grotere letterskleinere letters

U bent hier: home > inspiratie > overwegingen

OVERWEGINGEN

Susan van Driel - overweging Palmzondag

Wat een enthousiasme vertonen de mensen die er bij zijn als Jezus Jeruzalem binnentrekt: "Hosanna de zoon van David". Zij begroeten Hem als een afstammeling van David, een koningszoon die zijn koningschap komt bevestigen.

Intocht in Jeruzalem, door Giotto in de Arenakapel (of Scrovegnikapel) in Padua (ca. 1305)

Dat beeld van Jezus op een veulen herkennen ze. Het is een beeld dat herinnert aan verhalen uit het verleden. Hoewel het volk Israël al eeuwen zucht onder vreemde en vaak wrede overheersing, is toch de herinnering aan de koningen van Israël nog steeds levend.

Natuurlijk, er is maar een écht koning over Israël en dat is de Heer, de God van Israël; de God die zijn volk heeft bevrijd uit het slavenhuis van Egypte; die het roepen  van zijn volk hoorde en zijn mensen door de woestijn naar het beloofde land heeft geleid. Maar het volk had daar niet genoeg aan, het wilde 'echte leiders', 'sterke leiders'. En het kreeg leiders: gezalfde koningen. Zíj zouden koningen moeten zijn naar Gods hart.

Over zo'n koning, zingt psalm 72:
          'Hij redt de misdeelde die om hulp smeekt,
de verdrukte, door niemand geholpen.
Wie achtergesteld zijn toont Hij erbarmen,
wie zwak en onderdrukt is redt hij het leven.
Hij koopt hen vrij uit slavernij en geweld    
want kostbaar is hun bloed in zijn ogen'.
Tegen zo'n gezalfde koning zijn de tedere woorden gericht uit psalm 2: 'Jij, jij bent mijn zoon, vandaag heb ik je verwekt'.
Zo'n koning was de bedoeling.

Met mensen is echter doorheen de eeuwen altijd hetzelfde aan de hand geweest:
Als ze macht hebben over andere mensen, dan zijn er maar weinig die daar op een goede en verantwoordelijke manier mee kunnen omgaan. Kijk maar in de krant, op de televisie en op de app: machtsmisbruik is aan de orde van de dag en alles wordt gedaan om die macht in handen te houden. Zelfs in deze tijd van Corona is het voor leiders in sommige landen belangrijker om stemmen te trekken door stimulering van de economie dan om de juiste beslissingen te nemen voor de gezondheid van de mensen.

Ook de meeste koningen van Israël vervielen vroeg of laat tot misbruik van macht. We kunnen het in onze H. Schrift gewoon lezen: moord, zelfverrijking, het invoeren van vreemde en bloeddorstige goden. Toch bleef onder de mensen de herinnering levend dat een koning eigenlijk anders zou moeten zijn. En soms was er ook wel een die wél probeerde 'zoon van God' te zijn.
Zo'n koning was Salomo, een koning waarvan de wijsheid en goedheid spreekwoordelijk werden. Dat was een koning die, toen hij tot koning werd gezalfd, niet op een trots paard reed maar op een eenvoudig muildier, het rijdier waarop zijn vader koning David ook reed; een dier dat op zijn rug altijd de lasten draagt die mensen niet kunnen dragen. Die herinnering bleef levend en het volk bleef hopen op een nieuwe en zachtmoedige vredevorst.

Zo zien de mensen in de straten van Jeruzalem Jezus de stad binnengaan, zij zien in Hem de nieuwe koning. Hij is aan het eind gekomen van een weg die bij zijn doop was begonnen. Daar had Hij diep gevoeld dat Hij kind van God is; daar hoorde Hij de stem: 'Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind'. En Hij voelde toen dat íeder mens kind van God is, maar dat de mensen dat niet altijd beseffen; dat ze dat elkáár niet altijd laten voelen. Dus trok Hij rond en ging Hij aan de mensen vertellen dat God er is, heel dichtbij. Zijn boodschap was: Hij heeft je lief…Heb jíj ook anderen lief…Dat vertelde Hij vooral aan de mensen die op wat voor manier dan ook werden gezien als er niet bij horend: melaatsen, gehandicapten, zondaren. En al die mensen voelden dat als Hij hen aankeek, Hij hen aankeek met de ogen van God; de ogen van een Koning in dienstbaarheid aan mensen. Het raakte hen en ze gingen Hem achterna.
Bidden wij dat ook wij zullen volgen.

Gebed:
God,
uw Naam is: 'Ik zal er zijn'.
Wees trouw aan deze naam
en blijf ons met uw liefde nabij.
Dat bidden wij U omwille van Hem
die uw Dienaar tot het uiterste is geweest:
Jezus Christus, onze Heer.
Amen.

overweging bij een fragment uit Johannes 11,1-45

De opwekking van Lazarus is het laatste van de zg. tekenen in het Johannesevangelie. Johannes noemt de wonderen van Jezus 'tekenen', omdat hij wil voorkomen dat de wonderen als een soort stunt worden gezien. De wonderlijke daden van Jezus voor hem verwijzingen zijn: ze verwijzen naar een wereld waar God in al zijn volheid bij ons zal wonen. Het is de wereld waar geen dood meer zal bestaan, "geen rouw, geen geween, geen verdriet zal daar zijn, want al het oude is voorbij" [Apokalyps 21,4].

Apokalyps

Die wereld van God is er nu nog niet, althans niet zichtbaar. Dat zien we vandaag ook in het evangelie Er is een zekere spanning tussen [zeg ik maar voor het gemak] 'de wereld van God' én 'de wereld van ons mensen'. Onze wereld wordt begrensd door onze onmogelijkheden. Er zijn ziekten waar je niet van geneest. Er is onrecht waar je niets aan kunt doen. Er is lijden dat je moet ondergaan, of je wilt of niet. Ons leven is een begrensd en beperkt leven.
En daartegenover staat 'de wereld van God'… hoewel… daartegenover?? Misschien zeggen we beter: daarín verborgen; in onze wereld is er ook die wereld van God, die onze begrensdheden openbreekt. "Midden in de dood zijn wij in het leven…" zingt het lied.

Een paar voorbeelden uit de Schrift doen dit ook vermoeden. Als Sara te horen krijgt dat zij op hoge leeftijd nog een kind krijgt, moet ze vreselijk lachen. Haar lach was logisch. Zij kon zich geen andere toekomst voorstellen dan die zij reeds kende. Maar na negen maanden bleek toch, dat er voor God wel degelijk een andere toekomst bestaat…
En Ezechiël ziet in zijn visioen, dat de graven open zullen gaan. Ook van de grens van de vergankelijkheid trekt God zich niets aan. Precies dat aanvoelen, dat God voorbij alle grenzen is… precies dat horen we vaker in de Schrift: van Sara via Ezechiël tot en met Marta en Maria: onze God is een God van levenden, niet van doden.

Dan is natuurlijk de vraag wat die dynamiek van de Schrift doet met ons. Het is in ieder geval wel de bedoeling van Jezus dat er iets gebeurt met ons. Jezus zegt van zichzelf tegen Marta: "Ik ben de verrijzenis en het leven". En vervolgens vraagt hij aan Marta: "Geloof je dat?" Daarmee daagt hij Marta uit om te kiezen, persoonlijk te kiezen. Er moet iets gebeuren met haar. En er gebéurt ook werkelijk iets met haar. Eerst heeft ze gezegd: "Ik wéét dat God je zal verhoren." En even later: "Ik wéét dat mijn broer zal verrijzen.." Maar dan komt ze door die scherpe vraag van Jezus toch bij haar diepste overtuiging: "Ik geloof."

Het evangelie wil ons toe-leiden naar het geloof van Marta. Het vraagt van ons, dat ook wij ons laten uitdagen door Jezus. De stap maken van weten naar geloven. Weten en kennen is onvoldoende. Dat je de vragen en de antwoorden uit de catechismus uit je hoofd kent, zegt niet zoveel. Wanneer je je in alles precies houdt aan de voorschriften en de geboden van de kerk, betekent dat op zich ook niets. Het gaat Jezus erom dat ons doen en laten bezield is door liefde. Dat respect en liefde voor de medemens en voor de natuur onze drijfveer is. Dat je je laat raken door de schoonheid van de dingen en verdrietig kunt zijn om het leed van de ander. Dat je in wat er om je heen en met je gebeurt de aanwezigheid en de werking van God durft te ontdekken. Dat is de dynamiek van dit evangelie. Marta en Maria lieten zich raken, gaven zich over, vertrouwden zich toe, gelóófden op het moment dat ze voelden dat Jezus bewogen werd door hun leed. Jezus huiverde staat er en hij huilde: hij werd tot in zijn diepste binnenste bewogen en geraakt; hij verstond hen en zij wisten zich verstaan en vertrouwden zich toe en geloofden in hem.

Wat dit geloven is, is verder moeilijk uit te leggen. We kunnen het misschien van binnenuit aanvoelen als we het leven overdenken van Titus Brandsma of stilstaan bij het sterven van iemand, die in overgave gestorven is. Dan kun je iets aanvoelen
wat er gebeurt met mensen die leven vanuit een geraakt-zijn-door Jezus of door God. Dan kun je zien, dat het mogelijk is: een houding van overgave, van je toevertrouwen, hoe het leven er ook uit gaat zien. Steunen op de trouw van onze God.

Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider

gebed

God van Levenden,
schenk ons geloof en vertrouwen,
in deze tijd van twijfel en onzekerheid
waarin wij moeten leven.
Dat wij in ons leven ruimte blijven geven
aan U en onze medemensen.
Dat wij blijven geloven, dat U ons zal dragen,
waar wij ook moeten gaan.
Amen.


Maria heeft dan nog een hele weg te gaan. De gezegende vrucht van haar schoot zal ze ter wereld brengen. Ze zal het Kind voeden en opvoeden. Ze zal Hem ook moeten loslaten, dan kan ze Hem alleen nog maar liefhebben. Ze zal Hem zien opgroeien tot een man met een missie, een man met een geheel eigen opdracht, een man die zijn eigen weg gaat. Hij zal uitgroeien tot de hoogste dienaar van God en van alle mensen. Met de weg die zij gaat, is Maria voor ons een voorbeeld van liefde en geloof. De liefde van God beantwoordt zij met haar dienstbaarheid en haar hele vertrouwen stelt zij op God. Hoe onzeker haar toekomst ook is, zij vertrouwt erop dat het goed komt. Hoe onbegrijpelijk haar Zoon Jezus ook is, zij geeft Hem haar vertrouwen, zij steunt Hem, zij volgt Hem, zij gelooft in Hem en zij houdt van Hem.
God wil dat wij mensen – zijn kinderen – gelukkig zijn. Daarvoor is Jezus, Gods Zoon mens geworden. Jezus laat ons zien dat wij het geluk vinden in de liefde voor God en voor elkaar. Hij heeft ons die liefde voorgeleefd en roept ons op zijn voorbeeld te volgen. Hij heeft ons zijn Geest gegeven om ons daarbij te helpen. Door Jezus hebben wij weet van de liefde van God en hij heeft ons geleerd wat Gods liefde kan bewerken.
Wij mensen zijn geschapen naar het beeld van God. In verbondenheid met elkaar komen wij tot volle wasdom. Door de liefde voor elkaar kunnen we van elkaar ontvangen en kunnen we aan elkaar geven. Doordat we van elkaar verschillen kunnen we van elkaar houden. Door de verscheidenheid kunnen we elkaar aanvullen en elkaar van dienst zijn. Zo wordt de ontmoeting tussen mensen werkelijk een heel kostbaar geschenk. Ons geluk en onze vreugde ligt niet in de zelfgenoegzaamheid. Zij liggen niet in onze onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Juist in verbondenheid met elkaar komen wij tot ontplooiing. Binnen de gemeenschap worden wij werkelijk mens.
Binnen de gemeenschap, in de relatie tussen mensen is Jezus aanwezig.

Daar is zijn Geest werkzaam: de Geest van liefde en verbondenheid. Hij versterkt onze liefde en dienstbaarheid voor elkaar. Hij maakt die liefde vruchtbaar. Hij vervult onze harten daarmee met echte vreugde. Hij maakt dat wij – zoals Maria in het Magnificat – het uitzingen van vreugde. Maria weet waar liefde en geloof ons brengen. Liefde en geloof zijn de sleutelwoorden in onze menselijke relaties. Als wij elkaar niet waarderen en niet vertrouwen kunnen we niet met elkaar samenleven. Zonder liefde en geloof wordt onze samenleving een politiestaat.
Dienstbaarheid, gemeenschap en verbondenheid, liefde en geloof, respect en vertrouwen staan aan de basis van onze gezinnen en van onze vriendschappen, aan de basis van onze arbeid en van onze ontspanning. Geheel onze maatschappij is erop gebouwd. Als wij leven vanuit deze gedachte mogen wij onszelf werkelijk kinderen van Maria noemen.

Maria geeft ons het voorbeeld. Net zoals zij deed, mogen wij haar Zoon Jezus navolgen en Hem liefhebben. Zij leefde een leven van liefde en geloof, van dienstbaarheid en verbondenheid. Ook wij kunnen en mogen die weg gaan. Maria is ook onze voorspraak. Zij is ons gegeven als ons aller moeder in liefde en geloof. Zij staat ons ook bij op onze weg door het leven. Zij helpt ons – net als zijzelf – te leven vanuit de genade die God ons geeft. Amen.

De overweging is van Pier Tolsma, diaken in de r.k. parochiefederatie Vlietstreek. De overweging is door ons licht bewerkt en gisteren, op 25 maart, het feest van Maria Boodschap, gelezen in de viering van onze Karmelcommuniteit. Lees de complete tekst.

Deze overweging is geschreven door Falco Thuis op 26 maart 2017

In het voorbijgaan zag Hij een man die blind was van zijn geboorte af. Zijn leerlingen vroegen Hem: "Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?" Jezus antwoordde: "Zijn blindheid heeft niets te maken met zijn eigen zonden of die van zijn ouders. Nee, de daden van God moeten vandaag openbaar worden.

Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld." Toen Hij dit gezegd had, bestreek de ogen van de man en zei tot hem: "Ga u wassen in de vijver van de Siloam". Hij ging er naar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan. 
(Johannnes, hoofdstuk 9)

Siloam

overweging 
In het begin van het Johannes evangelie horen we plechtig aangekondigd dat het Woord van God leven is, licht voor de mensen. Maar er staat direct bij dat dit licht in de duisternis scheen, maar dat de duisternis het licht niet aannam. Deze woorden klinken mee in het verhaal van de blind geborene, van wie Jezus de ogen open en licht werd in de duisternis van zijn blindheid.

De komst van het Licht in de wereld, namelijk Jezus Christus, blijft ook in onze wereld ten nauwste verweven met een, lijkt het soms,  georganiseerde weerstand van de duisternis die het Licht niet wil. 'Hoe is het mogelijk, zei Titus Brandsma, 'dat zoveel weldenkende mensen het licht niet zien van het bestaan van God als de bron van al wat is, als een Geheim van liefde.'

In onze tijd van secularisatie en 'godsverduistering' komen veel mensen er met een zekere trots voor uit 'het licht te hebben gezien' van bevrijding uit godsgeloof en onderdrukkende religie. 'Hoe kun je geloven in het bestaan van een God die toestaat dat je kindje dood gaat?', zegt een hoog opgeleide journalist tot een breed publiek. 'Stel me geen vragen over het geloof. Ik heb afstand genomen van die hele poppenkast.'

Heel veel mensen hadden en hebben ook vandaag nog last van dit soort verkeerde godsbeelden die in plaats van bevrijdend en verheugend, belastend en neerdrukkend hebben gewerkt. Een eenzijdige en moraliserende kerkelijke verkondiging droeg daartoe zeker bij.

Veel voortschrijdend inzicht in de kerk van nu, luisterend naar de tekenen van de tijd, biedt betere perspectieven. Ook vandaag opent Jezus in Gods Naam de ogen van talloze mensen voor het Licht van Gods bevrijdende Aanwezigheid. Het gebeurt in de ontmoeting met aanstekelijke en authentieke getuigen wier leven door Gods Woord een andere verrassende wending heeft genomen. Het gebeurt door levenservaringen, waarin ten slotte 'het kwartje valt' van niet meer langs de aanraking van God heen te kunnen.

Zo kon een gelovige gevangene in Auschwitz op een vraag van een medegevangene 'Waar is nu jouw goede God' wijzen op de rijen uitgemergelde mannen voor en achter hem, zeggend: 'God is hier bij ons en lijdt met ons mee.' Voor hem was God een ongelooflijke steun en kracht. Mogen wij, als levende getuigen dat God er altijd is, elkaar helpen ontvankelijk te worden om ook het licht te mogen zien van Gods bevrijdende aanwezigheid.

(Falco Thuis, 26 maart 2017)

Overweging, gehouden tijdens de Eucharistieviering die de Karmelgemeenschap in privé-kring heeft gehouden op zondag 15 maart. Lezingen: Jesaja 41,17-20 en Johannes 4,5-42

Eind jaren tachtig is er in de Bijlmer aan de rand van Amsterdam
een kolossaal bakstenen kantoorgebouw neergezet. Ik weet niet of het nog bestaat, maar destijds werd er nogal over geschreven. De architect had binnenin langs alle trappen brede watergoten gebouwd. Mensen noemde ze 'kantoorbeken'. Je kon door heel het gebouw heen water horen en zien stromen. De bedoeling van de architect was dat de mensen daar in die vertechniseerde omgeving voeling konden blijven houden met de oerbronnen van het leven. Water is zo'n oerbron.

Die 'kantoorbeken' werkten als een soort parabel. Je voelde hoe achter die speelse architectuur een verhaal lag: de mens leeft niet van zijn of haar computer alleen. Te midden van de technische wereld in zo'n gebouw vol computers, statistieken en rapporten kan een mens geestelijk en religieus uitdrogen. En daarom is het goed dat er mensen zijn zoals die architect die je zo af en toe weer iets laten horen en voelen van de bron.

Het verhaal van de ontmoeting van Jezus met die vrouw aan de bron zou je ook een parabel kunnen noemen. Achter het heel alledaagse beeld van een Samaritaanse vrouw die water komt halen, zien we tijdens haar gesprek met Jezus geleidelijk andere beelden opkomen.
Het onmisbare dagelijkse drinkwater wordt beeld van Gods altijddurende, eeuwig stromende liefde en goedheid voor ons mensen.
De diepe put van Jacob wordt beeld van het hart van iedere mens: diep in het hart van elk van ons leeft het steeds weer opborrelende verlangen naar geluk, naar vrede, naar gerechtigheid.

Het is heel kostbaar dat er af en toe iemand op onze weg komt die ons helpt dat verlangen naar boven te halen; want dat verlangen helpt ons om echt mens te worden. Jezus is zo iemand. Hij nodigt ons vandaag uit om zo nu en dan even stil te staan bij die diepe bron in ons.

Waar halen wij de energie vandaan om onze liefde voor elkaar, onze zorg en onze verantwoordelijkheid ook levenslang levend en fris te houden, - in goede en in kwade dagen? Waar halen we het water vandaan om de verwondering en de dankbaarheid om elkaar te cultiveren en te laten groeien, - en het verdriet en de pijn die er altijd ook zijn, uit te houden?

Waar halen wij de hoop vandaan om te geloven dat het leven misschien wel net als het water eeuwig doorstroomt en dat wij en al die mensen die ons voorgingen, op weg zijn naar Pasen, naar een nieuw leven? 
Waar halen wij de inspiratie vandaan om in alle wederwaardigheden elkaar te blijven bemoedigen?

Af en toe is het nodig dat wij een moment stilstaan en luisteren of de bron nog open is. Ik hoop dat ook wij dan, net als die vrouw destijds bij de bron van Jacob, iets mogen horen en voelen van die stem, die goede geest van Jezus, dé bron van levend water, - ook voor ons.

Goede God,
U bent de oorsprong, de bron van ons leven,
van ons, en van elke mens in onze wereld.
Maak ons ontvankelijk en open ons hart
dat wij U kunnen ontmoeten
en U ook echt kunnen ervaren als onze levensbron.
Zo bidden wij U, door Christus onze Heer.
Amen

Ben Wolbers, pastor-teamleider

Overweging Basiliek 8 maart 2020

Op 4 april 1968 werd de bekende mensenrechtenactivist dr. Martin Luther King vermoord. Er waren al eerder enkele pogingen geweest; enkele dagen ervoor was er nog sprake van een bomaanslag.

De avond vóór zijn dood sprak hij in een kerk die volgepakt was met mensen, de volgende woorden:
"Ik weet niet wat er gaat gebeuren. Er komen moeilijke dagen. Maar het maakt me niet uit, want ik ben op de top van de berg geweest. En dat vind ik niet erg. Zoals iedereen, zou ik graag willen leven - een lang leven; een lang leven is goed. Maar daar maak ik me nu geen zorgen over. Ik wil gewoon Gods wil doen. En Hij heeft mij toegestaan om de berg op te gaan. En ik heb gekeken. En ik heb het beloofde land al gezien. Ik kom daar misschien niet samen met jullie aan. Maar ik wil dat jullie vanavond weten dat wij als volk dat Beloofde Land zúllen bereiken. Dus ik ben vanavond verheugd. Ik maak me nergens zorgen over. Ik ben voor niemand bang. Mijn ogen hebben de glorie van de komst van de Heer gezien."

Ik moest aan deze rede van Martin Luther King denken toen ik de evangelielezing van vandaag las: de lezing over de 'verheerlijking van Jezus op de berg'. De lezing verhaalt hoe Jezus voor de ogen van zijn leerlingen in Gods licht wordt opgenomen. Zijn 'aangezicht blonk als de zon'. Als je het zo leest, dan lijkt het een prachtig gebeuren. De leerlingen die erbij zijn, zijn er dan ook helemaal van onderste boven. Petrus gaat stamelen over hutten die hij wil bouwen, en als ze dan ook nog een stem uit een lichtende wolk horen storten ze van angst ineen, overweldigd door wat ze ervaren aan macht en heerlijkheid.
Maar wat een tegenstelling met de verzen die hieraan voorafgaan. In die verzen vertelt Jezus aan zijn leerlingen in niet mis te verstane woorden dat Hem op zijn weg onherroepelijk het lijden en de dood te wachten zal staan. Hij kreeg er zelfs woorden over met Petrus die dit niet zomaar accepteerde. Toen zei Jezus het nog duidelijker: 'Als iemand achter mij aan wil komen, laat hij met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en mij volgen'.
Jezus weet dat de boodschap die Hij verkondigt - Gods liefdevolle nabijheid voor mensen die met de nek worden aangekeken - Hem machtige vijanden heeft bezorgd. Hij weet dat, als Hij daarmee doorgaat, dit zijn eind zal betekenen. Toch kiest hij ervoor om door te gaan met het werk waartoe Hij zich geroepen voelt. Op de berg wordt dit bekrachtigd: 'Dit is mijn geliefde Zoon, in Wie ik vreugde vind, luister naar Hem…'
Voor Jezus, voor dr. Martin Luther King en je kunt nog zoveel meer namen noemen: Oscar Romero, Etty Hillesum, pater Frans van der Lugt en vele, vele anderen. Wat al die mensen gemeen hebben is dat zij hun rotsvaste grond gevonden hebben in het geloof in een God van liefde en bevrijding, van gerechtigheid en vrede voor íedere mens. En zij allen stonden voor de keus: Blijf ik staan voor dat waarin ik geloof of kies ik voor mijn leven. Zij kozen voor de God die hen riep naar zijn Rijk van liefde.
Ik wil eindigen met woorden van de in Syrië vermoorde pater Frans van der Lugt. Omdat hieruit zo spreekt wat hem zijn leven heeft gekost.

 "Ze [De mensen uit de buurt] hoorden ook dat ik met de overgebleven christenen (vooral orthodoxen) Palmzondag wilde vieren. Ze zeiden toen tegen mij: 'De kerk ligt vol stof van al die bombardementen. We gaan samen de kerk schoonmaken en dan komen we zondag ook in de mis.' Zo gebeurde het ook. Palmzondag zaten ze samen met de orthodoxen in de mis, hun kinderen met hun mooiste kleren op de eerste rij. Wij hebben ook een imam bij ons wonen, met zijn vrouw en kinderen. Die heb ik toen gevraagd tijdens de mis een tekst uit de Koran voor te lezen. Dit deed hij met veel enthousiasme, en zowaar kwam hij ook nog met een mooie preek voor de dag, over broederschap. En toen wilden ook de meesten ter communie. De vrouw van de imam kwam er ook aan. Toen gingen al mijn dogmatische neigingen (voor zover die ik nog heb of ooit gehad heb) de mist in."

Voor Frans van der Lugt was er maar één liefde, Gods liefde die zich niet beperkt tot wat voor groep dan ook. Beste vormelingen, dáár gaat het in ons geloof om: goedheid, vriendschap, zorgen voor elkaar, zoals God ook voor ons zorgt; zoals Hij aan ons allemaal leven heeft geschonken.
Frans van der Lugt heeft er zelfs zijn leven voor gegeven. Voor de meeste mensen in de wereld komt het nooit zover. Maar door zich zo totaal te geven aan zijn mensen gaf hij een getuigenis dat herinnerd zal worden, zoals dat van Martin Luther King, zoals dat van Jezus. We praten er nog steeds over, laten we dat vooral blijven doen. Amen

Zr. Susan van Driel

Overweging Sint Petrus Basiliek 16 februari 2020

Het is alweer heel wat jaren geleden, ik was nog heel jong, dat ik een film zag over de geschiedenis van de joodse arts Gysela Perl. Ze was een gynaecologe. Zoals miljoenen Joden kwam ook zij in het concentratiekamp terecht. Zij had geluk, ze was jong en sterk en werd dus niet direct vergast maar mocht nog even blijven leven om in het kamp te werken als gynaecoloog. Dat moest ze echter doen zonder instrumenten, schone verbanden of zelfs maar schoon water. Toch deed ze wat ze kon.

Out of Ashes

'Out of Ashes', een film van Joseph Sargent

Een van de maatregelen van de Nazi's in de concentratiekampen was dat de joodse vrouwen die tewerkgesteld werden bij zwangerschap direct naar de gaskamer werden gestuurd. Dat gebeurde vrouwen die zwanger bleken nadat ze voor werk waren geselecteerd, maar er waren er ook die zwanger werden ín het kamp, immers een manier om aan wat extra eten te komen was om je lichaam aan te bieden.

Gysela Perl hielp deze vrouwen met gevaar voor eigen leven. Ze aborteerde de foetussen. Soms kwamen de vrouwen veel te laat bij haar, dan was het kind eigenlijk al levensvatbaar. Ze moest zelfs een enkele keer de kreten van de baby smoren in een kussen. Want als het gehoord zou worden, dan betekende dat onherroepelijk voor iedereen die betrokken was de dood. Honderden vrouwen heeft ze zo het leven gered. Zelf overleefde deze arts de oorlog en ze ging toen wonen in Amerika, Maar haar aanvraag voor een verblijfsvergunning werd afgewezen. Op een of andere wijze werd haar verhaal bekend. Het gevolg was dat zij voor het gerecht kwam, de aanklacht was schending van de rechten van de mens en collaboratie met de Nazi's. Uiteindelijk, maar wel na jaren, werd ze vrijgesproken en mocht ze in de VS blijven.

Op mij heeft deze film een onuitwisbare indruk gemaakt omdat hierin voor mij zó helder werd dat goed en kwaad soms heel dicht bijeen liggen.
Wat is er nu niet erger dan het doden van een levensvatbaar pasgeboren kind? Ik heb er lang over nagedacht en ik denk dat ik er in mijn leven nooit mee klaar kom.
Iedere keer weer als het over wetten en regels gaat denk ik aan deze film, vooral als het gaat om ge- en verboden en ons eigen geweten. Want dat hoor je mensen vaak zeggen, dat ze hun eigen geweten volgen; voor regels en wetten zijn wij tegenwoordig vaak wat afhoudend. Maar met het voorbeeld van zojuist, heb ik ook aan willen geven hoe moeilijk het is om dat te doen. De vraag naar goed en kwaad is niet eenvoudig. Het is in ieder geval veel moeilijker dan de eenvoudige oplossing die ik ook meerdere keren heb gehoord: 'Als je bij de kerk wilt horen, moet je je aan de regels houden'. Nee, van die indrukwekkende film heb ik geleerd dat ook dat een valse schijn van zekerheid kan geven.

Dat neemt echter niet weg dat we die woorden van Jezus Sirach uit de eerste lezing ook serieus moeten nemen: 'het is ook verstandig te doen wat Hem behaagt'. De woorden in onze H. Schrift waaruit heel veel komt van wat er ons wordt voorgeschreven zijn immers geen lege woorden, ze willen ergens naar toe. Ze willen iets tot stand brengen dat Jezus een Koninkrijk noemt, een Rijk van Gerechtigheid en Leven: het Rijk van God. Een Koninkrijk dat veel verder gaat dan de voorschriften die de mensen volgen: Het gaat niet alleen om niet doden, nee, ook de kwade gedachte is eigenlijk al vernietigend.
Als Mozes de tien geboden van God in ontvangst neemt hoort hij eerst: 'Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.' Dát is het uitgangspunt van alles, dáárom is het eerste gebod: 'Heb geen andere goden ten koste van Mij' en 'U zult u niet buigen voor andere goden'. Niet omdat God het op de een of andere manier het heeft verdiend om God te zijn. Nee, omdat het allemaal om leven en bevrijding gaat; omdat, met de woorden van Paulus, de hele schepping in barensnood is naar de geboorte van die bevrijding en dat Leven met een hoofdletter toe. En, dat alles wat daar tegenin gaat, alles dat gevangenhoudt en het leven afsnijdt, bestreden hoort te worden.

Dat zullen we onszelf dus altijd af moeten vragen, als we ons houden aan de regels én als we menen ervan af te moeten wijken. Gaat het hier en nu om leven en bevrijding? Héél moeilijk, maar we zijn geschapen náár Gods beeld en gelijkenis. We moeten het dus kunnen. Bidden wij dat Hij ons zal helpen bij die moeilijke opdracht. Amen

Zr. Susan van Driel

Sint Petrusbasiliek Boxmeer, 9-2-2020, 5e zondag door het jaar
lezingen: Jesaja 58,7-10 en Mattheus 5,13-16 

We kennen allemaal wel: mensen die in onze familie, in de voetbalclub, op school of op een feestje de sfeer maken... mensen die met hun goede zin of optimisme de stemming bepalen… die met een enkel woord de moed erin houden als anderen het niet meer zien zitten… Soms is één persoon dan al genoeg. Ik dacht aan zulke mensen bij de woorden van Jezus van vandaag: "Jullie zijn het zout van de aarde". "Jullie zijn het licht van de wereld". 

Zout

Het mooie van deze beeldspraak van Jezus vind ik, dat hij wijst op iets dat we allemaal wel weten: dat iets heel kleins in ons leven soms al voldoende is om het verschil te maken… zoals een mespuntje zout soms al genoeg is om het eten op smaak te brengen en zoals een simpel lichtpuntje soms al voldoende om je te kunnen oriënteren in het duister, - zo kunnen heel eenvoudige dingen ons helpen om het leven van alledag smaakvol te maken of leuk, of pittig… het zijn de kleine dingen die het doen… Het gaat er in ons leven meestal niet om dat we allerlei grootse dingen doen… nee, ik hoor Jezus zeggen dat we dikwijls veel meer kunnen betekenen voor elkaar en voor onze wereld dan wij beseffen.

In onze parochie, maar ook bij ons in de Karmel, hoor ik mensen wel eens wat mismoedig zeggen dat het tegenwoordig allemaal veel minder is dan vroeger… dat we niet meer zoveel kunnen… 'we worden allemaal ouder', zeggen ze dan, 'we vergrijzen', 'er komen geen jongere mensen meer bij'… 'we zijn langzamerhand met te weinig'… 'wat kunnen we nog?'
Als ik dan Jezus hoor zeggen: jullie zijn het zout van de aarde, jullie zijn het licht van de wereld, - dan zijn dat woorden die ook voor ons bestemd zijn… wij zijn nog steeds met genoeg, wij hebben nog steeds voldoende in huis… Een snufje zout volstaat om een hele pan soep smaak te geven, een kleine vlam zie je in het donker al van heel ver… Wij moeten niet te gering denken over onszelf. Ja, zelfs: dat mógen we niet… Jezus gebruikt deze beelden van zout en licht niet voor niks. En denk ook maar aan het mosterdzaadje dat de kracht in zich draagt om een hele grote boom te worden… of aan het gist dat een homp deeg doet rijzen tot een lekker brood… 'Begin maar bij jezelf', zegt Jezus, 'jullie zijn zout, jullie zijn licht, gedraag je daar dan ook naar'.

Maar, hoor ik u zeggen, hoe doe je dat: smaak brengen in het leven? licht zijn in je omgeving? Nou, ik denk dat je dat doet, - niet door jezelf terug te trekken in je eigen schulp, je eigen huis of je eigen belang… Zout en licht zijn voor je omgeving doe je ook niet door je als gelovige terug te trekken uit jouw kerk of – wat even erg is – je terug te trekken in jouw eigen kerk. 'Dan zal jouw licht nooit stralen: zet jouw licht niet onder een korenmaat', zegt Jezus…

Hoe moet het dan wel? Dat vertelt de profeet Jesaja ons heel kort en bondig in de eerste lezing. Vrij vertaald zegt hij: 'Deel jouw brood met wie honger heeft; bied een thuis aan wie dat zoeken, en laat niemand links liggen. Dan zal jouw licht doorbreken als de dageraad. Als jij mensen eerlijk en rechtvaardig behandelt, als jij niet meedoet aan allerlei geroddel, dan straalt jouw licht en dan maak je van de nacht een stralende dag.'
Gelukkig zijn er nogal wat van zulke mensen, binnen en buiten de kerken, die zout van de aarde zijn en licht in de wereld. Gelukkig zijn ze er behoorlijk veel: mensen zoals God ze bedoeld heeft. Laten we erop vertrouwen dat hun uitstraling aanstekelijk werkt. Amen

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Overweging van Susan van Driel
Basiliek Boxmeer, 2 februari 2020

Enige jaren geleden hoorde ik tijdens een lange treinreis een gesprek tussen twee jonge mannen. Zij spraken op nogal luide toon over de plannen die zij voor hun leven hadden, de carrière die zij wilden opbouwen, de vrouw en kinderen die zij pas daarna hadden gepland en zelfs ging het over ziekte, dementie en dood: 'Als het zover komt, stap ik eruit, ik snap trouwens helemaal niet waarom wij mensen maar in leven houden die alleen nog maar ademhalen' vond de één en de andere jonge man was het daar gloeiend mee eens.

In deze jonge mannen was naar mijn aanvoelen nog niet zo heel veel plaats voor de notie dat het leven over heel andere paden kan gaan dan wij mensen kunnen plannen; de ruimte voor wat in een leven allemaal mogelijk is werd nog heel erg door henzelf ingevuld.

Euthanasie

Nou waren hun uitspraken wel heel erg kras, maar misschien kunnen wij er toch iets van herkennen als wij terugkijken op ons eigen leven. Wellicht zien wij dan in onze eigen jeugd ook wel dat idee dat we het leven kunnen regisseren; misschien zijn we daar zo nu en dan nog steeds wel van overtuigd. Maar meestal leren wij in de loop van ons leven meer en meer dat wij de regie maar heel beperkt hebben en merken we juist als de dingen niet gaan zoals wij dat zouden willen er iets in ons kan gebeuren. Iets, in de woorden van de eerste lezing, dat is als het vuur van de smelter, als het loog van de blekers.
Iets dat het zilver smelt en zuivert.

We hebben in de tweede lezing gehoord hoe Jezus volgens de joodse wet door zijn ouders in de tempel werd gebracht. Dat vieren wij vandaag. Sinds Vat. II heet deze feestdag: De opdracht van de Heer in de tempel. Ook in de eerste lezing gaat het over de intrede van de Heer in zijn heiligdom, een intrede die iets ingrijpends teweegbrengt: 'Wie kan de dag van zijn wederkomst verdragen?
Wie zal er staande blijven, wanneer Hij verschijnt? Kracht en macht, lijkt het. Maar als de Heer in het evangelie volgens Lucas de tempel betreedt, is dat in de armen van zijn moeder. Kwetsbare onmacht. Maar Hij komt ook niet om te breken, maar om gebroken te worden. Als Hij is opgegroeid zullen veel mensen in Hem Gods genezende aanwezigheid herkennen: de mensen die zelf gebroken zijn naar geest en lichaam, de uitgestotenen, zondaren, de mensen die dus bij uitstek hebben ervaren dat ze behoeftige, zwakke wezens zijn en dat ze afhankelijk zijn van die onbaatzuchtige liefde die in Hem aan het licht kwam.

De schilder Rembrandt heeft meerdere malen het gebeuren van de opdracht van Jezus in de tempel geschilderd. Toen mensen het atelier van Rembrandt binnengingen, na zijn dood, vonden zij het laatste als onafgemaakt schilderij nog op de ezel. Simeon is afgebeeld als een stokoude, broze man. Zijn ogen zijn halfgesloten. Het is niet goed zichtbaar of ze zijn gericht op de kleine Jezus in zijn armen of dat Simeon juist is ingekeerd in zichzelf, maar zijn gezicht is opgericht en het straalt. Jezus, als zuigeling, kijkt naar hem. Het is onmiskenbaar het moment waarop Simeon zegt: "Laat uw dienaar Heer, gaan in vrede, mijn ogen hebben uw Heil aanschouwd'. Keek Rembrandt terug op zijn leven in die laatste dagen toen hij Simeon schilderde? Heeft hij die woorden gebeden toen hij de balans opmaakte?
Toen Rembrandt dit schilderij schilderde was hij alles kwijtgeraakt: zijn vrouwen en vrienden, zijn kinderen, zijn have en goed, zijn succes. Er was niets meer over van de vrolijke, drinkende jonge man die zich met zijn vrouw op zijn schoot proostend op het leven schilderde. Nee, op zijn laatste zelfportret - geschilderd, niet lang voor hij Simeon schilderde - kijkt hij met oude en vertroebelde ogen de toeschouwer aan. De ogen van Simeon zijn nóg ouder, nóg zwakker. Heeft Rembrandt geloofd dat in alles dat hem was gebeurd God hem tegemoetkwam? Dat hij daar doorheen Gods heil had ervaren? Het kan haast geen toeval zijn dat hij dit tafereel schilderde toen zijn krachten bijna aan het eind waren.

De plaats waar God woont, Gods tempel waar Hij kan binnentreden, is in onze christelijke traditie bij uitstek in de mens, in de uitgezuiverde liefde, de liefde die onbaatzuchtig is geworden; liefde die wil heelmaken wat is gebroken, die wil vergeven wat is stukgemaakt. De liefde die blijft uitzien en hopen op zijn komst, zelfs over de grens van de dood heen: 'Laat uw dienaar Heer, gaan in vrede, mijn ogen hebben uw heil aanschouwd'.
Die woorden worden sinds de vroegste eeuwen van het christendom iedere dag opnieuw gebeden door biddende gemeenschappen op het moment dat de dag wordt afgesloten en wordt overzien, wat er goed was en ook wat minder goed was en beter kan. Laten ook wij blijven bidden dat Hij zal binnentreden in de tempel die wij zijn. Amen

Zr. Susan van Driel

Overweging op 26 januari 2020 – slot van de week van de eenheid van de christenen – lezingen: 1 Kor.1,10-13.17 en Mattheus 4,12-27
Sint Petrusbasiliek Boxmeer

begroeting en inleidend woord
Vorige week zondag was er in de kapel van de Zusters van Julie Postel – in de kapel van het Woonzorgcentrum Sint Anna – een gezamenlijke viering bij gelegenheid van de Gebedsweek voor de eenheid van de christenen. Vandaag sluiten we deze gebedsweek af. Het zal geen toeval zijn dat we juist vandaag in de eerste lezing een hartstochtelijke oproep zullen horen van Paulus. Hij schrijft aan de christenen van Korinthe: "Het schijnt dat ieder van u een eigen leuze heeft: Ik ben van Paulus, ik ben van Apollos, Ik van Kefas, Ik van Christus…" En zegt hij bijna wanhopig: "Is Christus dan in stukken verdeeld?" Laten we proberen te luisteren naar hem en kijken hoe wij omgaan met zijn verlangen naar eenheid onder de volgelingen van Jezus.

overweging
Drie jaar geleden zijn ongeveer 35 mensen met onze parochiereis
op bedevaart geweest naar Israël. Een verhaal dat mij bijzonder is bijgebleven van hun pelgrimsreis, ging over hun bezoek aan de Heilig Grafkerk in Jeruzalem, - dat is de kerk die is gebouwd op de plek waar Jezus volgens de overlevering begraven zou zijn.

Sommige van onze pelgrims waren echt geschokt geweest, toen ze zagen dat de Heilig Grafkerk is verdeeld onder tientallen christelijke kerken en sekten. En dat ze allemaal een hoekje van de kerk ter beschikking hebben waar ze op de zondagen ieder hun eigen eredienst houden. De ergernis van de pelgrims was voor mij heel begrijpelijk, maar… toen ik hun verhaal hoorde, dacht ik toch dat er misschien ook wel een positieve kant aan zit; misschien kun je het ook zien als een teken van beginnende eenheid: dat ze elkaar kunnen vinden in hetzelfde huis, onder hetzelfde dak. En ik dacht aan een uitspraak van Jezus: "in het huis van mijn Vader zijn vele kamers en er is ruimte voor velen…"

Ik denk dat ons gebed om eenheid onder de christenen niet moet betekenen dat we alleen maar bidden om de opheffing van alle onderlinge verschillen. Bidden voor de eenheid onder christenen betekent volgens mij op de eerste plaats dat wij bidden om respect voor elkaars geloofsbeleving en voor belangstelling voor elkaars opvattingen. Er zijn nu eenmaal verschillen in de beleving van ons geloof. Belangrijk is hoe we met die verschillen omgaan en dat we proberen in een open gesprek te zoeken naar wat ons verbindt… In de tijd dat de reformatie opkwam, is dat gesprek niet gelukt. Er zijn toen allerlei pogingen gedaan om de bestaande misstanden in de kerk bespreekbaar te maken en aan te pakken. Maar jammer genoeg gingen de meningen over de manier waarop dat zou moeten gebeuren zich verharden. En toen ging het verkeerd. Men ging elkaar verketteren.
De grote les die we uit de geschiedenis kunnen trekken, heeft de apostel Paulus ons eigenlijk in de eerste lezing al voorgehouden. Paulus kreeg er tot zijn grote verdriet mee te maken dat mensen partijen gingen vormen: "ik ben van Paulus, ik ben van Apollos, ik van Kefas, ik van Christus…" - we hoorden het zojuist in zijn brief aan de Korintiërs. Het antwoord van Paulus was: "Is Christus dan in stukken verdeeld?"
En dat is iets dat we in alle gesprekken over eenheid en oecumene voor ogen moeten houden: het gaat om hem, Jezus, Christus. 

Dat brengt me tot nog een gedachte. De eenheid van de christenen is niet een doel op zich. Als wij bidden om eenheid, dan zou dat vooral moeten betekenen dat we de zending van Jezus samen verder willen dragen, - in woord en daad. Het gaat niet om eenheid als doel op zich. Het gaat om vrede, liefde, onderling respect, gerechtigheid, eerlijkheid, solidariteit, - kortom: het gaat om de waarden waar Jezus Christus voor stond. Die christelijke waarden zijn heel concreet.

En daarom dat ik u er vandaag aan herinner dat we morgen herdenken dat het 75 jaar geleden is dat één van de grootste concentratiekampen uit de tweede wereldoorlog, het kamp van Auschwitz-Birkenau, bevrijd is door het Russische leger. Als we tot ons door laten dringen wat de nazi's dáár en op zoveel andere plaatsen hebben aangericht, dan zijn die waarden van Jezus nog heel actueel. Eigenlijk kunnen we het ons niet eens permitteren om alleen maar te praten over eenheid. We zullen samen aan de wereld moeten laten zien dat het absoluut verwerpelijk is dat mensen uit onze samenleving gestoten worden omdat ze Jood zijn of Sinti of Roma of homoseksueel of geestelijk of lichamelijk beperkt. Jezus' leven was één ononderbroken pleidooi voor respect voor de waardigheid van iedere mens…

Onze hele geschiedenis door hebben we kunnen zien tot welk een onmenselijkheid wij mensen in staat zijn; telkens weer hebben wij ons dan vervolgens afgevraagd hoe dat in godsnaam heeft kunnen gebeuren en hebben we elkaar gezworen dat we zulke vreselijke misdaden nooit meer zouden laten begaan. En toch blijken dit soort dingen binnen enkele generaties toch weer de kop op te steken.

Als we vandaag bidden we voor meer eenheid onder ons christenen, moge dit dan een eenheid zijn die verder gaat dan het met elkaar eens zijn over een aantal opvattingen. Moge die eenheid vooral betekenen dat wij er ons samen in woord en daad inzetten om de waarden waar Jezus voor stond voor ogen te houden en verder te dragen.

Ben Wolbers o.carm.,
pastor/teamleider

Kasteel 19 januari 2020 Oecumenische agapèviering

Thema: Ze waren buitengewoon vriendelijk voor ons.

Lezingen
Handelingen 28, 1-10
Marcus 16; 14-20

Overweging
Nu, na een aantal jaren, staan de beelden nog steeds scherp op mijn netvlies gegrift. Het was een van de ernstigste dieptepunten in de vluchtelingencrisis.

De overeenkomst met Turkije over de mensen uit Syrië en het Midden-Oosten die van huis en  haard waren verdreven, was nog niet gesloten. De grote stroom van ontheemde mensen naar Europa werd geblokkeerd door grote hekken bij de grenzen van de landen op de Balkan. De vluchtelingen bleven letterlijk steken in de winterse modder, in de regen en in kou. Ze konden geen kant meer uit. Uit diezelfde tijd staat me ook het beeld voor ogen van de opvang in een Midden-Europees land. Grote hompen brood werden gegooid in een massa mensen. Erger en ongevoeliger kan bijna niet. Het werk van barmhartigheid om de hongerigen te spijzigen was ontaard in een mensonwaardig voederen.

De laatste reis van de  Paulus waarover Handelingen van  de Apostelen spreekt, is zijn transport als gevangene naar Rome. De reis verloopt verre van voorspoedig. Paulus en een aantal andere gevangen waren toevertrouwd aan een cohort soldaten onder leiding van de honderdman Julius. Deze had hen intussen ingescheept in een graanschip uit Alexandrië dat naar Italië zou varen. Ze komen aan in een plaats die Goede Havens heet.

Maar dit was geen goede plek om te overwinteren. Hoewel het vaarseizoen al was afgelopen, besluit de bemanning toch om te proberen een andere haven te bereiken. Het loopt helemaal verkeerd af. Ze komen terecht in een vliegende orkaan die hen in veertien dagen tijd over een afstand van meer dan duizend kilometer helemaal in de richting van Malta jaagt. Ternauwernood weet men het schip drijvende te houden. Tenslotte lijden ze schipbreuk op de kust van dat eiland. Ze weten allemaal heelhuids aan land te komen. En de plaatselijke bevolking ontving hen buitengewoon vriendelijk.

Gastvrijheid is bij uitstek een Bijbelse deugd. Soms is gastvrijheid van levensbelang. Dat was al zo in de oudste lagen van Israëls bestaan, in de tijd van de aartsvaders. Het leven van de rondtrekkende nomaden werd voortdurend bedreigd door de gevaren van de woestijn. Voor de enkeling was het belangrijk dat hij de gastvrijheid van een stam kon genieten, wilde hij in de woestijn kunnen overleven. Net zoals voor de schipbreukelingen op de kust van Malta was het voor de enkeling in de nomadencultuur een kwestie van dood of leven om welwillend ontvangen te worden, om te mogen verblijven in het huis van een ander en om diens bescherming te mogen genieten.

Gastvrijheid en vriendelijkheid voor de ander zijn niet vanzelfsprekend. De ander toelaten in de intimiteit van je huis, op de plaats waar je het meest jezelf bent, vraagt van je dat je het beeld van jezelf en van de ander herziet. De mechanismen van insluiting en uitsluiting worden anders. De nabijheid van de ander maakt dat jouw generaliserende en vaak op onbekendheid gegronde ideeën over de groep waar de ander uit voort komt, worden ontkracht. Alleen al het feit dat je met je kapper die een Syrische moslim is, kunt spreken over de betekenis van het Suikerfeest, maakt dat je niet meer denigrerend en generaliserend kunt spreken over de Islam, over de Koran en over Arabische bevolkingsgroepen.

En ook het idee over jezelf en de groep waar je bij hoort, klopt niet meer. Het spontane idee dat wij beter zijn dan de anderen, wordt ondergraven. Door het persoonlijke contact met mensen van de andere groep ontstaat een veel genuanceerder beeld. We komen voorbij aan de stereotypering van de ander en van ons zelf.
Generalisatie, gebrek aan kennis en de geslotenheid van de eigen groep leiden gemakkelijk tot onverdraagzaamheid. Voor openheid naar de ander zijn een paar dingen noodzakelijk. Het eerste is welwillendheid in het contact. De bewoners van Malta waren vriendelijk voor Paulus en de andere schipbreukelingen. Dat waren ze niet omdat ze hetzelfde geloof deelden, dezelfde opvattingen hadden of bij dezelfde groep behoorden. Want dat was gewoon niet zo. Ze waren bekommerd om hun medemensen en daarom traden ze hen met meelevendheid tegemoet.

Een tweede noodzakelijkheid is de relativering van de eigen positie. Het is niet zo dat je eigen weg de enige weg is. In de evangelies volgens Marcus en Lucas staat een prachtig verhaal. Johannes vertelt aan Jezus dat ze iemand in zijn naam demonen hebben zien uitdrijven, maar ze hebben hem tegen gehouden, omdat hij geen volgeling van hen was. Jezus is echter van een ander opinie. 'Belet het hem niet. Want wie niet tegen ons is, is voor ons.' Vaak is de vermeende suprematie van de eigen groep uitgedrukt door de uitspraak van Jezus om te draaien: 'Wie niet voor ons is, is tegen ons.' Maar de uitspraak van Jezus is inclusief; 'Wie niet tegen ons is, is voor ons.'

Om welwillend te kunnen staan tegenover anderen helpt het besef dat er vele wegen zijn die leiden naar God. Het komt ons niet toe te oordelen over de geestelijke weg van andere mensen. Wij kunnen niet kijken met de ogen van God. We kunnen niet weten hoe God met hen gaat. We kunnen alleen maar hopen en vertrouwen dat de weg die we zelf gaan, heilig en goed is, en dat de weg die anderen gaan evenzeer heilig en goed is. We kunnen alleen maar hopen en vertrouwen dat God gaat met ieder van ons op zijn of haar eigenweg naar Hem toe.
Welwillendheid, vriendelijkheid en relativering van de eigen weg in het besef dat er vele wegen zijn: dat alles brengt dynamiek in de eigen traditie. De in steen gehouwen standpunten van de eigen groep worden zacht. Onbeweeglijke standpunten worden vloeiend. Het kan weer gebeuren dat we niet alleen worden gevormd door onze traditie, maar dat wij tegelijk ook op onze beurt weer traditie vormen. We kunnen nieuwe vragen tegemoet treden. Welwillendheid voor andere wegen die God met andere mensen gaat, maakt de eigen traditie levend. Ons geloof wordt tot leven gewekt uit het graf waarin alles al definitief is vastgelegd.

Het besef dat er vele wegen zijn die naar God toe voeren, brengt ons tot een van de meest leven gevende bronnen van ons christelijk geloof. De massieve uitsluiting van de ander voert ons naar de dood. Maar inclusief denken is steeds een bron van leven en van groei geweest.

Huub Welzen, o carm.

Nieuwjaarsviering – Sint Petrusbasiliek Boxmeer - 12 januari 2020
lezingen: Handelingen 10,34-38 en Matt.3,3-17

begroeting en inleidend woord

Op nieuwjaarsdag, 1 januari, heb ik het er ook al even over gehad: wensen we elkaar 'een gelukkig nieuwjaar'? Of zeggen we 'een gezegend nieuwjaar' of 'zalig nieuwjaar'? Het is de laatste jaren steeds meer gewoon geworden om elkaar in het nieuwe jaar te begroeten met de beste wensen. Persoonlijk wens ik u het liefst een 'gezegend nieuwjaar'. Voor mij spreekt daar namelijk het besef in mee dat het gaan en staan van ons ieder persoonlijk én van onze parochiegemeenschap ook de zegen van boven nodig heeft, de zegen van God. Maar waarom dan niet gelukkig nieuwjaar? Op zich wens ik dat iedereen graag van harte toe. Maar ik aarzel altijd een beetje als ik het toewens aan mensen die het om een of andere reden niet zo goed maken. Daarom: een gezegend nieuwjaar. Dat God u allen moge zegenen in welke situatie u ook verkeert.

overweging

Misschien was u wat verbaasd over de volgorde van de lezingen: eerst het evangelie en daarna de lezing uit de Handelingen van de apostelen. Dat was opzet. Toen we met een groepje deze viering voorbereidden, waren we verrast dat de toespraak van Petrus (uit: Handelingen van de Apostelen) zo mooi aansloot bij het verhaal over de doop van Jezus door Johannes in het evangelie.

Er was nog iets waar we even bij stil stonden. Dat er in de liturgie van de kerk maar een paar weken zitten tussen de geboorte van Jezus en zijn doop in de Jordaan. In werkelijkheid waren dat dertig jaar. Over die dertig jaar weten we bijna niets. Maar toch als je even nadenkt, dan kán het bijna niet anders dan dat die dertig jaar heel belangrijk zijn geweest.

Toegeschreven aan Maarten van Heemskerck, ca 1560-1565

Alles wat Jezus later verkondigde, zijn manier van leven, zijn spreken over God en zijn omgaan met de mensen, - dat alles moet hij van huis uit hebben meegekregen. Dáár moet hij de mens geworden zijn zoals we die nu kennen. Thuis, bij zijn ouders, heeft hij leren vertrouwen op God; en daar heeft hij ook leren houden van mensen. In die jaren moeten ook zijn visie zijn gegroeid en de gedachten die hij had over allerlei zaken.

Maar voordat hij met zijn gedachten naar buiten trad, wilde hij zich eerst laten dopen door Johannes. Dat hoorden we vandaag. En tijdens dat gebeuren ging de hemel open en klonk er een stem: "Dit is mijn zoon, mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb". Jij bent mijn liefste zoon; jij bent een mens naar mijn hart.
Eigenlijk zegt God dit tegen ieder kind dat wordt gedoopt: jij bent mijn liefste dochter, jij bent mijn liefste zoon. Maar een mens worden "in wie God welbehagen heeft", dat duurt langer dan de viering van de doop: dat kost een levenslange inzet.

Jezus wás een mens naar Gods hart omdat hij mededogen had met de zwakken, en omdat hij er telkens weer op hamerde dat gerechtigheid het moest winnen van oneerlijkheid. Petrus zei het heel mooi in zijn toespraak die we in de tweede lezing hoorden: "Door Jezus heb ik pas goed geleerd dat er bij God geen aanzien van persoon bestaat, maar dat Hij welbehagen heeft in ieder die het goede doet".
Zo'n mens als Jezus word je niet vanzelf. Zo iemand kun je alleen worden als je in je jeugd ouders hebt gehad en andere lieve mensen om je heen… die je voorgingen in vertrouwen op God en in liefde voor de mensen.

"Ik doop je met water", zegt Johannes de Doper in het evangelie volgens Lukas, "maar die na mij komt, zal je dopen met heilige Geest en met vuur". In alle bescheidenheid: ik vergelijk mezelf soms met Johannes de Doper: ik doop alleen met water. En dan zeg ik: "jullie kindje is een kind van God". En zo is het ook. Maar wil het een mens worden zoals God ons bedoeld heeft, een mens in wie Hij echt welbehagen heeft, dan zullen de óuders dat kindje moeten dopen met Gods heilige Geest. Dat wil zeggen: hun kindje zal thuis van jongs af aan ondergedompeld moeten worden in een christelijke atmosfeer, in een christelijke geest. Dáár, thuis, zal het de Geest van Jezus moeten opdoen en geloof in God en liefde voor de mensen moeten meekrijgen.

Na deze viering zullen we elkaar een gezegend nieuw jaar wensen. Ik zal me daar graag bij aansluiten. Maar ik zou vooral graag willen dat wij het besef levend kunnen houden dat wij niet alleen individueel, maar ook als parochiegemeenschap de roeping en de taak hebben om onder elkaar en naar buiten toe te zorgen voor dat die sfeer, die geest, die manier van omgaan met elkaar die gegrond wordt in de Geest die Jezus meekreeg bij zijn doop. 
Jezus heeft onder ons gewoond. En God heeft in hem laten zien wie Hij is en hoe Hij ons bedoelt. Laten wij proberen hem, Jezus, zó te leren kennen dat wij een zegen worden voor alle mensen van goede wil.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Nieuwjaarsdag Sint Petrusbasiliek, Boxmeer
overweging bij Numeri 6,22-27

Vanmorgen wil ik graag uw aandacht vestigen op de prachtige zegenbede die we hoorden in de eerste lezing, de lezing uit het boek Numeri.

Isaak zegent Jacob (Govert Flinck, 1638)

Ooit, toen ik nog ziekenhuispastor was, vroeg een mevrouw mij toen ze het sacrament van de zieken ging ontvangen: "Als u mij straks zegent, wilt u dat dan niet met de gewone zegen doen, maar met die lange, u weet vast wel welke ik bedoel…" Na enig heen en weer gepraat wist ik dat ze de zegenbede bedoelde, die u zojuist gehoord hebt. Uit het boek Numeri.

Moge de Heer u zegenen en behoeden en beschermen,
moge de Heer het licht van Zijn gelaat over u doen schijnen,
moge de Heer u Zijn gelaat toewenden en u vrede geven….

Ik vind deze zegen mooi passen bij deze eerste dag van het nieuwe jaar.

In deze zegen zit een mooie, opklimmende reeks van drie zegeningen. De eerste zegenbede vraagt: "Moge de Heer u zegenen en u behoeden en beschermen." In deze bede klinkt het besef dat wij maar kleine en kwetsbare mensen zijn. En hoeveel mensen zullen dat gebed om bescherming vaak niet nog veel intenser bidden dan wij, omdat ze vluchteling zijn of ziek of of noodgedwongen aan de rand van onze samenleving leven of er om andere redenen niet echt bij horen… De hele Schrift door kunnen we lezen dat God er juist wil zijn voor mensen aan de rand, de kleinen en de kwetsbaren… 'voor kleine mensen is Hij bereikbaar', zingt de psalm.
"Moge de Heer ons zegenen en ons behoeden en beschermen…"

Dan gaat de zegenbede uit Numeri verder: "Moge de Heer het licht van Zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn." Dit stukje van de zegenbede vraagt, dat God voor ons op onze levensweg een licht zal zijn… dat Hij ons als het ware zal bijlichten als we moeten oppassen om niet te struikelen… Deze bede doet denken aan psalm 119 die bidt dat de Heer een lamp zal zijn voor onze voeten… Vaak is het niet eenvoudig om onze weg te vinden in de soms chaotische maatschappij van nu of in allerlei ingewikkelde persoonlijke omstandigheden… Dan hebben we goede raad nodig van de mensen om ons heen en vaak ook de wijsheid die ons wordt meegegeven in de heilige Schrift…
Moge de Heer met het licht van Zijn gelaat onze levensweg verlichten…

En dan ten slotte: "Moge de Heer u Zijn gelaat toewenden en u vrede geven." Dat God ons Zijn gelaat toe mag wenden… dat Hij ons vol liefde aan mag kijken… Volgens mij mogen we hier denken aan de ervaring van Jezus bij zijn doop in de Jordaan: toen liet God hem voelen dat Hij van hem hield: 'jij bent mijn geliefde zoon'… Die ervaring is allesbepalend geweest in Jezus' leven… Ik denk dat de meesten van ons iets dergelijks wel eens hebben ervaren, bij voorbeeld toen je elkaar trouw beloofde op je huwelijksdag en je elkaar aankeek en wist dat je echt van elkaar hield… of toen je bezig was met de vraag wat je wilde worden en je je geleidelijk aan of plotseling geroepen wist tot een leven in dienst van God… Voor mij zijn dát de momenten waarop je kunt ervaren dat God zich tot jou persoonlijk wendt en dat je kunt vóelen dat je gezegend wordt…

Een drievoudige zegen dus.
Moge God je behoeden en beschermen, moge Hij het licht van Zijn gelaat over jouw leven laten schijnen, moge Hij jou Zijn gelaat toewenden en je vrede geven.

Vroeger zeiden we, als we elkaar een gelukkig nieuw jaar wilden wensen: 'gezegend nieuwjaar'. Die oude wens zou ik vandaag een nieuwe klank willen geven. 'Zegenen' is de vertaling van het Latijnse woord 'bene dicere'. Dat betekent letterlijk: 'iets goeds zeggen'. Iemand zegenen betekent dan 'iemand iets goeds toezeggen'. Wanneer ik u vanmorgen een gezegend nieuwjaar toewens, laat dat dan mogen betekenen dat God ons in het komende jaar zegenen zal met Zijn drievoudige zegen. 

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Overweging 29 – 12 – 2019 Feest van de H. Familie
Thema: "Door liefde bewogen…"
Eerste lezing: Jezus Sirach 3, 2-6.12-14  -  Evangelie: Matteüs 2, 13-15.19-23   

Inleiding                                                                             
Een beetje een cryptisch thema van vandaag: 'Door liefde bewogen...'
Wat zet ons in beweging, wat beweegt ons in ons dagelijks doen en laten?
Het oude jaar afsluitend
wordt vaak nog even omgekeken en hoopvol vooruitgezien.
Vandaag vieren we het Feest van de H. Familie
met daarbij de zorg voor elkaar in de schijnwerpers.

Overweging
Zoals zoveel vaders is Jozef een trouwe, zorgzame man die z'n verantwoordelijkheid neemt voor z'n gezin én iemand die God respecteert ook al kost hem dat heel wat vertrouwen en de nodige moeite. De basis hiervoor ligt in de leerschool van z'n opvoeding.
In hun jeugdjaren werden Joodse kinderen vertrouwd gemaakt met de Thora: de levensinrichting met normen en waarden die elk kind van Gods volk behoorde te weten.
Kinderen werden geholpen zich deze leefregels eigen te maken
zoals bij ons de catechismus.
Datgene wat je in je jeugd krijgt ingeprent en voorgeleefd, vormt vaak onbewust, een springplank of leidraad in het latere leven en daar is het ook voor bedoeld. Gaat het in je jeugd om het vanbuiten leren,
in je latere leven leer je de binnenkant kennen.

Dit deed me denken aan een verhaal dat m'n schoonvader eens vertelde.
M'n schoonouders gingen trouw iedere week naar de kerk. Nadat m'n schoonmoeder plotseling overleed, heb ik mijn schoonvader een aantal jaren vergezeld tot ook hij kwam te overlijden…
Op een keer, nadat we thuiskwamen uit een H. Mis, bood ik hem een pepermuntje aan..  zo welde er in hem een verre jeugdherinnering op…

We laten hem aan het woord:
'Toen ik nog een snotjong was, zo ergens begin 1920, werden we door onze moeder gestimuleerd om vooral minder bedeelde mensen
te helpen met hand- en spandiensten.
Zo hielp ik Coba, Coba Jonkers de krantenvrouw. Coba was alleen
en niet zo nieuw meer. Ze bezorgde de kranten met de kruiwagen,
zo voorzag ze op haar oude dag in haar inkomen.
Wie niet steelt of erft moet werken tot hij of zij sterft,
was op haar, in die tijd letterlijk van toepassing...
Ik kruide dan de kruiwagen voor haar of bezorgde de kranten.
Dat heb ik vaak gedaan… Soms hielp m'n broer ook mee…
Als dank gingen er dan een heleboel rokken omhoog, want het was koud in de winter, en ergens uit één van die rokken kwam een groezelig, kleverig pepermuntje te voorschijn dat ze dan aan mij gaf…
Nee, ik hoef géén pepermuntje…'

Aan pepermuntjes kleefde sinds die tijd voor hem een geheel eigen herinnering. Ondanks dat, had deze stimulans in z'n jeugd om voor een ander klaar te staan, hem mede gevormd. Het was voor hem heel vanzelfsprekend, als onderdeel van de samenleving, om in beweging te komen voor een ander die op een of andere manier in de knel zat.

In de eerst lezing uit Jezus Sirach hoorden we hoe kinderen worden aangespoord hun ouders met respect te bejegenen en zorg te dragen voor ze op hun oude dag. Dit zorgadvies geldt natuurlijk niet alleen binnen het gezin maar ook in breder verband.
Liefdevolle zorg geldt als een groot goed,
als een mantel om iemand heen geslagen, het verwarmt het hart.
Liefdevolle zorg komt van God en wordt door Hem gezegend, hoorden we. God heeft een vader en een moeder maar ook leerkrachten
en als het even kan een opa en oma of andere volwassenen gegeven om van harte Zijn handen en voeten te zijn en zo een voorbeeld en leerschool voor de kinderen, zodat zij later op hun beurt in staat zullen zijn, spontane hulp te geven waar dat nodig is en zo Gods handen en voeten gestalte te geven en liefde te delen. Gedeelde liefde wordt dubbele liefde, zullen ook zij ervaren.

De zorg voor elkaar: zowel kleine huiselijke zorg en grote mantelzorg
als ook vrijwilligerswerk op vele fronten,
vormt het cement tussen de stenen van de samenleving.
Anders dan in een tijd van de ongelimiteerde zorgstaat werd gedacht,
zit er een grens aan de overheidszorg.
Aan de alsmaar toenemende mogelijkheden binnen de gezondheidszorg zit een kostenplaatje waarvan het einde niet in zicht komt.
Maar uit het beschikbare budget is de rek uit.
Dat heeft voor velen ingrijpende consequenties en waar de economie het laat afweten, daar komt Gods Vaderhart in het verweer in belangeloze mensenhanden, in engelen van mensen.
Zorg met een warm hart blijft gebeuren door zowel professionals
als ook door mensen die wat van hun kostbare vrije tijd schenken
aan mensen die extra ondersteuning nodig hebben.
Het naar elkaar omzien is niet in cijfers uit te drukken,
het is Gods onbetaalbare liefde waar wij gehoor aan geven
en die ons in beweging doet komen. Amen

Betzie Brakels
Werkgroep Woord- en Communievieringen

Kerstavond, Sint Petrusbasiliek, Boxmeer
overweging bij Lukas 2,1-14

Een paar weken geleden heb ik een kindje gedoopt. Een heel mooi lief jongetje. Toen de vader dat kleine kindje boven het water van de doopvont hield, - toen overviel me een soort van stille verwondering.  Spontaan zei ik toen tegen de ouders wat ik ooit ergens had gelezen:
"de geboorte van jullie kind is een teken dat God nog altijd vertrouwen heeft in de mensen".

Vandaag vieren we de geboorte van dat andere kleine kindje, dat 2000 jaar geleden geboren werd: Jezus. Over hem hebben vier evangelisten indrukwekkende verhalen geschreven. De rode draad in al die verhalen is steeds de stille verwondering van Mattheus, Lucas, Marcus en Johannes over de liefde van God. God wil ons door de liefde van die menselijke mens Jezus in het hart raken. Door alles wat Jezus zei en heeft gedaan wil Hij ons raken. En dat wil Hij omdat Hij het niet kan aanzien dat arme mensen in onze wereld niet meetellen en dat zoveel mensen slachtoffer moeten zijn van oorlog en geweld. God besloot daarom Zelf onder ons te komen wonen. Hij werd mens. In een kind. Jezus. Het kind van wie wij deze nacht de geboorte vieren. Om het met woorden van Huub Oosterhuis te zeggen: "Uit Uw hemel zonder grenzen komt Gij tastend aan het licht met een naam en een gezicht, even weerloos als wij mensen…" En zo wil God nog steeds aan het licht komen, zoekend en tastend. Ook nu wil Hij een naam en een gezicht krijgen, en ook een stem… niet alleen toen in die stal in Bethlehem, maar ook hier, nu onder ons.

Velen van u, ook ik, hebben in het afgelopen jaar meegemaakt dat dierbaren stierven. Plotseling of na een ziekte. En soms hoorde ik dan verzuchten: "Waar is God?" Of zoals iemand het pas zei, na het overlijden van zijn vrouw: "Was God soms met vakantie??" Maar ik ben steeds meer gaan geloven dat God juist dan heel dichtbij is, juist in zulke moeilijke momenten. God is niet onder ons komen wonen in volmaakte, perfecte omstandigheden, maar in een klein kwetsbaar mensenkind, dat geboren werd in een vuile stal. En zo komt Hij nog steeds onder ons. Hij is ook en juist dán aanwezig waar mensen zich kwetsbaar weten, klein en zwak of waar ze terecht komen in situaties of omstandigheden waar ze niet om hebben gevraagd.

Rembrandt van Rijn

Voor mij begint dáár de diepere betekenis van wat wij vieren met Kerstmis. Kerstmis is een feest van gezelligheid en saamhorigheid. En dat is heel goed. Maar het is niet alles. We moeten ook nooit vergeten dat God zoals Hij toen aanwezig was in de koude, donkere stal van Bethlehem, - dat Hij zo ook nú aanwezig is: in de natte, overvolle tentenkampen van Syrië en Griekenland, of bij de vluchtelingen die in gammele bootjes de Middellandse Zee oversteken of bij ons wanneer we het moeilijk hebben om het gemis van een dierbare of wanneer we ons eenzaam voelen of teleurgesteld zijn in elkaar.

Op een school ergens in Nederland speelden kinderen van groep zeven het kerstverhaal. Herman speelde ook mee. Hij was de herbergier. Er werd op de deur van zijn herberg geklopt. Daar stonden een man en een vrouw. Jozef vroeg of er plaats was voor hen in de herberg. Herman had zijn rol goed ingestudeerd en hij zei dan ook zeer beslist: "Voor jullie is er geen plaats in mijn herberg". "Maar mijn vrouw is zwanger", zei Jozef. "Ja, dat hoor ik meer en trouwens, dat is dan jouw zorg!" "Ja maar", zei Jozef, "ons kindje kan elk moment geboren worden. En in die kou buiten krijgt ons kindje het erg moeilijk". En dan valt Herman uit zijn rol. Hij krijgt medelijden en zegt: "Kom dan maar binnen. Hier is het warm". De juffrouw fluistert hard vanachter de coulissen: "Geen plaats in de herberg, moet je zeggen. Geen plaats in de herberg". Maar Herman voelt goed aan waar het over gaat. Hij wordt geraakt door de woorden van Jozef en hij doet wat iedereen zou moeten doen: je hart openen, de ander binnen laten, de ander ruimte geven om te leven.

Ik geloof dat God ons dat vannacht vraagt: val af en toe eens uit je rol, open je hart voor de mens die bij jou aanklopt. Want in iedere mens komt Hij tastend aan het licht. Jezus is daar het beste voorbeeld van.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

2019 kerstmorgen, Sint Petrusbasiliek, Boxmeer
overweging bij Johannes 1,1-18

"In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God en het Woord is mens geworden…"

Eén van de meest wezenlijke ervaringen in ons áller leven is dat wij méns worden, omdat wij aangesproken worden. Je kunt geen mens worden als er niet iemand is die je aanspreekt als er niet iemand is die je als het ware vraagt – hoe klein je ook nog bent –: wie ben je? wie wil je worden? wie wil je zijn? en die jou in de ogen kijkt en tegen jou zegt: jij mag er zijn! je bent welkom bij ons, van harte welkom!... Mens worden houdt altijd in, dat er een ander is, die je aanspreekt of uitnodigt, of uitlokt… Onze ouders hebben dat gedaan, onze familie deed en doet het… onze medezusters en medebroeders, onze vrienden en vriendinnen, - al die talloze mensen die wij in ons leven ontmoeten… zij nodigen ons uit, met of zonder woorden, om méns te worden, een goede mens…

Vandaag vieren we dat we niet alleen door ménsen aangesproken worden, maar ook door Gód… Vandaag vieren we dat er in het leven van iedere mens afzonderlijk én in het leven van onze wereld een heel bijzonder Woord geklonken heeft dat nog steeds klinkt, - een Woord dat van God gekomen is en dat méns geworden is. 
"In het begin was het Woord, het Woord was bij God… en het Woord was God. (-) En dat Woord is mens geworden…"
Dat Woord is mens geworden in een klein en kwetsbaar kind… in Jezus Christus, van wie wij vannacht de geboorte hebben gevierd. Door hem sprak én spreekt God ons aan, door hem nodigt Hij ieder van ons uit om méns te worden…

Kerststal als zandsculptuur, Gran Canaria

Dat kleine kind Jezus is van baanbrekende betekenis geworden in de levens van heel veel mensen en in de wereldgeschiedenis. Zijn leven is samen te vatten in één enkel Woord: Liefde. En eigenlijk bracht hij maar één boodschap: dat God intens verlangt dat wij die Liefde laten doorwerken tot in ons hart en tot in de uiterste uitlopers van ons gedrag én dat wij die Liefde doorgeven aan elkaar...

Tegenover dit diepe verlangen van God plaatst het evangelie van Johannes vandaag op een ontnuchterende wijze de werkelijkheid van de mens. Johannes noemt dat de 'duisternis'.. "Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan". Dat is iets dat we eigenlijk liever niet horen. Zeker niet op Kerstmis. We zijn al gauw tevreden als er in de oorlogsgebieden met een kerstmis een staakt-het-vuren is, een kerstbestand… terwijl we goed weten dat de realiteit de dag na kerst weer helemaal anders is. God is mens geworden in een wereld die ook toen al volop de egoïstische kant van de mensen kende, - en de gevolgen daarvan: honger, ongelijkheid, discriminatie, eigen volk eerst, geweld, terreur, angst… De evangelist Lucas zegt met andere woorden eigenlijk hetzelfde wanneer hij vertelt dat het goddelijk kind geboren is in een stal, omdat er in het dorpsherberg voor hem geen plaats was.
 
"Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan". 
Dat kán als een verwijt klinken, maar.. wij kunnen er ook een uitnodiging in zien voor onszelf: om aandachtig te kijken naar het goddelijk kind in de kribbe, en vooral naar de man die er uit dat kind gegroeid is. En misschien zien we dan dat dit kind ons vraagt of wij samen met God en met hem een licht willen proberen te zijn te zijn dat schijnt voor de mensen die op de vlucht zijn… voor de armen en de daklozen, voor de slachtoffers van geweld en terreur… 

"In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord wás God". Dit Woord spreekt ons telkens weer aan, in Jezus, soms zacht en bijna onhoorbaar, soms hard en dwingend. En wat Jezus ons vraagt, daar hoef ik nu niet veel verder op in te gaan want we hebben het er hier iedere zondag over.

God is mens geworden en Hij heeft onder ons gewoond…" dat vieren we vandaag en bidden we dat we het kunnen blijven beleven, al de dagen van ons leven.
Hij vraagt ons om in ónze tijd en in ónze manier van leven en in onze soms duistere werkelijkheid ménsen te zijn zoals hij.

In die geest wens ik u allen een Zalig Kerstmis.

Ben Wolbers o.carm.
pastor-teamleider

Overweging 15 december
Over de eerste lezing die wij hebben gehoord zou je kunnen zeggen: 'Dit is geloven tegen de klippen op'. Dit is het ondenkbare mogelijk achten. Wat een jubelende en vooral bemoedigende woorden sprak de profeet Jesaja in de eerste lezing: 'Maak slappe handen sterk, geef kracht aan knikkende knieën. Spreek tot allen die de moed verloren hebben: Vat moed en vreest niet […] God komt om te vergelden en om u te redden.'

Bemoediging, maar de omstandigheden zijn verschrikkelijk. Die woorden worden gezegd in een context van ballingschap en verwoesting. Het volk was gedood, een deel was in Nacht und Nebel weggevoerd, Jeruzalem was verwoest. Het volk was verraden. Vooral door het volk Edom was het verradem, want zij hadden zich afzijdig gehouden toen Babylon zijn verwoestend werk deed, het had er zelfs van geprofiteerd…

Tot de slachtoffers van alle ellende wordt nu gezegd: er is een verder, houd moed! Ondanks alle dood en ellende is er toekomst.

Ik moest bij het lezen van deze woorden uit Jesaja heel sterk denken aan een boek: Uit naam van al de mijnen van Martin Gray.

Hij vertelt in dit boek over zijn ervaringen als Jood in het getto van Warschau en het vernietigingskamp Treblinka. Als je dit dikke boek leest, dan is zelfs voor mensen die al heel wat over Jodenvervolging hebben gelezen de opsomming van gruwelijke feiten overweldigend. Gray beschrijft ze tot in detail. Het gebeurde maar heel zelden dat Gray, zoals hij schrijft, 'een mens tegenkwam'. Verschillende malen gebruikt hij die uitdrukking in zijn boek: 'Ik kwam een mens tegen'. Daarmee bedoelde hij: iemand door wie hij niet werd verraden, die hem niet wilde doden, die hem heel soms zelfs hielp. Maar meestal gebeurde dat niet. Bladzijde na bladzijde beschrijft hij willekeur en wreedheid en vooral héél veel verraad van mensen die er álles voor overhadden om zelf in leven te blijven.
Om midden in die ellende toch te wíllen leven, is eigenlijk een wonder. Het is een wonder dat mensen in dit soort omstandigheden blijven uitzien naar bevrijding.
Dat deed lang niet iedereen. Veel mensen in het getto van Warschau kozen zelf voor de dood. Ze gaven zich over om naar de vernietigingskampen te worden gebracht of ze maakten zelf een eind aan hun leven.
Maar Gray bleef geloven dat er een ander leven mogelijk is: een leven als mens. Een leven als een héél mens, een menselijke mens. En hij bleef dat geloven juist ómdat hij een enkele keer zo'n mens tegenkwam. Die paar keer dat dat gebeurde beschouwde hij dat als een teken, een teken van een toekomst die dus mogelijk is.

De woorden van Jesaja zijn over de tijden heen nog steeds een oproep, een oproep doorheen de tijden en aan ieder mens om zelf zo'n teken te zijn: om de zwakke kracht te geven, om mensen moed te geven, om mens te zijn voor de verdrukten. Het is een oproep om niet aan de kant te blijven staan als een agressor als Babylon het voorzien heeft op zwakke en onschuldige mensen; het is een oproep om niet toe te geven aan vernietiging en dood maar om het leven te ondersteunen, zelfs al kan het je de kop kosten. Dit geldt niet alleen voor oorlogssituaties ver weg. Ook in onze relatief vreedzame omstandigheden zijn er altijd mensen die in de verdrukking dreigen te komen. Is ook dan iedere menselijke mens niet een stukje van de vrede en heelheid die in God mogelijk zijn? Is niet iedere menselijke mens een profetisch teken; een teken dat Gods rijk mogelijk is waarin mensen het leven wordt gegund?

Dan heb ik het over de mensen die de zee opgaan om verdrinkende vluchtelingen te zoeken, de jonge mensen die gegrepen zijn door de nood van onze aarde en regeringsleiders wakker schudden dat ze nu echt iets moeten doen. De mensen die zich bewust zijn van de armoede, ook in onze samenleving en zich op dit moment met man en macht ervoor inzetten dat mensen de komende feestdagen iets extra's hebben. God zij dank zijn er zoveel mensen, echte mensen. Maar het zijn er nooit genoeg. Bidden wij, dat ook wij de kracht zullen krijgen om mens te zijn, een bode van leven en bevrijding. Een teken van Gods Rijk op aarde. Amen.

Zr. Susan van Driel

Geloofsweg Samen


home | archief startpagina | disclaimer | print deze pagina | omhoog

"... geen rouw, geen geween, geen verdriet zal daar zijn, want al het oude is voorbij