sommige gedeelten liggen stukken steen en puin, er zitten stukken tussen waar het onkruid welig tiert… maar er zitten – gelukkig – ook stukken vruchtbare grond tussen. De akker met die verschillende elementen beeldt in het verhaal van Jezus ons vermogen tot luisteren uit, onze ontvankelijkheid, onze openheid. Hoe nemen wij de blijde boodschap van God in ons op? Waar komt die terecht in ons hart, in ons leven?
De platgetreden weggetjes, - dat zijn de ingesleten patronen in ons hart. Als we eerlijk zijn dan komt het woord van God bij ons vaak in bekende groeven terecht. Het valt nogal eens in een hart  dat denkt 'o, dat wist ik al… je hoeft mij niets te vertellen…' Het raakt ons niet echt. We worden er niet echt koud en niet echt warm van.
Soms vallen het woord van God tussen het onkruid; dat wil zeggen dat het overwoekerd wordt door onze dagelijkse zorgen: wat we willen, wat we wensen, wat we hopen, wat we vrezen, wat we verwachten, wat we niet willen missen, wat we moeten hebben. Dit onkruid kan zo taai zijn dat de woorden van God erdoor verstikt worden.
Soms komt een deel van het zaad terecht op de stenen en op het puin, dat wil zeggen: het stoot op de hardheid van ons hart. Innerlijk zijn we soms zo van steen dat niets ons raakt, ook het woord van God niet. Het blijft aan de buitenkant.

Maar gelukkig is er in vele harten toch ook zoiets als ontvankelijkheid, openheid, luisterbereidheid. Dáár zijn wij vruchtbare grond. De goddelijke Zaaier heeft zijn hoop gevestigd op deze ontvankelijkheid. Daarom strooit hij zijn zaaigoed uit over zijn hele akker. Hij hoopt dat het op die manier op plekken terecht komt waar het ons ráákt en waar wij er gevoelig voor zijn. Want dan is de kans het grootst dat zijn goede boodschap wortel schiet in ons hart en dat wij eruit gaan leven.

Bidden wij, dat wij vruchtbare grond zijn, een open oor, een hart dat bereid is het woord van God te ontvangen. Dat we het in ons opnemen, dat we het in ons laten groeien en dat we vrucht zullen dragen wanneer de tijd rijp is. 

Ben Wolbers O.Carm.
pastor-teamleider

Wat is dat voor juk waar Jezus over spreekt? In eerste instantie zag ik in gedachten een nogal romantisch beeld van meisjes in klederdracht die twee emmertjes water dragen. Dat is het waarschijnlijk niet. Nee, waarschijnlijk moeten we veel meer denken aan het juk dat trekdieren dragen. In de dagen van Jezus waren dat vooral ossen die een ploeg over zware grond moesten trekken. Een zware taak voor sterke dieren. Dieren, die een leven lang onvrij zijn en die onderworpen zijn aan wat de mens van ze wil.

Fotocredits: Jernaldermiljøet i Vingsted, Denmark
VejleMuseerne

Het woord 'nederigheid' heeft vaak voor ons precies díe bijklank: onderwerping, onvrijheid, jezelf minder achten dan de ander die over jou zeggenschap heeft.
Wij hebben het met ootmoed of nederigheid vaak wat moeilijk.
Toch is nederigheid in onze joods/christelijke traditie een belangrijk woord. We hoorden het ook in de lezingen: 'Uw koning komt […] hij is deemoedig, Hij rijdt op een ezel'. En Jezus zegt: "ik ben zachtmoedig en nederig van hart". Gaat het dan over die negatieve betekenis die wij altijd in dat woord horen? Vraagt Jezus dat wij onszelf zo'n juk opleggen?

Van de H. Augustinus staat geschreven dat hij tijdens een preek tegen zijn gehoor zei: "God is al nederig, nou jullie nog". Nederigheid is zo bekeken een kwaliteit van God. Het hoort dus bij die drie grote woorden: God is liefde; het is liefde die niet in zijn eigen verheven grootheid blijft steken maar zelfs bereid is om het heel andere te scheppen, het andere dat het vaak zo ánders wil. Zó nederig is God dat Hij de mens een eigen wil gaf waarmee die mens zelfs kapot kan maken dat Hij heeft geschapen. Liefde laat vrij. Maar ja, die vrijheid pakt niet altijd positief uit.

Ik heb het in de afgelopen maanden opvallend gevonden dat ondanks  het verdriet en de dreiging ik nogal wat mensen sprak die ook een positieve kant zagen aan de tijd van lock down. Die mensen zeiden dat ze hopen dat de mensheid van de huidige tijd zal hebben geleerd en er achter zijn gekomen dat ze met veel minder toekunnen, dat twee vakanties met het vliegtuig niet echt nodig is. Dat de lucht die nu schoner is maakt dat mensen dat zo willen houden en ze erachter zijn gekomen dat ons leven broos en dus ook kostbaar is.  Kortom, ze hopen dat mensen hebben geleerd om zich niet steeds weer te verheffen boven de schepping, alsof wij aan de touwtjes trekken, maar veel nederiger beseffen dat wij ook maar een schepsel zijn, een deeltje van het grote geheel en wij het niet hebben gemaakt.

U kent waarschijnlijk ook wel het boek Job. Job is, verhaalt dat boek, vreselijk geslagen door het leven. Hij is al zijn bezit verloren, zijn kinderen en zijn gezondheid. Hij zit op een mesthoop en beklaagt zich. Zijn vrienden zeggen tegen hem: 'dat komt omdat je hebt gezondigd'. Job zegt terecht: 'dat heb ik niet gedaan'. Hij was inderdaad een zeer brave man geweest. Zijn vraag is: 'Waarom overkomt mij dit'. Hij klaagt God aan: 'Waarom doe Jij mij dit aan'? Hij schreeuwt het uit tegen God. Het verhaal over Job eindigt dan met het antwoord van God. Hij zegt: 'waar was jij toen ik alles maakte, toen ik de kracht en de schoonheid van de natuur schiep; toen ik alles zijn orde gaf? Job moet daarna nederig toegeven dat hij het niet voor het zeggen heeft en dat de dingen hun eigen beloop hebben van opkomst maar ook van ondergang.
De vraag aan ons, de vraag die ook deze tijd aan ons stelt is: Blijven wij hoogmoedig de aarde beschouwen als iets dat ons eigendom is en waarvan we kunnen consumeren zoveel als we willen? Of, worden we nederig als God: zorgend, scheppend, liefdevol naar alles wat op deze wereld zorg vraagt. Ja, zelfs het bestaan en leven gunnend aan wat een eigen weg wil gaan, zoals wij mensen dat telkens weer doen, weg van Hem die ons het leven heeft gegeven. En toch mogen we er zijn, Hij houdt ons hier en nu immers in het leven.

Dan zijn er ook altijd weer mensen die dan zeggen: 'Corona is dus toch een straf van God'. Nee! De schepping heeft echter wel een eigen dynamiek, wat wij doen en laten heeft gevolgen. Maar dat hebben vrede, solidariteit en zorg voor de aarde dus ook. Dat is een goddelijk juk dat wij onszelf kunnen laten opleggen. Het is het juk van Iemand die nederig genoeg was om diep te beseffen dat Hij álles had ontvangen van de Vader en er daarom van kon uitdelen aan wie Hij maar tegenkwam. Bidden wij dat wij dat juk op onze schouders zullen nemen. Amen.

Susan van Driel, o.carm.

Zondag 28 juni – Sint Petrus Basiliek Boxmeer
lezingen:
2 Koningen 4,8-16 en Matteus 10,37-42

begroeting

Welkom u allemaal! "Vreugde voert ons naar dit huis". Dit prachtige openingslied is heel treffend gekozen want ik denk dat we allemaal heel blij zijn dat we na zo lang weer samen kunnen komen in deze mooie basiliek, vorige week en vandaag nog met z'n dertigen vanaf volgende week weer met zoveel als mogelijk is binnen de 1,5 m. afstand-regel.

Vreugde voert ons naar dit huis, waar – om het lied maar verder te citeren – God Zijn Naam over ons uitroept en ons elke keer weer vervullen wil met een nieuw verstaan van het Woord waarin Hij tot ons spreekt. Samen kunnen vieren, dat hoort toch wel heel wezenlijk bij ons gelovig-zijn.

overweging

Vroeger kon je bij ons thuis en bij bijna alle huizen in ons dorp altijd achterom naar binnen. Maar tegenwoordig bestaat dat nauwelijks meer. Dat is ook begrijpelijk. In een samenleving als de onze moet je echt wel je deur op slot doen. Toch vinden mensen uit derdewereldlanden dat nog steeds een beetje vreemd. Het druist in tegen hun opvattingen van gastvrijheid. In hun beleving kan en mag iedereen zo binnenlopen. Bij hen staat gastvrijheid bovenaan. Bij hen is het een ongeschreven regel dat de ander te allen tijde welkom is.

Bij ons ligt dat anders. Wij doen alleen open onder bepaalde voorwaarden. Vreemde mensen en ook vreemde opvattingen houden we liever buiten de deur. Wanneer het ons niet zint of niet goed uitkomt, dan houden we de deur van ons huis en van ons hart gesloten.

In de Bijbel gaat het er soms anders aan toe. Het verhaal in de eerste lezing uit het Oude Testament vertelt ons hoe een echtpaar in het stadje Sunem ruimte maakt in hun huis voor de profeet Elisa, de opvolger van de profeet Elia. Ze nemen hem zelfs in huis. Een heel mooi verhaal!

Gerbrand van den Eeckhout, 1649 'Elisa en de vrouw uit Sunem'

Het ging hier om een profeet. Profeten stonden dikwijls in hoog aanzien. Vooral als de tijden slecht waren. Dan waren zij het die probeerden de mensen moed in te praten en bijna altijd namen ze het dan ook op voor de mensen die daar het meeste onder leden, de armen, de weduwen en wezen, de zwervers zonder dak boven hun hoofd. Maar als de profeten kritiek hadden op de mensen die het voor het zeggen hadden, - als ze in het openbaar zeiden wat er aan de samenleving mankeerde en de dingen bij hun naam noemden en zéker als ze schuldigen aanwezen, dan was hun populariteit gauw over en werden ze de gebeten hond en waren ze nergens meer welkom.

A Trivial Devotion: The Prophet's Chamber (II Kings 4:10)

Als je dus een profeet opnam in je huis, dan was dat niet zonder risico. Je kon dan zomaar zelf ook verdacht gemaakt worden. Maar het echtpaar in Sunem nam dat risico, zij namen die vreemde profeet Elisa wél op in hun huis; ze waren gastvrij…

Veel later in de geschiedenis werd gastvrijheid een algemeen erkend groot goed. De gastenverblijven van de kloosters, de hospitalen en de gasthuizen waren er op ingericht om niet alleen zieken op te vangen, maar ook pelgrims en zwervers die nergens terecht konden. Tot op vandaag heet gastvrijheid een van de werken van barmhartigheid.
Dat en het verhaal van het echtpaar uit Sunem roept vandaag wel de vraag op wat dat in de praktijk van ons leven betekent: gastvrijheid…

Deze week vraagt onze bisschop mgr. De Korte in zijn alweer elfde (!) woord ter bemoediging aandacht voor de golven van protest tegen racisme en discriminatie die deze weken de hele wereld over zijn gegaan. Ook in ons bisdom kwamen op verschillende plekken demonstranten bijeen om te protesteren tegen racisme en discriminatie. En vanuit ons christelijk geloof is dat terecht. Onze God is de Schepper van alle mensen en Hij houdt van iedere mens. Maar helaas riepen die protesten ook weer tegenprotesten op… Hoe staan wij daarin?

In de tijd dat Jezus leefde vond de gevestigde orde, met name de wetgeleerden, hem een bedreiging. De belangrijke mensen stonden niet bepaald open voor hem. Zij accepteerden met name niet dat hij te veel aandacht had voor de positie van de zieken, de weduwen, de wezen en te veel begrip voor de mensen die zich niet helemaal aan de wet hielden. Hij zei te vaak en te veel dat God van iedere mens houdt. Op zich een goede boodschap. Maar in hun oren klonk dit ook ondermijnend. Alsof zij het niet goed deden… In hun beleving tastte Jezus hun gezag aan… Vooral als hij sprak zoals vandaag: Wie zijn vader of moeder meer bemint dan mij, is mij niet waard. Wie zijn zoon of dochter meer bemint dan mij, is mij niet waard.

Dat klinkt hard, maar in feite zei Jezus hier dat de wetgeleerden ook moesten durven luisteren als zijn gedrag en zijn boodschap hen niet beviel. Alleen maar aandacht voor eigen huis en haard, eigen denken en doen kan soms een hindernis zijn, - ook toen al, in de tijd van Jezus. Het kan maken dat je geen oog en oor hebt voor mensen die anders denken, of – zoals in onze tijd – die een andere kleur hebben of die een andere taal spreken of gewoon anders zijn.

En daarom: ook al hoeven wij misschien geen stuk bij te bouwen aan ons huis zoals dat paar in Sunem dat deed, - die vrouw en die man kunnen ons wel te denken geven… en wat Jezus betreft: wij zijn het aan hem verplicht te doen wat wij kunnen opdat mensen nooit worden buitengesloten en dat al wat klein is en weerloos, in bescherming wordt genomen. En daarom nog even het bemoedigende woord waarmee Jezus het evangelie van vandaag besluit: "wie één van deze kleinen, al was het maar een beker koud water, te drinken geeft, - die zal zijn loon niet ontgaan".

Ben Wolbers O.Carm.
pastor-teamleider

Overweging
Nog voor de conceptie van Johannes de Doper werd al tegen Zacharias zijn vader gezegd: "Vele Israëlieten zal hij bekeren tot de Heer hun God […] tot de houding van de rechtvaardigen."
Rechtvaardigen, mensen die gerechtigheid dóen.

'Prediking van Johannes de Doper', Pieter Lastman 1583-1633 (leerling van Rembrandt). Nu te zien in Maritshuis Den Haag

Gerechtigheid is in onze H. Schrift een kernwoord: in het Hebreeuws is het tsedahkah en iemand die in zijn of haar leven gerechtigheid beoefent werd en wordt een tsaddik genoemd. Profeten waren tsaddiks, zij riepen mensen op om ook een tsaddik te worden.
Een tsaddik, dat is niet iemand die zich aan alle geboden houdt omdat ze nou eenmaal zijn voorgeschreven of uit angst omdat er anders verschrikkelijke straffen zouden volgen. Nee, een tsaddik is zó gegrepen, aangegrepen door Gods goedheid dat hij of zij als vanzelf het leven naar die goedheid richt. Het is niet zomaar iets waartoe iemand dus zelf een beslissing neemt. Nee, Gods goedheid staat aan het begin.
Het evangelie dat wij hebben gehoord legt precies die nadruk doordat de evangelist vertelt dat de ouders van de profeet Johannes helemaal geen kinderen konden krijgen en ze waren er ook nog eens te oud voor. Nee, dat Johannes werd geboren laat de lezing weten, was een geschenk van God.
In de eerste lezing wordt over de profeet Jeremia, die zes eeuwen voor Johannes leefde, hetzelfde verteld. Er staat letterlijk vertaald: 'Ik kende jou, nog voor ik je boetseerde in de buik en voor je uit de baarmoeder kwam'.
In onze dagelijkse taal vertaald: Vóór mensen jouw begin maakten, was Ik (met een hoofdletter) al jouw begin'.
Het is heel fundamenteel, wat deze teksten vertellen. Want dit gaat natuurlijk niet alleen over deze twee profeten. Het gaat over ons allemaal: wij hebben onszelf niet gemaakt en wij hebben ook onze kinderen niet gemaakt. Je kunt dat wel eens horen, dat mensen praten over het 'maken van kinderen', over het 'plannen van kinderen', over het 'willen van kinderen'. Nee, 'Ík kende jou nog voor ík je in de buik boetseerde en voor je uit de baarmoeder kwam'.

Het zou prachtig zijn als wij mensen dat altijd beseften. Want, als dat echt tot ons door zou kunnen dringen, dat we er niet zomaar toevallig zijn, maar we er zijn omdat God het wil, dan kan dat andere mensen van ons maken; dat werkt in op hoe je in het leven staat; op je doen en laten.
Het kan enerzijds deemoedig maken omdat je beseft dat je net zo goed een schepsel bent als alles op deze aarde dat is. Je bent deel van de schepping en alles wat die schepping geeft zijn niet zomaar gebruiksvoorwerpen. Ze vragen eerbied en zorg, net zoals wij dat zelf ook nodig hebben.
Maar behalve nederigheid leren we ook nog iets anders als langzaam maar zeker tot ons doordringt dat het God is die aan ons begin staat. Titus Brandsma zei op grond van dat inzicht dat 'onze oorsprong goddelijk is'. Wij, zoals wij zijn gemaakt, met al onze gebrokenheid, zijn uit God. En wat wij van Hem hebben gekregen, mogen wij ook voor Hem en zijn schepping inzetten en geen mens kan en mag dan zeggen dat wij daarvoor niet goed genoeg zouden zijn. Discriminatie op grond van ras, sekse, geaardheid en noem maar op wat wij mensen aangrijpen om te bepalen of iemand 'goed' is of 'niet goed genoeg' loopt stuk op de notie dat God aan het begin staat van alles en iedereen. En iedere mens wordt opgeroepen om voor de ander en voor de hele schepping een tsaddik te zijn: iemand die weet dat geleefd wordt uit Gods goedheid en zelf daardoor een bron is van Gods gerechtigheid voor alles en iedereen. Dat mogen wij elkaar ook vertellen. Ieder van ons is een profeet als wij elkaar laten blijken, in woord en daad, dat wij Gods kinderen zijn.

Laten wij bidden, dat juist in deze dagen waarin mensen over de hele wereld demonstreren tegen discriminatie, dat zij dat doen vanuit respect voor elke mens; elke mens onze broeder en zuster omdat elke mens er is omdat Hij het wil. Amen.

Susan van Driel, o.carm.

21 juni 2020 Overweging bij: Jeremia 20,10-13 Mattheus 10,26-33, viering door de werkgroep woord- en communiediensten

 'Gelovig vertrouwen
doet leven naar Gods woord'

Als een klein kind leert lopen, is dat een wonderlijk gebeuren. Stapje voor stapje, vallend en weer overeind krabbelend, wordt onbevreesd en enthousiast steeds weer opnieuw geoefend. De dikke luier is a.h.w. een stootkussen.

Het is een natuurlijk proces, een gedreven worden van binnenuit om vooruit te gaan, de wereld te verkennen. Ieder die van nabij dit groeiproces meemaakt,
de kleine daarbij stimulerend, ziet de enorme kracht van het leven.
Enkele jaren later, als de tijd van leren fietsen aanbreekt, - kan na enkele valpartijen - het enthousiasme en de motivatie een poosje verminderen
doordat angst en voorzichtigheid om de hoek komen kijken, maar
het plezier van snelheid willen maken, overwint uiteindelijk de terughoudendheid.

Dat van binnenuit gedreven worden, ervaart de profeet Jeremia ook maar dan om Gods boodschapper te zijn. Het brandt in z'n binnenste als hij z'n mond houdt maar de mensen zitten niet op z'n deprimerende waarschuwingen te wachten, ze willen graag ongestoord prettig verder leven. In hun leven is voor God en zijn raadgevingen geen plaats. God de schepper van het leven door liefde, werd door de meeste mensen niet gekend of erkend; ze hadden geen contact meer met hun basis van het leven
en dan gaat het mis, hield Jeremia hen voor. Dat lijntje naar God moet open blijven
'Weg met die lastpost!', werd gezegd. En Jeremia klaagt z'n nood bij God in wie hij alle vertrouwen heeft. Dat vertrouwen motiveerde hem steeds opnieuw om toch door te gaan met Gods' boodschapper te zijn.

Jezus was ook vanbinnen uit zeer gemotiveerd om te vertellen over God, z'n hemelse Vader, over zijn koninkrijk en de zorg voor al wat leeft. Zelfs een mus valt niet op de grond buiten God om, want God is in liefde met alles verbonden: met één mus en met een hele zwerm mussen en met mensen de kroon op Z'n schepping. De dieren leven instinctief maar de mensen hebben een redenerend vermogen van God gekregen zodat ze de vrijheid hebben God te erkennen of af te wijzen,
want liefde en geloof uit volkomen vrije wil gegeven, is pas echt.
Toch zit juist in die vrijheid ook de angst van de apostelen. Daar waar zij gemotiveerd waren, en nog meer van binnenuit a.h.w. met vuur bekleed werden door de H. Geest, zouden zij - even als Jeremia en Jezus - afgewezen worden door vele omstanders waar ze het Woord van God aan richtte. De meeste mensen gingen voor het korte termijn plezier en -gewin en hadden geen zin in verandering
en geestelijke verduurzaming voor de langere termijn.

Onvoorspelbare veranderingen geven in een mensenleven nu eenmaal spanning en onzekerheid, dat was toen en is nog steeds zo; en zonder vertrouwen kan dat je bang maken, ja grote angst opleveren,- het kan ons in nijpende situaties zomaar bekruipen, - we hebben het allemaal gezien tijdens de Corona crisis.
We gingen ons zorgen maken en hamsteren - en gaandeweg zijn we er achter gekomen dat angst en gepieker de zorgen van morgen niet wegnemen
maar wel de kracht en het levensplezier van vandaag.
Ons geloof werd en wordt op de proef gesteld en er zo maar met iemand over praten - als dat al kon - dat je houvast vindt in je geloof, dat het zo zinvol voor je is,
werd lang niet altijd begrepen of op prijs gesteld.

En toch,… over dat praten over je geloof en er in vertrouwen uiting aan geven, dáárover gaat het vandaag in de beide Bijbel lezingen.
We mógen vertellen over de levende God, de Vader die alles draagt,
over Jezus die naar de aarde kwam om ons de weg te wijzen naar Zijn- en onze Vader en Zijn koninkrijk van liefde,
over de H. Geest die ons van binnenuit bemoedigt en kracht geeft in ons dagelijkse geloof.
Het is een kostbare relatie die ons leven diepgang geeft en ruimte over de grenzen van de dood heen, want liefde kent geen grenzen.
Liefde, vertrouwen en geloof hebben eeuwigheidswaarde.

'Weest niet bang', hoorden we Jezus vandaag een paar keer zeggen in het Evangelie.
Als we kritiek en tegenwerking krijgen, worden we weleens angstig en kruipen in onze schulp. Maar als we gewetensvol in de geest van het Evangelie spreken en handelen, zal dat misschien niet door iedereen in dank worden afgenomen
maar God laat ons nooit vallen.
Angst is een slechte raadgever, maar vertrouwen tilt ons over de angst heen.
Zonder vertrouwen kunnen we niet leven en leert een kind niet lopen en fietsen.
Zonder liefde, vertrouwen en geloof van vele mensen,
had het Evangelie ons nooit bereikt!
Ook aan ons de uitdaging om het - in en met ons leven – gestalte te geven
en verder uit te dragen. Amen

Betzie Brakels
Werkgroep Woord- en Communie vieringen

2020 De Boxmeerse Vaart, meer dan een traditie
overweging bij 1Kor.10,16-17 en Joh.6,51-58

Archiefopname 2016, Frans van der Heijden

Door alle feestelijkheden eromheen vergeten we nog wel eens dat de Boxmeerse Vaart met zijn mooie tradities van bruidjes, riddertjes en een prachtige processie, - eigenlijk de dag is waarop de eucharistie centraal staat. Maar, zullen sommigen zeggen, het middelpunt van deze dag is toch de verering van het Heilig Bloed? Dat is ook zo, maar de verering van het Heilig Bloed komt voort uit het verhaal dat een priester rond het jaar 1400 tijdens de mis begon te twijfelen aan de tegenwoordigheid van Christus.

En toen gebeurde het, zo zegt het verhaal, dat tijdens de eucharistie de beker met wijn overstroomde. En wat er over de rand van de beker stroomde was geen wijn, zo zegt de traditie verder, maar bloed, het bloed van Christus. Een klein beetje daarvan bleef achter op de doek die onder de kelk lag. Die doek is bewaard en ze wordt elk jaar weer vereerd en plechtig rondgedragen in de processie door Boxmeer.

Ik heb me wel eens afgevraagd: waar twijfelde die priester eigenlijk aan? Aan de verandering van het brood en de wijn in het lichaam en bloed van Christus? Of aan de werkelijke aanwezigheid van Christus? Wij zullen dat nooit weten, want de beste man is al heel lang niet meer onder ons.
Daarom stel ik me liever een andere vraag, die er dicht bij ligt en in mijn ogen even belangrijk is: wat geloven wij eigenlijk van Christus' aanwezigheid in ons leven?   

In heel het nieuwe testament horen we dat God in Jezus mens is geworden. Een mens die werkelijk onder ons gewoond heeft. Een unieke mens. 'Werkelijk de zoon van God', zei een van de soldaten onder het kruis. Er is nooit meer iemand geweest die zo'n hechte verbondenheid met God had. Hij vertrouwde erop met alles wat in hem was, dat God een bedoeling heeft met ons mensen, namelijk dat iedere mens recht wordt gedaan, - ongeacht afkomst, kleur of geaardheid, armoede of rijkdom. Aan die bedoeling heeft hij zijn leven gewijd met alles wat hij was en had. En hij heeft ons gevraagd hem na te volgen en zijn levensroeping ook tot de onze te maken.

Als ieder van ons met de ogen van deze Jezus naar haar of zijn eigen leven kijkt, dan kan ik me voorstellen dat ons net als bij die priester twijfels bekruipen. Durven wij, durf ik wel te geloven dat God, net als toen bij Jezus, werkelijk aanwezig is wanneer we onszelf proberen te geven aan de ander die ons nodig heeft: je vrouw, je man, je kinderen, je huisgenoten, je naaste, de mens die je aankijkt en om jouw hulp vraagt…? Durven wij te geloven dat Hij ons daarin nabij is, - ook als het erop aankomt? En toch is dit het wat Jezus ons deed: hij vertrouwde erop dat God hem zou blijven vasthouden, - tot in de dood. En dit is het ook waartoe hij óns uitnodigt, te geloven dat het goed is tot het uiterste te gaan als het gaat om liefde, recht en rechtvaardigheid…

Misschien zijn we ons dat lang niet altijd bewust, maar de feestelijke traditie van de Vaart wil ons dááraan herinneren, zoals elke eucharistieviering ons dááraan wil herinneren. 'Dit is mijn lichaam', 'Dit is mijn bloed', zei Jezus tegen zijn leerlingen en dat herhalen we in iedere mis. Het betekent: 'Zoals ik me aan mijn vrienden heb gegeven en aan heel veel mensen die om mijn hulp vroegen, zo geef ik me ook aan jullie. 'Doe dit tot mijn gedachtenis', zei Jezus ook. 'Als je brood breekt en de beker drinkt in mijn naam: denk dan aan mij'. Denk dan aan de dingen die ik gedaan heb en wees saamhorig, durf verantwoordelijkheid te dragen voor elkaar, deel met elkaar, heb iets over voor elkaar. En vertrouw erop dat ik daarin aanwezig ben, zoals ik aanwezig ben in het breken van het brood en het delen van de beker.      

Vroeger zongen we aan het einde van de eucharistieviering: 'Ite missa est', 'Ga', betekent dat, 'de mis is afgelopen; breng nu in praktijk wat je hier gehoord en gevierd hebt'. Of we werkelijk volgelingen van Jezus durven zijn, wordt alleen maar duidelijk wanneer we net als Jezus de bedoeling van God met ons en met de wereld om ons heen in daden durven om te zetten.

Pastor Ben Wolbers o.carm

Drie-eenheid – Karmelgemeenschap Boxmeer – 7 juni 2020
lezingen: 2 Korinthiërs 13,11-13 en Johannes 3,16-18

Heilige Drieëenheid, Szymon Czechowicz (1756–1758)
bron: Wiki Commons

Het geheim van de heilige Drie-eenheid is lang een punt van strijd geweest in de eerste eeuwen van het christendom. Pas in de 4e eeuw is die strijd beslecht op de concilies van Nicea en Constantinopel. Van toen af werd er ook meer aandacht gegeven aan hoe de Heilige Schrift spreekt over dit geheim.
Een tekst waar mijn voorkeur naar uitgaat is het verhaal van Jezus' doop in de Jordaan. Als Jezus wordt gedoopt, klinkt er een Stem uit de hemel: 'Jij bent mijn geliefde Zoon'. God laat zich hier kennen als de Vader, die Jezus uitdrukkelijk zoon noemt en als de Vader die van hem houdt. En Gods heilige Geest daalt als een duif op hem neer; zij is de gestalte van de liefde tussen de Vader en de Zoon.  

Het evangelie zegt ons hier dat wij God mogen ervaren – hoe moeilijk dit ook te begrijpen is - op drie manieren: als Vader, die tegen Jezus zegt 'Ik heb je lief'…; als onze medemens Jezus, die – uit Gods liefdesgeest geboren – dichtbij  en tastbaar onder ons heeft gewoond…; en als inspirerende Geest die voor altijd een bron van goddelijke liefde voor ons zal zijn.

God, Vader, Zoon en heilige Geest. Een belangrijk deel van ons leven staat in het teken van deze namen van God. Hoe vaak noemen we ze niet als we een kruisteken maken. Aan het begin van een eucharistieviering, heel vaak in de viering van de sacramenten, praktisch altijd in de gebeden voor en na de maaltijd… Wij worden aan het begin van ons leven gedoopt met deze woorden en met dezelfde woorden gezalfd aan het einde ervan. Daarom, om ons steeds weer te doen beseffen hoe God blijvend onder ons aanwezig wil zijn, - dáárom vraagt de liturgie op deze zondag tussen Pinksteren en Sacramentsdag onze speciale aandacht voor dit grote geheim van de heilige Drie-eenheid.  

Maar wat vieren we dan? Eigenlijk heb ik het al een beetje gezegd. Eigenlijk vieren we het grote mysterie dat God liefde. God ís liefde, vanaf het allereerste begin hield hij van ieder van ons. Hij kende ons nog voor wij werden geboren, Hij heeft ons geweven in de schoot van onze moeders, en toen wij waren geboren heeft Hij ons gevolgd vol liefdevolle belangstelling en mededogen. Jezus besefte dit heel diep. Hij wist hoe onvoorwaardelijk de liefde van de Vader is. "Zoveel immers heeft God van ons gehouden", zegt Johannes vandaag in de evangelielezing, "dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken, zodat iedereen die in hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven bezit".  
Dat werd de bron van de goedheid van Jezus en van zijn verlangen naar recht voor iedere mens. Iedere mens moet recht gedaan worden, want iedere mens is een kind van God en uit goddelijke liefde geboren. Jezus hoopte vurig dat wij ons daar altijd bewust van zouden blijven. Daarom ook zegde hij ons de hulp van de heilige Geest toe. Die zal ons steeds weer te binnen brengen dat liefde, goddelijke liefde de bron van onze liefde is.

In zijn mooie boek 'Tasten naar het Geheim' zegt Huub Welzen: "Liefde kan alleen maar ontvangen worden. Dat komt omdat de liefde zijn oorsprong heeft in God. Zijn liefde is zijn geschenk aan ons. De liefde waarmee wij elkaar liefhebben, is de liefde die God ons geschonken heeft. Het is de liefde waarmee God ons heeft liefgehad". En ook: "Leven in Gods liefde is Gods liefde uitdragen in je blik naar de ander, in je luisteren en je spreken".

Heilige Drie-eenheid. God. Vader. Zoon. Heilige Geest. Onvoorwaardelijke liefde. Geheim van ons bestaan. Overgave. Uitstralen.

Bij dit alles mogen we nooit vergeten dat spreken over God in zekere zin een riskante onderneming is. In de naam van God is veel goed gedaan. Maar ook veel kwaad. Vooral wanneer mensen precies meenden te weten wie God is en wat Hij wil. God is en blijft een Geheim dat niemand kan ontrafelen. En hopelijk blijven wij ons daar altijd van bewust.  

Tot slot: "De genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met jullie allen" (laatste regels van de tweede brief van Paulus aan de christenen van Korinthe). 

Ben Wolbers o.carm.

>

Pinksteren 2020
Handelingen 1,1-11 en Johannes 20,19-23

Wij lezen of horen in de Bijbel nooit theorieën over de heilige Geest. De heilige Geest wordt in de Schrift belééfd, zij wordt erváren.

Antonie Van Dijck, 'De komst van de Heilige Geest', olieverf op doek (265 × 221 cm) — 1618-1620

Als Jézus over de Geest spreekt, dan doet hij dat in concrete, beeldende taal: de Geest is als een vuur, de Geest is als de adem of als de wind. Uit eigen ervaring zegt hij dat de Geest kracht heeft, ze kan je zelfs opnieuw geboren doen worden.
Een voorbeeld. Na de doop in de Jordaan wordt Jezus naar de woestijn gedreven. Daar wordt hij beproefd en getest. En daarna – zo staat er – gaat hij in de kracht van de Geest terug naar Galilea, naar zijn vaderstad Nazareth. Daar wil hij een nieuw bestaan beginnen. Want hij is opnieuw geboren. Een ander mens geworden. Zijn familie kent hem nauwelijks terug. Voor hen en voor zijn dorpsgenoten is hij niet langer de zoon van de timmerman, maar iemand die hun rustige bestaan kwam verstoren.
Aan Nicodemus zal Jezus later zeggen: 'Het is ermee als met de wind. De wind blaast waarheen hij wil. Je hoort zijn gesuis, maar je weet niet waar zij heen gaat en waar zij vandaan komt. Zo is het ook met iemand die opnieuw geboren wordt uit de Geest'.  

De leerlingen van Jezus hebben die ervaring van Jezus herkend. Later herinnerden ze zich dat er in de jaren dat ze met hem optrokken, een kracht van hem uitging. 'Iedereen wilde hem aanraken', een ongekende, vitale kracht voelde je in hem, Gods heilige Geest. Ik heb ergens gelezen dat misschien niet zozeer zijn uitspraken hem zo bijzonder maken, of zijn vele wonderen, of zijn verzet tegen een al te starre omgang met wetten en voorschriften, - maar de kracht die van hem uitging.
Jezus was zichzelf daar ook van bewust: zoals bij die vrouw die in een drukke menigte stiekem zijn kleed aanraakte en toen genezen werd; 'wie heeft mij aangeraakt?' vroeg Jezus toen; 'ik voelde dat er een kracht van mij uitging'.

'Er ging een kracht van hem uit', herinnerden zijn leerlingen zich. Een kracht die van binnenuit kwam, een kracht zo sterk als de wind zette hem telkens weer in beweging, - dezelfde kracht die hem opnieuw geboren had laten worden en die van hem een ander mens had gemaakt.

Ik geloof, dat de leerlingen die daar toen samen met Maria in een bovenzaal in gebed en bezinning bijeen waren, plotseling opnieuw iets van die kracht ervaren hebben. Want we hoorden hen spreken van een krachtige wind, een windvlaag, en over de heilige Geest die hen sterk maakte. Zij werden nieuwe mensen en begonnen aan een nieuw bestaan. Van angsthazen werden ze vrije mensen die de mensen open tegemoet traden en vrijuit gingen vertellen over hun bijzondere leraar Jezus van Nazareth.

Nog even iets over een ander bekend element uit de Pinksterverhalen:  de vurige tongen die verschenen boven de hoofden van de leerlingen.
Ik moest hier denken aan een uitspraak van de schilder Chagall.
Die zegt ergens dat hij in zijn werk de niet-zichtbare elementen uit de wereld van de Bijbel wilde uitbeelden. Het ging hem niet om de exacte weergave van gebeurtenissen of verhalen, maar het ging hem om het Geheim dat er in verborgen ligt.
De vurige tongen waarover wordt verteld in de Handelingen van de Apostelen verwijzen naar mijn overtuiging ook naar dat Geheim. De leerlingen overkomt iets heel bijzonders. Ze kunnen er nauwelijks woorden voor vinden. En daarom gebruiken ze dat beeld van de vurige tongen: 'er verschenen tongen als van vuur', zeggen ze. Ik geloof dat ze wilden zeggen dat de heilige Geest van Jezus hen op dat moment louterde. De heilige Geest van Jezus maakte hen tot mensen die plotseling durfden te leven vanuit Gods liefde. Zij voelden dat ze nieuwe  mensen waren geworden, die net als Jezus konden troosten, ondersteunen, helpen en bevrijden. Die zacht konden maken wat was verhard. Die genezen konden wat was verwond.

Dat ook wij – zoals Jezus, zijn leerlingen en Maria – ons durven laten omvormen tot nieuwe mensen die creatief kunnen omgaan met de wereld, met de schepping, met elkaar, met onszelf en met alle mensen.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Overweging – 7e zondag van Pasen – Coronatijd 2020
Johannes 17,1-11a

We hoorden in het evangelie van zojuist Jezus bidden voor zijn vrienden.
Op dat bidden zelf van Jezus, - daarop zou ik vandaag de aandacht willen vestigen. En in het bijzonder wil ik stilstaan bij wat dat toch betekent, dat je kunt bidden voor anderen, voor je vrienden of voor je familie, of zelfs – zoals Jezus ergens aangeeft – voor je vijanden, of voor zomaar mensen dichtbij en ver weg.

Een enkele keer hoor ik wel eens, dat bidden voor een ander of voor de noden van de wereld niet veel anders zou zijn dan goede wensen uitspreken, of dat bidden zoiets is als jouw eigen verantwoordelijkheid aan God overdragen, zodat je zelf niets meer hoeft te doen. Natuurlijk zal er best soms wel zo gebeden worden, maar dat heeft dan weinig meer te maken met het bidden dat Jezus ons heeft voorgedaan. Wat laat Jezus ons door zijn bidden vandaag dan wél zien?

Op de eerste plaats hoor ik vandaag, dat Jezus zichzelf in zijn bidden uit het midden plaatst. Hij is niet op zichzelf gericht, maar hij plaatst zijn vrienden in het middelpunt. Jezus zoekt niet zichzelf. Hij wijst over zijn eigen verlangens heen naar een groter en breder geluk: hij vraagt om zegen over het leven van zijn leerlingen en hij vertrouwt ze toe aan God.

Daar ligt een tweede en dieper moment onder. Jezus weet op het moment van zijn bidden, dat de dood voor hem heel nabij is en hij beseft dat de teleurstelling en verwarring onder zijn leerlingen groot zal zijn.

En toch durft hij te geloven, dat dat niet het einde is. Jezus heeft het vaste vertrouwen dat er een antwoord op zijn bidden mogelijk is, dat heel anders is dan wij zelfs maar kunnen vermoeden. Hij bidt om eeuwig leven. Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, - dat durft hij in zijn bidden te verwachten. Hij gelooft dat wat uit Gods hand komt groter en onverwachter is dan wat wij ooit op eigen kracht zouden kunnen maken of verwerven. Zo bidden is in mijn ogen alleen maar mogelijk als je – zoals Jezus – er op vertrouwt  
dat de liefde van God voor ons zó groot is, dat Hij ons ook over de grenzen van de dood niet los zal laten, - en dat Hij alles wat goed is op deze wereld zal beschermen en bewaren.

Er is nog meer te horen in het bidden van Jezus.
Zijn bidden en zijn dagelijkse handelen sluiten op elkaar aan.
Wat hij bidt zijn geen - bij wijze van spreken - in de lucht hangende voorbeden, maar waar hij in zijn bidden om vraagt, - dat deed hij ook, daadwerkelijk: hij was goed voor de mensen, speciaal voor de zieken, de armen, de mensen aan de rand, de mensen die uitgestoten werden… hij vroeg aandacht voor hen, hij bezocht ze, hij trok met hen op…

Hij liet zien in woord en daad, dat wie bidt voor een ander zelf ook werkelijk goed moet zijn voor een ander en op moet komen voor een ander.

Een heel scherp voorbeeld van deze levenshouding zien we elders in het evangelie. Als je in de kerk zit te bidden, zegt hij daar, en het schiet je te binnen dat je nog iets goed te maken hebt met je naaste, - ga dan eerst naar huis gaan en herstel daar wat fout zat.

Er is nog een vierde moment. En daarin komt naar voren wat de hoop is en wat het verlangen is waardoor zijn bidden gedragen wordt:  dat wij ten diepste zullen beseffen, dat ons leven van God komt, en dat wij van Hem zijn en dat al in ons aardse leven Gods grootheid en liefde aan het licht zullen komen.  

Van Jezus leren we vandaag, dat ons bidden niet zozeer een boodschap is ván ons náár God, maar dat het een beweging is tússen ons en God. Het is een aan God voorleggen wat er in ons leeft én onszelf ontvankelijk maken voor wat er van Hem komt.

Amen

Hemelvaart – Susan van Driel

Een van de mooiste zinnen van professor Schillebeeckx heb ik altijd gevonden: 'Hij is ons rakelings nabij gekomen'.
Dat zijn woorden die wij eigenlijk nooit zo samenbrengen. Wél zeggen wij dat iets rakelings langs ons af scheert, een kogel bijvoorbeeld of een motorrijder op een dijk: die scheert ons rakelings voorbij.

Professor Schillebeeckx en prins Bernhard bij de uitreiking van de Erasmusprijs in 1982, door Marcel Antonisse / Anefo - http://proxy.handle.net/10648/ad1e9aaa-d0b4-102d-bcf8-003048976d84, CC0, Koppeling

Iets of iemand kan ons natuurlijk ook heel nabij komen. Dan bedoelen we een hele dichte toenadering, die een poos aanhoudt. Maar rakelings nabij? Nee, dat zeggen we niet.

Toch is het mooie van die woorden, die Schillebeeckx toch in één zin bij elkaar zet, dat ze 't nabije én het vluchtige benoemen van hoe God ons mensen in Jezus  tegemoet is gekomen. Voor altijd heeft, voor de mensen die zich op deze wereld christen noemen, God, de eeuwige en almachtige Schepper van hemel en aarde, een gezicht gekregen. Een menselijk gezicht. Als er fototoestellen waren geweest, 2000 jaar geleden, hadden wij een foto van dat gezicht kunnen nemen. Het iconoclasme – d.i. het verbieden van afbeeldingen van het heilige - heeft het in onze cultuur in oosten én westen dan ook nooit echt gewonnen. God kreeg een gezicht. Toch blijft dat voor veel mensen moeilijk te verteren. Volgens de Heilige Augustinus is God dan ook veel nederiger dan wij dat zijn.
Het is ook niet voor niets dat in de eerste paar honderd jaren van onze jaartelling grote ruzies zijn uitgevochten tussen christenen  over de vraag of Jezus wel écht mens was geweest. Er waren belangrijke groepen die Hem uitsluitend goddelijk wilden verklaren. Hoog verheven, buiten ons menselijke bereik.
De katholieke mening en het geloof was en bleef dat God ons in een mens tegemoet kwam. Die foto had niets bijzonders laten zien. Een man, een jonge man van een jaar of dertig. En toch herkenden mensen in Hem God.

Het brengt natuurlijk wel een gevaar met zich mee, dat menselijke gezicht van de Eeuwige, de Onbegrensde, de Absolute. Wij kunnen Hem gaan terugbrengen tot onze eigen maat; een tijdelijke, begrensde en beperkte maat. Het gevaar is dat wij precies denken te weten Wie de God die Jezus Vader noemde, ís. Dat is precies de reden dat professor Schillebeeckx dat woord rakelings erbij zette. Want, wij mensen hebben sterk de neiging om ons God toe te eigenen. Met die foto zouden wij kunnen zeggen: kijk dáár is God, hier hebben wij Hem. Wij weten hoe het zit. Maar nee, 'rakelings kwam Hij ons nabij' en voor we het wisten was Hij weer verder. Onze handen grijpen in het niets.

Vandaag vieren wij de Hemelvaart van de Heer. Wij vieren dat Hij weer van ons wegging. Gek eigenlijk, dat wij dat vieren. Maar de reden  daarvan wordt verteld in de evangelietekst die we zojuist hebben gehoord, de woorden van Jezus waarmee het evangelie volgens Mattheus eindigt: 'Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.
Dat is een volheid van aanwezigheid die goddelijk is; die aanwezigheid is immers niet aan plaats en tijd gebonden zoals wij dat wel zijn.
Graag wil ik de volgende woorden van Titus Brandsma citeren waarmee Hij ingaat op dat volstrekt ongrijpbare van hoe Gods met ons is. Hij schrijft:
'Hij is onder geen beelden of woorden te begrijpen en wij moeten dan ook niet trachten deze als het hoogste te beschouwen. […]
Niet de letter, maar de geest maakt levend. De letter van de H. Schrift en van de hoogste menselijke wetenschap kunnen ons niet doen begrijpen, wat onbegrijpelijk is, tenzij wij daaruit leren, dat God ons daardoor juist heeft willen zeggen hoe oneindig en onbegrijpelijk zijn wezen is en wij door dit begrip van onbegrijpelijkheid in nederige erkenning van onze beperktheid en van alle openbaring als blinden zien in het alverblindende licht.

Iconen hebben heel vaak een gouden achtergrond waaruit de afbeelding van Jezus de toeschouwer nadert. Het probeert weer te geven hoe Hij uit het goddelijk licht in onze wereld kwam. Maar Hij liet ons weer achter. Maar wel met geloof, hoop en liefde die Hij in onze harten zaait én oogst 'tot aan de voleinding van de wereld'. Amen.

Gebed
Algoede God,
in Jezus bent U onder ons mensen verschenen.
Help ons om in geloof de weg te gaan
die Hij heeft gewezen:
een weg van kwetsbare liefde;
geef ons kracht en moed
om onszelf te overstijgen.
Amen.

Overweging

Karmelklooster zo 17 mei 2020

Hand 8,5-8.14-17
1 Petr 3,15-18
Joh 14,15-21

Overweging
Het Johannesevangelie begint met 'In het begin was het woord.' De bekendheid met de tekst verhindert ons misschien om de bijzonderheid van deze opening te onderkennen. 'In het begin was het woord.' We spreken woorden als we ons tot andere mensen wenden, als we naar buiten gericht zijn. Als je op jezelf gericht bent, heb je geen woorden nodig. In het begin was de gerichtheid op de ander. Dat was bij God en dat was God. In woorden laten we ons zelf horen, laten we ons zelf zien en openbaren we ons aan de ander.

'Jesus en de apostelen',12e eeuws fresco uit Cappadocië

Sommige kenners van het Johannesevangelie zeggen dat openbaring het centrale gegeven is van het Johannesevangelie. Het is ook het laatste woord van de evangelietekst die we vandaag lezen. Jezus zal zich openbaren aan degene die van hem houdt. Het woord openbaring kan gemakkelijk verkeerd begrepen worden. Openbaring is niet de onthulling van informatie over God. Het verwijst nog minder naar een stelsel van geloofswaarheden dat door de Kerk is ontwikkeld en ons wordt voorgehouden. Wie de moeite neemt om het Johannesevangelie een keer van voor naar achteren te lezen, ontdekt al snel dat Johannes helemaal niet geïnteresseerd is in doctrines of hiërarchische instituties. Johannes is geïnteresseerd in de levende ervaring van de relatie met Jezus en van de relatie met God. 'Ik zal mij aan hem openbaren,' betekent dan ook 'Ik zal mij aan hem laten zien, zoals ik ben.'  De leerling die van Jezus houdt, zal gaandeweg steeds meer mogen ervaren van het geheim dat Jezus is en in zich meedraagt. Deze ervaring rijmt met het woord 'kennen' dat eveneens een centraal woord is in  het evangelie van Johannes.  

Ook bij kennen gaat het niet om informatie, maar om relatie. Het is kennen zoals vrienden elkaar kennen, en zoals geliefden elkaar kennen. Elkaar kennen betekent niet iets over iemand weten, maar intiem contact hebben met het geheim van de ander, zonder dat geheim ooit volledig te kunnen omvatten. Je aan de ander laten zien is de ander de kans geven ingetrokken te worden in de kwetsbare intimiteit die jezelf bent. Zo wordt een relatie steeds verder verdiept zonder dat ooit het geheim van de ander is uitgeput. Kennen is leven in de grondeloze diepte die de ander is.
'In het begin was het woord' betekent hetzelfde als 'God is liefde'. Het is het verlangen van God om zich aan ons te laten zien. Dat woord van God is vlees geworden. Het verlangen van God is zichtbaar geworden in Jezus. Het woord is een uitnodiging aan ons. Doordat God mens is geworden is het mogelijk geworden dat wij antwoord geven aan zijn verlangen. Zijn woord verlangt ons antwoord. Dat antwoord is onze liefde. Zijn liefde wekt onze liefde. Zo wordt betrekking mogelijk. Hij woont in ons en wij wonen in Hem. Wonen in, zijn in, kennen, liefhebben en geloven zijn in het Johannesevangelie woorden die allemaal behoren tot hetzelfde betekenisveld. Ze hebben allemaal betrekking op dezelfde werkelijkheid: het verlangen van God zich aan ons te laten zien en de liefde in ons die door dat verlangen wordt gewekt.

De woorden van de evangelietekst van vandaag zijn gesproken op de laatste avond van Jezus' leven. Jezus troost en bemoedigt zijn leerlingen door te zeggen dat hij hen niet als wezen zal achterlaten. Hij zal bij hen terug komen. In het Johannesevangelie komt Jezus al heel snel terug. Op de avond van de eerste dag van de week waren de leerlingen bijeen. De deuren waren gesloten. Jezus kwam en stond in hun midden. Hij blies over hen en zei: 'Ontvang de heilige geest.' De verrezen Heer is aanwezig in de bijeenkomsten van de christelijke gemeenschap. Dat is de plek waar we de Geest van de waarheid ontvangen. In de christelijke gemeenschap komt de wederzijdse inwoning van God en ons tot stand. Dat is de plek waar God liefde is.
Vanwege de persoonlijke relatie met God en de verrezen Heer denken sommige mensen dat het Johannesevangelie een individuele of zelfs individualistische vroomheid ademt. Het tegendeel is waar. Het is in de onderlinge liefde dat God voor ons zichtbaar wordt. Als God ons zo heeft liefgehad dat Hij zijn enige zoon heeft gezonden, moeten wij ook elkaar lief hebben. Vooral in tijden dat een virus ons dwingt tot sociale afstand, is dat van groot belang. Veel mensen zijn creatief geworden in de zorg voor hun medemensen. Ze proberen de onderlinge gemeenschap te bewaren en de eenzaamheid die het gevolg is van de quarantaine, op te heffen. Vanuit een gelovig perspectief mogen we daarin misschien de werking van Gods Geest herkennen. In de zorg en de liefde voor elkaar, in de hulp die we elkaar bieden, ziet het gelovige oog hoe Gods liefde onder ons doorwerkt en hoe de Geest van God onder ons werkzaam is.  

Huub Welzen, o.carm.

Overweging

10 mei 2020 – Efesiërs 2,17-22 en Johannes 14,1-12
Onze Lieve Vrouweparochie (vanwege corona in besloten viering in de Karmelcommuniteit)

Overweging

Wij komen met het evangelie van vandaag midden in het afscheid dat Jezus neemt van zijn leerlingen. Jezus probeert hen te bemoedigen:
"Laat jullie hart niet verontrust worden". Ze zitten aan de tafel van het laatste avondmaal en de leerlingen zien het afscheid van hun vriend en leraar angstig dichtbij komen. "Laat jullie hart niet verontrust worden."
Laat je niet ontmoedigen. Laat je niet bang maken, laat je niet ontwrichten.

Maar hoe doe je dat, - je rust bewaren in zo'n vreselijke omstandigheden? Hoe bewaar je de moed in een schijnbaar hopeloze situatie? Het staat er heel kort: "Geloof in God, geloof ook in mij". Dat is de raad van Jezus. Voor hem maakt geloven in God je hart rustig en stevig. Hij probeert ons hart open te maken voor God.
En om dat te bereiken, gaat hij nog een stapje verder: hij voert ons binnen in wat hij van God weet: "In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen". God is Gastvrije Liefde.
"In het huis van mijn Vader zijn vele woningen." Niet alleen later, maar – zoals we in de brief aan de Efeziërs hoorden – ook nu al, in dit leven.
"Jullie zijn geen vreemdelingen en ontheemden, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God". "In het huis van mijn Vader kunnen velen verblijf houden."

In het huis van de méns is de ruimte beperkt. Afgelopen maandag herdachten we de doden uit de tweede wereldoorlog. En meer dan anders kwam weer voorbij hoe de ene mens de andere mens, het ene volk het andere volk het leven niet gunde. Er was geen ruimte voor homoseksuelen, Joden, Sinti, Roma, mensen met een beperking...
Er is nog steeds geen ruimte voor Palestijnen in Israël… Er is in onze dorpen en steden steeds minder ruimte voor asielzoekenden en vluchtelingen… Er is soms ook weinig ruimte voor mensen die anders geloven…

Hoeveel ruimte geven wij elkaar? In het huis van de méns is de ruimte beperkt… Maar "in het huis van mijn Vader is ruimte voor velenen de weg daarheen is jullie bekend", voegt Jezus eraan toe.

Dat brengt Thomas tot de vraag die veel mensen zich stellen: "Hoe kunnen wij de weg naar het huis van God kennen?" Wie wijst ons de weg? Het antwoord van Jezus klinkt eerst wat raadselachtig: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door mij".
Dit zou je helemaal verkeerd kunnen verstaan alsof de weg van het christelijk geloof superieur zou zijn tegenover andere wegen naar God.
Maar daar gaat het in dit gesprek niet om. Jezus spreekt hier over de weg als een manier van leven. Hij wijst op zijn eigen manier van leven, - het leven dat zijn leerlingen drie jaar van dichtbij mee hebben gemaakt en dat wij kennen vanuit de evangelie-verhalen. "Wie mij ziet, ziet de Vader". Als je God zoekt, als je het huis van God zoekt, dan is Jezus een betrouwbare weg.

In het huis van de méns zitten mensen soms gevangen in wetten, geboden, oordelen en vooroordelen. Naar het huis van Gód wordt ons de weg gewezen door Jezus. Hij gaf nieuw zicht aan de blindgeborene, hij hielp de Samaritaanse vrouw die vastgelopen was in haar relaties weer op weg, hij weigerde een oordeel uit te spreken over een vrouw die van overspel werd beschuldigd werd.
Voor wie God zoekt, is het leven van Jezus een betrouwbare weg, - dat zegt het evangelie ons vandaag. In die zin is Jezus de weg naar het huis van God. Hij bood en biedt ons geen theorie, geen ingewikkelde leer waarmee wij anderen kunt overtroeven, maar een wég, - een weg die wij kunnen gaan, in ons eigen concrete leven, een weg van dienst en liefde.

Ben Wolbers o.carm.,
pastor-teamleider

Overweging

GOD IS NABIJ EN HIJ ROEPT ONS

Zusters en broeders,

Vandaag vieren wij de roepingen zondag. Ik herinner me wat wij ooit hebben gedaan toen wij studenten waren. Wij gingen naar de parochies toe om roepingen te promoten. Wat deden wij daar? Samen vierden wij eucharistie met de andere volken van God en daarna maakten wij een drama, samen zongen wij, en dan gaven twee of drie van ons een getuigenis over hun roepings ervaring. Ze vertelden over wanneer, hoe, en waarom ze geroepen werden. Dat programma loopt tot nu toe. Wij geloven dat de jongeren met dat programma geraakt worden om  religieus te willen worden. Het ziet er succesvol uit. Een of twee jaar later kwamen de kandidaten uit die parochie die wij ooit hadden bezocht.

Overweging

In het evangelie van vandaag vertelde Jezus een gelijkenis. Jezus begon met "waarachtig". Dat betekent dat Jezus over de waarheid van een werkelijkheid spreekt. Ik geloof dat de luisteraars van Jezus boeren waren, zodat Jezus over hun wereld vertelde, de wereld van de boerderij. Het is duidelijk wat Jezus bedoelt in deze tekst. De schapen zijn de mensen, het volk van God. En Jezus stelt zich voor dat hij de deur is.

In het huis of in het gebouw, heeft de deur een belangrijke rol. Wij kunnen niet naar de andere kamer of het vertrek toegaan als er geen deur is. Wij kunnen het huis niet binnenkomen als er geen deur of poort is. Of wat kunnen wij onrustig zijn als onze sleutel kwijt is. Ik heb het ooit gehoord van medebroeders en medezusters die het ooit ervaren hadden.

"Ik ben de deur", dat zei Jezus. Er zijn veel deuren die wij kunnen gebruiken. Maar Jezus is echt deur, en de enige deur om naar de verlossing toe te gaan. Via andere deuren, gaan wij naar de vernietiging toe.

God is nabij. Daarom kent hij ons, daarom roept hij ons. Vroeger was God te ver, te hoog. En dan kwam Jezus. Hij heeft ons getoond dat God nabij is. De vraag is: kennen wij God, luisteren wij naar Hem? beseffen wij dat hij aanwezig en nabij is? Ervaren wij hem in ons dagelijkse leven?

In deze gelijkenis sprak Jezus ook over de dieven en bandieten. Wie zijn ze? Zij zijn de krachten die ons er toe brengen om de weg van God te verlaten. Dat is het moment voor ons om te kiezen of wij naar de stem van God luisteren of niet. Zij zijn de rijkdom, populariteit, wereldse glorie, egoïsme, en dan ook de moeilijke situaties: de ziekte, het lijden,  het overlijden, de pijn, het verdriet, enzovoort.

Ik zelf ben geïnteresseerd en geïnspireerd door Titus Brandsma. Hij sprak altijd over God en zijn nabijheid. God is aanwezig overal en in alles. In zijn gevangenis, had hij echt pijn maar toch was hij blij omdat God bij hem was. In de gevangenis van Amersfoort, maakte hij een Latijnse woordspelling op de afkorting PDA: Probemur Dum Amamur, wij worden beproefd omdat wij bemind worden.

Laten wij beseffen dat wij waardeloos zijn zonder God, omdat Jezus ook heeft gezegd: ik ben de weg, de waarheid,  en het leven. Laten wij ons aan hem overgeven, aan zijn leiding. God is nabij, Hij roept ons altijd, en alleen in zijn weg worden wij gered.

Pater Simon Taa uit Flores

Overweging

Overweging:
Wij kunnen ons waarschijnlijk wel herkennen in de moedeloosheid van de leerlingen aan het begin van het evangelieverhaal.
Het gebeurt ons immers in ons leven allemaal dat we twijfel en ontgoocheling ervaren, want de verwachtingen die wij mensen hebben komen lang niet allemaal uit. Wij kunnen ontmoedigd raken door wat er gebeurt rondom ons en ook ín ons. De kinderen die anders uitgroeien, anders dan we hadden gehoopt, een relatie die is verbroken na te veel misverstanden, een zinloze oorlog waarover we telkens weer horen in de media en niet te vergeten kunnen we heel erg ontmoedigd raken door onze eigen fouten die wij steeds weer opnieuw maken:
"Wij hadden zó gehoopt!"

Op zo'n moment van diepe ontmoediging hebben wij mensen dan nogal eens de neiging om weg te vluchten; weg van de plaats van de mislukking. Zoals ook die leerlingen die naar Emmaüs gingen, op de derde dag na die vreselijke dood van Jezus. En 'zij hadden zo gehoopt, dat Hij het was die Israël zou verlossen'.

'De pelgrims van Emmaüs' door Rembrandt van Rijn, 1660

Bij dat wegvluchten hoeven wij natuurlijk niet echt op weg te gaan. Wij kunnen ook heel goed wegvluchten door onszelf geestelijk af te sluiten. Dan zijn we zo opgeslokt door ons verdriet dat dit heel lange tijd kan verhinderen om nieuwe mogelijkheden te zien. Ook dat overkwam die 'Emmaüsgangers'. Er was te veel verdriet om in de man die op hun weg kwam de verrezen Heer te herkennen.

Vaak komen we dan pas uit onszelf als we dan heel direct worden aangesproken of aangeraakt door iemand of iets.

Een tijd geleden vertelde iemand mij over een tijd van hele diepe depressie die zij had moeten doormaken. Allerlei hele nare gebeurtenissen in haar leven hadden haar in een situatie gebracht waarin ze alleen nog maar uitzichtloosheid ervaarde. Het was jarenlang een inktzwarte duisternis om haar heen. Zó stond ze op een lentedag in haar tuintje. Een mooie lentedag, maar ze zag geen sprankje zon, opgeslokt was ze in haar verdriet om alles wat was gebeurd en de mensen die haar waren ontvallen. "Toen", zei ze, "zag ik een krokusje, opeens zag ik de schoonheid van dat kleine bloemetje en even later lag ik op mijn knieën en keek en keek…Ik zag hoe mooi de blaadjes geaderd waren, hoe ze glansden in de zon. Ik zag hoe mooi de kleur was: verschillende tinten paars en lila. Ik had nog nooit zoiets moois gezien".

In die hele diepe duisternis was er op dat moment iets dat haar aanraakte, dat haar vertelde dat er toch ook nog iets was dat verder ging dan die duisternis.
Ze zag opeens een sprank van leven. Het was nog een lange weg, maar het was het begin van het herstel.

Iets kleins kan ons iets laten ervaren van het leven, Ja, zelfs van het Leven met een hoofdletter. Dat kunnen mensen natuurlijk nog veel meer. Net zoals dat krokusje eigenlijk maar heel klein was, je zou er zo aan voorbij lopen, zijn dat ook altijd mensen die bescheiden zijn, die zich niet opdringen. Die zeker niet direct met het vingertje zwaaien of direct met oplossingen komen. Nee, dat zijn mensen die gewoon de tijd nemen en die luisteren, die heel voorzichtig en liefdevol wat inzicht kunnen geven. Die kunnen zeggen: 'probeer eens op een andere manier te kijken', zonder iets op te dringen.

In de evangelielezing hoorden we: "Hij ontsloot voor hen de Schriften."
Met andere woorden: Hij wees hen op wat geschreven staat, dat de Messias, de door God geliefde mens, niet uit Gods handen kán vallen en dat er zoiets is als 'leven in Gods heerlijkheid'. 'Nu', staat er geschreven, 'gingen hun de ogen open'. Maar het was natuurlijk vooral hun hart dat openging. De leerlingen keken vanaf dat moment met de ogen van het vertrouwen.

"Was het niet hartverwarmend, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?" zeggen die leerlingen later tegen elkaar. 
Jezus toonde zich op die weg naar Emmaüs een pastor die luisterde en meeleefde, een vriend die aandacht gaf, die met hen maaltijd hield en een tijd met hen opliep; Hij was voor hen een leraar die uitlegde dat God echt veel sterker is dan de dood.
Op die wijze kunnen wij natuurlijk nog altijd met elkaar oplopen. Weliswaar op anderhalve meter afstand van elkaar, maar wij kunnen er voor elkaar zijn. Dat vraagt wel inzet en aanwezig willen zijn.  Dat vraagt vooral ook toekeer naar elkaar.

Alle paasverhalen proberen een antwoord te geven op de vraag: "Waar en hoe kunnen wij de verrezen Heer ontmoeten?"
Het verhaal van die leerlingen die naar Emmaüs gingen probeert daar ook een antwoord op te geven. Het vertelt dat wij met elkaar het levende Lichaam van Christus zijn, dat wij Hem aanwezig kunnen stellen.
Dat betekent volgens mij niet dat wij altijd 'lief' voor elkaar moeten zijn. Maar wel liefhebbend, toegenegen, welwillend en elkaar ook misschien zo nu en dan erop wijzend dat we de verkeerde kant opgaan en beter niet bij mislukking en verdriet kunnen wegvluchten, maar dat het goed is en blijft – in navolging van Christus - om open te staan voor wat en vooral voor W/wie er op onze weg komt. Dat wij daartoe de inspiratie en de kracht ontvangen. Amen.

Aanwezige God,
Geef ons de kracht om niet weg te vluchten
bij wanhoop en ontgoocheling.
Help ons open te blijven staan
voor wat is en voor wie op onze weg komt.
In navolging van Jezus uw geliefde Zoon
die leeft in de eeuwen der eeuwen.
Amen.

Zondag 19 april 2020

Joh. 20,19-31

Veel boeken zijn bedoeld als ontspanningslectuur. Ze verstrooien ons en helpen ons de tijd op een aangename manier door te komen als we bijvoorbeeld gedwongen zijn om binnen te blijven en geen andere vormen van ontspanning kunnen genieten.

Andere boeken zijn bedoeld om ons op de hoogte te brengen van een bepaalde stand van zaken. Wetenschappelijke boeken bijvoorbeeld willen ons vooral informeren. Doorgaans is die literatuur een stuk saaier dan de misdaadroman.

'De barmhartige Samaritaan', Rembrandt van Rijn, na 1633 (bron: Wikipedia)

Johannes de evangelist heeft zijn boek geschreven om weer een heel andere reden. Hij geeft dat op het einde van zijn boek in een nawoord uitdrukkelijk aan. Hij heeft de verhalen over Jezus opgeschreven opdat zijn lezers zullen gaan geloven in Jezus de Messias, en opdat zij door te geloven leven zullen bezitten. Dat nawoord verwijst terug naar het voorwoord van het Johannesevangelie. Dat voorwoord is een prachtig, maar ook diepzinnig gedicht. Het gaat erover hoe wij tot God kunnen komen. 

Eigenlijk is tot God komen onbegonnen werk. Want niemand heeft ooit God gezien. Toch is het mogelijk dat wij tot God geraken. Want God heeft zelf initiatief genomen. Het woord van God is vlees geworden. In Christus zijn de genade en de waarheid van God zichtbaar geworden. Vlees worden betekent hier dat het woord van God alle aspecten van ons menselijk leven gedeeld heeft: de vreugde en het geluk, het verlangen, maar ook onze wanhoop, ons verdriet en onze machteloosheid. De weg naar God wordt voor ons opengelegd als wij erkennen dat in Jezus het licht van God zichtbaar is geworden.

Eigenlijk willen alle verhalen van het Johannesevangelie ons voeren naar de erkenning van Christus als het vleesgeworden woord van God. Hij is vanuit de eenheid met God één geworden met ons mensen. Het voorwoord van het Johannesevangelie zegt het prachtig: hij is de exegeet van God en de weg naar God. Alle verhalen van het Johannesevangelie willen ons voeren naar die eenheid met God die in Jezus mogelijk is geworden. Dat erkennen, ervaren en beleven is geloof. Het is de onmiddellijke verbondenheid met Christus. Die eenheid hoeft niet meer door anderen bemiddeld te worden. Een prachtig voorbeeld is het einde van het verhaal van de Samaritaanse vrouw.  In haar stad Sichar vertelt ze over haar ontmoeting met Jezus. Vanwege haar getuigenis gaan de inwoners van de stad naar Jezus toe en ze vragen dat hij bij hen blijft. Door het woord van Jezus komen nog meer mensen tot geloof. Ze geloven nu omdat ze Jezus zelf hebben gehoord. Ze hebben rechtstreeks contact met Jezus en hebben het getuigenis van de vrouw niet meer nodig. De bemiddeling van de vrouw is overbodig geworden. Door het rechtstreekse contact kunnen zij kinderen van God worden.
Johannes wil dat zijn lezers, wij dus, gaan geloven dat het ook voor ons mogelijk is dat de deur naar God open gaat. Maar hoe moet dat dan als het rechtstreekse contact met Jezus niet meer mogelijk is? Zijn wij, de lezers van het boek van Johannes, te laat geboren? En wat als we zelf de deur gesloten houden, zodat de open ruimte van het contact met de verrezen Christus onmogelijk is?

Het verhaal van Thomas gaat in op deze vragen. Belangrijk zijn de tijdaanduidingen. Het verhaal gebeurt op de avond van die eerste dag van de week. Het is diezelfde eerste dag van de week waarop Maria van Magdala in alle vroegte naar het graf was gegaan en had gezien dat de steen voor het graf was weggerold. Het is op zondag dat Jezus komt en in het midden van de leerlingen staat. Het is de dag waarop christengelovigen samen komen om te luisteren naar het woord van God en samen de eucharistische maaltijd vieren. Veel mensen lezen hier dat Jezus door dichte deuren is binnen gekomen. Maar veel belangrijker is het dat hij op zondag in het midden van de leerlingen staat. Hij komt aanwezig in de saamhorigheid van de leerlingen, zelfs als die saamhorigheid door angst is ingegeven. Acht dagen later, dus ook weer op zondag, zijn de leerlingen opnieuw bijeen. En weer komt Jezus in hun midden. De saamhorigheid van de leerlingen is letterlijk de belichaming van de aanwezigheid van Jezus.
In deze tijd van de coronacrisis is het ons niet gegeven om als christengemeenschap fysiek samen te komen. Maar er zijn meer uitdrukkingen van saamhorigheid dan alleen het fysieke samenkomen. Voor dit moment kan het troostrijk zijn dat Thomas de aanwezigheid van de verrezen Heer herkent aan de tekenen van het lijden die hij in zijn lichaam draagt. Dat het woord van God vlees is geworden betekent ook dat God zelf aan den lijve ons lijden heeft gevoeld en dat Hij dat lijden heeft gedragen. Niet alleen in vreugde, geluk en blijdschap is Hij mens geworden. Ook onze onmacht vanwege een onzichtbare vijand, onze vertwijfeling en onze wanhoop, ons verdriet om de mensen die gestorven zijn, onze onzekerheid  om onze toekomst, onze behoefte aan contact met de zieke mensen die onze lief zijn, een contact dat onmogelijk is geworden: in dat alles is God ons nabij gekomen. Ook nu kunnen wij ons tot God richten omdat ook deze aspecten van het menselijk bestaan Hem bekend zijn. Ook God zelf heeft de onmacht, het verdriet, de vertwijfeling en de onzekerheid gevoeld. Ons lijden heeft wonden in zijn lichaam achtergelaten. Thomas heeft dat herkend. Zo kon geloven en zeggen: 'Mijn Heer en mijn God'.

Gebed

Heer, onze God,
wij danken U voor uw gaven,
voor uw liefde en voor het leven,
die wij van U mochten ontvangen,
wij danken U
dat U ons nabij wilt zijn
ook in ons verdriet en onze pijn.
Wij vragen U,
dat we uw weg mogen gaan,
dat U met ons gaat,
alle dagen van ons leven.
Amen.

Huub Welzen, o.carm

Overweging Paasnacht

Als u de verrijzenisverhalen uit het Nieuwe Testament naast elkaar legt zult u zien dat er maar één punt van overeenkomst is: Jezus leeft en de boodschap dát Hij leeft, moet verder verteld worden. Híj ís de levende.

Opstanding van Christus uit 1463 door de Toscaanse kunstenaar Piero della Francesca (ca. 1415-1492)

Het verhaal ging zo'n tweeduizend jaar geleden als een lopend vuur door het Romeinse Rijk: het verhaal over hoe Jezus had geleefd, wat Hij te vertellen had, hoe Hij bevrijdend omging met mensen en zonden vergaf.
Dat alles had 'een klap op de vuurpijl gekregen': Hij was dan wel gestorven met de meest vernederende dood die de Romeinse machthebbers konden bedenken – alleen voor slaven en niet-Romeinen – maar God had zijn leven bekrachtigd. Het was alsof er vanuit de hemel werd gezegd: 'dit leven was góed en jullie vernietigen het niet…'

In dat Romeinse rijk, met enorme aantallen mensen die aan de onderkant van de samenleving bungelden, was dit een boodschap die door heel veel mensen graag werd ontvangen; die de mensen als het ware indronken.

Dat was toch niet helemaal vanzelfsprekend.
Er is in Rome een ingekraste afbeelding gevonden uit de tweede eeuw. Er staat iemand op afgebeeld die aan het kruis is geslagen. De man aan het kruis heeft een ezelskop gekregen en eronder staat:  "Alexamenos aanbidt God". Het is duidelijk waarmee de spot wordt gedreven. Die christenen aanbidden een terechtgestelde God…Het is niet voor niets dat de apostel Paulus schrijft dat een gekruisigde God "voor Joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid is". Met andere woorden: het idee is voor Joden godslasterlijk en voor heidenen is het absoluut belachelijk.

En nu, hoe is dat tweeduizend jaar later? Hoe gaan wij om met de boodschap 'Hij leeft'? Kunnen wij geloven dat alle wreedheid, geweld, onrecht - en noem maar alle andere vormen van ellende op - niet het laatste woord heeft? Kunnen wij die boodschap in ons leven opnemen en in vertrouwen naar de wereld kijken, ook naar alles dat verdrietig is en geloven dat Hij het laatste scheppende Woord spreekt. Dat ook als wij het verknoeien er een 'en tóch' is.

Het is opvallend dat mensen die geloven in die boodschap van leven vaak een enorme energie hebben in het zich inzetten voor de wereld – een inzet die zij vaak helemaal niet onderscheiden van zich inzetten voor God.
Het lijkt in tegenspraak: je kunt toch ook gaan zitten wachten tot het nieuwe leven komt. Dat verwijt krijgen wij christenen vaak, dat wij misstanden vergoelijken met de belofte dat mensen het later in de hemel beter krijgen. Maar je kunt het tegengestelde zien gebeuren. Mensen die diep vertrouwen in een God die het leven geeft en die het leven vasthoudt over de dood heen, gaan juist dat leven doorgeven aan anderen. In Bijbelse termen: 'Zij kennen God' of 'Zij kennen Christus' en wat zij hebben leren kennen geven ze door.
Voor de betekenis van dat 'kennen' moeten we naar het oude testament, waarin 'kennen' een heel intieme klank heeft; zoals twee mensen elkaar door en door kunnen kennen: samen leven, samen slapen, samen vrijen, van elkaar zijn en bij elkaar horen. Mensen die God zo 'kennen' als een God van leven en levenden, willen erover vertellen; over waar zij hun inspiratie vandaan halen en over wat zij zelf voor nieuw leven hebben ontvangen. Net als de eerste apostelen deden, die erop uittrokken om de boodschap van leven in woord en daad aan de hele wereld te brengen. Zij deden dat met gevaar voor eigen leven. Mensen die diep in het leven geloven geven het door, zonder er al te veel bij na te denken of dat wel verstandig is. Petrus eindigde zijn leven ook aan het kruis, Paulus werd onthoofd anderen stierven in een Romeinse arena. Zo eindigden er veel van die eerste getuigen van het leven dat niet kapot te maken is. Maar hun woorden inspireren ons door de verhalen over de opstanding van Jezus nog steeds: Hij lééft; Hij ís verrezen, opgewekt door een God van levenden.
Bidden we dat we dat blijven doorgeven aan elkaar.

Gebed:
Gij, God van levenden:
U weet wat er in ons omgaat.
U kent onze angsten en deelt onze vreugde.
Hoor ons bidden, blijf ons nabij.
Dat vragen wij U door Jezus Christus,
aan wie U kracht van leven gaf,
vandaag en alle dagen die ons gegeven zijn.
Amen.

Laetitia Aarnink  - overweging Witte Donderdag

Wat er vanavond gebeurt is zeer schokkend. Midden onder de maaltijd staat Jezus op, legt zijn bovenkleren af, bindt een linnenschort om zijn middel en gaat zijn leerlingen de voeten wassen. Zó kennen ze hem niet. Zoiets heeft hij nog nooit gedaan. Petrus verzet zich dan ook tegen wat Jezus doet. Dit kan hij niet meer volgen. Hij zegt: 'Heer, gaat u mij de voeten wassen? Nooit in der eeuwigheid zult u mij de voeten wassen'.


Dit is geen 'voorgaan' meer. Dit is afgaan. Hoe kan Jezus, zijn heer en meester, zich zo verlagen, dat hij zijn leerlingen de voeten wast? Dit kan niet. Een voorganger die de voeten wast van zijn leerlingen - daar moet iets mis mee zijn. Twee, drie jaar lang is Jezus hen voorgegaan en zij hebben het eigenlijk nooit goed begrepen. Zij zijn in de bewondering en het applaus blijven steken, en hebben niet doorgehad wat hij hun te zeggen had. Verschillende keren hebben zij wel gehoord: 'De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen' (Mc.10, 43-45). Wie is het belangrijkste? Die aan tafel aanligt, of die bedient? Die aan tafel ligt, toch zeker! Maar ik ben in jullie midden degene die bedient' (Lc. 22, 27). 'Ik ben jullie heer en meester. Ik ga jullie voor in dienstbaarheid'. Maar de sprong, de overgang van 'horen' naar 'doen' is te groot voor de leerlingen.

In de viering van vanavond, op de avond voor zijn lijden en dood, gaat Jezus ons voor in gebed, als hij bidt voor zijn leerlingen die zijn heengaan niet zullen begrijpen. Hij gaat hen voor in gebed als hij bidt voor allen die in zijn Naam geloven. Maar vanavond gaat Jezus hen ook uitdrukkelijk voor in dienstbaarheid. Hij legt zijn bovenkleren af, bindt een schort om zijn middel en wast zijn leerlingen een voor een de voeten.
Wie voorgaat in de liturgie, voorleest, voorzingt, voorbidt, een overweging houdt, doet dat nooit voor zichzelf. Dan zouden we eigenlijk moeten klappen, als iemand goed voorleest, of heel mooi zingt. Wie voorgaat staat niet tegenover het volk om iets voor te dragen, maar voor het volk. Als hij bidt, bidt hij namens het volk. Als hij zingt, zingt hij namens het volk. Als hij bedient, bedient hij namens het volk. Het volk bidt, zingt en bedient.
Jezus gaat ons voor in gebed. Hij bidt namens ons, hij verwoordt ons bidden en zuchten, en maakt ruimte voor de Geest, de Adem van God. Wij bidden met hem, onze voorganger, mee.
Maar Jezus gaat ons ook voor in dienstbaarheid. Hij is dienstbaar namens ons. Hij trekt ons mee in de beweging van zijn Geest. Hij trekt ons uit onszelf naar de ander toe om dienstbaar te zijn zoals hij, om elkaar de voeten te wassen.
Bidden wij, dat wij niet langer heersen over elkaar, maar ons de gezindheid van Jezus Christus eigen maken (Filippenzen 2, 5)

Gebed:
Goede God,
help ons Jezus te gedenken
die steeds voor ogen had
dat Hij voor U en voor ons
zijn werk deed
van genezing en bevrijding.
Wij bidden U dat ook ons werk
meer en meer
in zijn Geest zal zijn.
Amen.

Susan van Driel - overweging Palmzondag

Wat een enthousiasme vertonen de mensen die er bij zijn als Jezus Jeruzalem binnentrekt: "Hosanna de zoon van David". Zij begroeten Hem als een afstammeling van David, een koningszoon die zijn koningschap komt bevestigen.

Intocht in Jeruzalem, door Giotto in de Arenakapel (of Scrovegnikapel) in Padua (ca. 1305)

Dat beeld van Jezus op een veulen herkennen ze. Het is een beeld dat herinnert aan verhalen uit het verleden. Hoewel het volk Israël al eeuwen zucht onder vreemde en vaak wrede overheersing, is toch de herinnering aan de koningen van Israël nog steeds levend.

Natuurlijk, er is maar een écht koning over Israël en dat is de Heer, de God van Israël; de God die zijn volk heeft bevrijd uit het slavenhuis van Egypte; die het roepen  van zijn volk hoorde en zijn mensen door de woestijn naar het beloofde land heeft geleid. Maar het volk had daar niet genoeg aan, het wilde 'echte leiders', 'sterke leiders'. En het kreeg leiders: gezalfde koningen. Zíj zouden koningen moeten zijn naar Gods hart.

Over zo'n koning, zingt psalm 72:
          'Hij redt de misdeelde die om hulp smeekt,
de verdrukte, door niemand geholpen.
Wie achtergesteld zijn toont Hij erbarmen,
wie zwak en onderdrukt is redt hij het leven.
Hij koopt hen vrij uit slavernij en geweld    
want kostbaar is hun bloed in zijn ogen'.
Tegen zo'n gezalfde koning zijn de tedere woorden gericht uit psalm 2: 'Jij, jij bent mijn zoon, vandaag heb ik je verwekt'.
Zo'n koning was de bedoeling.

Met mensen is echter doorheen de eeuwen altijd hetzelfde aan de hand geweest:
Als ze macht hebben over andere mensen, dan zijn er maar weinig die daar op een goede en verantwoordelijke manier mee kunnen omgaan. Kijk maar in de krant, op de televisie en op de app: machtsmisbruik is aan de orde van de dag en alles wordt gedaan om die macht in handen te houden. Zelfs in deze tijd van Corona is het voor leiders in sommige landen belangrijker om stemmen te trekken door stimulering van de economie dan om de juiste beslissingen te nemen voor de gezondheid van de mensen.

Ook de meeste koningen van Israël vervielen vroeg of laat tot misbruik van macht. We kunnen het in onze H. Schrift gewoon lezen: moord, zelfverrijking, het invoeren van vreemde en bloeddorstige goden. Toch bleef onder de mensen de herinnering levend dat een koning eigenlijk anders zou moeten zijn. En soms was er ook wel een die wél probeerde 'zoon van God' te zijn.
Zo'n koning was Salomo, een koning waarvan de wijsheid en goedheid spreekwoordelijk werden. Dat was een koning die, toen hij tot koning werd gezalfd, niet op een trots paard reed maar op een eenvoudig muildier, het rijdier waarop zijn vader koning David ook reed; een dier dat op zijn rug altijd de lasten draagt die mensen niet kunnen dragen. Die herinnering bleef levend en het volk bleef hopen op een nieuwe en zachtmoedige vredevorst.

Zo zien de mensen in de straten van Jeruzalem Jezus de stad binnengaan, zij zien in Hem de nieuwe koning. Hij is aan het eind gekomen van een weg die bij zijn doop was begonnen. Daar had Hij diep gevoeld dat Hij kind van God is; daar hoorde Hij de stem: 'Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind'. En Hij voelde toen dat íeder mens kind van God is, maar dat de mensen dat niet altijd beseffen; dat ze dat elkáár niet altijd laten voelen. Dus trok Hij rond en ging Hij aan de mensen vertellen dat God er is, heel dichtbij. Zijn boodschap was: Hij heeft je lief…Heb jíj ook anderen lief…Dat vertelde Hij vooral aan de mensen die op wat voor manier dan ook werden gezien als er niet bij horend: melaatsen, gehandicapten, zondaren. En al die mensen voelden dat als Hij hen aankeek, Hij hen aankeek met de ogen van God; de ogen van een Koning in dienstbaarheid aan mensen. Het raakte hen en ze gingen Hem achterna.
Bidden wij dat ook wij zullen volgen.

Gebed:
God,
uw Naam is: 'Ik zal er zijn'.
Wees trouw aan deze naam
en blijf ons met uw liefde nabij.
Dat bidden wij U omwille van Hem
die uw Dienaar tot het uiterste is geweest:
Jezus Christus, onze Heer.
Amen.

overweging bij een fragment uit Johannes 11,1-45

De opwekking van Lazarus is het laatste van de zg. tekenen in het Johannesevangelie. Johannes noemt de wonderen van Jezus 'tekenen', omdat hij wil voorkomen dat de wonderen als een soort stunt worden gezien. De wonderlijke daden van Jezus voor hem verwijzingen zijn: ze verwijzen naar een wereld waar God in al zijn volheid bij ons zal wonen. Het is de wereld waar geen dood meer zal bestaan, "geen rouw, geen geween, geen verdriet zal daar zijn, want al het oude is voorbij" [Apokalyps 21,4].

Apokalyps

Die wereld van God is er nu nog niet, althans niet zichtbaar. Dat zien we vandaag ook in het evangelie Er is een zekere spanning tussen [zeg ik maar voor het gemak] 'de wereld van God' én 'de wereld van ons mensen'. Onze wereld wordt begrensd door onze onmogelijkheden. Er zijn ziekten waar je niet van geneest. Er is onrecht waar je niets aan kunt doen. Er is lijden dat je moet ondergaan, of je wilt of niet. Ons leven is een begrensd en beperkt leven.
En daartegenover staat 'de wereld van God'… hoewel… daartegenover?? Misschien zeggen we beter: daarín verborgen; in onze wereld is er ook die wereld van God, die onze begrensdheden openbreekt. "Midden in de dood zijn wij in het leven…" zingt het lied.

Een paar voorbeelden uit de Schrift doen dit ook vermoeden. Als Sara te horen krijgt dat zij op hoge leeftijd nog een kind krijgt, moet ze vreselijk lachen. Haar lach was logisch. Zij kon zich geen andere toekomst voorstellen dan die zij reeds kende. Maar na negen maanden bleek toch, dat er voor God wel degelijk een andere toekomst bestaat…
En Ezechiël ziet in zijn visioen, dat de graven open zullen gaan. Ook van de grens van de vergankelijkheid trekt God zich niets aan. Precies dat aanvoelen, dat God voorbij alle grenzen is… precies dat horen we vaker in de Schrift: van Sara via Ezechiël tot en met Marta en Maria: onze God is een God van levenden, niet van doden.

Dan is natuurlijk de vraag wat die dynamiek van de Schrift doet met ons. Het is in ieder geval wel de bedoeling van Jezus dat er iets gebeurt met ons. Jezus zegt van zichzelf tegen Marta: "Ik ben de verrijzenis en het leven". En vervolgens vraagt hij aan Marta: "Geloof je dat?" Daarmee daagt hij Marta uit om te kiezen, persoonlijk te kiezen. Er moet iets gebeuren met haar. En er gebéurt ook werkelijk iets met haar. Eerst heeft ze gezegd: "Ik wéét dat God je zal verhoren." En even later: "Ik wéét dat mijn broer zal verrijzen.." Maar dan komt ze door die scherpe vraag van Jezus toch bij haar diepste overtuiging: "Ik geloof."

Het evangelie wil ons toe-leiden naar het geloof van Marta. Het vraagt van ons, dat ook wij ons laten uitdagen door Jezus. De stap maken van weten naar geloven. Weten en kennen is onvoldoende. Dat je de vragen en de antwoorden uit de catechismus uit je hoofd kent, zegt niet zoveel. Wanneer je je in alles precies houdt aan de voorschriften en de geboden van de kerk, betekent dat op zich ook niets. Het gaat Jezus erom dat ons doen en laten bezield is door liefde. Dat respect en liefde voor de medemens en voor de natuur onze drijfveer is. Dat je je laat raken door de schoonheid van de dingen en verdrietig kunt zijn om het leed van de ander. Dat je in wat er om je heen en met je gebeurt de aanwezigheid en de werking van God durft te ontdekken. Dat is de dynamiek van dit evangelie. Marta en Maria lieten zich raken, gaven zich over, vertrouwden zich toe, gelóófden op het moment dat ze voelden dat Jezus bewogen werd door hun leed. Jezus huiverde staat er en hij huilde: hij werd tot in zijn diepste binnenste bewogen en geraakt; hij verstond hen en zij wisten zich verstaan en vertrouwden zich toe en geloofden in hem.

Wat dit geloven is, is verder moeilijk uit te leggen. We kunnen het misschien van binnenuit aanvoelen als we het leven overdenken van Titus Brandsma of stilstaan bij het sterven van iemand, die in overgave gestorven is. Dan kun je iets aanvoelen
wat er gebeurt met mensen die leven vanuit een geraakt-zijn-door Jezus of door God. Dan kun je zien, dat het mogelijk is: een houding van overgave, van je toevertrouwen, hoe het leven er ook uit gaat zien. Steunen op de trouw van onze God.

Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider

gebed

God van Levenden,
schenk ons geloof en vertrouwen,
in deze tijd van twijfel en onzekerheid
waarin wij moeten leven.
Dat wij in ons leven ruimte blijven geven
aan U en onze medemensen.
Dat wij blijven geloven, dat U ons zal dragen,
waar wij ook moeten gaan.
Amen.


Maria heeft dan nog een hele weg te gaan. De gezegende vrucht van haar schoot zal ze ter wereld brengen. Ze zal het Kind voeden en opvoeden. Ze zal Hem ook moeten loslaten, dan kan ze Hem alleen nog maar liefhebben. Ze zal Hem zien opgroeien tot een man met een missie, een man met een geheel eigen opdracht, een man die zijn eigen weg gaat. Hij zal uitgroeien tot de hoogste dienaar van God en van alle mensen. Met de weg die zij gaat, is Maria voor ons een voorbeeld van liefde en geloof. De liefde van God beantwoordt zij met haar dienstbaarheid en haar hele vertrouwen stelt zij op God. Hoe onzeker haar toekomst ook is, zij vertrouwt erop dat het goed komt. Hoe onbegrijpelijk haar Zoon Jezus ook is, zij geeft Hem haar vertrouwen, zij steunt Hem, zij volgt Hem, zij gelooft in Hem en zij houdt van Hem.
God wil dat wij mensen – zijn kinderen – gelukkig zijn. Daarvoor is Jezus, Gods Zoon mens geworden. Jezus laat ons zien dat wij het geluk vinden in de liefde voor God en voor elkaar. Hij heeft ons die liefde voorgeleefd en roept ons op zijn voorbeeld te volgen. Hij heeft ons zijn Geest gegeven om ons daarbij te helpen. Door Jezus hebben wij weet van de liefde van God en hij heeft ons geleerd wat Gods liefde kan bewerken.
Wij mensen zijn geschapen naar het beeld van God. In verbondenheid met elkaar komen wij tot volle wasdom. Door de liefde voor elkaar kunnen we van elkaar ontvangen en kunnen we aan elkaar geven. Doordat we van elkaar verschillen kunnen we van elkaar houden. Door de verscheidenheid kunnen we elkaar aanvullen en elkaar van dienst zijn. Zo wordt de ontmoeting tussen mensen werkelijk een heel kostbaar geschenk. Ons geluk en onze vreugde ligt niet in de zelfgenoegzaamheid. Zij liggen niet in onze onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Juist in verbondenheid met elkaar komen wij tot ontplooiing. Binnen de gemeenschap worden wij werkelijk mens.
Binnen de gemeenschap, in de relatie tussen mensen is Jezus aanwezig.

Daar is zijn Geest werkzaam: de Geest van liefde en verbondenheid. Hij versterkt onze liefde en dienstbaarheid voor elkaar. Hij maakt die liefde vruchtbaar. Hij vervult onze harten daarmee met echte vreugde. Hij maakt dat wij – zoals Maria in het Magnificat – het uitzingen van vreugde. Maria weet waar liefde en geloof ons brengen. Liefde en geloof zijn de sleutelwoorden in onze menselijke relaties. Als wij elkaar niet waarderen en niet vertrouwen kunnen we niet met elkaar samenleven. Zonder liefde en geloof wordt onze samenleving een politiestaat.
Dienstbaarheid, gemeenschap en verbondenheid, liefde en geloof, respect en vertrouwen staan aan de basis van onze gezinnen en van onze vriendschappen, aan de basis van onze arbeid en van onze ontspanning. Geheel onze maatschappij is erop gebouwd. Als wij leven vanuit deze gedachte mogen wij onszelf werkelijk kinderen van Maria noemen.

Maria geeft ons het voorbeeld. Net zoals zij deed, mogen wij haar Zoon Jezus navolgen en Hem liefhebben. Zij leefde een leven van liefde en geloof, van dienstbaarheid en verbondenheid. Ook wij kunnen en mogen die weg gaan. Maria is ook onze voorspraak. Zij is ons gegeven als ons aller moeder in liefde en geloof. Zij staat ons ook bij op onze weg door het leven. Zij helpt ons – net als zijzelf – te leven vanuit de genade die God ons geeft. Amen.

De overweging is van Pier Tolsma, diaken in de r.k. parochiefederatie Vlietstreek. De overweging is door ons licht bewerkt en gisteren, op 25 maart, het feest van Maria Boodschap, gelezen in de viering van onze Karmelcommuniteit. Lees de complete tekst.

Deze overweging is geschreven door Falco Thuis op 26 maart 2017

In het voorbijgaan zag Hij een man die blind was van zijn geboorte af. Zijn leerlingen vroegen Hem: "Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?" Jezus antwoordde: "Zijn blindheid heeft niets te maken met zijn eigen zonden of die van zijn ouders. Nee, de daden van God moeten vandaag openbaar worden.

Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld." Toen Hij dit gezegd had, bestreek de ogen van de man en zei tot hem: "Ga u wassen in de vijver van de Siloam". Hij ging er naar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan. 
(Johannnes, hoofdstuk 9)

Siloam

overweging 
In het begin van het Johannes evangelie horen we plechtig aangekondigd dat het Woord van God leven is, licht voor de mensen. Maar er staat direct bij dat dit licht in de duisternis scheen, maar dat de duisternis het licht niet aannam. Deze woorden klinken mee in het verhaal van de blind geborene, van wie Jezus de ogen open en licht werd in de duisternis van zijn blindheid.

De komst van het Licht in de wereld, namelijk Jezus Christus, blijft ook in onze wereld ten nauwste verweven met een, lijkt het soms,  georganiseerde weerstand van de duisternis die het Licht niet wil. 'Hoe is het mogelijk, zei Titus Brandsma, 'dat zoveel weldenkende mensen het licht niet zien van het bestaan van God als de bron van al wat is, als een Geheim van liefde.'

In onze tijd van secularisatie en 'godsverduistering' komen veel mensen er met een zekere trots voor uit 'het licht te hebben gezien' van bevrijding uit godsgeloof en onderdrukkende religie. 'Hoe kun je geloven in het bestaan van een God die toestaat dat je kindje dood gaat?', zegt een hoog opgeleide journalist tot een breed publiek. 'Stel me geen vragen over het geloof. Ik heb afstand genomen van die hele poppenkast.'

Heel veel mensen hadden en hebben ook vandaag nog last van dit soort verkeerde godsbeelden die in plaats van bevrijdend en verheugend, belastend en neerdrukkend hebben gewerkt. Een eenzijdige en moraliserende kerkelijke verkondiging droeg daartoe zeker bij.

Veel voortschrijdend inzicht in de kerk van nu, luisterend naar de tekenen van de tijd, biedt betere perspectieven. Ook vandaag opent Jezus in Gods Naam de ogen van talloze mensen voor het Licht van Gods bevrijdende Aanwezigheid. Het gebeurt in de ontmoeting met aanstekelijke en authentieke getuigen wier leven door Gods Woord een andere verrassende wending heeft genomen. Het gebeurt door levenservaringen, waarin ten slotte 'het kwartje valt' van niet meer langs de aanraking van God heen te kunnen.

Zo kon een gelovige gevangene in Auschwitz op een vraag van een medegevangene 'Waar is nu jouw goede God' wijzen op de rijen uitgemergelde mannen voor en achter hem, zeggend: 'God is hier bij ons en lijdt met ons mee.' Voor hem was God een ongelooflijke steun en kracht. Mogen wij, als levende getuigen dat God er altijd is, elkaar helpen ontvankelijk te worden om ook het licht te mogen zien van Gods bevrijdende aanwezigheid.

(Falco Thuis, 26 maart 2017)

Overweging, gehouden tijdens de Eucharistieviering die de Karmelgemeenschap in privé-kring heeft gehouden op zondag 15 maart. Lezingen: Jesaja 41,17-20 en Johannes 4,5-42

Eind jaren tachtig is er in de Bijlmer aan de rand van Amsterdam
een kolossaal bakstenen kantoorgebouw neergezet. Ik weet niet of het nog bestaat, maar destijds werd er nogal over geschreven. De architect had binnenin langs alle trappen brede watergoten gebouwd. Mensen noemde ze 'kantoorbeken'. Je kon door heel het gebouw heen water horen en zien stromen. De bedoeling van de architect was dat de mensen daar in die vertechniseerde omgeving voeling konden blijven houden met de oerbronnen van het leven. Water is zo'n oerbron.

Die 'kantoorbeken' werkten als een soort parabel. Je voelde hoe achter die speelse architectuur een verhaal lag: de mens leeft niet van zijn of haar computer alleen. Te midden van de technische wereld in zo'n gebouw vol computers, statistieken en rapporten kan een mens geestelijk en religieus uitdrogen. En daarom is het goed dat er mensen zijn zoals die architect die je zo af en toe weer iets laten horen en voelen van de bron.

Het verhaal van de ontmoeting van Jezus met die vrouw aan de bron zou je ook een parabel kunnen noemen. Achter het heel alledaagse beeld van een Samaritaanse vrouw die water komt halen, zien we tijdens haar gesprek met Jezus geleidelijk andere beelden opkomen.
Het onmisbare dagelijkse drinkwater wordt beeld van Gods altijddurende, eeuwig stromende liefde en goedheid voor ons mensen.
De diepe put van Jacob wordt beeld van het hart van iedere mens: diep in het hart van elk van ons leeft het steeds weer opborrelende verlangen naar geluk, naar vrede, naar gerechtigheid.

Het is heel kostbaar dat er af en toe iemand op onze weg komt die ons helpt dat verlangen naar boven te halen; want dat verlangen helpt ons om echt mens te worden. Jezus is zo iemand. Hij nodigt ons vandaag uit om zo nu en dan even stil te staan bij die diepe bron in ons.

Waar halen wij de energie vandaan om onze liefde voor elkaar, onze zorg en onze verantwoordelijkheid ook levenslang levend en fris te houden, - in goede en in kwade dagen? Waar halen we het water vandaan om de verwondering en de dankbaarheid om elkaar te cultiveren en te laten groeien, - en het verdriet en de pijn die er altijd ook zijn, uit te houden?

Waar halen wij de hoop vandaan om te geloven dat het leven misschien wel net als het water eeuwig doorstroomt en dat wij en al die mensen die ons voorgingen, op weg zijn naar Pasen, naar een nieuw leven? 
Waar halen wij de inspiratie vandaan om in alle wederwaardigheden elkaar te blijven bemoedigen?

Af en toe is het nodig dat wij een moment stilstaan en luisteren of de bron nog open is. Ik hoop dat ook wij dan, net als die vrouw destijds bij de bron van Jacob, iets mogen horen en voelen van die stem, die goede geest van Jezus, dé bron van levend water, - ook voor ons.

Goede God,
U bent de oorsprong, de bron van ons leven,
van ons, en van elke mens in onze wereld.
Maak ons ontvankelijk en open ons hart
dat wij U kunnen ontmoeten
en U ook echt kunnen ervaren als onze levensbron.
Zo bidden wij U, door Christus onze Heer.
Amen

Ben Wolbers, pastor-teamleider

Overweging Basiliek 8 maart 2020

Op 4 april 1968 werd de bekende mensenrechtenactivist dr. Martin Luther King vermoord. Er waren al eerder enkele pogingen geweest; enkele dagen ervoor was er nog sprake van een bomaanslag.

De avond vóór zijn dood sprak hij in een kerk die volgepakt was met mensen, de volgende woorden:
"Ik weet niet wat er gaat gebeuren. Er komen moeilijke dagen. Maar het maakt me niet uit, want ik ben op de top van de berg geweest. En dat vind ik niet erg. Zoals iedereen, zou ik graag willen leven - een lang leven; een lang leven is goed. Maar daar maak ik me nu geen zorgen over. Ik wil gewoon Gods wil doen. En Hij heeft mij toegestaan om de berg op te gaan. En ik heb gekeken. En ik heb het beloofde land al gezien. Ik kom daar misschien niet samen met jullie aan. Maar ik wil dat jullie vanavond weten dat wij als volk dat Beloofde Land zúllen bereiken. Dus ik ben vanavond verheugd. Ik maak me nergens zorgen over. Ik ben voor niemand bang. Mijn ogen hebben de glorie van de komst van de Heer gezien."

Ik moest aan deze rede van Martin Luther King denken toen ik de evangelielezing van vandaag las: de lezing over de 'verheerlijking van Jezus op de berg'. De lezing verhaalt hoe Jezus voor de ogen van zijn leerlingen in Gods licht wordt opgenomen. Zijn 'aangezicht blonk als de zon'. Als je het zo leest, dan lijkt het een prachtig gebeuren. De leerlingen die erbij zijn, zijn er dan ook helemaal van onderste boven. Petrus gaat stamelen over hutten die hij wil bouwen, en als ze dan ook nog een stem uit een lichtende wolk horen storten ze van angst ineen, overweldigd door wat ze ervaren aan macht en heerlijkheid.
Maar wat een tegenstelling met de verzen die hieraan voorafgaan. In die verzen vertelt Jezus aan zijn leerlingen in niet mis te verstane woorden dat Hem op zijn weg onherroepelijk het lijden en de dood te wachten zal staan. Hij kreeg er zelfs woorden over met Petrus die dit niet zomaar accepteerde. Toen zei Jezus het nog duidelijker: 'Als iemand achter mij aan wil komen, laat hij met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en mij volgen'.
Jezus weet dat de boodschap die Hij verkondigt - Gods liefdevolle nabijheid voor mensen die met de nek worden aangekeken - Hem machtige vijanden heeft bezorgd. Hij weet dat, als Hij daarmee doorgaat, dit zijn eind zal betekenen. Toch kiest hij ervoor om door te gaan met het werk waartoe Hij zich geroepen voelt. Op de berg wordt dit bekrachtigd: 'Dit is mijn geliefde Zoon, in Wie ik vreugde vind, luister naar Hem…'
Voor Jezus, voor dr. Martin Luther King en je kunt nog zoveel meer namen noemen: Oscar Romero, Etty Hillesum, pater Frans van der Lugt en vele, vele anderen. Wat al die mensen gemeen hebben is dat zij hun rotsvaste grond gevonden hebben in het geloof in een God van liefde en bevrijding, van gerechtigheid en vrede voor íedere mens. En zij allen stonden voor de keus: Blijf ik staan voor dat waarin ik geloof of kies ik voor mijn leven. Zij kozen voor de God die hen riep naar zijn Rijk van liefde.
Ik wil eindigen met woorden van de in Syrië vermoorde pater Frans van der Lugt. Omdat hieruit zo spreekt wat hem zijn leven heeft gekost.

 "Ze [De mensen uit de buurt] hoorden ook dat ik met de overgebleven christenen (vooral orthodoxen) Palmzondag wilde vieren. Ze zeiden toen tegen mij: 'De kerk ligt vol stof van al die bombardementen. We gaan samen de kerk schoonmaken en dan komen we zondag ook in de mis.' Zo gebeurde het ook. Palmzondag zaten ze samen met de orthodoxen in de mis, hun kinderen met hun mooiste kleren op de eerste rij. Wij hebben ook een imam bij ons wonen, met zijn vrouw en kinderen. Die heb ik toen gevraagd tijdens de mis een tekst uit de Koran voor te lezen. Dit deed hij met veel enthousiasme, en zowaar kwam hij ook nog met een mooie preek voor de dag, over broederschap. En toen wilden ook de meesten ter communie. De vrouw van de imam kwam er ook aan. Toen gingen al mijn dogmatische neigingen (voor zover die ik nog heb of ooit gehad heb) de mist in."

Voor Frans van der Lugt was er maar één liefde, Gods liefde die zich niet beperkt tot wat voor groep dan ook. Beste vormelingen, dáár gaat het in ons geloof om: goedheid, vriendschap, zorgen voor elkaar, zoals God ook voor ons zorgt; zoals Hij aan ons allemaal leven heeft geschonken.
Frans van der Lugt heeft er zelfs zijn leven voor gegeven. Voor de meeste mensen in de wereld komt het nooit zover. Maar door zich zo totaal te geven aan zijn mensen gaf hij een getuigenis dat herinnerd zal worden, zoals dat van Martin Luther King, zoals dat van Jezus. We praten er nog steeds over, laten we dat vooral blijven doen. Amen

Zr. Susan van Driel

Overweging Sint Petrus Basiliek 16 februari 2020

Het is alweer heel wat jaren geleden, ik was nog heel jong, dat ik een film zag over de geschiedenis van de joodse arts Gysela Perl. Ze was een gynaecologe. Zoals miljoenen Joden kwam ook zij in het concentratiekamp terecht. Zij had geluk, ze was jong en sterk en werd dus niet direct vergast maar mocht nog even blijven leven om in het kamp te werken als gynaecoloog. Dat moest ze echter doen zonder instrumenten, schone verbanden of zelfs maar schoon water. Toch deed ze wat ze kon.

Out of Ashes

'Out of Ashes', een film van Joseph Sargent

Een van de maatregelen van de Nazi's in de concentratiekampen was dat de joodse vrouwen die tewerkgesteld werden bij zwangerschap direct naar de gaskamer werden gestuurd. Dat gebeurde vrouwen die zwanger bleken nadat ze voor werk waren geselecteerd, maar er waren er ook die zwanger werden ín het kamp, immers een manier om aan wat extra eten te komen was om je lichaam aan te bieden.

Gysela Perl hielp deze vrouwen met gevaar voor eigen leven. Ze aborteerde de foetussen. Soms kwamen de vrouwen veel te laat bij haar, dan was het kind eigenlijk al levensvatbaar. Ze moest zelfs een enkele keer de kreten van de baby smoren in een kussen. Want als het gehoord zou worden, dan betekende dat onherroepelijk voor iedereen die betrokken was de dood. Honderden vrouwen heeft ze zo het leven gered. Zelf overleefde deze arts de oorlog en ze ging toen wonen in Amerika, Maar haar aanvraag voor een verblijfsvergunning werd afgewezen. Op een of andere wijze werd haar verhaal bekend. Het gevolg was dat zij voor het gerecht kwam, de aanklacht was schending van de rechten van de mens en collaboratie met de Nazi's. Uiteindelijk, maar wel na jaren, werd ze vrijgesproken en mocht ze in de VS blijven.

Op mij heeft deze film een onuitwisbare indruk gemaakt omdat hierin voor mij zó helder werd dat goed en kwaad soms heel dicht bijeen liggen.
Wat is er nu niet erger dan het doden van een levensvatbaar pasgeboren kind? Ik heb er lang over nagedacht en ik denk dat ik er in mijn leven nooit mee klaar kom.
Iedere keer weer als het over wetten en regels gaat denk ik aan deze film, vooral als het gaat om ge- en verboden en ons eigen geweten. Want dat hoor je mensen vaak zeggen, dat ze hun eigen geweten volgen; voor regels en wetten zijn wij tegenwoordig vaak wat afhoudend. Maar met het voorbeeld van zojuist, heb ik ook aan willen geven hoe moeilijk het is om dat te doen. De vraag naar goed en kwaad is niet eenvoudig. Het is in ieder geval veel moeilijker dan de eenvoudige oplossing die ik ook meerdere keren heb gehoord: 'Als je bij de kerk wilt horen, moet je je aan de regels houden'. Nee, van die indrukwekkende film heb ik geleerd dat ook dat een valse schijn van zekerheid kan geven.

Dat neemt echter niet weg dat we die woorden van Jezus Sirach uit de eerste lezing ook serieus moeten nemen: 'het is ook verstandig te doen wat Hem behaagt'. De woorden in onze H. Schrift waaruit heel veel komt van wat er ons wordt voorgeschreven zijn immers geen lege woorden, ze willen ergens naar toe. Ze willen iets tot stand brengen dat Jezus een Koninkrijk noemt, een Rijk van Gerechtigheid en Leven: het Rijk van God. Een Koninkrijk dat veel verder gaat dan de voorschriften die de mensen volgen: Het gaat niet alleen om niet doden, nee, ook de kwade gedachte is eigenlijk al vernietigend.
Als Mozes de tien geboden van God in ontvangst neemt hoort hij eerst: 'Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.' Dát is het uitgangspunt van alles, dáárom is het eerste gebod: 'Heb geen andere goden ten koste van Mij' en 'U zult u niet buigen voor andere goden'. Niet omdat God het op de een of andere manier het heeft verdiend om God te zijn. Nee, omdat het allemaal om leven en bevrijding gaat; omdat, met de woorden van Paulus, de hele schepping in barensnood is naar de geboorte van die bevrijding en dat Leven met een hoofdletter toe. En, dat alles wat daar tegenin gaat, alles dat gevangenhoudt en het leven afsnijdt, bestreden hoort te worden.

Dat zullen we onszelf dus altijd af moeten vragen, als we ons houden aan de regels én als we menen ervan af te moeten wijken. Gaat het hier en nu om leven en bevrijding? Héél moeilijk, maar we zijn geschapen náár Gods beeld en gelijkenis. We moeten het dus kunnen. Bidden wij dat Hij ons zal helpen bij die moeilijke opdracht. Amen

Zr. Susan van Driel

Sint Petrusbasiliek Boxmeer, 9-2-2020, 5e zondag door het jaar
lezingen: Jesaja 58,7-10 en Mattheus 5,13-16 

We kennen allemaal wel: mensen die in onze familie, in de voetbalclub, op school of op een feestje de sfeer maken... mensen die met hun goede zin of optimisme de stemming bepalen… die met een enkel woord de moed erin houden als anderen het niet meer zien zitten… Soms is één persoon dan al genoeg. Ik dacht aan zulke mensen bij de woorden van Jezus van vandaag: "Jullie zijn het zout van de aarde". "Jullie zijn het licht van de wereld". 

Zout

Het mooie van deze beeldspraak van Jezus vind ik, dat hij wijst op iets dat we allemaal wel weten: dat iets heel kleins in ons leven soms al voldoende is om het verschil te maken… zoals een mespuntje zout soms al genoeg is om het eten op smaak te brengen en zoals een simpel lichtpuntje soms al voldoende om je te kunnen oriënteren in het duister, - zo kunnen heel eenvoudige dingen ons helpen om het leven van alledag smaakvol te maken of leuk, of pittig… het zijn de kleine dingen die het doen… Het gaat er in ons leven meestal niet om dat we allerlei grootse dingen doen… nee, ik hoor Jezus zeggen dat we dikwijls veel meer kunnen betekenen voor elkaar en voor onze wereld dan wij beseffen.

In onze parochie, maar ook bij ons in de Karmel, hoor ik mensen wel eens wat mismoedig zeggen dat het tegenwoordig allemaal veel minder is dan vroeger… dat we niet meer zoveel kunnen… 'we worden allemaal ouder', zeggen ze dan, 'we vergrijzen', 'er komen geen jongere mensen meer bij'… 'we zijn langzamerhand met te weinig'… 'wat kunnen we nog?'
Als ik dan Jezus hoor zeggen: jullie zijn het zout van de aarde, jullie zijn het licht van de wereld, - dan zijn dat woorden die ook voor ons bestemd zijn… wij zijn nog steeds met genoeg, wij hebben nog steeds voldoende in huis… Een snufje zout volstaat om een hele pan soep smaak te geven, een kleine vlam zie je in het donker al van heel ver… Wij moeten niet te gering denken over onszelf. Ja, zelfs: dat mógen we niet… Jezus gebruikt deze beelden van zout en licht niet voor niks. En denk ook maar aan het mosterdzaadje dat de kracht in zich draagt om een hele grote boom te worden… of aan het gist dat een homp deeg doet rijzen tot een lekker brood… 'Begin maar bij jezelf', zegt Jezus, 'jullie zijn zout, jullie zijn licht, gedraag je daar dan ook naar'.

Maar, hoor ik u zeggen, hoe doe je dat: smaak brengen in het leven? licht zijn in je omgeving? Nou, ik denk dat je dat doet, - niet door jezelf terug te trekken in je eigen schulp, je eigen huis of je eigen belang… Zout en licht zijn voor je omgeving doe je ook niet door je als gelovige terug te trekken uit jouw kerk of – wat even erg is – je terug te trekken in jouw eigen kerk. 'Dan zal jouw licht nooit stralen: zet jouw licht niet onder een korenmaat', zegt Jezus…

Hoe moet het dan wel? Dat vertelt de profeet Jesaja ons heel kort en bondig in de eerste lezing. Vrij vertaald zegt hij: 'Deel jouw brood met wie honger heeft; bied een thuis aan wie dat zoeken, en laat niemand links liggen. Dan zal jouw licht doorbreken als de dageraad. Als jij mensen eerlijk en rechtvaardig behandelt, als jij niet meedoet aan allerlei geroddel, dan straalt jouw licht en dan maak je van de nacht een stralende dag.'
Gelukkig zijn er nogal wat van zulke mensen, binnen en buiten de kerken, die zout van de aarde zijn en licht in de wereld. Gelukkig zijn ze er behoorlijk veel: mensen zoals God ze bedoeld heeft. Laten we erop vertrouwen dat hun uitstraling aanstekelijk werkt. Amen

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Overweging van Susan van Driel
Basiliek Boxmeer, 2 februari 2020

Enige jaren geleden hoorde ik tijdens een lange treinreis een gesprek tussen twee jonge mannen. Zij spraken op nogal luide toon over de plannen die zij voor hun leven hadden, de carrière die zij wilden opbouwen, de vrouw en kinderen die zij pas daarna hadden gepland en zelfs ging het over ziekte, dementie en dood: 'Als het zover komt, stap ik eruit, ik snap trouwens helemaal niet waarom wij mensen maar in leven houden die alleen nog maar ademhalen' vond de één en de andere jonge man was het daar gloeiend mee eens.

In deze jonge mannen was naar mijn aanvoelen nog niet zo heel veel plaats voor de notie dat het leven over heel andere paden kan gaan dan wij mensen kunnen plannen; de ruimte voor wat in een leven allemaal mogelijk is werd nog heel erg door henzelf ingevuld.

Euthanasie

Nou waren hun uitspraken wel heel erg kras, maar misschien kunnen wij er toch iets van herkennen als wij terugkijken op ons eigen leven. Wellicht zien wij dan in onze eigen jeugd ook wel dat idee dat we het leven kunnen regisseren; misschien zijn we daar zo nu en dan nog steeds wel van overtuigd. Maar meestal leren wij in de loop van ons leven meer en meer dat wij de regie maar heel beperkt hebben en merken we juist als de dingen niet gaan zoals wij dat zouden willen er iets in ons kan gebeuren. Iets, in de woorden van de eerste lezing, dat is als het vuur van de smelter, als het loog van de blekers.
Iets dat het zilver smelt en zuivert.

We hebben in de tweede lezing gehoord hoe Jezus volgens de joodse wet door zijn ouders in de tempel werd gebracht. Dat vieren wij vandaag. Sinds Vat. II heet deze feestdag: De opdracht van de Heer in de tempel. Ook in de eerste lezing gaat het over de intrede van de Heer in zijn heiligdom, een intrede die iets ingrijpends teweegbrengt: 'Wie kan de dag van zijn wederkomst verdragen?
Wie zal er staande blijven, wanneer Hij verschijnt? Kracht en macht, lijkt het. Maar als de Heer in het evangelie volgens Lucas de tempel betreedt, is dat in de armen van zijn moeder. Kwetsbare onmacht. Maar Hij komt ook niet om te breken, maar om gebroken te worden. Als Hij is opgegroeid zullen veel mensen in Hem Gods genezende aanwezigheid herkennen: de mensen die zelf gebroken zijn naar geest en lichaam, de uitgestotenen, zondaren, de mensen die dus bij uitstek hebben ervaren dat ze behoeftige, zwakke wezens zijn en dat ze afhankelijk zijn van die onbaatzuchtige liefde die in Hem aan het licht kwam.

De schilder Rembrandt heeft meerdere malen het gebeuren van de opdracht van Jezus in de tempel geschilderd. Toen mensen het atelier van Rembrandt binnengingen, na zijn dood, vonden zij het laatste als onafgemaakt schilderij nog op de ezel. Simeon is afgebeeld als een stokoude, broze man. Zijn ogen zijn halfgesloten. Het is niet goed zichtbaar of ze zijn gericht op de kleine Jezus in zijn armen of dat Simeon juist is ingekeerd in zichzelf, maar zijn gezicht is opgericht en het straalt. Jezus, als zuigeling, kijkt naar hem. Het is onmiskenbaar het moment waarop Simeon zegt: "Laat uw dienaar Heer, gaan in vrede, mijn ogen hebben uw Heil aanschouwd'. Keek Rembrandt terug op zijn leven in die laatste dagen toen hij Simeon schilderde? Heeft hij die woorden gebeden toen hij de balans opmaakte?
Toen Rembrandt dit schilderij schilderde was hij alles kwijtgeraakt: zijn vrouwen en vrienden, zijn kinderen, zijn have en goed, zijn succes. Er was niets meer over van de vrolijke, drinkende jonge man die zich met zijn vrouw op zijn schoot proostend op het leven schilderde. Nee, op zijn laatste zelfportret - geschilderd, niet lang voor hij Simeon schilderde - kijkt hij met oude en vertroebelde ogen de toeschouwer aan. De ogen van Simeon zijn nóg ouder, nóg zwakker. Heeft Rembrandt geloofd dat in alles dat hem was gebeurd God hem tegemoetkwam? Dat hij daar doorheen Gods heil had ervaren? Het kan haast geen toeval zijn dat hij dit tafereel schilderde toen zijn krachten bijna aan het eind waren.

De plaats waar God woont, Gods tempel waar Hij kan binnentreden, is in onze christelijke traditie bij uitstek in de mens, in de uitgezuiverde liefde, de liefde die onbaatzuchtig is geworden; liefde die wil heelmaken wat is gebroken, die wil vergeven wat is stukgemaakt. De liefde die blijft uitzien en hopen op zijn komst, zelfs over de grens van de dood heen: 'Laat uw dienaar Heer, gaan in vrede, mijn ogen hebben uw heil aanschouwd'.
Die woorden worden sinds de vroegste eeuwen van het christendom iedere dag opnieuw gebeden door biddende gemeenschappen op het moment dat de dag wordt afgesloten en wordt overzien, wat er goed was en ook wat minder goed was en beter kan. Laten ook wij blijven bidden dat Hij zal binnentreden in de tempel die wij zijn. Amen

Zr. Susan van Driel

Overweging op 26 januari 2020 – slot van de week van de eenheid van de christenen – lezingen: 1 Kor.1,10-13.17 en Mattheus 4,12-27
Sint Petrusbasiliek Boxmeer

begroeting en inleidend woord
Vorige week zondag was er in de kapel van de Zusters van Julie Postel – in de kapel van het Woonzorgcentrum Sint Anna – een gezamenlijke viering bij gelegenheid van de Gebedsweek voor de eenheid van de christenen. Vandaag sluiten we deze gebedsweek af. Het zal geen toeval zijn dat we juist vandaag in de eerste lezing een hartstochtelijke oproep zullen horen van Paulus. Hij schrijft aan de christenen van Korinthe: "Het schijnt dat ieder van u een eigen leuze heeft: Ik ben van Paulus, ik ben van Apollos, Ik van Kefas, Ik van Christus…" En zegt hij bijna wanhopig: "Is Christus dan in stukken verdeeld?" Laten we proberen te luisteren naar hem en kijken hoe wij omgaan met zijn verlangen naar eenheid onder de volgelingen van Jezus.

overweging
Drie jaar geleden zijn ongeveer 35 mensen met onze parochiereis
op bedevaart geweest naar Israël. Een verhaal dat mij bijzonder is bijgebleven van hun pelgrimsreis, ging over hun bezoek aan de Heilig Grafkerk in Jeruzalem, - dat is de kerk die is gebouwd op de plek waar Jezus volgens de overlevering begraven zou zijn.

Sommige van onze pelgrims waren echt geschokt geweest, toen ze zagen dat de Heilig Grafkerk is verdeeld onder tientallen christelijke kerken en sekten. En dat ze allemaal een hoekje van de kerk ter beschikking hebben waar ze op de zondagen ieder hun eigen eredienst houden. De ergernis van de pelgrims was voor mij heel begrijpelijk, maar… toen ik hun verhaal hoorde, dacht ik toch dat er misschien ook wel een positieve kant aan zit; misschien kun je het ook zien als een teken van beginnende eenheid: dat ze elkaar kunnen vinden in hetzelfde huis, onder hetzelfde dak. En ik dacht aan een uitspraak van Jezus: "in het huis van mijn Vader zijn vele kamers en er is ruimte voor velen…"

Ik denk dat ons gebed om eenheid onder de christenen niet moet betekenen dat we alleen maar bidden om de opheffing van alle onderlinge verschillen. Bidden voor de eenheid onder christenen betekent volgens mij op de eerste plaats dat wij bidden om respect voor elkaars geloofsbeleving en voor belangstelling voor elkaars opvattingen. Er zijn nu eenmaal verschillen in de beleving van ons geloof. Belangrijk is hoe we met die verschillen omgaan en dat we proberen in een open gesprek te zoeken naar wat ons verbindt… In de tijd dat de reformatie opkwam, is dat gesprek niet gelukt. Er zijn toen allerlei pogingen gedaan om de bestaande misstanden in de kerk bespreekbaar te maken en aan te pakken. Maar jammer genoeg gingen de meningen over de manier waarop dat zou moeten gebeuren zich verharden. En toen ging het verkeerd. Men ging elkaar verketteren.
De grote les die we uit de geschiedenis kunnen trekken, heeft de apostel Paulus ons eigenlijk in de eerste lezing al voorgehouden. Paulus kreeg er tot zijn grote verdriet mee te maken dat mensen partijen gingen vormen: "ik ben van Paulus, ik ben van Apollos, ik van Kefas, ik van Christus…" - we hoorden het zojuist in zijn brief aan de Korintiërs. Het antwoord van Paulus was: "Is Christus dan in stukken verdeeld?"
En dat is iets dat we in alle gesprekken over eenheid en oecumene voor ogen moeten houden: het gaat om hem, Jezus, Christus. 

Dat brengt me tot nog een gedachte. De eenheid van de christenen is niet een doel op zich. Als wij bidden om eenheid, dan zou dat vooral moeten betekenen dat we de zending van Jezus samen verder willen dragen, - in woord en daad. Het gaat niet om eenheid als doel op zich. Het gaat om vrede, liefde, onderling respect, gerechtigheid, eerlijkheid, solidariteit, - kortom: het gaat om de waarden waar Jezus Christus voor stond. Die christelijke waarden zijn heel concreet.

En daarom dat ik u er vandaag aan herinner dat we morgen herdenken dat het 75 jaar geleden is dat één van de grootste concentratiekampen uit de tweede wereldoorlog, het kamp van Auschwitz-Birkenau, bevrijd is door het Russische leger. Als we tot ons door laten dringen wat de nazi's dáár en op zoveel andere plaatsen hebben aangericht, dan zijn die waarden van Jezus nog heel actueel. Eigenlijk kunnen we het ons niet eens permitteren om alleen maar te praten over eenheid. We zullen samen aan de wereld moeten laten zien dat het absoluut verwerpelijk is dat mensen uit onze samenleving gestoten worden omdat ze Jood zijn of Sinti of Roma of homoseksueel of geestelijk of lichamelijk beperkt. Jezus' leven was één ononderbroken pleidooi voor respect voor de waardigheid van iedere mens…

Onze hele geschiedenis door hebben we kunnen zien tot welk een onmenselijkheid wij mensen in staat zijn; telkens weer hebben wij ons dan vervolgens afgevraagd hoe dat in godsnaam heeft kunnen gebeuren en hebben we elkaar gezworen dat we zulke vreselijke misdaden nooit meer zouden laten begaan. En toch blijken dit soort dingen binnen enkele generaties toch weer de kop op te steken.

Als we vandaag bidden we voor meer eenheid onder ons christenen, moge dit dan een eenheid zijn die verder gaat dan het met elkaar eens zijn over een aantal opvattingen. Moge die eenheid vooral betekenen dat wij er ons samen in woord en daad inzetten om de waarden waar Jezus voor stond voor ogen te houden en verder te dragen.

Ben Wolbers o.carm.,
pastor/teamleider

Kasteel 19 januari 2020 Oecumenische agapèviering

Thema: Ze waren buitengewoon vriendelijk voor ons.

Lezingen
Handelingen 28, 1-10
Marcus 16; 14-20

Overweging
Nu, na een aantal jaren, staan de beelden nog steeds scherp op mijn netvlies gegrift. Het was een van de ernstigste dieptepunten in de vluchtelingencrisis.

De overeenkomst met Turkije over de mensen uit Syrië en het Midden-Oosten die van huis en  haard waren verdreven, was nog niet gesloten. De grote stroom van ontheemde mensen naar Europa werd geblokkeerd door grote hekken bij de grenzen van de landen op de Balkan. De vluchtelingen bleven letterlijk steken in de winterse modder, in de regen en in kou. Ze konden geen kant meer uit. Uit diezelfde tijd staat me ook het beeld voor ogen van de opvang in een Midden-Europees land. Grote hompen brood werden gegooid in een massa mensen. Erger en ongevoeliger kan bijna niet. Het werk van barmhartigheid om de hongerigen te spijzigen was ontaard in een mensonwaardig voederen.

De laatste reis van de  Paulus waarover Handelingen van  de Apostelen spreekt, is zijn transport als gevangene naar Rome. De reis verloopt verre van voorspoedig. Paulus en een aantal andere gevangen waren toevertrouwd aan een cohort soldaten onder leiding van de honderdman Julius. Deze had hen intussen ingescheept in een graanschip uit Alexandrië dat naar Italië zou varen. Ze komen aan in een plaats die Goede Havens heet.

Maar dit was geen goede plek om te overwinteren. Hoewel het vaarseizoen al was afgelopen, besluit de bemanning toch om te proberen een andere haven te bereiken. Het loopt helemaal verkeerd af. Ze komen terecht in een vliegende orkaan die hen in veertien dagen tijd over een afstand van meer dan duizend kilometer helemaal in de richting van Malta jaagt. Ternauwernood weet men het schip drijvende te houden. Tenslotte lijden ze schipbreuk op de kust van dat eiland. Ze weten allemaal heelhuids aan land te komen. En de plaatselijke bevolking ontving hen buitengewoon vriendelijk.

Gastvrijheid is bij uitstek een Bijbelse deugd. Soms is gastvrijheid van levensbelang. Dat was al zo in de oudste lagen van Israëls bestaan, in de tijd van de aartsvaders. Het leven van de rondtrekkende nomaden werd voortdurend bedreigd door de gevaren van de woestijn. Voor de enkeling was het belangrijk dat hij de gastvrijheid van een stam kon genieten, wilde hij in de woestijn kunnen overleven. Net zoals voor de schipbreukelingen op de kust van Malta was het voor de enkeling in de nomadencultuur een kwestie van dood of leven om welwillend ontvangen te worden, om te mogen verblijven in het huis van een ander en om diens bescherming te mogen genieten.

Gastvrijheid en vriendelijkheid voor de ander zijn niet vanzelfsprekend. De ander toelaten in de intimiteit van je huis, op de plaats waar je het meest jezelf bent, vraagt van je dat je het beeld van jezelf en van de ander herziet. De mechanismen van insluiting en uitsluiting worden anders. De nabijheid van de ander maakt dat jouw generaliserende en vaak op onbekendheid gegronde ideeën over de groep waar de ander uit voort komt, worden ontkracht. Alleen al het feit dat je met je kapper die een Syrische moslim is, kunt spreken over de betekenis van het Suikerfeest, maakt dat je niet meer denigrerend en generaliserend kunt spreken over de Islam, over de Koran en over Arabische bevolkingsgroepen.

En ook het idee over jezelf en de groep waar je bij hoort, klopt niet meer. Het spontane idee dat wij beter zijn dan de anderen, wordt ondergraven. Door het persoonlijke contact met mensen van de andere groep ontstaat een veel genuanceerder beeld. We komen voorbij aan de stereotypering van de ander en van ons zelf.
Generalisatie, gebrek aan kennis en de geslotenheid van de eigen groep leiden gemakkelijk tot onverdraagzaamheid. Voor openheid naar de ander zijn een paar dingen noodzakelijk. Het eerste is welwillendheid in het contact. De bewoners van Malta waren vriendelijk voor Paulus en de andere schipbreukelingen. Dat waren ze niet omdat ze hetzelfde geloof deelden, dezelfde opvattingen hadden of bij dezelfde groep behoorden. Want dat was gewoon niet zo. Ze waren bekommerd om hun medemensen en daarom traden ze hen met meelevendheid tegemoet.

Een tweede noodzakelijkheid is de relativering van de eigen positie. Het is niet zo dat je eigen weg de enige weg is. In de evangelies volgens Marcus en Lucas staat een prachtig verhaal. Johannes vertelt aan Jezus dat ze iemand in zijn naam demonen hebben zien uitdrijven, maar ze hebben hem tegen gehouden, omdat hij geen volgeling van hen was. Jezus is echter van een ander opinie. 'Belet het hem niet. Want wie niet tegen ons is, is voor ons.' Vaak is de vermeende suprematie van de eigen groep uitgedrukt door de uitspraak van Jezus om te draaien: 'Wie niet voor ons is, is tegen ons.' Maar de uitspraak van Jezus is inclusief; 'Wie niet tegen ons is, is voor ons.'

Om welwillend te kunnen staan tegenover anderen helpt het besef dat er vele wegen zijn die leiden naar God. Het komt ons niet toe te oordelen over de geestelijke weg van andere mensen. Wij kunnen niet kijken met de ogen van God. We kunnen niet weten hoe God met hen gaat. We kunnen alleen maar hopen en vertrouwen dat de weg die we zelf gaan, heilig en goed is, en dat de weg die anderen gaan evenzeer heilig en goed is. We kunnen alleen maar hopen en vertrouwen dat God gaat met ieder van ons op zijn of haar eigenweg naar Hem toe.
Welwillendheid, vriendelijkheid en relativering van de eigen weg in het besef dat er vele wegen zijn: dat alles brengt dynamiek in de eigen traditie. De in steen gehouwen standpunten van de eigen groep worden zacht. Onbeweeglijke standpunten worden vloeiend. Het kan weer gebeuren dat we niet alleen worden gevormd door onze traditie, maar dat wij tegelijk ook op onze beurt weer traditie vormen. We kunnen nieuwe vragen tegemoet treden. Welwillendheid voor andere wegen die God met andere mensen gaat, maakt de eigen traditie levend. Ons geloof wordt tot leven gewekt uit het graf waarin alles al definitief is vastgelegd.

Het besef dat er vele wegen zijn die naar God toe voeren, brengt ons tot een van de meest leven gevende bronnen van ons christelijk geloof. De massieve uitsluiting van de ander voert ons naar de dood. Maar inclusief denken is steeds een bron van leven en van groei geweest.

Huub Welzen, o carm.

Nieuwjaarsviering – Sint Petrusbasiliek Boxmeer - 12 januari 2020
lezingen: Handelingen 10,34-38 en Matt.3,3-17

begroeting en inleidend woord

Op nieuwjaarsdag, 1 januari, heb ik het er ook al even over gehad: wensen we elkaar 'een gelukkig nieuwjaar'? Of zeggen we 'een gezegend nieuwjaar' of 'zalig nieuwjaar'? Het is de laatste jaren steeds meer gewoon geworden om elkaar in het nieuwe jaar te begroeten met de beste wensen. Persoonlijk wens ik u het liefst een 'gezegend nieuwjaar'. Voor mij spreekt daar namelijk het besef in mee dat het gaan en staan van ons ieder persoonlijk én van onze parochiegemeenschap ook de zegen van boven nodig heeft, de zegen van God. Maar waarom dan niet gelukkig nieuwjaar? Op zich wens ik dat iedereen graag van harte toe. Maar ik aarzel altijd een beetje als ik het toewens aan mensen die het om een of andere reden niet zo goed maken. Daarom: een gezegend nieuwjaar. Dat God u allen moge zegenen in welke situatie u ook verkeert.

overweging

Misschien was u wat verbaasd over de volgorde van de lezingen: eerst het evangelie en daarna de lezing uit de Handelingen van de apostelen. Dat was opzet. Toen we met een groepje deze viering voorbereidden, waren we verrast dat de toespraak van Petrus (uit: Handelingen van de Apostelen) zo mooi aansloot bij het verhaal over de doop van Jezus door Johannes in het evangelie.

Er was nog iets waar we even bij stil stonden. Dat er in de liturgie van de kerk maar een paar weken zitten tussen de geboorte van Jezus en zijn doop in de Jordaan. In werkelijkheid waren dat dertig jaar. Over die dertig jaar weten we bijna niets. Maar toch als je even nadenkt, dan kán het bijna niet anders dan dat die dertig jaar heel belangrijk zijn geweest.

Toegeschreven aan Maarten van Heemskerck, ca 1560-1565

Alles wat Jezus later verkondigde, zijn manier van leven, zijn spreken over God en zijn omgaan met de mensen, - dat alles moet hij van huis uit hebben meegekregen. Dáár moet hij de mens geworden zijn zoals we die nu kennen. Thuis, bij zijn ouders, heeft hij leren vertrouwen op God; en daar heeft hij ook leren houden van mensen. In die jaren moeten ook zijn visie zijn gegroeid en de gedachten die hij had over allerlei zaken.

Maar voordat hij met zijn gedachten naar buiten trad, wilde hij zich eerst laten dopen door Johannes. Dat hoorden we vandaag. En tijdens dat gebeuren ging de hemel open en klonk er een stem: "Dit is mijn zoon, mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb". Jij bent mijn liefste zoon; jij bent een mens naar mijn hart.
Eigenlijk zegt God dit tegen ieder kind dat wordt gedoopt: jij bent mijn liefste dochter, jij bent mijn liefste zoon. Maar een mens worden "in wie God welbehagen heeft", dat duurt langer dan de viering van de doop: dat kost een levenslange inzet.

Jezus wás een mens naar Gods hart omdat hij mededogen had met de zwakken, en omdat hij er telkens weer op hamerde dat gerechtigheid het moest winnen van oneerlijkheid. Petrus zei het heel mooi in zijn toespraak die we in de tweede lezing hoorden: "Door Jezus heb ik pas goed geleerd dat er bij God geen aanzien van persoon bestaat, maar dat Hij welbehagen heeft in ieder die het goede doet".
Zo'n mens als Jezus word je niet vanzelf. Zo iemand kun je alleen worden als je in je jeugd ouders hebt gehad en andere lieve mensen om je heen… die je voorgingen in vertrouwen op God en in liefde voor de mensen.

"Ik doop je met water", zegt Johannes de Doper in het evangelie volgens Lukas, "maar die na mij komt, zal je dopen met heilige Geest en met vuur". In alle bescheidenheid: ik vergelijk mezelf soms met Johannes de Doper: ik doop alleen met water. En dan zeg ik: "jullie kindje is een kind van God". En zo is het ook. Maar wil het een mens worden zoals God ons bedoeld heeft, een mens in wie Hij echt welbehagen heeft, dan zullen de óuders dat kindje moeten dopen met Gods heilige Geest. Dat wil zeggen: hun kindje zal thuis van jongs af aan ondergedompeld moeten worden in een christelijke atmosfeer, in een christelijke geest. Dáár, thuis, zal het de Geest van Jezus moeten opdoen en geloof in God en liefde voor de mensen moeten meekrijgen.

Na deze viering zullen we elkaar een gezegend nieuw jaar wensen. Ik zal me daar graag bij aansluiten. Maar ik zou vooral graag willen dat wij het besef levend kunnen houden dat wij niet alleen individueel, maar ook als parochiegemeenschap de roeping en de taak hebben om onder elkaar en naar buiten toe te zorgen voor dat die sfeer, die geest, die manier van omgaan met elkaar die gegrond wordt in de Geest die Jezus meekreeg bij zijn doop. 
Jezus heeft onder ons gewoond. En God heeft in hem laten zien wie Hij is en hoe Hij ons bedoelt. Laten wij proberen hem, Jezus, zó te leren kennen dat wij een zegen worden voor alle mensen van goede wil.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Nieuwjaarsdag Sint Petrusbasiliek, Boxmeer
overweging bij Numeri 6,22-27

Vanmorgen wil ik graag uw aandacht vestigen op de prachtige zegenbede die we hoorden in de eerste lezing, de lezing uit het boek Numeri.

Isaak zegent Jacob (Govert Flinck, 1638)

Ooit, toen ik nog ziekenhuispastor was, vroeg een mevrouw mij toen ze het sacrament van de zieken ging ontvangen: "Als u mij straks zegent, wilt u dat dan niet met de gewone zegen doen, maar met die lange, u weet vast wel welke ik bedoel…" Na enig heen en weer gepraat wist ik dat ze de zegenbede bedoelde, die u zojuist gehoord hebt. Uit het boek Numeri.

Moge de Heer u zegenen en behoeden en beschermen,
moge de Heer het licht van Zijn gelaat over u doen schijnen,
moge de Heer u Zijn gelaat toewenden en u vrede geven….

Ik vind deze zegen mooi passen bij deze eerste dag van het nieuwe jaar.

In deze zegen zit een mooie, opklimmende reeks van drie zegeningen. De eerste zegenbede vraagt: "Moge de Heer u zegenen en u behoeden en beschermen." In deze bede klinkt het besef dat wij maar kleine en kwetsbare mensen zijn. En hoeveel mensen zullen dat gebed om bescherming vaak niet nog veel intenser bidden dan wij, omdat ze vluchteling zijn of ziek of of noodgedwongen aan de rand van onze samenleving leven of er om andere redenen niet echt bij horen… De hele Schrift door kunnen we lezen dat God er juist wil zijn voor mensen aan de rand, de kleinen en de kwetsbaren… 'voor kleine mensen is Hij bereikbaar', zingt de psalm.
"Moge de Heer ons zegenen en ons behoeden en beschermen…"

Dan gaat de zegenbede uit Numeri verder: "Moge de Heer het licht van Zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn." Dit stukje van de zegenbede vraagt, dat God voor ons op onze levensweg een licht zal zijn… dat Hij ons als het ware zal bijlichten als we moeten oppassen om niet te struikelen… Deze bede doet denken aan psalm 119 die bidt dat de Heer een lamp zal zijn voor onze voeten… Vaak is het niet eenvoudig om onze weg te vinden in de soms chaotische maatschappij van nu of in allerlei ingewikkelde persoonlijke omstandigheden… Dan hebben we goede raad nodig van de mensen om ons heen en vaak ook de wijsheid die ons wordt meegegeven in de heilige Schrift…
Moge de Heer met het licht van Zijn gelaat onze levensweg verlichten…

En dan ten slotte: "Moge de Heer u Zijn gelaat toewenden en u vrede geven." Dat God ons Zijn gelaat toe mag wenden… dat Hij ons vol liefde aan mag kijken… Volgens mij mogen we hier denken aan de ervaring van Jezus bij zijn doop in de Jordaan: toen liet God hem voelen dat Hij van hem hield: 'jij bent mijn geliefde zoon'… Die ervaring is allesbepalend geweest in Jezus' leven… Ik denk dat de meesten van ons iets dergelijks wel eens hebben ervaren, bij voorbeeld toen je elkaar trouw beloofde op je huwelijksdag en je elkaar aankeek en wist dat je echt van elkaar hield… of toen je bezig was met de vraag wat je wilde worden en je je geleidelijk aan of plotseling geroepen wist tot een leven in dienst van God… Voor mij zijn dát de momenten waarop je kunt ervaren dat God zich tot jou persoonlijk wendt en dat je kunt vóelen dat je gezegend wordt…

Een drievoudige zegen dus.
Moge God je behoeden en beschermen, moge Hij het licht van Zijn gelaat over jouw leven laten schijnen, moge Hij jou Zijn gelaat toewenden en je vrede geven.

Vroeger zeiden we, als we elkaar een gelukkig nieuw jaar wilden wensen: 'gezegend nieuwjaar'. Die oude wens zou ik vandaag een nieuwe klank willen geven. 'Zegenen' is de vertaling van het Latijnse woord 'bene dicere'. Dat betekent letterlijk: 'iets goeds zeggen'. Iemand zegenen betekent dan 'iemand iets goeds toezeggen'. Wanneer ik u vanmorgen een gezegend nieuwjaar toewens, laat dat dan mogen betekenen dat God ons in het komende jaar zegenen zal met Zijn drievoudige zegen. 

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Overweging 29 – 12 – 2019 Feest van de H. Familie
Thema: "Door liefde bewogen…"
Eerste lezing: Jezus Sirach 3, 2-6.12-14  -  Evangelie: Matteüs 2, 13-15.19-23   

Inleiding                                                                             
Een beetje een cryptisch thema van vandaag: 'Door liefde bewogen...'
Wat zet ons in beweging, wat beweegt ons in ons dagelijks doen en laten?
Het oude jaar afsluitend
wordt vaak nog even omgekeken en hoopvol vooruitgezien.
Vandaag vieren we het Feest van de H. Familie
met daarbij de zorg voor elkaar in de schijnwerpers.

Overweging
Zoals zoveel vaders is Jozef een trouwe, zorgzame man die z'n verantwoordelijkheid neemt voor z'n gezin én iemand die God respecteert ook al kost hem dat heel wat vertrouwen en de nodige moeite. De basis hiervoor ligt in de leerschool van z'n opvoeding.
In hun jeugdjaren werden Joodse kinderen vertrouwd gemaakt met de Thora: de levensinrichting met normen en waarden die elk kind van Gods volk behoorde te weten.
Kinderen werden geholpen zich deze leefregels eigen te maken
zoals bij ons de catechismus.
Datgene wat je in je jeugd krijgt ingeprent en voorgeleefd, vormt vaak onbewust, een springplank of leidraad in het latere leven en daar is het ook voor bedoeld. Gaat het in je jeugd om het vanbuiten leren,
in je latere leven leer je de binnenkant kennen.

Dit deed me denken aan een verhaal dat m'n schoonvader eens vertelde.
M'n schoonouders gingen trouw iedere week naar de kerk. Nadat m'n schoonmoeder plotseling overleed, heb ik mijn schoonvader een aantal jaren vergezeld tot ook hij kwam te overlijden…
Op een keer, nadat we thuiskwamen uit een H. Mis, bood ik hem een pepermuntje aan..  zo welde er in hem een verre jeugdherinnering op…

We laten hem aan het woord:
'Toen ik nog een snotjong was, zo ergens begin 1920, werden we door onze moeder gestimuleerd om vooral minder bedeelde mensen
te helpen met hand- en spandiensten.
Zo hielp ik Coba, Coba Jonkers de krantenvrouw. Coba was alleen
en niet zo nieuw meer. Ze bezorgde de kranten met de kruiwagen,
zo voorzag ze op haar oude dag in haar inkomen.
Wie niet steelt of erft moet werken tot hij of zij sterft,
was op haar, in die tijd letterlijk van toepassing...
Ik kruide dan de kruiwagen voor haar of bezorgde de kranten.
Dat heb ik vaak gedaan… Soms hielp m'n broer ook mee…
Als dank gingen er dan een heleboel rokken omhoog, want het was koud in de winter, en ergens uit één van die rokken kwam een groezelig, kleverig pepermuntje te voorschijn dat ze dan aan mij gaf…
Nee, ik hoef géén pepermuntje…'

Aan pepermuntjes kleefde sinds die tijd voor hem een geheel eigen herinnering. Ondanks dat, had deze stimulans in z'n jeugd om voor een ander klaar te staan, hem mede gevormd. Het was voor hem heel vanzelfsprekend, als onderdeel van de samenleving, om in beweging te komen voor een ander die op een of andere manier in de knel zat.

In de eerst lezing uit Jezus Sirach hoorden we hoe kinderen worden aangespoord hun ouders met respect te bejegenen en zorg te dragen voor ze op hun oude dag. Dit zorgadvies geldt natuurlijk niet alleen binnen het gezin maar ook in breder verband.
Liefdevolle zorg geldt als een groot goed,
als een mantel om iemand heen geslagen, het verwarmt het hart.
Liefdevolle zorg komt van God en wordt door Hem gezegend, hoorden we. God heeft een vader en een moeder maar ook leerkrachten
en als het even kan een opa en oma of andere volwassenen gegeven om van harte Zijn handen en voeten te zijn en zo een voorbeeld en leerschool voor de kinderen, zodat zij later op hun beurt in staat zullen zijn, spontane hulp te geven waar dat nodig is en zo Gods handen en voeten gestalte te geven en liefde te delen. Gedeelde liefde wordt dubbele liefde, zullen ook zij ervaren.

De zorg voor elkaar: zowel kleine huiselijke zorg en grote mantelzorg
als ook vrijwilligerswerk op vele fronten,
vormt het cement tussen de stenen van de samenleving.
Anders dan in een tijd van de ongelimiteerde zorgstaat werd gedacht,
zit er een grens aan de overheidszorg.
Aan de alsmaar toenemende mogelijkheden binnen de gezondheidszorg zit een kostenplaatje waarvan het einde niet in zicht komt.
Maar uit het beschikbare budget is de rek uit.
Dat heeft voor velen ingrijpende consequenties en waar de economie het laat afweten, daar komt Gods Vaderhart in het verweer in belangeloze mensenhanden, in engelen van mensen.
Zorg met een warm hart blijft gebeuren door zowel professionals
als ook door mensen die wat van hun kostbare vrije tijd schenken
aan mensen die extra ondersteuning nodig hebben.
Het naar elkaar omzien is niet in cijfers uit te drukken,
het is Gods onbetaalbare liefde waar wij gehoor aan geven
en die ons in beweging doet komen. Amen

Betzie Brakels
Werkgroep Woord- en Communievieringen

Kerstavond, Sint Petrusbasiliek, Boxmeer
overweging bij Lukas 2,1-14

Een paar weken geleden heb ik een kindje gedoopt. Een heel mooi lief jongetje. Toen de vader dat kleine kindje boven het water van de doopvont hield, - toen overviel me een soort van stille verwondering.  Spontaan zei ik toen tegen de ouders wat ik ooit ergens had gelezen:
"de geboorte van jullie kind is een teken dat God nog altijd vertrouwen heeft in de mensen".

Vandaag vieren we de geboorte van dat andere kleine kindje, dat 2000 jaar geleden geboren werd: Jezus. Over hem hebben vier evangelisten indrukwekkende verhalen geschreven. De rode draad in al die verhalen is steeds de stille verwondering van Mattheus, Lucas, Marcus en Johannes over de liefde van God. God wil ons door de liefde van die menselijke mens Jezus in het hart raken. Door alles wat Jezus zei en heeft gedaan wil Hij ons raken. En dat wil Hij omdat Hij het niet kan aanzien dat arme mensen in onze wereld niet meetellen en dat zoveel mensen slachtoffer moeten zijn van oorlog en geweld. God besloot daarom Zelf onder ons te komen wonen. Hij werd mens. In een kind. Jezus. Het kind van wie wij deze nacht de geboorte vieren. Om het met woorden van Huub Oosterhuis te zeggen: "Uit Uw hemel zonder grenzen komt Gij tastend aan het licht met een naam en een gezicht, even weerloos als wij mensen…" En zo wil God nog steeds aan het licht komen, zoekend en tastend. Ook nu wil Hij een naam en een gezicht krijgen, en ook een stem… niet alleen toen in die stal in Bethlehem, maar ook hier, nu onder ons.

Velen van u, ook ik, hebben in het afgelopen jaar meegemaakt dat dierbaren stierven. Plotseling of na een ziekte. En soms hoorde ik dan verzuchten: "Waar is God?" Of zoals iemand het pas zei, na het overlijden van zijn vrouw: "Was God soms met vakantie??" Maar ik ben steeds meer gaan geloven dat God juist dan heel dichtbij is, juist in zulke moeilijke momenten. God is niet onder ons komen wonen in volmaakte, perfecte omstandigheden, maar in een klein kwetsbaar mensenkind, dat geboren werd in een vuile stal. En zo komt Hij nog steeds onder ons. Hij is ook en juist dán aanwezig waar mensen zich kwetsbaar weten, klein en zwak of waar ze terecht komen in situaties of omstandigheden waar ze niet om hebben gevraagd.

Rembrandt van Rijn

Voor mij begint dáár de diepere betekenis van wat wij vieren met Kerstmis. Kerstmis is een feest van gezelligheid en saamhorigheid. En dat is heel goed. Maar het is niet alles. We moeten ook nooit vergeten dat God zoals Hij toen aanwezig was in de koude, donkere stal van Bethlehem, - dat Hij zo ook nú aanwezig is: in de natte, overvolle tentenkampen van Syrië en Griekenland, of bij de vluchtelingen die in gammele bootjes de Middellandse Zee oversteken of bij ons wanneer we het moeilijk hebben om het gemis van een dierbare of wanneer we ons eenzaam voelen of teleurgesteld zijn in elkaar.

Op een school ergens in Nederland speelden kinderen van groep zeven het kerstverhaal. Herman speelde ook mee. Hij was de herbergier. Er werd op de deur van zijn herberg geklopt. Daar stonden een man en een vrouw. Jozef vroeg of er plaats was voor hen in de herberg. Herman had zijn rol goed ingestudeerd en hij zei dan ook zeer beslist: "Voor jullie is er geen plaats in mijn herberg". "Maar mijn vrouw is zwanger", zei Jozef. "Ja, dat hoor ik meer en trouwens, dat is dan jouw zorg!" "Ja maar", zei Jozef, "ons kindje kan elk moment geboren worden. En in die kou buiten krijgt ons kindje het erg moeilijk". En dan valt Herman uit zijn rol. Hij krijgt medelijden en zegt: "Kom dan maar binnen. Hier is het warm". De juffrouw fluistert hard vanachter de coulissen: "Geen plaats in de herberg, moet je zeggen. Geen plaats in de herberg". Maar Herman voelt goed aan waar het over gaat. Hij wordt geraakt door de woorden van Jozef en hij doet wat iedereen zou moeten doen: je hart openen, de ander binnen laten, de ander ruimte geven om te leven.

Ik geloof dat God ons dat vannacht vraagt: val af en toe eens uit je rol, open je hart voor de mens die bij jou aanklopt. Want in iedere mens komt Hij tastend aan het licht. Jezus is daar het beste voorbeeld van.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

2019 kerstmorgen, Sint Petrusbasiliek, Boxmeer
overweging bij Johannes 1,1-18

"In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God en het Woord is mens geworden…"

Eén van de meest wezenlijke ervaringen in ons áller leven is dat wij méns worden, omdat wij aangesproken worden. Je kunt geen mens worden als er niet iemand is die je aanspreekt als er niet iemand is die je als het ware vraagt – hoe klein je ook nog bent –: wie ben je? wie wil je worden? wie wil je zijn? en die jou in de ogen kijkt en tegen jou zegt: jij mag er zijn! je bent welkom bij ons, van harte welkom!... Mens worden houdt altijd in, dat er een ander is, die je aanspreekt of uitnodigt, of uitlokt… Onze ouders hebben dat gedaan, onze familie deed en doet het… onze medezusters en medebroeders, onze vrienden en vriendinnen, - al die talloze mensen die wij in ons leven ontmoeten… zij nodigen ons uit, met of zonder woorden, om méns te worden, een goede mens…

Vandaag vieren we dat we niet alleen door ménsen aangesproken worden, maar ook door Gód… Vandaag vieren we dat er in het leven van iedere mens afzonderlijk én in het leven van onze wereld een heel bijzonder Woord geklonken heeft dat nog steeds klinkt, - een Woord dat van God gekomen is en dat méns geworden is. 
"In het begin was het Woord, het Woord was bij God… en het Woord was God. (-) En dat Woord is mens geworden…"
Dat Woord is mens geworden in een klein en kwetsbaar kind… in Jezus Christus, van wie wij vannacht de geboorte hebben gevierd. Door hem sprak én spreekt God ons aan, door hem nodigt Hij ieder van ons uit om méns te worden…

Kerststal als zandsculptuur, Gran Canaria

Dat kleine kind Jezus is van baanbrekende betekenis geworden in de levens van heel veel mensen en in de wereldgeschiedenis. Zijn leven is samen te vatten in één enkel Woord: Liefde. En eigenlijk bracht hij maar één boodschap: dat God intens verlangt dat wij die Liefde laten doorwerken tot in ons hart en tot in de uiterste uitlopers van ons gedrag én dat wij die Liefde doorgeven aan elkaar...

Tegenover dit diepe verlangen van God plaatst het evangelie van Johannes vandaag op een ontnuchterende wijze de werkelijkheid van de mens. Johannes noemt dat de 'duisternis'.. "Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan". Dat is iets dat we eigenlijk liever niet horen. Zeker niet op Kerstmis. We zijn al gauw tevreden als er in de oorlogsgebieden met een kerstmis een staakt-het-vuren is, een kerstbestand… terwijl we goed weten dat de realiteit de dag na kerst weer helemaal anders is. God is mens geworden in een wereld die ook toen al volop de egoïstische kant van de mensen kende, - en de gevolgen daarvan: honger, ongelijkheid, discriminatie, eigen volk eerst, geweld, terreur, angst… De evangelist Lucas zegt met andere woorden eigenlijk hetzelfde wanneer hij vertelt dat het goddelijk kind geboren is in een stal, omdat er in het dorpsherberg voor hem geen plaats was.
 
"Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan". 
Dat kán als een verwijt klinken, maar.. wij kunnen er ook een uitnodiging in zien voor onszelf: om aandachtig te kijken naar het goddelijk kind in de kribbe, en vooral naar de man die er uit dat kind gegroeid is. En misschien zien we dan dat dit kind ons vraagt of wij samen met God en met hem een licht willen proberen te zijn te zijn dat schijnt voor de mensen die op de vlucht zijn… voor de armen en de daklozen, voor de slachtoffers van geweld en terreur… 

"In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord wás God". Dit Woord spreekt ons telkens weer aan, in Jezus, soms zacht en bijna onhoorbaar, soms hard en dwingend. En wat Jezus ons vraagt, daar hoef ik nu niet veel verder op in te gaan want we hebben het er hier iedere zondag over.

God is mens geworden en Hij heeft onder ons gewoond…" dat vieren we vandaag en bidden we dat we het kunnen blijven beleven, al de dagen van ons leven.
Hij vraagt ons om in ónze tijd en in ónze manier van leven en in onze soms duistere werkelijkheid ménsen te zijn zoals hij.

In die geest wens ik u allen een Zalig Kerstmis.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Overweging 15 december
Over de eerste lezing die wij hebben gehoord zou je kunnen zeggen: 'Dit is geloven tegen de klippen op'. Dit is het ondenkbare mogelijk achten. Wat een jubelende en vooral bemoedigende woorden sprak de profeet Jesaja in de eerste lezing: 'Maak slappe handen sterk, geef kracht aan knikkende knieën. Spreek tot allen die de moed verloren hebben: Vat moed en vreest niet […] God komt om te vergelden en om u te redden.'

Bemoediging, maar de omstandigheden zijn verschrikkelijk. Die woorden worden gezegd in een context van ballingschap en verwoesting. Het volk was gedood, een deel was in Nacht und Nebel weggevoerd, Jeruzalem was verwoest. Het volk was verraden. Vooral door het volk Edom was het verradem, want zij hadden zich afzijdig gehouden toen Babylon zijn verwoestend werk deed, het had er zelfs van geprofiteerd…

Tot de slachtoffers van alle ellende wordt nu gezegd: er is een verder, houd moed! Ondanks alle dood en ellende is er toekomst.

Ik moest bij het lezen van deze woorden uit Jesaja heel sterk denken aan een boek: Uit naam van al de mijnen van Martin Gray.

Hij vertelt in dit boek over zijn ervaringen als Jood in het getto van Warschau en het vernietigingskamp Treblinka. Als je dit dikke boek leest, dan is zelfs voor mensen die al heel wat over Jodenvervolging hebben gelezen de opsomming van gruwelijke feiten overweldigend. Gray beschrijft ze tot in detail. Het gebeurde maar heel zelden dat Gray, zoals hij schrijft, 'een mens tegenkwam'. Verschillende malen gebruikt hij die uitdrukking in zijn boek: 'Ik kwam een mens tegen'. Daarmee bedoelde hij: iemand door wie hij niet werd verraden, die hem niet wilde doden, die hem heel soms zelfs hielp. Maar meestal gebeurde dat niet. Bladzijde na bladzijde beschrijft hij willekeur en wreedheid en vooral héél veel verraad van mensen die er álles voor overhadden om zelf in leven te blijven.
Om midden in die ellende toch te wíllen leven, is eigenlijk een wonder. Het is een wonder dat mensen in dit soort omstandigheden blijven uitzien naar bevrijding.
Dat deed lang niet iedereen. Veel mensen in het getto van Warschau kozen zelf voor de dood. Ze gaven zich over om naar de vernietigingskampen te worden gebracht of ze maakten zelf een eind aan hun leven.
Maar Gray bleef geloven dat er een ander leven mogelijk is: een leven als mens. Een leven als een héél mens, een menselijke mens. En hij bleef dat geloven juist ómdat hij een enkele keer zo'n mens tegenkwam. Die paar keer dat dat gebeurde beschouwde hij dat als een teken, een teken van een toekomst die dus mogelijk is.

De woorden van Jesaja zijn over de tijden heen nog steeds een oproep, een oproep doorheen de tijden en aan ieder mens om zelf zo'n teken te zijn: om de zwakke kracht te geven, om mensen moed te geven, om mens te zijn voor de verdrukten. Het is een oproep om niet aan de kant te blijven staan als een agressor als Babylon het voorzien heeft op zwakke en onschuldige mensen; het is een oproep om niet toe te geven aan vernietiging en dood maar om het leven te ondersteunen, zelfs al kan het je de kop kosten. Dit geldt niet alleen voor oorlogssituaties ver weg. Ook in onze relatief vreedzame omstandigheden zijn er altijd mensen die in de verdrukking dreigen te komen. Is ook dan iedere menselijke mens niet een stukje van de vrede en heelheid die in God mogelijk zijn? Is niet iedere menselijke mens een profetisch teken; een teken dat Gods rijk mogelijk is waarin mensen het leven wordt gegund?

Dan heb ik het over de mensen die de zee opgaan om verdrinkende vluchtelingen te zoeken, de jonge mensen die gegrepen zijn door de nood van onze aarde en regeringsleiders wakker schudden dat ze nu echt iets moeten doen. De mensen die zich bewust zijn van de armoede, ook in onze samenleving en zich op dit moment met man en macht ervoor inzetten dat mensen de komende feestdagen iets extra's hebben. God zij dank zijn er zoveel mensen, echte mensen. Maar het zijn er nooit genoeg. Bidden wij, dat ook wij de kracht zullen krijgen om mens te zijn, een bode van leven en bevrijding. Een teken van Gods Rijk op aarde. Amen.

Zr. Susan van Driel

Geloofsweg Samen


home | archief startpagina | disclaimer | print deze pagina | omhoog

"... Later bedacht zich de zoon die 'nee' zei en hij ging alsnog