Overwegingen
01-aug-2022 |

Zondag 31 juli 2022, 18e zondag door het jaar


Overweging Hebben wij ons hart bij de Heer?


Niets is van ons, zo leren Jezus en de kerkleraren ons. Niets. En toch eigenen we ons van alles toe. Ons leven, de aarde, de bezittingen van onze ouders als ze komen te overlijden, de opbrengst van onze arbeid en noem het maar op. We vinden dat heel gewoon. De rijke man waarover Jezus vertelt, staat in hoe hij denkt, dicht bij ons.  Ook ik wil graag mijn bezit veiligstellen en wel zo dat ik er nog jaren van kan genieten. Wat is daar nu dwaas aan? Want dwaas is het, zo zegt God. Laten we eens kijken of we de logica van God een beetje kunnen begrijpen. Gods logica die zo anders is dan die van de wereld waarin wij leven. De gelijkenis die Jezus vertelt, begint met ‘Er was eens een rijke, wiens land veel had opgebracht.’ Het gaat dus om een rijk mens met veel land. De oogst is veel groter dan wat de rijke gewend is, want de schuren die hij heeft, zijn berekend op de gemiddelde oogsten die zijn land oplevert. Maar nu is de oogst zo groot dat zijn schuren te klein zijn. We kunnen ons nu de vraag stellen: Waardoor is de oogst zo groot geworden? Door deze rijke man? Of is het geluk, zoals het ook pech is als de oogst mislukt? Laten we eens aannemen dat deze man de grote oogst ziet als een geluk. Misschien dankt hij de weergoden, misschien dankt hij God voor de opbrengst. Dat alles weten we niet. Wel weten we dat hij bij zichzelf denkt: ‘Je hebt daar nu heel wat liggen, jongen, je kunt jaren vooruit; eet, drink en neem het ervan!’ In deze woorden horen we de voldoening van de man en zien we hem al voor ons, zich verheugend op een leven straks van een welverdiend genieten. En dan komt God die tot hem en tot u en mij spreekt: Dwaas! Deze mens, u en ik die ook zo denken, zijn in Gods ogen dwaas. Dwaas om te menen dat de rijke oogst van jou is. Dwaas om te denken dat de oogst alleen voor jou is. Dwaas om de schatten, de vruchten van de aarde, om alles wat we om niet krijgen je toe te eigenen. Dwazen zijn wij die zo denken en handelen, want niets is van ons, alles is en wordt ons door God gegeven. Ook vandaag. Maar wie van ons durft radicaal op de woorden van Jezus te vertrouwen dat onze Vader weet wat we nodig hebben, dat Hij voor ons zorgt, meer nog dan voor de vogels op het veld? Vertrouwen we niet liever op onszelf, op onze denkbeeldige schuur vol graan? Bezit, hebzucht, de zucht van meer en meer, groter en groter bezit. Het is van alle tijden. Ook Jezus werd beproefd. De duivel liet Jezus in een flits alle koninkrijken van de wereld zien en zei: ‘Heel die macht en al hun pracht zal ik U geven, want zij zijn mij in handen gegeven en ik geef ze aan wie ik wil. Als U mij aanbidt zal het allemaal van U zijn.’ De reclames die wij overal tegenkomen, vertellen ons hetzelfde als de duivel destijds Jezus. Als wij Mammon dienen, dan kunnen wij alles kopen, kunnen wij alles ons eigendom noemen, hebben we ons leven in eigen hand… Jezus wist de duivel te weerstaan. Jezus antwoordde de duivel: ‘Er staat geschreven: De heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.’ Later zegt Jezus tegen zijn leerlingen dat het onmogelijk is om twee heren te dienen. Je dient of God en God alleen, of je dient Mammon. Het gaat niet om een beetje God en een beetje Mammon te dienen. Het is denk ik daarom dat Paulus ons aanspoort om onze zinnen op het hemelse te richten, of te wel op God en niet op het aardse. Op de rijkdommen van God en niet op de wereldse rijkdommen. Paulus stelt ons de vraag of we werkelijk met ons hart bij de Heer zijn, of we werkelijk God aanbidden en Hem alleen dienen. Of wij onze oude mens, de hebzuchtige nooit genoeg hebbende mens, of we die mens en zijn gedragingen hebben afgelegd. Is deze mens werkelijk gestorven? Leven we werkelijk verborgen met Christus in God? We hoeven niet te antwoorden. Paulus kent ons antwoord al. Daarom roept hij ons op om radicaal een einde te maken aan onze hebzucht die gelijk staat aan afgoderij. Gods Woord roept ons op radicaal te breken met onze hebzucht, radicaal onze oude mens met zijn gedragingen af te leggen en ons radicaal op God te richten, op het hemelse, op Gods rijk. Pas dan kunnen we ons bekleden met de nieuwe mens die Christus is. Pas dan zijn we op weg naar het ware inzicht, pas dan worden wij vernieuwt naar het beeld van onze Schepper. Dan leven we daar waar alleen Christus is, verborgen in God. Daar, verborgen in God, is alles in allen. We hebben een weg te gaan. Maar we gaan niet alleen. Als we beseffen dat niets van ons is, dat we alles uit Gods hand ontvangen, dan verbinden we ons hart met God en is ons hart bij de Heer, dan roepen we onze dank uit, schreeuwen we onze nood uit in het vertrouwen dat God ons hoort, ons kent en weet wat wij nodig hebben, nog eerder dan wij hebben kunnen vragen. Bidden wij dat God ons blijft aansporen dwaas te worden voor de wereld en te worden rijke kinderen van God, in liefde met elkaar delend de gaven die wij uit Zijn hand ontvangen. 


Greetje Feenstra


Zondag 17 juli 2022, Feest van O.L.V. van de berg Karmel, 1 Koningen 18,42-45


Welkomstwoord


Gisteren is wereldwijd het feest gevierd van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel. In sommige landen wordt het zeer uitbundig gevierd met grote processies en feestelijke bijeenkomsten. In andere landen gebeurt het meer ingetogen. Sinds de fusie van de parochies van Vortum-Mullen, Sambeek en Boxmeer is Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel de patrones van onze parochie. Daarom is het goed om in de zondagse eucharistieviering aandacht te geven aan dit feest. De lezingen van vandaag zijn de klassieke teksten die horen bij het feest. De eerste lezing gaat over de profeet Elia. In de evangelie lezing prijst een vrouw uit het volk Maria gelukkig. Ik hoop dat Maria het me niet kwalijk neemt dat ik in de overweging ook aandacht geef aan Elia. Ik wens u een goede viering.


Lucas 11, 27-28


Overweging


De Karmelorde kent twee grote voorbeeldfiguren. De eerste is de profeet Elia. De andere is Maria van Nazareth. Beide personen laten op een geheel eigen wijze zien hoe vanuit hun intieme verhouding met God de aandacht en de verantwoordelijkheid voor de medemens vorm krijgt. Beide personen verenigen in zichzelf het dubbelgebod van de liefde: de liefde tot God en de liefde voor de andere mens die is als jezelf. Elia leefde in de negende eeuw voor Christus. Het is een ruige figuur die niet behoorde tot enig profetengilde. Hij leefde in het noord rijk Israël, op de berg Karmel. Zijn naam betekent ‘Mijn God is Jahweh’. Het staat op het schild bij de ingang van de kerk. Die naam is polemisch bedoeld. Het is gericht tegen het koningshuis van Omri. Omri heeft een veelgodendom ingevoerd. Zijn zoon Achab bouwt in Samaria een tempel voor de god van de vruchtbaarheid, Baal. In de cultus van Baal zijn de goden nauwelijks betrokken op mensen. Hun onderlinge strijd is bepalend voor het lot van de mensen op aarde. Is Mot aan de macht dan is er hongersnood en dood. Iam is de oorzaak van de verwoestende kracht van het water. Als Baal de overhand heeft, is er regen en vruchtbaarheid. Een godsdienst waarin de willekeur van de goden het lot van de mensen bepaalt, is een uitstekend legitimering voor het politieke beleid van Achab dat eveneens op willekeur, corruptie en zelfverrijking is gebaseerd. Een conflict tussen Elia en Achab kan niet uitblijven. Elia kondigt een grote droogte aan. Er zal geen regen of dauw meer zijn. De macht van Baal en daarmee ook de macht van Achab wordt aangetast vanuit de verbondenheid van Elia met Jahweh. Jahweh is een totaal andere god dan Baal. Hij heeft zijn naam geopenbaard als ‘Ik zal er zijn voor jullie’.  Anders dan Baal heeft Jahweh zich verbonden met zijn volk. Hij heeft zijn trouw en zijn solidariteit toegezegd aan zijn mensen. Hij heeft zich verplicht aan Israël. ‘Ik zal jullie God en jullie zullen mijn volk zijn.’Na drie jaar droogte komt het conflict tot een hoogtepunt. Op de berg Karmel zijn de priesters van Baal verzameld samen met Elia. De afspraak is dat zowel de priesters van Baal als Elia een offer zullen brengen, elk tot hun eigen god. De god die vuur uit de hemel stuurt om het offer te verteren is de ware god.  De priesters van Baal bidden, roepen en schreeuwen de hele dag. Ze kerven zichzelf tot bloedens toe. Elia kan het niet laten om hen flink te sarren. Jullie moeten harder schreeuwen, want Baal hoort jullie niet. Misschien slaapt hij of misschien is hij op reis. Misschien heeft hij zich even teruggetrokken. Dat betekent dat hij misschien even is gaan poepen. Jahweh stuurt wel vuur uit de hemel om het offer te verteren. Daarna volgt een groot bloedbad. Alle priesters van Baal worden vermoord. De nederlaag van Baal maakt duidelijk wie de ware god is. Het is Jahweh die met zijn volk is begaan. Uit de zee stijgt een wolk op. Er valt een stromende regen. Het is Jahweh die het land vruchtbaar maakt en het volk zijn voedsel schenkt, niet Baal Het verhaal van Maria is geschreven in een geheel andere toonaard. Er is veel minder geweld, minder bloedvergieten, minder moord en doodslag. Maar de grondbeweging is dezelfde. De verbondenheid met God leidt tot een profetische kijk op onze werkelijkheid. God heeft aan Maria zijn liefde aangeboden. Hij heeft dat gedaan bij monde van de engel Gabriel: ‘Verheug u, begenadigde, de Heer is met u.’ Maria heeft die liefde beantwoord met wederliefde.  ‘Zie de dienares van de Heer. Mij geschiede naar uw woord.’ De innige verbondenheid met God maakt dat ze behoort tot de familie van God. Ze is vanzelfsprekend bij Hem thuis. In de lofzang van Maria wordt duidelijk dat zij zich, net zoals God zelf, verplicht aan de armen en misdeelden. De machtigen, de patsers die hun macht misbruiken voor corruptie en zelfverrijking, de mensen die zichzelf onaantastbaar wanen als waren ze goden, zullen door de arm van God worden gebroken. Maar de slachtoffers, de mensen in de marge mogen rekenen op een God die zich met hen verbonden weet. Ze mogen rekenen op de solidariteit van hen die zich, net zoals Maria, met God verbonden weten. In de evangelietekst van vandaag prijst een vrouw uit het volk Maria. “Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten die U gezoogd hebben.’ Jezus breidt deze lofprijzing uit tot alle mensen die het woord van God horen en bewaren. Daarmee wordt ook van ons gevraagd om dezelfde bewegingen te maken als Elia en Maria deden. Ook wij kunnen onze verbondenheid met God omzetten tot een engagement met de mensen met wie God zich solidair heeft verklaard. We worden opgeroepen om een nieuwe gemeenschap te vormen. De muren die zijn opgetrokken door eigenbelang, zelfverrijking, xenofobie en homofobie worden neergehaald. De populistische afgoden van onze tijd zoals economie, winst, vooruitgang, consumisme, nut en eigen volk eerst zijn niet bekommerd om het lot en het welzijn van de gewone mensen. Maar het woord van God is: ‘Ik ben er voor jullie.’ De voorbeelden van Elia en Maria laten zien hoe wij kunnen leven naar dat woord. Ze laten zien dat God niet overwonnen kan worden, dat goedheid, liefde voor elkaar, solidariteit en betrokkenheid de grondslagen zijn waardoor alle mensen familie van God zijn en broers en zussen van elkaar.


Huub Welzen o.carm.


Overweging 15e zondag door het jaar (slotviering) op 10 juli 2022


Evangelielezing: Lucas 10, 25-28


Een wetsleraar stelt Jezus een vraag


Er kwam een wetsleraar naar Jezus toe. Hij wilde Jezus iets verkeerds laten zeggen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet? Wat lees je daar?’ De man antwoordde: ‘Houd van de Heer, je God, met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht. En houd evenveel van je medemensen als van jezelf.’ Toen zei Jezus: ‘Dat is het goede antwoord. Als je dat doet, zul je eeuwig leven.’


Overweging


Een oude man zat bij de toegangspoort van een stad in het Midden-Oosten. Een jonge man kwam naar hem toe en zei: “Ik ben hier nooit geweest. Hoe zijn de mensen die hier in deze stad leven?” De oude man antwoordde met een vraag. “Hoe waren de mensen in de stad waar je vandaan komt?” De jonge man zei: “Egoïsten en slechteriken. Het is trouwens om die reden dat ik blij was dat ik vandaar kon weggaan.” De oude man zei: “Je zal soortgelijke mensen hier vinden.” Iets later kwam een andere jongeman in de stad en hij stelde aan de oude man diezelfde vraag: “Ik ben hier net aangekomen. Hoe is het volk hier in deze stad?” Ook aan hem antwoordde de oude man met de vraag. “Zeg me eens jonge man hoe waren de mensen in de stad van waar je komt?” De jongen antwoordde: “Het waren goede mensen. Gastvrij en eerlijk. Het kostte me moeite hen te moeten verlaten.” Daarop zei de oude man: “Je zal dergelijke mensen hier eveneens vinden.” Een handelaar, die zijn kamelen liet drinken bij de bron, had de gesprekjes tussen de oude man en die twee jonge mannen gehoord.  Toen ook de tweede jongen weg was, zei de koopman tot de oude man bij de poort: “Hoe kun je twee totaal verschillende antwoorden geven op eenzelfde vraag, gesteld door twee verschillende personen?” De oude man zei: “Ik heb aan ieder van hen het antwoord gegeven dat hij reeds in zijn hart meedroeg.” Wat wij meedragen in ons hart bepaalt hoe wij kijken en wat wij zien. Overal om ons heen is er goed en kwaad; ook in onszelf is er goed en kwaad. Iedereen die een beetje in zichzelf wil kijken, zal dat erkennen. Hier ligt een belangrijk punt: als we bereid zijn echt in onszelf te kijken, werkelijk stil willen staan bij onszelf, dan moeten we zeggen dat we vaak niet hebben geleerd om op een welwillende manier naar onszelf te kijken. Ga maar na. Hoe vaak vinden we het niet lastig om van onszelf te zeggen dat we iets goed hebben gedaan? Wij hebben vaak niet geleerd om tevreden te zijn met onszelf. En dat komt misschien wel omdat wij elkaar te vaak beoordelen op wat we doen en presteren. Dat begint al vroeg, zeker tegenwoordig, nu kinderen vaak al een (te) volle agenda hebben en al op jonge leeftijd op allerlei gebied flinke prestaties moeten leveren. En als we niet oppassen houden sommigen daar het gevoel aan over dat ze niet goed genoeg zijn. Maar…je kunt pas echt het goede in een ander zien en genieten van het goede om je heen als je de mens die je zélf bent werkelijk kunt accepteren, met alles erop en eraan. Jezus had dat al goed begrepen. En daarom dat het stukje evangelie dat we voor vandaag gekozen, zo belangrijk is. Het belangrijkste gebod is: houd van God; en houd evenveel van je medemensen als van jezelf.  Als je jezelf een beetje kent en jezelf kunt liefhebben, d.w.z. als je er van jezelf mag zijn zoals je bent, pas dan kun je ook echt begrip hebben voor een ander en welwillend kijken naar al het goede dat er in die ander is. Dan kun je ook accepteren dat die ander negatieve kanten heeft en dan kun je verdragen dat niet alles altijd gaat zoals jij zou willen. Ook hier in onze parochie, is er heel veel om dankbaar voor te zijn. Ja, inderdaad ook hier is er ontkerkelijking, wordt het aantal eerstecommunicanten en vormelingen kleiner, zijn er minder huwelijken die kerkelijk bevestigd worden en ja, ook het aantal kerkelijke uitvaarten loopt terug. Maar met die oude man onder de stadspoort zou ik willen zeggen: de manier waarop je hiernaar kijkt, hangt ook af van wat je meedraagt in je hart. Want ondertussen is er wel heel veel onderlinge zorg en dienstbaarheid, hebben we vieringen die ook mensen van buiten aantrekkelijk vinden en is er in het dagelijks leven van onze parochie een sfeer van omzien naar elkaar… dingen om mee te dragen in je hart...  dingen waardoor onze parochie ondanks die terugloop een fijne gemeenschap blijft waar menigeen zich thuis voelt. Laten we bidden dat we dit soort goede ervaringen kunnen blijven zien en vandaaruit geloof, hoop en optimisme zullen blijven uitstralen.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Overweging  14e zondag door het jaar 2 en 3 juli 2022


We zie aan Oekraïne heel nadrukkelijk wat er gebeurt als je zwak bent. Het is heel begrijpelijk dat president Zelensky vraagt om wapens. Hij wil graag straaljagers, tanks en raketten om die grote agressor te kunnen bestrijden. “Geloof Poetin niet”, zegt hij tegen de westerse landen waar hij hulp aan vraagt. “Het is een wolf”. Heel begrijpelijk, we sympathiseren bijna allemaal met Oekraïne. We hebben zelf in onze recente geschiedenis te maken gehad met een nietsontziende agressor. De meeste mensen die tegenwoordig leven hebben WO II niet meer meegemaakt, maar we weten van de verhalen en de filmbeelden uit de concentratiekampen zitten in ons. Wij begrijpen die vraag om tanks en raketten. Daarom is het misschien goed om tot ons door te laten dringen hoe radicaal de boodschap van Jezus is die wij zojuist hebben gehoord. Als Hij zijn leerlingen uitzendt zegt Hij: “Neem helemaal niets mee, behalve míjn vrede die je brengt aan ieder huis waar je komt”. Hij beseft hoe radicaal dat is, want Hij zegt ook: “Ik zend jullie als schapen onder de wolven”. Toen ik hierover nadacht, kwam een gesprek met ouders van dopelingen bij mij op. Het was een gesprek met ouders over hun motivatie om hun kind te laten dopen. Het ging er veel ouders om dat zij Jezus een inspirerende figuur vonden en dat zij wilden dat hun kind ook door Jezus geïnspireerd zou worden. De oude pastoor uit Utrecht die het gesprek leidde, hoorde dat zo een poosje aan en zei toen: “Jullie hebben het er nou wel over dat jullie willen dat je kind in het voetspoor van Jezus zal gaan, dat het zijn weg zal gaan, maar houden jullie er wel rekening mee dat die weg eindigde op het kruis? Willen jullie ook díe consequentie voor lief nemen?” Zélf een mens van vrede willen zijn, heeft tot gevolg dat je heel kwetsbaar bent tegenover mensen die macht over je hebben. Dat is niet alleen in Oekraïne het geval. Wij mensen kunnen helaas niet zo heel goed met macht omgaan. Ik zeg nadrukkelijk ‘wij’, want het is overal. Er is machtsmisbruik op het werk, in gezinnen en relaties. Soms is het niet eens zo heel duidelijk, we misbruiken soms ook macht zonder dat we het zelf direct in de gaten hebben. We hebben er allemaal ooit mee te maken gehad, dat gevoel totaal onmachtig te zijn. In de moderne psychologie wordt het zelfs onderkend als een van de belangrijkste factoren bij depressiviteit. Wij hebben het psychisch nodig om verweer te hebben. Toch, tegelijk, hebben we ook grote bewondering voor mensen die echt tot het einde toe de weg van de geweldloze vrede gaan. Jezus die ook die weg ging, stond aan het begin van een hele wereldgodsdienst. In de vrede die Hij bracht herkenden mensen God zelf. Mahatma Ghandi, Ds. Martin Luther King. Hun verweer was géén verweer. En dat sloeg ook de wapens uit de handen van de onderdrukkers. Daarom ook waren er zoveel mensen die er werkelijk blij om waren dat Titus Brandsma heilig werd verklaard. Een mens die tot het einde toe de weg ging, die ging voor dat waarin hij geloofde: barmhartigheid, vergeving, liefde voor elke mens. Hij nam de uiterste consequentie en, heel belangrijk, vond daar zélf zijn vrede. Ergens voelen we wel aan dat die uiterste consequentie nemen van ons geloof, wérkelijk een weg van vrede gaan, ook onszelf vrede zal schenken. Dat we niet meer verscheurd zullen worden tussen onze angst voor onder te gaan en ons geloof dat ons vertelt dat we in Gods hand zijn en dat er niets is dat ons kan losmaken van onze Schepper. Want, dat is toch waar Jezus in geloofde, en Titus en al die mensen die werkelijk probeerden de weg van Jezus te gaan? Die mensen worden soms heiligverklaard. Maar er zijn zoveel mensen die helemaal niet als heilig bekend staan en die in hun leven vredebrengers zijn. Mensen die verzoening zoeken waar oorlog of ruzie is, die strijden voor gerechtigheid, waar onrecht heerst. Die de boodschap van vrede brengen, ongeacht wat dan ook. Bidden wij, dat ook wij die weg durven te gaan.



Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Boxmeerse Vaart 19 juni 2022 – Sint Petrus basiliek – Boxmeer


Evangelie en overweging


Lukas 9,11b-17


In die tijd sprak Jezus tot de menigte over het Rijk Gods; en wie genezing nodig hadden genas Hij. Toen de dag ten einde begon te lopen kwamen de twaalf naar Hem toe en zeiden: “Stuur de mensen weg; dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om daar onderdak te vinden, want hier zijn we op een eenzame plek.” Maar Hij antwoordde: “Geeft gij hun maar te eten”. “Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen”, zeiden ze, “of we zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen.” Er waren naar schatting wel vijfduizend mannen. Hij gelastte nu zijn leerlingen: “Laat hen gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig.” Dat deden ze en ze lieten allen plaats nemen. Daarop nam Hij de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, sprak er de zegen over uit, brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte voor te zetten. Allen aten tot ze verzadigd waren en wat zij overhielden haalde men op, twaalf korven met brokken. 


Overweging


Het leek een onmogelijke opgave: zoveel mensen te eten geven en die moesten daarna ook nog ergens onderdak zien te vinden. Dat vonden de leerlingen van Jezus ook: het was een onmogelijke opgave. Daarom zeiden ze tegen hem dat hij ze maar naar de dorpen in de buurt moest sturen. ‘Laat ze daar om eten en om hulp vragen’. Met andere woorden: laat ze het zelf maar uitzoeken. Maar Jezus ging daarin niet mee. ‘Zorgen júllie maar dat ze te eten krijgen’. We kennen de afloop. Na wat tegensputteren gingen zijn leerlingen toch aan de slag. Ze kregen de mensen zo ver dat ze met het weinige dat er was, gingen delen met elkaar. Wat eerst een onmogelijke opgave leek, werd toen toch werkelijkheid. Door het geloof en het vertrouwen en het aandringen van Jezus. In de weken na dit wonderlijke gebeuren had Jezus een paar heel indringende gesprekken met zijn leerlingen. Wat toen de meeste indruk op hen maakte was dat hij bij herhaling zei dat hij er alles voor over had als er maar een wereld zou worden waarin de liefde en de goedheid van zijn Vader in de hemel zichtbaar en richtinggevend zouden zijn voor alle mensen… Hij had er álles, zelfs zijn leven voor over. ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden en ter dood worden gebracht…’, zei hij. De leerlingen konden dat niet geloven… ‘Dat nooit, Heer…’, maar toch… dat hij er wel degelijk rekening mee hield dat zijn geloof hem zijn leven zou kosten, liet hij later zien, tijdens zijn laatste maaltijd met zijn vrienden. Toen nam hij namelijk het brood dat op tafel stond, hij brak het en gaf hun allemaal een stuk. Hij nam toen ook de beker met wijn en gaf hun díe te drinken. En toen zei hij: ‘Zo wil ik herinnerd worden… doe dit tot mijn gedachtenis… dit ben ik zelf… zo zal ik blijvend onder jullie aanwezig zijn… ik ben als dit brood dat nu gebroken wordt voor jullie en als deze wijn die jullie nu te drinken krijgen’... Wij weten nu dat hij daarmee al verwees naar zijn kruisdood op de volgende dag. Hij wist dat hij zou moeten sterven. Hij moest gebroken worden omdat de godsdienstige leiders het niet konden hebben dat hij, tegen alles en iedereen in, prioriteit gaf aan liefde, vrede, recht en gerechtigheid… én omdat hij erop vertrouwde dat dit ook het diepste verlangen is van de Vader in de hemel… Zo werd het brood dat hier en overal in onze wereld elke dag in Jezus’ naam gebroken en gedeeld wordt in de eucharistie, hét teken bij uitstek van zijn manier van zijn leven en sterven. En daarom is dit brood heilig brood. Brood op zich is niet heilig. Maar dit brood wel.  Het brengt ons in herinnering dat Jezus zijn leven gegeven heeft omdat hij intens geloofde in een wereld zoals God die bedoeld heeft. Dit brood is ook heilig omdat het ons oproept om net als Jezus veel, zo niet alles over te hebben voor de komst van die wereld. En de beker met wijn die bij iedere eucharistie op het altaar staat is heilig omdat je vanuit de traditie van de Boxmeerse Vaart kunt zeggen: ‘het is een beker die overstroomt van liefde’. Straks dragen wij dit heilig brood van Jezus in de processie plechtig rond door de straten van Boxmeer. Ik hoop dat dit ons én de mensen langs de kant te denken geeft en dat we, al is het maar in een flits, even beseffen wat Jezus ons heeft voorgedaan…


Ben Wolbers, pastor-teamleider o.carm.


Feest van de Heilige Drie-Eenheid 12 juni 2022


Als misdienaar heb ik vaak de tekst gelezen die rondom de apsis in de kerk van mijn geboortedorp geschreven staat: ‘Ere zij God de Vader die mij geschapen heeft. Ere zij God de zoon die mij verlost heeft. Ere zij God de heilige Geest die mij geheiligd heeft.´ Pas veel later heb ik beseft dat deze tekst op een specifieke manier gelezen wil worden. Het is geen beschrijving van God, maar een lofzang aan God. Het is de uitdrukking van mensen die God eer brengen vanwege de manier waarop zij God ervaren hebben. Het is de lof van mensen aan God die hebben ervaren dat hun bestaan een geschenk is, dat er ooit ruimte is gekomen in hun benauwenissen en dat ze deelgenoot mogen zijn van een werkelijkheid die groter is dan zij zelf. Het is van enorm belang te beseffen dat ons spreken over God zelden uitspraken zijn over hoe het is met God, hoe Hij in elkaar zit. Al ons spreken over God zijn uitdrukkingen van onze ervaringen met God. De geloofsformuleringen dat God één natuur is in drie personen is geen anatomie van de christelijke godheid. Het is een poging van mensen in de eerste eeuwen van het christendom om uit te drukken hoe ze God ervaren hebben. Het is ongelooflijk belangrijk om te beseffen dat al onze woorden over God niets anders zijn menselijke pogingen om tastenderwijze te reiken naar het geheim dat God is. Dat geheim gaat ons fundamenteel te boven. Ons spreken over God kan Hem nooit geheel omvatten. Dat besef maakt ons bescheiden als we spreken met mensen die geloven op een andere manier. In het verleden is in christelijke regionen vaak gesproken over ketters en afvalligen. Andersgelovigen zijn vaak met geweld gedwongen om zich te bekeren tot het ware geloof. We moeten ook niet vergeten dat de godsdienstoorlogen zelden met het geloof alleen van doen hadden. Meestal was het ook een strijd om de macht en om geldelijk gewin. Veel bloedvergieten is er het gevolg van geweest. Ook nu nog zien we dat de overtuiging van het eigen fundamentalistisch gelijk een nietsontziende agressiviteit met zich mee brengt. Bekeringsdrift en agressiviteit is een gevaarlijke combinatie. Niet alleen in christelijke kringen, maar ook in andere godsdiensten. We weten niet welke wegen God met mensen gaat. Wel kunnen we zien hoe mensen proberen uit te drukken wat God met hen gedaan heeft, hoe Hij hun leven veranderd heeft. Het besef dat de beelden en de woorden die we daarvoor we gebruiken, uitdrukkingen zijn van menselijke ervaringen met God, van ons verlangen naar God en soms ook van ons gemis aan God, maakt een dialogische omgang met elkaar mogelijk. We zouden ervan doordrongen kunnen zijn dat onze vragen naar God niet dezelfde hoeven te zijn als de vragen van andere mensen. Onze eigen weg hoeft niet per se dezelfde weg te zijn als de weg die God met anderen gaat. Religieuze taal is ervaringstaal. Het is de nooit gelukte poging om het onzegbare te zeggen. Dat betekent ook dat we op een bepaalde manier naar elkaar moeten luisteren. Als we willen verstaan wat werkelijk in onze woorden klinkt, zullen we in en achter de woorden moeten luisteren naar wat er werkelijk gezegd wil zijn, maar onzegbaar is. We zullen moeten luisteren met de oren van een gelovig hart en van een gelovige ziel. Het is als met de beroemde versregel uit het gedicht Awater van Martinus Nijhoff: ‘Lees maar er staat niet wat er staat.’ Awater werkt op een kantoor. Hij is accountant of zoiets, wordt in het gedicht opgemerkt. Met schrijft er Arabisch schrift met Italiaans. Dat wil zeggen dat men cijfers en letters gebruikt. Men is er aan het werk met rekenmachines en typemachines. 


… De schrijfmachine mijmert gekkenpraat.


Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:


‘O moeder, nooit zult gij de bontjas dragen


waarvoor elk dubbeltje werd omgedraaid,


en niet meer ga ik op vrije dagen


met een paar bloemen naar het hospitaal,


maar breng de rozen naar de Kerkhoflaan …’


Dit staat er…


In de cijfers en de letters die het kantoor produceert is verdriet, verlangen, teleurstelling, gemis en hunkering uitgedrukt. ‘De schrijfmachine mijmert gekkenpraat.’ Cijfers en letters staan er niet. ‘Er staat: ‘O moeder …’’ De zakelijkheid van de kantoorproducten communiceert de diepmenselijke emoties, die we allemaal kennen. Willen we het verstaan dan is het nodig te weten dat er niet staat wat er staat. Luisteren naar religieuze taal, luisteren naar de religieuze ervaringen van de ander, gebeurt op een soortgelijke manier. Het is horen wat niet wordt gezegd, en verstaan wat onzegbaar is. Kenmerk van de religieuze dialoog is terughoudendheid in het oordeel over wat de ander beweegt. Nodig is wederzijdse empathie, eerbied en respect, omdat we in de ander God werkzaam weten. In een dergelijke dialoog kunnen we wat de ander ter sprake brengt ervaren als een geschenk. We kunnen de werkzaamheid van God in de ander ervaren als we ons ontdoen van alles wat ons hindert tot God te naderen. Interreligieuze dialoog is daarom ook een ascese. Het is het opschorten van het eigen gelijk en erkennen dat God groter is dan we zelf kunnen denken. Het is erkennen dat God met ons soms onvermoede wegen gaat. Op Drievuldigheidszondag spreken we over God als Vader, Zoon en Geest. Misschien moeten we spreken over een meervuldigheidszondag. De erkenning dat God zich op velerlei wijzen aan mensen manifesteert en openbaart, kan een einde maken aan het religieuze geweld.


Prior Provinciaal Huub Welzen o.carm.


Tweede Pinksterdag maandag 6 juni


Eerste lezing: Handelingen 1,12-14, Evangelie: Johannes 19, 25-34


Wij willen altijd het beste voor hen van wie wij houden. Wij willen niet dat er iets ergs gebeurt met hen. Wij zouden verdrietig zijn als iemand die wij goed kennen pech heeft. De ouders willen zeker niet dat hun kinderen lijden. Het belangrijkste voor de ouders is het geluk van hun kinderen. Het evangelie dat wij vandaag horen vertelt dat Maria bij het kruis van haar Zoon stond. Dat was echt een aandoenlijk moment. Maria was beslist echt verdrietig. Voor de laatste keer was Maria naar haar Zoon aan het kijken. Ik vraag me af hoe ik me zou voelen als zoiets in mijn leven zou gebeuren. Wij kunnen ons voorstellen dat wij in positie van Maria waren. Menselijk, was dat echt een onaanvaardbaar incident. Wij zouden misschien erg boos kunnen zijn als er zoiets met ons zou gebeuren. Wij zouden eraan denken om wraak te nemen op mensen die ons hart en gevoel hebben gekwetst. Maar wat is er gebeurd met Maria? Zij was toen echt verdrietig. Welke moeder zou toestaan dat haar kind gemarteld wordt? Maria is echt een sterke moeder. Zij liep niet weg van die bittere werkelijkheid. Maria keek naar haar Zoon met de ogen van het geloof. Dat was een genadig moment. Op dat moment nam zij afscheid van haar Zoon, maar tegelijkertijd kreeg zij een opdracht. Jezus keek naar Zijn moeder en zei: “vrouw, daar is nu je zoon”. Een tegen de leerlingen van wie Hij hield zei Hij: “daar is je moeder”. Sinds dat moment kreeg Maria een opdracht als “de moeder van de kerk”, de moeder voor iedereen die in Jezus gelooft. Van Maria kunnen wij heel veel leren. Op het moment dat Maria bij het kruis van haar Zoon was, realiseerde Maria zich dat Jezus niet van haar was, maar van God en de mensheid. Maria leert ons hoe wij ons bezit los moeten laten. Alles wat wij hebben is van God. Wij moeten wat wij hebben terug aan God geven, als God dat wil. Van Maria leren wij ook om ons leven aan God te geven. Wij vertrouwen dat Gods wil het beste is voor ons. Wij zijn gevraagd om Zijn wil in ons leven te laten gebeuren. Maria realiseerde zich dat het de consequentie van haar antwoord was toen zij was gevraagd om de moeder van Jezus te worden. Maria heeft geantwoord: “ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt”. Misschien herinnerde Maria zich wat Simeon had gezegd: “ook door uw ziel zal een zwaard gaan”. Van Maria leren wij ook hoe wij nederig moeten zijn. Maria is moeder van Jezus. Maar zij is niet trots op haar positie als de moeder van God. Zelfs zij is de leerling van Jezus. Nadat Jezus was gestorven, ging Maria samenwonen met de leerlingen. Iedere dag gingen zij bidden. Samen met de leerlingen wachtten zij op de komst van de heilige Geest die Jezus had beloofd. Moge Maria ons voorbeeld zijn om goede leerlingen te worden. 


Simon Taa o.carm.


Zondag 5 juni Pinksteren


‘Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak.’ Mooi woord ‘gedruis’, in tegenwoordige vertalingen wordt het Griekse woord ook wel vertaald met ‘geraas’. Als wij in het woordenboek gaan opzoeken wat ‘gedruis’ is, dan zie je dat het heel veel betekenissen heeft. Gedruis is dof en verward geluid, dof geraas, drukte, leven. Maar ook is het geweld, lawaai, onrust, rumoer en tumult. Als je die betekenissen zo hoort, zou je kunnen zeggen dat wij in onze dagen bij uitstek leven in een tijd van gedruis; een tijd waarin er veel lawaai is, van muziek die door geluidsboxen dreunt, van verkeerswegen die overal het landschap doorsnijden. Er zijn in Nederland nog maar weinig plaatsen waar het écht stil is, waar je de vogels kunt horen zonder motorengeronk. Maar het gaat niet alleen over het lawaai van geluid, er is dagelijks op televisie en in de krant het lawaai en geweld van oorlog en terrorisme, van moord en doodslag, onderdrukking en uitbuiting, egoïsme en haatzaaien. Het is het gedruis waarmee angst wordt gezaaid tegen wat ánders is. Het is het gedruis dat muren wil bouwen om mensen tegen te houden die op zoek zijn naar een menswaardig leven en dat een heel grote mond opzet met de leus ‘eigen volk eerst’. Het gedruis van de H. Geest is heel anders, het is juist een tegengeluid. In de eerste verzen van onze Bijbel wordt al over Gods Geest gesproken, het is de Geest van God die over de wateren zweeft, al vóór de schepping. Hij schept hemel en aarde en alles wat daarin is. Die Geest wil opbouwen. Die Geest zoekt juist het leven en zeker niet afbraak en dood. Het gebeurt nogal vaak dat mensen zeggen dat zij niet zoveel kunnen met de H. Geest. Dat zij er nooit tot bidden. Tot God of tot Jezus is veel makkelijker. Het lijkt of de H. Geest ongrijpbaarder is. Toch, als we goed lezen wat in Jezus in de tweede lezing zegt: “de Helper, de heilige Geest die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.” ‘Hij breng u in herinnering’. De Geest maakt bewust van wat goed is en wat leven geeft. De Geest maakt bewust van de vrede en al het andere dat Jezus heeft geleerd: vergeving, barmhartigheid, elkaar daadwerkelijk terzijde staan; vernietigende en veroordelende krachten bestrijden. Als wij dan nu even denken aan al het lelijke gedruis van onze wereld dat ik zojuist heb genoemd; en beseffen hoe erg we het elke dag weer vinden dat al die ellende gebeurt, hoe we zouden willen dat de wereld ánders zou zijn. Wordt dan de geestkracht van God eigenlijk niet heel concreet? Gewoon in ons leven, elke dag dat wij ons bewust zijn dat dit heel vaak niet de wereld is die God voor ogen had toen Hij die schiep. Wij mogen geloven zo’n moment van besef een moment is waarin de Geest van God werkzaam is. De Geest van liefde in ons, die als het ware recht uit de hemel komt. En dat gebeurt niet altijd met veel tamtam, maar vaak in het verborgene. Als we alleen zijn, in onze eigen stoel, voor de televisie. Of ’s morgens, gebogen over de krant. Soms brengt die Geest ons dan ook weleens in gebed, want heel vaak is voor ons iets daadwerkelijk veranderen niet zomaar mogelijk. Soms blijft ons niet veel anders over dan ‘Heer ontferm U’, over die mens, ‘ontferm U’, over onze aarde, ontferm U over mij, want soms ben ik bang. De apostel Paulus zegt ‘de Geest zelf bidt in ons met onuitsprekelijke verzuchtingen’. Maar de Geest blijft nooit in zichzelf besloten. In de eerste lezing hebben we gehoord hoe de Geest de apostelen en leerlingen naar buiten drijft. Ze hadden angstig bijeengezeten, maar opeens voelen ze zich geroepen om aan wie het maar wil horen te vertellen over wat Jezus had geleerd over het Rijk Gods. Ze gaan de wereld in om op hun beurt gedruis te maken, het gedruis van de boodschap van liefde en vrede die – dat mogen wij geloven – door geen dood kapot is te maken. Ook ons drijft die Geest. Hij breng ons hier samen, Hij brengt ons tot gebed, als wij voor onze aarde bidden of als we een luisterend oor hebben voor mensen in nood én als we opkomen in woord en daad voor de zwakke en rechteloze. Wij leven door zijn adem, Hij leeft in ons. Daarom wil ik vandaag deze overweging besluiten met dat zo bekende gebed:


Kom heilige Geest, vervul de harten van Uw gelovigen


en ontsteek in hen het vuur van Uw liefde.


Zend Uw Geest uit en alles zal worden herschapen.


En U zult het aanzien van de aarde vernieuwen.


Amen



Zr. Susan van Driel o.carm.


Woord en Communie-viering op zondag 29 mei 2022


Eerste lezing: Handelingen 7,55-60  Evangelie: Johannes17, 20-26


Met elkaar hebben we geluisterd hoe Jezus bidt tot zijn Vader in het bijzijn van zijn door Hem geliefde leerlingen. In zijn gebed, bidt Jezus ook in het bijzijn van ons. Ook wij zijn door Hem geliefde leerlingen. Ook wij zijn door Jezus uitgenodigd om met Hem maaltijd te houden, zoals toen. Je gebed uitspreken in bijzijn van anderen, of luisteren naar het gebed dat een ander voor jou bidt, dat ervaar ik als intiem, als een uiting van verbondenheid, van Samen-zijn, van één- zijn. In onze voorbereiding op deze viering, hebben wij ons de vraag gesteld: wat gebeurt er in mij als Jezus in mijn bijzijn dit gebed voor ons bidt? Wat gebeurt er in u terwijl u luistert naar Jezus zijn gebed? Wij proberen onze ervaring te verwoorden.


Greetje


Het luisteren naar Jezus zijn woorden, roept de herinnering aan mijn ouderlijk huis in mij wakker. De laatste maaltijd die wij voor ons vertrek met elkaar gebruikten, werd altijd afgesloten met het gebed van mijn vader waarin hij God vroeg ons voor onheil te behoedden. Uit het gebed van mijn vader sprak liefde. Liefde voor God en liefde voor ons. In mijn luisteren naar Jezus zijn gebed, word ik ontroerd door Jezus zijn liefde voor zijn Vader en voor ons. Jezus bidt voor ons dat de liefde die Hij van God ontvangt ook in ons mag zijn opdat Hij zélf in ons mag zijn. In heel het gebed van Jezus vraagt Hij God de Vader dat wij één-zijn. Eén-zijn zoals Hij en de Vader één-zijn. En dat wij één-zijn mét Jezus en de Vader. Ik hoor in Jezus zijn gebed zijn grote wens om met ons, met mij één te zijn. De liefde en verbondenheid die ik in Jezus zijn woorden hoor, ervaar ik, maar kan ik nauwelijks onder woorden brengen. En wat ik ervaar is zo groots, dat ik er stil van word. Woorden schieten te kort. En als ik ga zoeken naar woorden, dan durf ik die niet in bijzijn van u uit te spreken. Schroom weerhoudt mij. Mijn oplossing hiervoor is dat ik wel wat durf te zeggen over de liefde die ik ervaar als ik op mijn beurt, voor anderen bidt of als mensen zeggen voor mij te bidden. Als ik voor iemand bidt, dan ben ik in mijn hart dicht bij die persoon. Ervaar ik diepe verbondenheid, een één-zijn in het samen kinderen van God zijn. Dat anderen hun verbondenheid, hun één-zijn met mij in gebed voor mij tot uitdrukking brengen, dat doet mij veel. Dat doet mij goed, dat doet mij mijn leed verzachten, vergeten ook. De liefde van de ander, het met mij samen-zijn voor God, balsemt mijn ziel. En als ik luister naar Jezus zijn bidden, luister naar zijn woorden van liefde en verbondenheid, dan hoor ik zijn liefde in mijn bidden voor anderen, ervaar ik zijn liefde in het bidden van anderen voor mij.  Aanschouw ik iets van Zijn heerlijkheid, Zijn gelaat in mensen. Hoe zou ik zonder kunnen leven?  


Betzie


Als ik me realiseer dat Jezus voor mij bidt voel ik me heel klein, voel ik me gekoesterd. Het geeft me vertrouwen in het leven. Het is zo’n intiem gebeuren dat me gegeven wordt, om míj het doet me blozen. Het geeft me kracht die ik niet had verwacht. Jezus voelt zich verantwoordelijk voor mij. Bidden is relatie over en weer en verbondenheid de hele dag door maar die verbondenheid moet ik wel onderhouden. Familie heb je, vrienden krijg je. Jezus is voor mij beiden. Het vraagt bewust zijn en aandacht en dat schiet er regelmatig bij in. Ik ben een gelegenheidsbidder, zo door de dag heen maar niet op vaste tijden is er een moment van even aandacht voor een vrij woord van gebed. Het maakt me blij dat ik dat zo kan doen, het voedt me. Doe ik dat niet dan voel ik een geestelijke verdorring en perkt dat het leven in. Ik wil wel graag ook geestelijk productief zijn daartoe roept Jezus ons op om vrucht voort te brengen en gelukkig te zijn. Samen lukt dat. Ik zou naar Titus Brandsma willen bidden:


Jezus als ik U aanschouw


dan weet ik dat ik van U hou


en dat ik door U wordt bemind


als Uw bijzondere vrind.


Mogen we allen ervaren dat we Jezus’ bijzondere vrienden zijn in een biddend leven.


Greetje Feenstra en Betzie Brakels


 


Hemelvaart donderdag 26 mei


Eerste lezing : Handelingen 1, 1-11, Evangelie     : Lucas 24, 46-53


Zusters en broeders


Om de paar jaar is er een opeenvolging van leiderschap in iedere instelling, of het nu gaat om politieke, sociale of religieuze instellingen. De nieuwe leider zal gaan werken, terwijl de oude leider niet meer zal functioneren. De nieuwe zal de macht overnemen en de oude kan zich niet inmengen. De oude heeft geen macht meer.Vandaag vieren wij de gebeurtenis die tweeduizend jaar geleiden heeft plaatsgevonden. Jezus is opgevaren naar de hemel en Zijn leerlingen zijn de getuigen geweest van wat er is gebeurd. Wij kunnen ons voorstellen hoe het spannend was toen de leerlingen Jezus naar de hemel zagen opvaren. Die spanning is verteld in de eerste lezing die wij net hoorden. Toen de leerlingen bij Zijn hemelvaart Jezus gespannen nastaarden, kwamen er twee mannen die hun lieten weten wat er zou gebeuren. Jezus die is opgeheven naar de hemel zou wederkeren.Jezus moest terug naar zijn vader gaan om zijn belofte te vervullen. Jezus had beloofd dat Hij naar zijn Vader terug zou gaan om een plaats voor ons gereed te maken. Aan de ene kant, was de hemelvaart van Jezus voor de leerlingen een onrustig en ontroerend moment, maar aan andere kant was het een bemoedigend moment. Dat was echt een moment van afscheid, maar ook een moment van geloof. In een andere tekst van het evangelie zegt Jezus: “als Ik niet ga, komt de Geest van troost niet naar jullie toe. Hemelvaart betekent een zending. Jezus vroeg zijn leerlingen om in Jeruzalem te blijven tot de heilige Geest op hen werd uitgestort. De Heilige Geest maakte hen sterk en bereid om de opdracht van Jezus te verrichten. Dat betekent dat de leerlingen geen opvolgers van Jezus waren. Zij namen de macht van Jezus niet over. Maar zij waren de boodschappers van Jezus. Zij moesten doen wat Jezus wilde. Zij werden gezonden om de bekering en vergiffenis te verkondigen. Jezus heeft de macht en de leerlingen kregen die macht van Jezus. Dat betekent dat Jezus ook in hen geloofde dat zij Zijn opdracht konden verrichten. 


Zuster en broeders


Wij allemaal zijn geroepen en gezonden om zijn verrijzenis te verkondigen. Wij zijn de getuigen van Gods liefde. Zoals de leerlingen krijgen wij ook dezelfde macht van God die ons sterk maakt. Jezus geeft ons Zijn kracht en macht opdat wij Zijn missie kunnen voortzetten. Jezus wil dat wij met Zijn macht en kracht de liefde en vrede kunnen verspreiden. Hij heeft Zijn missie aan ons toevertrouwd. Jezus die ons heeft geroepen en gezonden laat ons niet alleen. Hij is altijd bij ons. In het evangelie hoorden wij dat Jezus Zijn handen hief en hen zegende. De handen opheffing en zegening zijn het teken dat Jezus altijd met Zijn leerlingen meeging. Jezus zou ook hetzelfde doen als wij Zijn opdracht zouden verrichten. Aan het einde van het evangelie hoorden wij ook dat de leerlingen vol vreugde naar Jeruzalem terug keerden. Moge wij ons ook in Hem verheugen dat Hij ons zendt in ons dagelijks leven en dat Hij altijd bij ons is. 


Simon Taa o.carm.


 


Zondag 22 mei op de 6e zondag van Pasen 


in deze viering hebben de kinderen die op 26 juni hun eerste communie gaan doen, zich voorgesteld aan de parochianen; tevens is een van de communicanten in deze viering gedoopt.


Begroeting en inleiding


Goedemorgen. Welkom allemaal. In het bijzonder de kinderen die binnenkort hun eerste communie gaan doen. Jullie zijn vandaag gekomen om je voor te stellen aan de mensen hier in de kerk. Want zij willen heel graag weten wie toch die kinderen zijn die over een paar weken, op 26 juni, hun eerste communie gaan doen, die er graag echt bij willen horen, bij Jezus en bij ons allemaal. Wij vinden het met z’n allen héél  fijn dat jullie hier vandaag gekomen zijn. We vieren hier vandaag niet alleen dat jullie binnenkort eerste communie gaan doen. Jullie zijn hier ook omdat een van jullie, Amy, Amy Jansen, vandaag gedoopt wordt. De meesten van jullie zijn gedoopt toen je nog héél klein was. En je weet er dus helemaal niets meer van. Maar nu kun je dus meemaken, hoe dat gaat, gedoopt worden. 


De eerste lezing is genomen uit het boek Handelingen [2, 41-47]


De mensen die de woorden van Petrus aannamen, lieten zich dopen, zodat op die dag ongeveer drieduizend mensen zich aansloten. Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed. Ontzag beving eenieder, want door de apostelen werden vele wonderbare tekenen verricht. Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk; ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte. Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van het hart, loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst. En elke dag bracht de Heer er meer bijeen, die gered zouden worden. 


De evangelielezing is genomen uit het evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes     [14, 23-29]


Jezus zei eens het volgende: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden, mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Wie Mij niet liefheeft, onderhoudt mijn woorden niet; het woord dat u hoort, is niet van Mij, maar van de Vader die Mij gezonden heeft. Dit zeg Ik u, terwijl Ik nog bij u ben, maar de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.  Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden. U hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen, maar Ik keer tot u terug. Als u Mij lief zou hebben, zou u er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan Ik. Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u, opdat u, wanneer het gebeurt zult geloven. 


Overweging


Omdat we straks Amy gaan dopen, zal mijn overweging vandaag wat korter zijn dan u van mij gewend bent. Ik beperk me vandaag tot een korte uitleg van de lezingen die we zojuist hoorden. ‘Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef Ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan’, zegt Jezus in het evangelie van vandaag. Deze woorden maken deel uit van de toespraak die hij op de avond voor zijn dood hield voor zijn vrienden. ‘Mijn vrede geef ik jullie…’, hoorden we Jezus zeggen. In de eerste jaren na de dood van Jezus leken die woorden ook echt uit te komen. Als we de woorden in de eerste lezing mogen geloven, was er in het prille begin de jonge Kerk een grote saamhorigheid en eensgezindheid onder de vrienden en de leerlingen van Jezus. Maar dat zou niet zo blijven. Zo’n 10 à 15 jaar later brak er een pittige ruzie uit. Zo erg dat er een grote vergadering georganiseerd moest worden, een zo genaamd apostelconcilie. Want er dreigde een splitsing in de kerk. De kwestie waar het over ging was de besnijdenis. Enkele leerlingen vonden dat de volgelingen van Jezus zich volledig aan de Joodse wetten moesten houden. In de wet van Mozes, de Thora, staat geschreven: ‘Op de achtste dag moet het kind besneden worden’ (Leviticus 12,3). Alle Joodse mannen, ook Jezus, werden besneden op de achtste dag na de geboorte. Joden hebben grote eerbied voor de Thora. Zij beschouwen die als een geschenk van God. Geen letter van de Thora zal verloren gaan, had Jezus gezegd. Voor veel gelovigen van de jonge kerk was de besnijdenis daarom vanzelfsprekend. Maar twee leerlingen van Jezus, Paulus en Barnabas, zagen dit anders. Zij hadden lange reizen gemaakt naar onder andere Klein-Azië en Griekenland en daar veel mensen ontmoet die christen wilden worden. Maar gaandeweg waren ze zich gaan afvragen of je dan ook besneden moest worden. Volgens Paulus en Barnabas niet, volgens Petrus wel. En zo ontstond er een onenigheid die uitgroeide tot een grote ruzie. Een ruzie kan verschillende kanten op gaan. Mensen kunnen elkaar de oorlog verklaren en de wapens opnemen. Of ze kunnen elkaar de rug toekeren en gescheiden wegen gaan. Al die mogelijkheden hebben we in de loop der tijd werkelijkheid zien worden en ze zullen helaas plaats blijven plaatsvinden, met alle gevolgen van dien: levens die voortijdig worden beëindigd, mensen die moeten vluchten vanwege het geweld in eigen land, families die uiteen worden gerukt door een verschil van mening… De leerlingen kozen – gelukkig – voor een de andere mogelijkheid. Ze gingen praten met elkaar, hoe lastig dit ook was. Zij zetten hun standpunten uiteen. Er vielen harde woorden. De gemoederen liepen hoog op. Maar het lukte hun toch om vast te blijven houden aan hun gezamenlijke doel: volgelingen van Jezus blijven. Ze wilden er samen uit komen, ze wilden samen verder. Na veel praten lukte dat ook. De vrede en eensgezindheid waar het evangelie over spreekt is niet een gemakkelijke vrede. Het is een vrede waar wij ons voor moeten inspannen. Eensgezindheid komt er slechts als wij elkaar in ons anders-zijn willen ontmoeten en elkaar leren verstaan én accepteren. Jezus heeft ons zijn Geest beloofd om ons daarbij te helpen. Zijn Geest van elkaar willen verstaan, zijn Geest van liefde voor iedere mens, zijn Geest van geloof in de ander. Blijven wij bidden om die Geest.


Ben Wolbers, pastor-teamleider o.carm.


Zaterdag 14 mei bij gelegenheid van de heiligverklaring van Titus Brandsma o.carm.


‘Wat is nou eigenlijk mystiek?’ Dat is een vraag die ik heel vaak hoor. Ik vind dat op de vooravond van de heiligverklaring van Titus Brandsma een heel belangrijke vraag. Want bij alles wat Titus deed, voor heel veel mensen en allerlei goede doelen, speelde de mystiek op de achtergrond mee. Hij was er eigenlijk altijd mee bezig. Daarom denk ik dat wij Titus Brandsma pas echt de eer geven die hem toekomt als wij naar hem willen luisteren over die vraag ‘wat is mystiek?’ Een vraag die voor iedere mens, volgens Titus, belangrijk is. Want, meende hij, íedere mens is ten diepste een mysticus.Titus Brandsma geloofde dat heel de schepping het bestaan ontvangt van God, dus ook ieder mens. U en ik, hier en nu, wij krijgen het leven van God. Titus zou zeggen dat in de diepte van onze ziel wij met God verbonden zijn en dat God het leven in ons aanblaast. Dat is ook de reden dat mensen naar God kunnen verlangen. Daar is toch eigenlijk in onze wereld niet zomaar een aanwijsbare reden toe, maar toch zoeken veel mensen naar God: bidden ze, gaan ze naar de kerk, lezen ze de Bijbel en allerlei boeken die gaan over hoe God en mensen met elkaar omgaan. Daartoe voelen mensen zich getrokken. Titus Brandsma bestudeerde ook heel veel geschriften die over die relatie tussen God en mensen gaan. Geschriften van mystici die schreven over hún zoektocht en hun vaak heel sterke verlangen. Titus las in die geschriften dat diep in de ziel van de mens, waar God en mens met elkaar verbonden zijn ook het begin van de liefde ligt, liefde voor God én mensen. Titus Brandsma bestudeerde heel veel geschriften, maar hij had ook een paar lievelingsboeken. Een van die boeken was de Evangelische Peerle. In die Evangelische Parel staat een tekst die de oorsprong van de liefde beschrijft. Het is best een ingewikkelde tekst, maar toch wil ik er een paar regels van laten horen omdat Titus zo onder de indruk was van deze woorden. De schrijfster van het boek bidt tot God: O Leven van al wat leeft, Licht van alle licht, Wezen van alle wezens, Liefde van alle liefde, zo ben ik dan uit het diepste, uit de eindeloze Goedheid van Uw vaderlijk hart voortgekomen en hebt U Uw geest in mij uitgestort, bent U het leven van mijn ziel, en houdt U mijn ziel in U in stand […] U bent de macht en de kracht van mijn geest, de wijsheid en het licht van mijn verstand en de goedheid die ik in mij heb, die mij doet leven in liefde.God zelf doet ons leven en alle liefde die wij in ons hebben heeft Hij in ons gelegd. Maar, wij kunnen nog zo met God verbonden zijn, niet alle liefde die in ons is gelegd komt aan het licht. Liefde is geen leeg woord. Liefde uit zich in woorden en daden. Titus Brandsma zei zelfs dat als de woorden en daden er niet zijn, de liefde er niet is. Bij Titus stond er een is-gelijk teken tussen God en liefde. Als de liefde zich niet laat zien betekende dat voor hem dan ook dat God zich niet laat zien. Dan kunnen wij nog zo denken dat wij de liefde van God in onszelf voelen, er kunnen prachtige visioenen zijn, we kunnen prachtige en verheven gevoelens hebben, zoals veel mystici die beschrijven, échte mystiek uit zich altijd ook in daadwerkelijke liefde: goedheid en zorg voor de schepping en vooral voor mensen. Zoals ook heel zijn leven in Titus. Tot in het concentratiekamp waren mensen graag in zijn nabijheid omdat ze in hem iets proefden van Gods onvoorwaardelijke liefde voor mensen, álle mensen. Heeft Titus iets gedaan om die liefde van God in hem te laten groeien? Kunnen wij mensen daar überhaupt iets aan doen? Het is toch genade als die liefde van God in ons zó zuiver kan uitgroeien dat wij alleen nog maar voor alle mensen het goede gunnen. Als wij echter naar het leven van Titus kijken zien we wel een mens die zoveel als hij maar kon wilde meegeven met zijn eigen verlangen naar God. Hij klampte zich als het ware vast aan Christus, vooral aan de lijdende Christus. In Hem zag Titus hoever God wilde gaan in zijn liefde voor mensen, díe liefde voelde hij zich door gegrepen. Ik zei: ‘Titus wílde meegeven’. Maar die liefde aan het kruis trok hem zó de liefde in, dat hij niet anders kon dan erin meegaan. Hij kon niet anders dan ja zeggen als mensen een beroep op hem deden. Zo ging hij ook naar Dachau, niet omdat hij het lijden zo fijn vond of omdat hij de hemel wilde verdienen. Nee, hij ging omdat hij niet anders kón dan zeggen waarin hij geloofde: in de liefde van God.Titus zei heel vaak tegen mensen: ‘Laten wij niet vergeten dat wij Goddragers zijn en dat God uit ons geboren kan worden’.Toen Titus zijn handtekening zette onder zijn laatste geschrift dat hij moest schrijven op last van de Gestapo, waarmee hij wéér liet zien dat hij een zogenaamd 'gevaarlijk man' was voor de ideologie van de Nazi’s, met die handtekening tekende hij ook zijn doodvonnis. Maar met die handtekening werd ook God in onze wereld geboren. Titus gaf zichzelf uit handen als werktuig van Gods liefde. Alle mensen zijn mystici, vond Titus. Het kan dus ook in ons gebeuren, dat onze liefde en Gods liefde één worden. Dat onze liefde een zuivere liefde wordt voor God en mensen. Niet altijd wordt het zo duidelijk als in die kleine pater karmeliet, die professor wijsbegeerte en mystiek, die Heilige Titus Brandsma. Bidden wij dat hij onze voorspraak zal zijn. Amen.


Zuster Susan van Driel o.carm.


Overweging zondag 8 mei 2022 vierde zondag van Pasen


‘Mijn schapen luisteren naar mijn stem’, hoorden wij zojuist. In de eerste lezing werd gesproken over het Lam. Lam, met een hoofdletter! Een Lam dat zijn bloed heeft gegeven. Het bloed van een schaap vloeit makkelijk. Schapen zijn uiterst kwetsbare dieren, ze hebben veel zorg nodig. De schapen in het oude Israël waren waarschijnlijk wat steviger dan onze toch wat doorgefokte Texelaars, maar ook die schapen waren geen partij voor de gevaren in de natuur. Zij zijn een makkelijke prooi voor rovers, wolven en honden. Zonder de bescherming en leiding van de herder overleven ze niet. Velen van u hebben vast weleens een schaap dat op de rug lag overeind geholpen of er een uit een sloot getrokken. De schapen voelen die kwetsbaarheid, want waar de herder gaat gaan zij. Zij kennen en gaan af op zijn stem. En de herder? Hij zorgt en is waakzaam. Schapen en herder hebben dus een relatie, maar ze zijn absoluut niet gelijk: Hij is de eigenaar, zij zijn van hém ze zijn hem eigen. Met huid en haar zijn zij van hem. Hij leidt, zij volgen. Maar hoe verschillend ook, toch is er die eenheid, die betrokkenheid: zij kénnen elkaar. In de evangelietekst die wij hebben gehoord staat dat heel nadrukkelijk: ‘Ik ken ze en ze volgen Mij.’ ‘Ik ken ze’. Als in bijbelse taal gesproken wordt over ‘kennen’, dan veronderstelt dat altijd ervaring, voelen, intimiteit. Het is niet voor niets dat het oudtestamentisch ‘kennen’ ook de seksuele eenwording kan betekenen van man en vrouw: ‘En Adam bekende Eva, zijn huisvrouw en zij werd zwanger’, staat zo mooi in onze oude Statenvertaling geschreven. Dít kennen gaat samen met affectie, liefde. Het is kennen met het hart en het komt op de huid, nee, het gaat dieper, het komt op de ziel. In het evangelie volgens Johannes heeft Jezus zo’n intieme relatie met de Vader. Jezus zegt daar: ‘Goed, u kent Mij en u weet waar ik vandaan kom. Toch ben ik niet gekomen uit Mijzelf, maar iemand die waarachtig is heeft Mij gezonden, en u kent Hem niet. Ik ken Hem, want Ik kom bij Hem vandaan’. Jezus heeft heel diep ervaren dat Hij niet zichzelf in het bestaan heeft geroepen. Hij beseft álles te hebben ontvangen. Zijn héle bestaan. Hij voelt zich als een lam in de hand van de Vader. De Vader roept Hem en Hij volgt: ‘Zie, het lam van God’, riep Johannes de Doper al uit. Het is een relatie die wij natuurlijk allemaal hebben. Ons bestaan hebben wij allemaal uit de hand van de Vader ontvangen, wij zijn allemaal van Hem. Wat ons vooral onderscheidt van Jezus is dat wij het niet altijd beseffen dat wij álles van de Vader hebben ontvangen. Wij denken heel vaak dat wij van alles moeten doen om te zorgen dát we bestaan, waardoor we onze toevlucht nemen tot allerlei machtsdenken en strijd voor het eigen bestaan, eigen volk, eigen cultuur, eigen… Waar dat toe leidt kunnen we nu in Oekraïne zien. Het evangelie vertelt ons dat de Vader kennen en door de Vader gekend zijn in Jezus leidt tot vrij in het leven staan. Hij wil maar één ding, dat is dat mensen weten dat de Vader één en al liefde is, dat Hij iedereen bestaan geeft en dat mensen komen tot een liefdevolle relatie met Hem en met elkaar. Dat verkondigt Hij in woord en daad: Hij vergeeft zonden en geneest zieken. Naar lichaam en ziel wil Hij dat mensen tot leven komen, het leven dat Hij ook zelf ervaart in zíjn relatie met de Vader. En daarin laat Hij zich door niets en niemand tegenhouden, daarin gaat hij tot het uiterste. Een lam kan dan een offerdier worden. Het offer dat de liefde voor mensen kan vragen. Zoals nu in Oekraïne mensen hun leven offeren omdat zij hun principes niet opgeven, zich niet overgeven aan hun onderdrukkers, zoals ook in WO II mensen zich bleven verzetten, zoals Titus Brandsma en zoveel anderen die hun eigen leven offerden. Die als het ware een offerlam werden, een offer voor het goede waarin ze écht, diep geloofden. Al die mensen ‘kenden’ de Vader. Misschien waren ze niet eens allemaal op onze manier gelovig. Ze geloofden wel in wat goed is. God en goed het scheelt maar één letter. Onze traditie zegt dat als wij écht het goede, ware en schone kennen, wij God kennen. Bidden wij dat wij daarnaar blijven zoeken. Amen. 


Overweging Paaszondag 17 april 2022


Hoewel wij al twee lezingen hebben gehoord, wil ik deze overweging toch graag beginnen met woorden van Paulus uit de Efesiërs brief als Hij zegt over de mens Jezus:


Hij is het beeld van de onzichtbare God,


de eerstgeborene van heel de schepping.


Want in Hem is alles geschapen


in de hemelen en op aarde,


het zichtbare en het onzichtbare,


tronen en hoogheden,


heerschappijen en machten.


Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem.


Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.


Hij is ook het hoofd van het lichaam, dat de kerk is.


Hij is de oorsprong,


de eerste die van de dood is opgestaan,


om in alles de hoogste te zijn, Hij alleen.


Want in Hem heeft God willen wonen in heel zijn


volheid, […].


Als wij deze prachtige woorden horen, zou de vraag bij ons op kunnen komen: waarom is Christus in deze schitterende gestalte niet onder ons gebleven? Waarom is de triomfantelijk verrijzende Christus die ook op ons verrijzenisraam is afgebeeld niet nog steeds door ons te zien en aan te raken? Wij hebben echter, dat hebben wij in de evangelietekst gehoord, niet meer dan een leeg graf en windsels die zijn achtergebleven. Er is nog altijd een heilig graf en misschien zijn ook de windsels er nog steeds in Turijn. Maar kunnen wij daar werkelijk geloofsinspiratie aan opdoen? Zou u, als u bij een graf komt dat leeg blijkt te zijn, direct geloven in de verrijzenis van een dode? En van de Verrezene zeggen: In Hem is alles geschapen in de hemelen en op aarde. Ik weet wel heel zeker dat ik dat niet zou doen. Het treft mij, dat de dood van Jezus in geen van de paasverhalen wordt weggepraat. De dood van Jezus is definitief en onherroepelijk. Er is geen 'terug' mogelijk. Er ligt een grote steen voor zijn graf. Die krijgt geen mens meer weg. Hij is voorgoed weggeborgen, zoals elke dode... Dat zijn leerlingen tot geloof komen gaat dus dwars door dood en gemis heen: De door Jezus beminde leerling ‘zag en geloofde want zij hadden nog niet begrepen hetgeen er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan.’  Dat hoorden wij zojuist: Hij ‘zag’…maar er is niets. Hij gelooft, maar begrijpt niets. De verheerlijking waar Paulus over spreekt kan hij niet zien. Wat ineen gewikkelde windsels. Maar geen ‘beeld van de onzichtbare God’. Net als de door Jezus geliefde leerling zijn ook wij niet gevrijwaard van angst, gemis en verdriet. En toch is er, misschien maar wankel, geloof in ons hart. Misschien ligt het geheim van dat geloof in dat woord ‘bemind’ of ‘geliefd’ als het over de leerling gaat die slechts een leeg graf zag en geloofde. Tussen Jezus en die leerling was er liefde. In deze kerk staat onder een van de kruiswegstaties ‘liefde is sterk als de dood’. Er staat niet: ‘liefde is sterker dan de dood’, - nee ‘liefde is sterk als de dood’. De dood ís vreselijk sterk. Het is niet alleen de dood waarmee we mensen verliezen, maar ook verraad, roddel, achterklap, de pogingen die mensen soms doen om ons te beschadigen en af te nemen wat ons kostbaar is. Dat is allemaal doodJuist in dat gemis kijken wij niet naar ons verrijzenisraam, maar naar het kruis van Christus. Niet omdat het een vreselijk martelwerktuig was, niet omdat wij daaraan ook zien waartoe wij mensen in staat zijn om elkaar aan te doen. Wij kijken omdat wij er soms in geloof doorheen kunnen kijken. In de Domkerk in Utrecht hangt een kruis dat in 1965 gemaakt is voor de Verzoeningskerk in het concentratiekamp Dachau, maar het is daar nooit geplaatst. Nu is het in Utrecht een plaats waar zeeën van kaarsjes worden gebrand. Het kruis is gemaakt van ruwijzer, en een van de armen is gebroken. Vonden ze dat in de verzoeningskerk in Dachau te lelijk? Kan zijn. Toch is het juist die lelijke gebrokenheid die mensen trekt op die plaats. Juist daarin vinden mensen troost. In de nieuwe Katechismus uit 1966 staat geschreven: ‘Niet het gemakkelijk zien met de ogen, maar de aandacht van het hart is de weg naar Hem, immers: Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien’. ‘Hij zag en geloofde’, staat er geschreven van de ‘geliefde’ leerling. Een belangrijke boodschap van ons christelijk geloof is dat ook wij geliefde leerlingen zijn, ondanks dat voor onze harten soms grote stenen liggen en het gesloten graven zijn. Maar net als voor die eerste geliefde leerling is het juist in leegte en gemis dat wij soms onszelf overstijgen en is het de liefde die onze aandacht verder trekt, door de dood heen naar het leven. Alleen in de liefde blijven wij álles verwachten. Bidden wij, dat wij het volhouden in dat geloof. Amen.


Zuster Susan van Driel o.carm.


Paaswake 2022 – basiliek Boxmeer


Vorige week viel mijn oog toevallig, wat is toevallig, op een interview dat een tijd geleden in het dagblad Trouw stond met de bisschop van Roermond, Harry Smeets. Voordat hij bisschop werd, was hij pastoor en deken van Venray. U weet waarschijnlijk dat monseigneur Smeets ernstig ziek is. Vorig jaar werd bij hem een hersentumor ontdekt, waarvoor hij sinds september behandeld wordt. De behandeling heeft een zeker resultaat, maar echt beter worden zal hij niet. Een van de dingen die mij opviel in dit interview was dat hij zei: “Preken over Pasen zou verboden moeten worden. Niet omdat ik te lui ben om een preek te schrijven, nee, preken over Pasen is gewoonweg onmogelijk. Want hoe kun je nou iets zeggen over dingen die ons bevattingsvermogen ver te boven gaan? Dat Jezus verrezen is en dat hij de dood overwonnen heeft is met een gewoon mensenverstand niet te begrijpen. Je kunt het alleen maar geloven en ingetogen vieren, te beginnen in de stilte van je hart?” Zo zei hij het. En daarom heeft hij vanaf zijn priesterwijding niet gepreekt over Pasen. Wat hij wel deed was proberen in de huid te kruipen van de mensen die er indertijd bij waren, bij de wondertekenen, bij het laatste avondmaal, bij de veroordeling door Pilatus, bij de kruisiging en op de zondagmorgen bij het lege graf. Van die preken is een mooi boekje verschenen: “Getuigen van de Verrijzenis”. Ik wil vandaag proberen te beschrijven wat mij trof in de wijze waarop hij zelf, de bisschop en de mens Harry Smeets, vertelde over zijn ziekte en zijn naderende dood ervaart en hoe hij het geloof in de verrijzenis beleeft. Op die manier sluit ik me een beetje aan bij de bisschop: ik preek niet óver de verrijzenis, want dat gaat ons bevattingsvermogen inderdaad ver te boven. Ik vertel wel aan de hand van een heel concreet getuigenis van een hedendaagse bisschop hoe je lijden, sterven en verrijzenis kunt beleven. Een van de eerste dingen die mij opviel is dat bisschop Smeets op een eenvoudige wijze positief in het leven staat. “Er is nog elke dag vreugde. Ik laat het mooie dat er is, niet bederven door wat er nog komen gaat. Zo zit ik niet in elkaar. Natuurlijk is het zo dat ik een jaar geleden nog zonder enige moeite onder de douche sprong en nu moet ik in alles geholpen worden. Daar moet je aan wennen. Maar de keuze is heel eenvoudig: of je vervuilt, of je laat je helpen”. Dit klinkt inderdaad eenvoudig. Maar in dit alles speelt zijn geloof wel degelijk een belangrijke rol. Toen hij tot bisschop benoemd was, vroegen de mensen hem regelmatig “Wat gaat u doen? Wat bent u van plan, want het gaat toch helemaal niet goed met de kerk in ons land?” Zijn antwoord was dan vaak: “U weet wel: Maria krijgt bezoek van de engel Gabriël die voor haar de boodschap heeft dat ze de moeder van de Messias zal worden. En Maria reageert dan met: ‘Mij geschiede naar uw woord’. En dan staat er: ‘En de engel ging van haar heen’. Hij liet haar alleen achter. ‘Mij geschiede naar uw woord’,- dat geldt ook voor mij…” zegt de bisschop dan, “Ik weet ook niet waarom de dingen zijn, zoals ze zijn en hoe het allemaal zal gaan, maar het vertrouwen in Hem, de hemelse Vader, is er”. In mei 2021 – bijna een jaar geleden dus – werd bisschop Smeets ’s nachts niet goed. Later bleek dat hij een insult had gehad. Aanvankelijk leek het de goede kant op te gaan, maar vlak voor zijn ontslag uit het ziekenhuis kreeg hij weer een insult. En toen bleek dat het echt menens was: er zat een tumor in zijn hoofd. “We kunnen het proces wat afremmen, misschien stopzetten, maar het gaat een keer verder. Genezing is niet mogelijk”, kreeg hij te horen. “Hoe gaat u om met deze toch keiharde boodschap?” was de vraag van een van de interviewers. “Ik heb er vanaf het begin tamelijk rustig op gereageerd”, was het antwoord. “Ik heb dertig jaar in een parochie gewerkt, ik ben nu vier jaar bisschop. Ik heb best wel slapeloze nachten. Dat bracht onrust. Maar mijn ziekte bracht mij geen onrust. Want het is, zoals het is. Ik zal hieraan sterven”. “Bent u bang voor de dood?” “Nee, dat is niet het geval. En ik ben ook niet bang voor de wijze waarop ik zal sterven. Ik weet niet wat er allemaal gaat gebeuren, maar ik ben daar gewoon niet mee bezig”. “Heeft u een idee hoe de hemel er uit ziet?” “Daar heb ik wel over nagedacht. Jezus is hier zelf duidelijk over geweest: dat niemand zich kan voorstellen hoe het zal zijn. Dat zijn niet zomaar woorden. Het is ook niet voor te stellen. Daar zijn onze zintuigen te beperkt voor”. “Gaat u dierbaren terugzien?” “Het zou zomaar kunnen. Ik zou niet weten waarom niet. Augustinus heeft ooit tegen zijn moeder gezegd: ‘Als ik jou daar niet terugzie, hoef ik er ook niet te zijn’. Dat vind ik een prachtige uitspraak van deze bisschop Harry Smeets. Hij heeft geen uitgebreide redeneringen nodig heeft om een indringend getuigenis te geven van zijn diepe vertrouwen dat God ons vasthoudt tot in de dood. De bisschop sluit zijn boekje af met wat de engel zei bij het lege graf: “Waarom zoeken jullie de levende bij de doden? Hij is niet hier, hij is verrezen”. En dan is zijn allerlaatste zinnetje: “Gelukkig iedere mens die dit woord hoort en erin gelooft”.


Ben Wolbers O.Carm., pastor-teamleider


 


Overweging op de vijfde zondag van de Veertigdagentijd


Het is in het evangelie volgens Johannes, waaruit wij zojuist hoorden voorlezen, maar één hoofdstuk eerder dat Jezus tegen de Samaritaanse vrouw bij de bron zegt: “Ik ben de bron van levend water”, tegen een vrouw die 5 mannen heeft gehad en de man die zij op dat moment heeft, is niet haar man, tegen die vrouw zegt Jezus: “Ik ben de bron van levend”. Wie van mij drinkt zal nooit geen dorst meer hebben”. Hij biedt haar aldus het leven aan en haar enthousiasme steekt vervolgens heel veel mensen aan. Er komen veel mensen tot geloof, staat heel nadrukkelijk geschreven. Nu, één hoofdstuk later, komen farizeeën en Schriftgeleerden met een vrouw bij Jezus, op overspel betrapt, en zij willen haar doden. Zij willen haar stenigen, zoals nog geregeld in sommige landen gebeurt. Een onmenselijke en wrede straf. Jezus antwoordt niet, maar Hij buigt zich en schrijft in de aarde. Heel veel mensen hebben zich in de loop van 2000 jaar christendom afgevraagd wat Jezus toch in het stof van de aarde geschreven zou hebben. Heel veel antwoorden zijn daarover terug te vinden. Tijdens het voorbereiden van deze viering kwam ik zo’n antwoord tegen. Het is natuurlijk maar één van de vele. Maar het is een antwoord dat mij erg aansprak. In dat antwoord wordt verwezen naar het boek Jeremia. In dat boek staat namelijk geschreven: “HEER, bron van Israëls hoop, […] wie van u weggaan, zullen in de aarde worden geschreven, want ze hebben de HEER, de bron van levend water, verlaten” (NBV). Helaas, als u in onze Willibrord vertaling dit citaat opzoekt, vindt u het niet. ‘In het stof van de aarde schrijven is vertaald met: ‘zijn ten dode opgeschreven’. Maar het woord ‘eretz’ staat er wel degelijk, zij worden in ‘de aarde’ geschreven’. De farizeeën en schriftgeleerden waren Bijbelvaste mensen en goed op de hoogte van deze woorden. Ze móeten de verwijzing hebben begrepen. Op het moment dat zij de vrouw willen stenigen verlaten zij de God van Israël, die de Heer van het leven is. Ze laten zien dat ze de bron van levend water verlaten door met de wet in de hand voor de dood te kiezen. Terwijl wet en profeten laten zien dat God altijd weer een nieuw begin maakt: “Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet?” Dát hoorden we in de eerste lezing. Ik moest hierbij natuurlijk ook weer denken aan Titus Brandsma die juist ervan uitging dat voor iedere mens een nieuw begin altijd mogelijk is. Zelfs in zijn tijd, waarin de opvattingen behoorlijk streng waren over wie wanneer ter communie mocht gaan, zei hij nadrukkelijk dat wij maar één ding echt verkeerd kunnen doen en dat is níet ter communie gaan. En toen zijn medegevangenen tegen hem zeiden toch voorzichtiger te zijn met wat hij tegen de kampbewaarders zei, kon hij alleen maar zeggen: ‘Je weet maar nooit of ze zich bekeren’. Hij was diep overtuigd van dat artikel uit onze geloofsbelijdenis: ‘Ik geloof in de vergeving van de zonden’. Woorden die inhouden dat onze Schepper altijd op ons blijft wachten, ons altijd zoekt. Ja, Hij zoekt ons. We hoeven er dan eigenlijk ook niet veel voor te doen. Het enige dat Hij aan ons vraagt is om Hem te helpen Schepper te zijn; bestaan en leven te geven; liefhebben, gunnen, leven gunnen, het liefs in alle volheid, dat het tot bloei komt: ‘Een weg leg Ik door de steppe, rivieren laat Ik stromen door de woestijn’, riep de profeet Jesaja in de eerste lezing. Dat leven gunnende is ons mensen eigenlijk ingeschapen. Het is niet voor niets dat wij zo ontdaan zijn door de gruwel, de verwoesting en het zaaien van dood en verderf dat nu in Oekraïne aan de gang is. Wij voelen allemaal aan dat dit echt slecht is, ja, laten we het woord toch maar eens gebruiken: het is zondigheid. Het is goed dat mensen gelovig en ongelovig dat beseffen. Als wij echter de weg willen gaan van Jezus, van Titus Brandsma en van zoveel anderen, laten we dan niet vergeten altijd ook te geloven, hopen en bidden dat er ook voor de daders een weg is die naar het leven voert. Laten we niet vergeten ook daarvoor te bidden. Amen.


Zuster Susan van Driel O.Carm.


Overweging op de vierde zondag van de Veertigdagentijd,


27-03-2022, zondag ‘Laetare’


lezing: Lucas 15,1-3.11-32 – ‘de verloren zoon’


Voor mij is het verhaal van de verloren zoon een van de mooiste verhalen uit de Bijbel, al was het alleen maar omdat het een verhaal vol zeer herkenbare emoties is. De jongste zoon die zonder enige terughoudendheid tegen zijn vader zegt dat hij zijn deel van de erfenis wil hebben; daarmee op reis gaat, onderweg bezwijkt voor allerlei verleidingen, aan lager wal raakt en tenslotte op hangende pootjes terugkomt. Vervolgens de oudste die vindt dat de jongste na alle ellende die hij heeft aangericht, veel te goed behandeld wordt en dat als er één een feest verdient, dat hij dat dan hij toch wel is… en hij weigert dan mokkend en zwaar gefrustreerd te delen in de blijdschap van zijn vader. In een paar zinnen wordt hier een groot familiedrama geschetst. En tenslotte die vader zelf die de jongste een nieuwe kans wil geven en tegelijk wanhopig probeert de oudste toch ook binnen het gezin te houden. Het probleem voor ons als toehoorders of lezers van de parabel van de verloren zoon is dat het verhaal zo bekend is, dat we de reactie van de vader eigenlijk gewoon zijn gaan vinden. Maar dat is het natuurlijk niet. Toen, in Jezus tijd, dachten de meeste mensen net als nu ‘wie zich brandt, moet ook maar op de blaren zitten’ of ‘eigen schuld, dikke bult’. Ook toen was er vaak maar weinig meeleven met mensen die in de puree raakten, zeker als het om eigen stommiteiten ging. Maar ook in onze tijd horen we dit soort reacties nog steeds: ‘in Nederland hoef je toch geen armoede meer te lijden… en als het wel zo is, dan heb je waarschijnlijk niet goed opgepast…’ En ‘wie dak- of thuisloos is, zal vast wel iets stoms gedaan hebben……’


Maar stel nu dat de vader uit de parabel ook zo gedacht had? Wat zou er dan van die jongste zoon geworden zijn? Ik vertel u daarom het verhaal van een andere verloren zoon. Een vader had twee zonen. De jongste zei tegen zijn vader: ‘Ik heb het hier wel gezien, ik blijf hier niet langer, ik zoek mijn eigen weg’. Hij zocht een kamer, kreeg nieuwe ‘vrienden’, ging heel veel uit met hen, dronk veel, kwam in aanraking met drugs en raakte aan lagerwal. Toen hij geen geld meer had, belde hij aan bij zijn vroegere vrienden. Maar die waren niet thuis voor hem. Toen kwam hij tot bezinning. ‘Zou ik terug kunnen gaan naar mijn vader?’ Na lang aarzelen zei hij bij zichzelf: ‘Dat doe ik. Ik ga terug naar huis en zal zeggen: vader, ik ben verkeerd geweest, ik ben niet waard jouw zoon te heten, maar vergeef mij alstublieft en laat mij weer bij jou mogen wonen’. Zijn vader zag hem al aankomen. De zoon begon: ‘Vader, ik ben verkeerd geweest…’ maar zijn vader draaide zich om: ‘Je bent mijn zoon niet meer’. En hij gooide de deur voor zijn neus dicht. De vader vertelde aan zijn oudste zoon wat hij gedaan had. Die haalde zijn schouders op: ‘’t Is zijn eigen schuld. Het is nu eenmaal een mislukkeling en dat zal hij zijn hele leven wel blijven’. Enkele weken stond er een berichtje in de krant: ‘Brutale inbraak. Jonge dader nog dezelfde dag gepakt’. Deze laatste versie van de verloren zoon komt helaas maar al te vaak voor in onze maatschappij. Mensen proberen een eigen weg te zoeken, doen domme dingen, verdwalen en moeten maar zien hoe ze weer in het rechte spoor komen. Of mensen raken in de gevangenis, zitten hun straf uit, komen weer vrij en vinden dan vaak nergens meer een open deur. Niemand die vergeeft en vergeet. Het gebeurt nog elke dag: mensen zoeken barmhartige vaders, maar vinden vooral wantrouwen en achterdocht. Nu wordt het belangrijk te kijken naar het begin van dit stuk evangelie. Daar staat dat Jezus dit verhaal, deze parabel vertelt aan een aantal schriftgeleerden en farizeeërs. Die schriftgeleerden vonden het helemaal verkeerd dat Jezus zo begripvol was tegenover mensen die een scheve schaats gereden hadden. En nog erger: dat hij hen veel te vlug hun misstappen vergaf. Maar Jezus deed dat niet zomaar. Hij deed dit vanuit een diep vertrouwen in de goedheid van zijn Vader, God. Jezus geloofde dat God ieder van ons, iedere mens met open armen wil ontvangen als hij of zij zijn misstappen weer goed wil maken en wil proberen te herstellen wat er fout was. Wat Jezus betreft is er eigenlijk maar één voorwaarde, of liever gezegd, één vraag van God aan ons: dat ook wij ons hart openen voor anderen, - juist ook voor hen die ons pijn of verdriet deden of die wij uit de weg gaan omdat wij hun levenswandel afkeuren. Dat ook wij op de uitkijk staan en hen opnieuw willen ontmoeten, zonder oordeel of wraakgevoelens. En als het enigszins kan: ook van harte. Want ook in onze tijd is er veel behoefte aan barmhartige vaders en moeders…


Ben Wolbers O.Carm. pastor-teamleider


Overweging op de tweede zondag van de Veertigdagentijd 2022 


 lezingen: psalm 18,3-7 en Lucas 9,28b-36


Begroeting en inleiding


Binnenkort – over twee maanden, zondag 15 mei – zal paus Franciscus op het Sint Pietersplein Titus Brandsma heilig verklaren, - tachtig jaar na zijn sterven in het concentratiekamp van Dachau. Eigenlijk waren er kort na zijn dood al bijzondere berichten over hem. Mijn ouders kregen bijvoorbeeld bij hun huwelijk in 1944 al een klein geel boekje – ongeveer 10 bij 10 cm groot – over zijn leven. ‘Mijn cel’, heette het. Ook werden er over heel het land al gedachtenisprentjes verspreid. Titus was vooral bekend omdat hij al lang voor de oorlog – vanaf ongeveer 1930 – in talloze artikelen en redevoeringen had gewaarschuwd voor de gevaren van de nazi-ideologie, en zich had verzet tegen de praktijken waarmee de nazi’s en de NSB hun gedachtengoed bijna sluipenderwijs probeerden in te voeren. Vandaag echter zal in onze viering het accent niet zozeer liggen op de dingen die hij deed en zei en schreef. Het accent zal vooral liggen op de bron waaruit Titus zijn kracht putte en zijn moed om te doen wat hij deed en te zeggen wat hij zei: en die bron was zijn geloof in Gods liefde.


Overweging


In een eerste reactie op de aankondiging van de heiligverklaring van Titus Brandsma zei onze prior provinciaal, Huub Welzen: “Titus Brandsma is voor velen een bron van inspiratie: zijn mystieke verhouding met God en de totale overgave aan zijn levensroeping, zijn grote inzet voor waarheid en gerechtigheid, voor de waardigheid van ieder mens ongeacht ras, kleur of gender, in dit alles is hij een groot voorbeeld voor de hedendaagse karmelieten. We zijn dankbaar dat door zijn aanstaande heiligverklaring ook de innerlijke bron van het leven van Titus Brandsma aan het licht kan komen.”


Huub zegt daar iets heel belangrijks: alles wat Titus heeft gedaan en gezegd, komt voort uit een bron. Die bron was zijn geloof en zijn innige verhouding met God. Precies dit maakt dat wij pater Titus heilig mogen noemen. Om dit wat duidelijker te maken wil ik graag vertellen over een bijzondere gebeurtenis uit het leven van Titus. Het is begin 1942 en Titus bevindt zich als gevangene in het doorgangskamp van Amersfoort in afwachting van zijn transport naar het concentratiekamp van Dachau in Duitsland, waar hij nog in hetzelfde jaar op 26 juli zou sterven. Ik neem u mee naar de avond van Goede Vrijdag in dit Kamp Amersfoort. Daar stond in een van de barakken op een aardappelkistje tussen dicht opeengepakte gevangenen pater Titus Brandsma. Titus had er een gewoonte van gemaakt om iedere avond bij zijn medegevangenen een praatje te maken. En wie dat wilde, kreeg een kruisje op zijn voorhoofd, of hij nu katholiek was of protestant of iets anders. Zijn medegevangenen hadden hem gevraagd op Goede Vrijdag, de dag waarop het lijden van Christus herdacht wordt, een korte meditatie te houden. Ze verlangden ernaar om in hún toestand van ellende en lijden iets te horen over zijn geloof. Maar van de kampleiding mochten er absoluut geen godsdienstige oefeningen of vieringen gehouden worden. Daarom hield Titus een soort lezing over de betekenis van het lijden bij een aantal geestelijke schrijvers. Het was muisstil toen Titus sprak, want iedereen voelde aan dat het wel degelijk een getuigenis werd van zijn geloof. Titus vertelde dat wij mensen juist in tijden van nood en ellende meer dan anders onze toevlucht zoeken bij God. En hoe waar dat is, zagen we afgelopen tijd nog weer in Oekraïne, waar we de mensen in groten getale in een kerk bijeen zagen om te bidden, hartstochtelijk te bidden. Blijkbaar zoeken wij juist dan bijzonder naar Gods nabijheid; juist dan hebben we zijn boodschap van liefde en hoop het hardste nodig. Een van de gevangenen die er die avond bij was, was een zekere dokter Grond uit Deventer. Hij schreef kort na zijn bevrijding: ‘Klein en zwak stond hij daar. Hij sprak over de ellende die mensen soms moeten doorstaan zonder dat ze enig zicht hebben op de zin ervan. En dat ze dán eigenlijk alleen aangewezen zijn op elkaars barmhartigheid, liefde en offerbereidheid én op hun geloof in Gods machtige leiding’. ‘Alleen al om deze woorden’, schreef dokter Grond, ‘was Titus Brandsma’s leven, zijn priesterschap en zijn gevangenneming zinvol’. Tot zover dit citaat. ‘Nooit zal ik deze man vergeten’, schreef iemand anders. En opmerkelijk vind ik wat een zekere kolonel Fogtelo zei: ‘Het was of deze man in de vrije wereld was’. Dit tafereel: een barak met dicht opeen gevangenen, die stil luisterden naar pater Titus op een aardappelkistje, vergelijk ik graag met het tafereel uit het evangelie waar de leerlingen boven op een berg Jezus zien, samen met Mozes en Elia. Die twee situaties kun je in mijn ogen met elkaar vergelijken…


Ook de leerlingen van Jezus beleefden angstige tijden. Steeds vaker hadden ze zien gebeuren, dat Jezus’ optreden en zijn boodschap bij sommige mensen helemaal verkeerd vielen. Ze begonnen bang te worden, dat het fout zou aflopen met Jezus. Hoe zou het dan verder moeten zonder hem? Misschien wel daarom nam Jezus hen mee naar een hoge berg. En daar zagen de leerlingen Jezus in een visioen, in verblindend witte kleren. Als in een nieuwe wereld zagen ze hem. In de wereld van God. En ze zagen hem in gesprek met de meest bekende profeten van Israël, Mozes en Elia. Die twee hadden – net als Jezus – steeds opnieuw vastgehouden aan Gods trouw, - vooral toen ze het heel moeilijk hadden en eigenlijk geen uitweg meer zagen. Dat was voor de leerlingen in hun penibele situatie een bemoedigend visioen. Het was alsof God hen wilde zeggen dat Hij hen nabij bleef, zoals Hij Mozes en Elia nabij was gebleven in hun nood. Iets vergelijkbaars is volgens mij ook gebeurd in die barak in Kamp Amersfoort. Midden in de vreselijke onmenselijkheid van dit "Polizeiliches Durchgangslager" zagen meerdere van zijn medegevangenen in die zwakke, kwetsbare pater Titus even iets van Gods nabijheid. ‘Het was of deze man in de vrije wereld was.’ Ze zagen even, dat er in het leven van ons mensen iets is dat onvergankelijk is en dat door niets of niemand kapot kan worden gemaakt, ook niet door de nazi’s. Daarom durf ik het aardappelkistje waar Titus op stond te vergelijken met de berg waar de leerlingen Jezus zagen. In die afschuwelijke kwetsbaarheid werd even zichtbaar dat God ons nabij blijft wat er ook gebeurt én dat je dat kan sterken en steunen. Natuurlijk beseften ze waarschijnlijk heel goed dat het ergste voor de meesten van hen nog moest komen. En toch was God daar voor hen even heel dichtbij. Volgens mij maken dit soort ervaringen duidelijk dat iemand niet heilig wordt door een heiligverklaring: een heiligverklaring is slechts de erkenning van het feit dat iemand heilig geleefd heeft. Titus Brandsma leefde heilig omdat hij dichtbij God leefde, hij zag iedere mens zoals wij mogen geloven dat God iedere mens ziet. Hij zag in iedere mens het beeld van God en zou daarom nooit iemand afschrijven. Titus is heilig geworden omdat hij vanuit dit geloof geprobeerd heeft in heel moeilijke omstandigheden de menselijke waardigheid hoog te houden. 


Ben Wolbers O.Carm., pastor-teamleider


Overweging op de eerste zondag van de Veertigdagentijd


Deze overweging wil ik graag beginnen met een uitgebreid citaat uit het boek Bestaat u? van Jean Jacques Suurmond. Hij schrijft het volgende: ‘In een actualiteitenrubriek kwam een Amerikaanse geestelijke aan het woord. Hij toonde een foto waarop hij op de 9 van de 11e 2011 in de stofstorm van de instortende Twin Towers in New York staat. ‘Mijn geloof is gesterkt’, zei hij, ‘omdat God mij heel heeft gehouden te midden van zoveel gebrokenheid.’ O, dacht ik in mijn eenvoud, en die duizenden slachtoffers dan die niet zijn heel gebleven? Had de Allerhoogste soms een speciaal oogje op die geestelijke? Dat hij zich daardoor in zijn geloof gesterkt voelt is niet alleen naïef maar onrustbarend. Ziet hij dan niet dat Osama Bin laden eenzelfde soort geloof had? Ook die voelde zich door God uitverkoren, ten koste van de dood van vele anderen. Ook hij voelde zich door dat laatste gesterkt in zijn geloof.’ Wat een scherpe analyse van Suurmond en hoe passend niet bij de evangelielezing van deze zondag. Want is het niet ten diepste dát waar Jezus in die veertig dagen in de woestijn weerstand tegen biedt: God is met mij, dus wat kan mij gebeuren. God is met mij, dus van mijn dagelijks brood ben ik verzekerd. Ik hoef maar met mijn vingers te knippen en het is er; God is met mij, dus ik mag de schepping gebruiken zoals ik wil, alles staat mij ten dienste; God is met mij, dus ik kan doen wat ik wil. Ik word niet ziek, mijn leven loopt nooit gevaar. De mensen waar ik van houd blijven gezond en in leven. Maar zo is het niet…


Want, eigenlijk weten we dat allemaal: beproevingen horen bij het leven. Elk mens krijgt er op zijn of haar manier mee te maken. Beproevingen zijn niet te vermijden. Ze zijn als het ware de schepping ingebakken. Want alles, maar dan ook alles in onze schepping is eindig. Het kan 24 uur duren, zoals bij een eendagsvlieg, het kan 80, 90 jaar duren zoals bij de mens of bijna 200 jaar bij sommige schilpadden. Allemaal sterven ze op een gegeven ogenblik. Zelfs onze goede aarde zal ooit ophouden te bestaan. Dat duurt nog misschien miljarden jaren, langer dan wij ons überhaupt een voorstelling van kunnen maken, maar tóch houdt het een keer op. Is het dan geen hoogmoed om God voor onze kar te willen spannen, om te zeggen: Hij is met mij, want Hij doet wat ik wil? Wat ik wil…Daar zit misschien wel de kern van wat het evangelie ons deze zondag wil vertellen. De duivel,  het kwaad in deze wereld, biedt Jezus oplossingen die allemaal om Jezus zelf draaien: jíj hebt dan geen honger meer, jíj hebt dan de macht, jíj kan God voor je karretje spannen. Daarop ingaan zou een menselijke reactie zijn. Deze weg leidt tot de illusie dat we het leven zouden kunnen controleren. Jezus zoekt echter naar het goddelijke antwoord. Hij rekent niet naar zichzelf toe. In die zin is de eerste lezing uit Deuteronomium heel passend. Daarin gaat het immers over het diepe besef dat alles van God komt. Die eerste vruchten van het land, waarvoor de boer zelf hard heeft geploeterd, worden geofferd. Met dat gebaar zegt hij dat het uiteindelijk niet van hem is. Ook al is het zijn land en zijn werk. De eeuwige heeft het geschonken. Het is dat besef dat uiteindelijk niet alleen Jezus maar ieder mens tot zoon, tot dochter tot kind van God maakt. ‘Jij bent mijn Zoon, mijn veelgeliefde’, had Jezus gehoord. Het is iets dat wij ons allemaal bewust mogen zijn. Als er iemand was die zich dat bewust was, was het Titus Brandsma wel. Eergisteren is bekend geworden dat hij op 15 mei heiligverklaard zal worden. Het is niet zo dat hij heilig werd in het concentratiekamp. Nee, een leven lang heeft hij zich in dienst gesteld van God en mensen; een leven lang had hij verkondigd dat God op de eerste plaats liefde is. Een liefde die ons heeft geschapen en waarvan wij afhankelijk zijn, maar die juist daardoor een liefde is die, schreef Titus, ook ‘onze adel is’. Wij zijn kind van de Liefde, Liefde met een hoofdletter! In Jezus was dit geloof in de beproeving van de woestijn sterker dan het kwaad. In Titus was geloof in de liefde sterker dan de ergste gruwelen die mensen elkaar kunnen aandoen. Hij bleef liefhebben, hij bleef over de liefde van God vertellen, zelfs tegen de mensen die hem kapot wilden maken. Lieve kinderen, vormelingen, jullie kiezen voor het vormsel. Daarmee kiezen jullie ook voor liefde, dat grote hart dat vaak op de tafel ligt bij de vormselbijeenkomsten in het parochiehuis. Als jullie dát de rest van jullie leven kunnen onthouden, is het eigenlijk genoeg. Jullie kiezen voor de weg van de liefde, die Jezus ging, die Titus Brandsma ging, die wij hier allemaal proberen te gaan. Bidden wij dat dit geloof met jullie een leven lang zal meegaan. Amen. 


Zuster Susan van Driel O.Carm.


Overweging Eucharistieviering Sint Petrusbasiliek Boxmeer


8e zondag door het jaar – 27 februari 2022


Lezingen: Sirach 27,4-7 en Lukas 6,39-45 


De schrijver van het Bijbelboek waar vandaag de eerste lezing uit genomen is, heeft een samenleving op het oog waarin eendracht, vriendschap en harmonie belangrijke waarden zijn. De schrijver, ene Jezus Sirach, probeert dat te doen met behulp van allerlei spreuken, spreekwoorden en wijsheden. Wij kennen dat ook nog wel. Wij noemen dat soms tegeltjeswijsheid. Bij ons thuis bij voorbeeld hing in de keuken een bordje met ‘wie goed doet, goed ontmoet’. Mijn vader maakte daar een keer van: ‘wie goed doet, God ontmoet’. Dat is me altijd bijgebleven en dat was natuurlijk precies de bedoeling. Het stukje dat wij vandaag hoorden, bevat een aantal van dat soort spreuken. ‘Als men een zeef schudt, blijft het kaf liggen; en in het spreken ontdekt men het boze van de mens’. Als je na het dorsen de tarwe- of de gerstkorrels op een zeef heen en weer schudt, dan gaat het graan erdoorheen en blijft de rommel, het kaf, liggen. Zo ontdek je ook hoe betrouwbaar een mens is, als je hem hoort spreken. ‘Het werk van de pottenbakker wordt beproefd door de oven en de mens in wat hij zegt in het gesprek’. De hitte van de oven laat zien wat de kwaliteit is van de klei die de pottenbakker heeft gebruikt. Zo merk je ook hoe een mens is door wat hij zegt in een gesprek. En ik voeg daar maar aan toe: in de hitte van een gesprek. De betekenis van de rest van de spreuken, het zijn er nog twee, kunt u zelf ontdekken. Trouwens het boek van Jezus Sirach staat er vol mee. Het is leuk om daar af en toe in te grasduinen. Jezus doet vandaag iets vergelijkbaars. Hij gebruikt ook spreuken uit zijn tijd, beeldspraak om uiteen te zetten wat de grondslagen zijn van een goed, eerlijk leven en wat het fundament is van een rechtvaardige samenleving. Hij vraagt ons vandaag om vooral kritisch naar onszelf te kijken. Vandaar die indringende vraag: ‘waarom heb je zoveel aandacht voor de splinter in het oog van je broer en waarom sla je géén acht op de balk in je eigen oog? Huichelaars haal eerst die balk uit je eigen oog, want pas dan kun je scherp genoeg zien om die splinter uit het oog van je broer te halen. Kan soms de ene blinde de andere leiden?’ Jezus houdt vandaag een pleidooi voor een kritisch zelfonderzoek. En eigenlijk heeft hij het dan vooral over het oordeel dat wij vaak hebben over elkaar. Goed oordelen is een hele kunst. Maar wel een kunst die je kunt leren. De logica van Jezus is: als je wilt oordelen over een ander, oordeel dan eerst over jezelf. Echte waarheid begint bij de werkelijkheid van onszelf. Een wijze mens slaat zichzelf niet over. Een wijze mens loopt zijn of haar eigen ziel niet zomaar voorbij. Hij of zij zal leren om eerbiedig om te gaan met wat er leeft in het hart van zichzelf en daarna pas over wat er leeft bij de ander. Dus onderzoek eerst of je eigen ogen nog scherp genoeg zien en bemoei je dan pas met de zaken van een ander. Na deze wijze les krijgen we er van Jezus nog een paar spreuken bij: ‘Er bestaat geen goede boom die zieke vruchten voortbrengt en ook geen zieke boom die goede vruchten opbrengt’. En dan een hele mooie: ‘Een goed mens brengt het goede tevoorschijn uit de schat van de goedheid in zijn hart’. De moeite waard om af en toe mee bezig te zijn. In feite nodigt Jezus ons vandaag uit om onszelf beter te leren kennen én om kritisch te zijn op onszelf. Zelfkennis en zelfkritiek. Die vormen een goede garantie om gevrijwaard te blijven van een al te gemakkelijk of lichtzinnig oordeel over anderen. Maar het zelfinzicht dat we op die manier verkrijgen moet er niet toe leiden dat we onszelf gaan veroordelen. Want leven in de geest van Jezus houdt ook in dat we proberen alles en iedereen, en dus ook onszelf, te bezien met de ogen van de liefde. Bidden we dat God ons zal helpen steeds met een blik van liefdevolle barmhartigheid te kijken naar de ander en naar onszelf. 


Pastor Ben Wolbers, O.Carm.


Overweging Eucharistieviering MFA Knillus Vortum-Mullem


20 februari 2022 - 7e zondag door het jaar


Lezingen: 1 Samuël 26,2.7-9.12-13.22-23 en Lucas 6,27-38


In de beide Bijbellezingen wordt vandaag grondig afgerekend met het zogenaamde ‘vijanddenken’. Vijanddenken is de ander zien als een mogelijke vijand en daarop je gedrag afstemmen. Jezus vraagt vandaag aan ieder die dat doet eigenlijk bijna iets onmogelijks, als hij zegt: ‘bemin je vijanden’. Maar is het zo onmogelijk? David gaf ons vandaag het goede voorbeeld. Koning Saul heeft David tot zijn vijand verklaard. Saul achtervolgt David en hij wil hem eigenlijk vermoorden. Maar dan krijgt David op een bepaald moment de kans om Saul met gelijke munt terug te betalen. David was er namelijk achter gekomen waar Saul zijn tenten had opgeslagen. Hij besloot om met een paar van zijn soldaten in de nacht stiekem naar Saul toe te gaan. Zij slopen het kamp van Saul binnen. Bij de tent van Saul aangekomen, zagen zij dat deze rustig lag te slapen. Zijn soldaten fluisterden dat dit dé kans was om Saul te doden. Maar David weigerde dat, - u hoorde het in de lezing. Hij kroop voorzichtig de tent van de slapende koning Saul binnen en nam toen stiekem diens waterkruik en lans mee. Niemand merkte er iets van. De volgende morgen riep hij van grote afstand wat hij gedaan had en liet hij de lans en de waterkruik terugbezorgen bij Saul.  Zo liet hij aan Saul zien dat hij wraak had kunnen nemen en hem had kunnen doden. Maar dat geen kwaad met kwaad wilde vergelden. Zo liet hij zien dat hij goede bedoelingen met hem had. Bij ons thuis hing vroeger in de keuken een tegeltje: ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. Als er in de tijd van David zulke tegeltjes bestaan hadden, had David ook zo’n tegeltje naast de slapende Saul kunnen leggen. Mijn vader maakte van die tekst soms: ‘Wie goed doet, God ontmoet’. Jezus wil vandaag dus zijn volgelingen duidelijk wilde maken dat we nooit met gelijke munt terug moeten betalen. Niet vergelden. Wel vergeven. En goed doen aan die ander. Dit staat soms haaks op ons gevoel, denk ik. Als wij echt kwaad zijn, slaan wij liever terug, als het kan nog net iets harder. Wij kunnen in sommige gevallen maar moeilijk vergeven, want het recht moet toch zijn loop hebben? Maar als we dat blijven volhouden, worden we van slachtoffer tot dader. Het journaal laat ons dagelijks zien waartoe dat leidt. De vergeldingsgedachte is letterlijk een moordend principe dat alleen maar ellende oplevert. In de joodse samenleving en in het denken van toen vond men het heel opmerkelijk dat Jezus aan de mensen vroeg om de ander te vergeven in plaats van vergelding. Waar haalde hij het lef vandaan – vond men – om mensen die straf verdienden te vergeven en nieuwe kansen te bieden zonder dat ze boete hadden gedaan voor hun fouten. En bovendien – vond men toen ook – alleen God kan vergeven. ‘Bemin uw vijanden’ was daarom voor een deel van de schiftgeleerden veel te veel gevraagd. Maar toch. Toch spoort Jezus ons aan om meer te doen dan het gewone. Hij vraagt van ons vergeving en barmhartigheid. Hij laat dat zelf ook zien in zijn omgang met mensen die zogenaamd fout waren geweest. Tollenaars, vrouwen van de straat en al die mensen die niet gehoorzaamden aan de joodse wetten… telkens als hij zulke mensen onvoorwaardelijk vergaf, horen we hoe zij er andere mensen van werden, betere mensen… Zo is het nog steeds: vergeving kan mensen nieuw maken en de wereld een stukje beter. Dat lukt niet altijd, maar omdat Jezus het zo uitdrukkelijk zegt, zouden we het toch maar moeten proberen: barmhartig zijn zoals de hemelse Vader barmhartig is. En dus onze vijanden vergeven. Goed doen in plaats van kwaad met kwaad vergelden. Dat lijkt dwaas, maar soms is een beetje zot zijn zo gek nog niet.


Pastor Ben Wolbers. O.Carm.


Overweging bij 1 Kor. 15,12.16-20 en Lucas 6,17.20-26


 Sint Petrusbasiliek Boxmeer 13 februari 2022, 6e zondag door het jaar


Mattheus en Lucas hebben beiden al vrij vroeg in hun evangelie de lange toespraak die bij ons bekend is geworden als de rede van de zaligsprekingen. Misschien hebben ze de zaligsprekingen zo vooraan geplaatst omdat je ze kunt zien als een samenvatting van wat Jezus bezielde en waarvoor hij leefde. Want was hij niet ook zelf de arme was die leefde voor het Rijk van God? En hij was niet ook degene die hongerde naar gerechtigheid en was hij het niet die bij uitstek aandacht had voor het verdriet van mensen? Vandaag hoorden we het evangelie zoals Lucas het heeft opgeschreven. We hoorden de zaligsprekingen daar in een dubbele formulering: eerst vier keer als een soort gelukwensen: ‘zalig wie arm zijn, want voor jullie is het Rijk van God… zalig die nú honger moeten lijden, want jullie zullen volop te eten hebben, zalig die nu verdriet hebben, want jullie zullen lachen, zalig jullie die vervolgd worden om je geloof in de Mensenzoon… want in de hemel wacht jullie een rijke beloning… ’. Vier zaligsprekingen. Maar daarna volgen onmiddellijk vier wee-spreuken, waarschuwingen. Paus Franciscus heeft ze eens ‘anti-zaligheden’ genoemd…  : ‘Wee jullie die nu rijk zijn, want je hebt je troost al binnen, wee jullie die nu genoeg te eten hebben, want je zult echt honger hebben, wee die nu lachen, want het lachen zal je vergaan, wee als alle mensen lovend over je spreken want jullie zal hetzelfde lot treffen als de valse profeten…’ De zaligsprekingen zoals Lucas ze heeft, zijn net even anders geformuleerd dan bij Mattheüs. En daar komt nog iets bij. Want anders dan bij Mattheüs leggen ze een sterke nadruk op het verschil tussen het normale leven van veel mensen én het leven in het Rijk der hemelen. In het rijk van God zullen de rollen omgedraaid zijn. Of, zoals Maria het zingt in haar Magnificat: armen zullen worden overladen met gaven, maar rijken worden weggestuurd met lege handen … Zoals Lucas de zaligsprekingen formuleert, hebben ze soms veel onheil gesticht, - omdat ze vaak werden verstaan als een beeld van hoe het later zou zijn, in de hemel. Ze werden dikwijls gebruikt als zoethoudertje: later zal het beter zijn, stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw… Dus als een alibi om niks te doen aan de noden waar mensen nu onder gebukt gaan. Berucht is een uitspraak geworden die wordt toegeschreven aan een rijke Twentse textielfabrikant. Die zou tegen een pastoor gezegd hebben: ‘hou jij ze dom, dan hou ik ze klein’. Of dat helemaal zo waar is, weet ik niet, maar het illustreert wel hoe de woorden van Lucas soms werden geïnterpreteerd. Maar dat is dan wel een verkeerde interpretatie.


Want het visioen van Lucas gaat over het Rijk van God dat eens in zijn volheid zal komen, maar dat nú ook al onder ons is. Daarom zijn de zaligsprekingen en de wee-spreuken bij Lucas tegelijkertijd een oproep én een belofte: er moet recht worden gedaan aan mensen die lijden onder onrecht. Mensen die het altijd tegenzit, moet het toch ook eens goed gaan… Maar dat neemt niet weg dat deze zaligsprekingen evengoed óók een belofte zijn. Wij hoorden Paulus in zijn brief aan de Korintiërs zeggen: “Als wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. (-) Maar zo is het niet”, schrijft hij, “Christus is opgewekt uit de doden als eerste van ons allen”. Hoe onbegrijpelijk het mysterie van ons leven nu én na dit leven ook is, toch, hoor ik in de woorden van Paulus dat de kinderen van Somalië, Eritrea, Syrië en... vult u zelf maar aan… al die kinderen en volwassenen die nu moeten leven in oorlog en geweld, - zij moeten toch ook de liefde mogen ervaren en de vrede…waar Jezus zo vol van was, - nu al én straks... De troost van het Rijk van God, het Rijk der hemelen is geen zoethoudertje… laat dit voor ons een reden zijn om vandaag al te beginnen met een bijdrage aan een betere wereld. Het Rijk Gods is immers ook nu al aan ons gegeven. God heeft ons ook in dit leven al aan elkaar toevertrouwd. En Hij rekent op ons, ook hier en nu. Maar tegelijkertijd – ik zei het al – zijn deze zaligsprekingen evengoed óók een belofte. God zelf zal, hoe dan ook, opkomt voor alle mensen die in dit leven hun deel van het goede niet krijgen. Wij mogen erop te vertrouwen dat God zeker ook andere dan menselijke mogelijkheden heeft. Misschien mogen we juist daarom de zaligsprekingen rekenen tot de meest hoopvolle woorden uit het evangelie.


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


Overweging 6 februari 2022 5e zondag door het jaar


Het beeld van de barstensvolle netten, die met moeite in de boot worden getrokken, werd en wordt nogal eens gezien als beeld voor de kerk, stampvol met gelovigen, binnengehaald door trouwe werkers en werksters, die overal, tot diep in tropische binnenlanden de goede boodschap verkondigden. Een tijd geleden had ik een apparaatje in mijn handen waarvan ik niet direct begreep wat was. Het bleek een biechttellertje te zijn. Een apparaatje voor biechtvaders om bij te houden hoeveel gelovigen zij in hun biechtstoel ontvingen. Het apparaatje stamt uit de tijd dat het succes van de kerk werd afgemeten aan de aantallen gelovigen bij vieringen, dopen, 1e communie en dus ook bij het biecht horen. Men was trots op die succesvolle kerk en triomfantelijk liet ze zich zien in allerlei massa manifestaties: ‘Roomschen zijn wij en dat zullen ze weten’. Een zeer oude medebroeder van mij vertelde mij eens dat pastoors bij hun ontmoetingen, onder het genot van een glas wijn en een goede sigaar, elkaar graag een beetje aftroefden met die aantallen. Het werd immers ook wel een beetje als het succes van de pastoor gezien. Maar het evangelie dat wij zojuist hebben gehoord laat juist zien dat het eigenlijke werk niet door menselijke inspanningen wordt verricht.  Petrus, waarschijnlijk toch een doorgewinterd visser, had op eigen kracht die nacht helemaal niets binnengehaald. Petrus is diep geschokt als hij door het woord van Jezus een net binnenhaalt dat tot scheurens toe met vissen is gevuld. Hij had waarschijnlijk gedacht: ‘nou ja, vooruit dan maar, omdat jij wilt’ en hij gooit de netten uit in het diepe en nog wel overdag. Het is de beste manier om helemaal niets te vangen. De nacht is de tijd om te vissen en in het diepe leeft niet zoveel. Petrus is, staat nadrukkelijk geschreven, ontzet. Hij ziet met een schok in dat hij in Gods hand een instrument is, niets meer maar ook niets minder. Later zal hij als instrument van God mensen gaan vangen. Wij christenen, wij leven in een tijd van lege netten. Althans, onze kerkelijke netten zijn zo goed als leeg. Voor ons is het onmogelijk geworden om in triomf ons te laten verblinden door de grote aantallen. En, wij worden steeds meer met onze neus op het feit gedrukt dat wij hier niet veel tegen in hebben te brengen. God lijkt gewoon zijn eigen weg met mensen te gaan. Een weg die vaak buiten onze voorstellingen en geloofskaders omgaat. Maar die weg ís er toch wel? Ja, zou het voorstelbaar zijn dat God zijn tot leven roepend werk niet meer doet? Hij spreekt zijn scheppend Woord toch altijd door? In zijn kerk, maar ook in de natuur waar steeds maar weer overal het leven verschijnt, in de harten van mensen die zich met alle macht inzetten voor elkaar, overal op deze wereld. Hij spreekt het scheppend Woord, waardoor ook wij helemaal gratis en voor niets in het leven worden gehouden. Dat Woord gaat zijn weg met ons en het is niet omgekeerd. Wij hebben onszelf niet gemaakt. Wij worden natuurlijk wel uitgenodigd om mee te werken en mee te geven, in onze tijd, in onze omstandigheden. In onze dagen wordt het ons eenvoudig onmogelijk gemaakt om bij het oppervlakkig getal te blijven stilstaan. Want, wij zijn en worden, net als Petrus in het evangelie, steeds verder gebracht aan het eind van wat wij zelf denken te kunnen doen. Misschien is dat ook wel een geluk. Zou het niet mogelijk zijn dat zo in ons ruimte kan ontstaan waardoor wij Gods werk kunnen zien op de plaatsen en in de mensen waar wij het niet zomaar zouden verwachten? Waar wij eerst misschien aan voorbij zouden zien? Dezelfde oude pater van het biechttellertje vertelde mij ook over de mensen waarmee hij soms tientallen jaren op weg was. Eenvoudige mensen, geen mensen die vaak op zondag in de kerk komen, maar hun Godsrelatie is vaak zo sterk en zo diep dat hij, zei hij zelf, er verlegen van werd. En ze zijn overal, zei hij, op iedere hoek van de straat kom ik ze tegen. Misschien verlaten we pas nu de oppervlakte en leren we in de diepte te kijken. Bidden we dat onze ogen daarvoor meer en meer opengaan. Amen. 


Zr. Susan van Driel o.carm.


Overweging 30 januari Thema: ‘Wordt vervolgd…’


1e lezing Jeremia 1,4-5. 17-19  2e lezing 1 Korintiërs 12,31;13,1-13 NBV ‘21 Evangelie Lucas 4, 21-30  


Boeken- en tijdschriftuitgevers, filmproducenten en hoorspelschrijvers weten het allang: verhalen in opeenvolgende gedeeltes verteld, houdt de verhaallijn spannend en doet mensen terug keren voor het vervolg, kassasucces vrijwel verzekerd. Hierbij gaat het veelal om vertellingen die vooral lekker weglezen, kijken of luisteren en waarbij mensen geboeid en verrast raken, benieuwd naar de ontknoping of afloop van het verhaal; het is meestal niet al te diepgaande kost maar gewoon ter vermaak of ontspanning van het dagelijkse leven. Fijn toch, om daarvan te mogen genieten! In de kerk worden het jaar door ook vaak vervolgverhalen verteld. Telkens een stukje van het verhaal van God met de mensen. We kennen de verhalen veelal wel - zo is ons idee – maar steeds opnieuw valt er weer iets anders op en we veranderen zelf ook! waardoor we de levenslessen vanuit een ander gezichtspunt bekijken. Het is verwonderend wat het met ons doet - als we tijdens een wat langere bezinning - samen de tekst op ons laten inwerken. Zo wandelen we vandaag als in een feuilleton het Evangelie binnen. Een boekrol waaruit is voorgelezen wordt opgerold en teruggegeven aan de tempeldienaar. Maar wat werd er door lector Jezus dan voorgelezen van de profeet Jesaja? We hoorden het vorige week zondag maar laten we het nog even in herinnering brengen; dit las Hij: 


De Geest is over Mij gezonden, om aan armen de blijde boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien. Om verdrukten in vrijheid te laten gaan, om een genadejaar van de Heer af te kondigen. 


In het dorp waar Jezus is opgegroeid, leest Hij deze compacte tekst voor aan het begin van Z’n openbare loopbaan. Aan de hand van deze tekst houdt Hij een nog compactere preek: ‘Het Schriftwoord dat u zojuist hebt gehoord, is thans in vervulling gegaan.’ Nadat Hij naar z’n plaats is gegaan, geeft Hij een kleine uiteenzetting van de opdracht die Hij heeft. Hoe Hij van binnenuit, gedreven door de H. Geest, de invulling van Zijn roeping ervaart. Het oude testament vindt in Jezus z’n vervolg. De mensen uit Nazareth hebben echter zo hun eigen ideeën over hun dorpsgenoot, ze kennen Hem immers en claimen Hem voor zichzelf. Heel menselijke vriendjespolitiek, ons kent ons. Maar ook Jezus kent z’n dorpsgenoten. Als Hij hen dan meteen de wind uit de zeilen neemt door kort en bondig te zeggen dat Hij daar niet op in kan gaan, valt dat natuurlijk niet goed. Toch wil Jezus de weg gaan zoals Hij die voelt te moeten gaan, anders komt Hij in conflict met zichzelf en z’n hemelse Vader. Gods liefde moet gróeien en is voor alle mensen, kent geen door ons getrokken grenzen. Jezus was in de wieg/kribbe gelegd om Gods liefde waar Hij maar kon duidelijk onder de aandacht te brengen en zo maximaal gestalte te geven. Over die liefde hoorden we vandaag ook een geliefd gedeelte uit de 1e Korintiërs brief. In kerkelijke huwelijksinzegeningen kiezen bruidsparen regelmatig déze tekst als lezing over grenzeloze onbaatzuchtige liefde, die ze met Gods hulp in praktijk willen brengen. En laten we eerlijk zijn, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan want liefde is een werkwoord dat dagelijks oefening vraagt om wederzijds de ander te willen verstaan en proberen tegemoet te komen. De apostel Paulus schreef zijn aanwijzingen niet alleen voor echtparen maar voor iedereen die met medemensen te maken heeft en er maar naar wil horen. De profeet Jeremia werd door God geroepen en ook Jezus kreeg z’n opdracht tot bekendmaking van liefde zonder eigen belang en dat kan in ons vervolg vinden ook al is liefde soms taaie kost, moet er veel voor gedaan en gelaten worden maar het loont absoluut de moeite. Immers ons geestelijke DNA vindt z’n oorsprong in de liefde waaruit we geboren zijn, iets waar we in het dagelijks leven gemakkelijk aan voorbijgaan. De teksten uit alle 3 de schriftlezingen van vandaag laten zien: wie ingaat op z’n roeping kan zich verzekerd weten van Gods steun bij het vervullen van zijn levensopdracht. We mogen zelf - met Gods hulp - in het dagelijks leven een vervolg schrijven met iedereen waar we mee te maken hebben want God wil dat alle mensen zijn liefde laten groeien, generatie na generatie, waar ook ter wereld. 


Betzie Brakels, werkgroep Woord en Communievieringen


Overweging oecumenische viering 16 januari 2022 (St. Anna)


Eind vorige maand vierde kerstmis, de geboorte van Jezus, een feest met veel licht. Als je door het dorp loopt zie je veel verlichting bij huizen en gebouwen, om de duisternis te verlichten. En nu staan we aan het begin van de gebedsweek met het thema” licht in het duister”. Toen ik aan de overdenking begon heb ik me afgevraagd, wat is de betekenis tussen duister en duisternis, of wat is het verschil daarvan; In het eerst Bijbelboek Genesis 1: In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en de duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. En God zag, dat het licht goed was. Het heeft meerdere betekenissen voor ons als toepassing maar ook het woord is het licht in de duisternis ‘Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.’ Psalm 119:105. Om bewust te worden om elke dag nodig te hebben, dat Licht en duisternis strijd met elkaar heeft. Jezus dan zei tegen hen: Nog een korte tijd is het licht bij u; wandel zolang u het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalt. En wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heen gaat.’Johannes 12:35 HSV. In deze breekbare en onzekere wereld zoeken wij naar een licht, naar een sprankje hoop. Te midden van het kwaad verlangen we naar goedheid. Wij zoeken het goede in onszelf, maar vaak worden we zo overweldigd door onze zwakheid dat de moed ons in de schoenen zinkt. Ons vertrouwen is gevestigd op de God die wij aanbidden. In zijn wijsheid stelde God ons in staat om te hopen op zijn ingrijpen. We konden echter niet voorzien dat Hij dat zou doen door mens te worden. Dat Hij zelf het licht in ons midden zou zijn, overtrof al onze verwachtingen. Midden in de duisternis van de mensheid verscheen de ster uit het oosten. Deze ster scheen niet alleen op een specifiek historisch moment, maar staat vandaag de dag nog steeds symbool voor het licht dat doordringt in de duisternis van onze verdeeldheid. Dit licht heeft de loop van de geschiedenis definitief veranderd. Door de eeuwen heen leerde de wereld hoop kennen. Deze hoop is geïnspireerd door de heilige Geest en wordt zichtbaar in het leven van de volgelingen van Christus. Zij getuigen van Gods werk en van de blijvende aanwezigheid van zijn Geest. Gods Geest van kracht en liefde leidt ons richting het volmaakte licht dat de duisternis van verdeeldheid overwint. Het verlangen om die duisternis te overwinnen, dwingt ons om te bidden en werken aan christelijke eenheid. Te midden van politieke onrust, een groeiende cultuur van hebzucht en machtsmisbruik, lijden christenen – net als anderen in het Midden-Oosten – onder vervolging en ervaren zij dat zij achtergesteld worden. Ze leven in angst voor geweld en onrechtvaardigheid. Toch zijn zij niet bang, omdat de Herder met hen wandelt, hen in één kudde verzamelt en hen tot een teken maakt van zijn liefdevolle aanwezigheid. Samen zijn zij het gist dat het deeg laat rijzen. In Christus vinden zij een voorbeeld van nederigheid. Van Hem horen zij een oproep om verdeeldheid te overwinnen en verenigd te zijn in één kudde. In het duister is, in het duister tasten, duistere praktijken, het is duister verhaal, zij leven in het duister, wereldleiders zijn soms duistere figuren. enz. enz. Ook zo Herodes, die de 3 wijze vroeg om terug te komen om hem te vertellen waar de Koning het kind was. Toen hij merkte dat ze niet terugkwamen, werd hij boos en gaf opdrachten alle kinderen van twee jaar en jonger in Bethlehem en de wijde omgeving om te brengen. De bootvluchtelingen die het land willen ontvluchten worden door mensen handelaars voor veel geld in te kleine bootje gestopt met alle gevolgen van dien. De president die vluchtelingen laat overvliegen om zo druk uit te oefenen om zijn politieke dictatuur uit te blijven oefenen en zijn eigen mensen onderdrukt. Allemaal voorbeelden van duistere praktijken, hoeveel leiden daar onder, ook dichtbij, hoe mensen worden misleid om hen bankpasje mee te geven aan mensen die zeggen van een bank te zijn, om vervolgens de rekening leeghalen. Het thema van de gebedsweek is LICHT IN HET DUISTER. Miljoenen mensen zijn op de vlucht en verlaten alles wat ze hebben. Laten wij vandaag bidden voor hen, dat zij hoop en moed mogen houden. Kregen ze allemaal maar zo’n droom als Jozef, dat hij met het kindje en moeder moest vluchten naar veilig land, Egypte voor Herodes en toen deze was overleden konden ze terug naar Israël. Is dat het licht in het duister wat ons de weg wijs, en het licht dat vreugde breng. Duisternis kan het licht niet doen verdwijnen. Licht kan duisternis wel doen verdwijnen. Amen


Jos de Graaf


Overweging oecumenische viering Week voor de eenheid 16 januari 2022 (Protestantse kerk)


Alle pastores horen weleens van mensen: ‘Ik merk nooit iets van God. Als ik nou eens een teken zou krijgen. Maar nee hoor, helemaal niks.’ Ja, om wat voor teken zou het dan moeten gaan? Wat zou God moeten doen om aan ons te openbaren dat Hij er is, dat Hij ons liefheeft?


De evangelielezing die wij zojuist hebben gehoord verhaalt van juist zo’n teken. Van oudsher hoort deze lezing bij het feest van Epifanie; of Driekoningen. Als betekenis van dat woord Epifanie wordt in woordenboeken gegeven: ‘Een plotselinge, verwarrende openbaring’. En dan staat er ook nog heel ingewikkeld bij geschreven: ‘Een zich aan de ratio onttrekkende, plotselinge, kortdurende, diep inwerkende ervaring waarin een zintuiglijk waarneembaar element in de gewone, alledaagse werkelijkheid een niet binnen een gangbaar kader te plaatsen reactie oproept bij wie het ondergaat.’ Hoe lang kun je een zin niet maken… Veel woorden die er eigenlijk gewoon op neerkomen dat er iets ingrijpends gebeurt in onze gewone wereld dat niet wordt gesnapt en mensen in de war brengt. Het valt buiten het gewone. 


Dat is zeker aan de hand met wat wij zojuist hebben gehoord. Het is niet gewoon, die geboorte van ‘de Koning van de Joden’. En dat zou het in onze dagen nog steeds zijn.  U heeft vast en zeker ook wel eens gezien, op televisie bijvoorbeeld, dat als de president van Amerika ergens verschijnt er muziek klinkt. Het is nogal pompeuze muziek, het heeft de naam Hail to the chief. Heil aan de leider, betekent dat. Het wordt meestal gespeeld door het koper van een militaire band, met een flinke dreun. Muziek om indruk te maken, om iedereen te laten weten: kijk, hier komt de leider van de wereld. Het is een oud gebruik, ook koningen lieten zich vroeger door trompetgeschal aankondigen.  Het gaat in al dit soort gebruiken om het laten zien van macht en kracht. Indruk maken, daar gaat het om. Dat is niet voor niets, want wij mensen zijn daar nu eenmaal gevoelig voor. Denk maar eens aan de speciale cursussen voor sollicitanten om te leren hoe je jezelf zo goed mogelijk kunt presenteren. Want je kunt nog zoveel opleiding hebben genoten, ervaring hebben en de aardigste mens van de wereld zijn: als je het niet kunt presenteren, dan kom je meestal niet erg ver.


Daarom is het eigenlijk een Godswonder dat het christendom een wereldgodsdienst is geworden, het zet eigenlijk de hele wereld op z’n kop.  Want de koning van de Joden die de magiërs zoeken, is niet in de prachtige paleizen van de koning. Daar zoeken de magiërs Hem natuurlijk. Ergens in een gouden wiegje, in het centrum van de macht. Maar bij zijn geboorte is er geen kanongebulder, geen schallende trompetten. Die zijn in Jeruzalem waar de paleizen van de koning zijn, waar de tempel is, het imposante bouwwerk waarmee Herodes indruk wilde maken op jood en niet-jood. Nee, de magiërs zoeken hem tevergeefs waar macht en kracht wordt getoond. Waar Herodes zo vreselijk van schrikt en hij heel erg bang voor is, wordt dan in een paar woorden gezegd: ‘Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria’. Meer is het niet.  Zó wordt de Zoon van God geopenbaard aan de wereld. Het was alsof God het kleine en kwetsbare bekrachtigde. Ja, zo is het goed. Zoals Hij in het begin van zijn schepping zag dat het goed was zoals het was.  Ook eindig en broos.  Een pasgeboren kind met zijn moeder. Meer was het niet, toen God in zijn wereld kwam. De magiërs lieten zich bekeren. Zij gingen niet meer naar de macht van Herodes terug. Zij wisten vanaf toen dat zij het niet moesten zoeken bij tempels en paleizen. Niet bij trompetgeschal.  Nee, integendeel, zoals wij in de woorden van Jesaja hoorden als hij spreekt over het licht dat schijnt voor de wereld: ‘de stok op de schouder, de staf van de drijver, die worden verbrijzeld; ledere laars die dreunend stampt en elke mantel die doordrenkt is van bloed, ze worden verbrand’. De magiërs werden in de traditie tot koningen, en later kregen ze in afbeeldingen verschillende huidskleuren en verschillende leeftijden.  Want zij werden in hun verscheidenheid tot symbool van de hele wereldbevolking; zo kunnen wij hen misschien ook beschouwen als symbool van de verschillen die er zijn tussen christenen. Verschillen die er gewoon zijn, maar die eigenlijk ook iedere mens, iedere cultuur én iedere kerkelijke stroming in hun eigenheid mooi maakt. Want het zijn ook verschillen die overbrugbaar zijn. De brug is het licht van Christus geraakt als wij zijn door Gods liefde die op deze aarde kwam in een mensenzoon, in kwetsbaarheid. Dat hebben wij allemaal gemeen.  De wijzen gingen niet terug naar de macht van Herodes. Met woorden van Paulus: ‘De vruchteloze praktijken van de duisternis’ waren voor hun ogen definitief ontmaskerd, zij gingen voortaan ‘een andere weg’. Nu ging het licht van Christus met hen mee. 


Bidden wij dat ook wij de weg van de Heer zullen gaan: zijn licht volgend en zijn licht zijn in deze wereld; bidden wij dat ook wij kwetsbaar durven te zijn, zo kwetsbaar als Hij. Amen.


Zr. Susan van Driel o. carm.


Feest van de doop van de Heer, 9 januari 2022


Overweging bij Jesaja 42,1-4.6-7 en Lucas 3,15-16.21-22


Gehouden tijdens de Eucharistieviering in de Karmelcommuniteit


Eerste lezing: Jesaja 42, 1-4.6-7


Zie hier mijn dienstknecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, die Mij welgevallig is. Ik heb mijn geest op hem gelegd, en hij maakt de volkeren het recht openbaar. Hij roept niet en schreeuwt niet, hij laat zijn stem niet horen op straat.  Het gekwetste riet zal hij niet breken en de kwijnende vlaspit blaast hij niet uit. Waarlijk, het recht maakt hij openbaar. Hij zal niet kwijnen en niet worden gekwetst, maar vestigt het recht op de aarde en de eilanden zullen zijn boodschap verbeiden. Ik Jahwe zelf, heb u geroepen om heil te brengen, Ik neem u bij de hand, Ik vorm u en bestem u om de man te zijn van mijn verbond met het volk, het licht voor de naties, om blinde ogen te ontsluiten, om gevangenen uit de kerker te bevrijden, uit de gevangenis degenen die wonen in de duisternis.


Evangelie: Lucas 3,15-l6.21-22


In die tijd toen het volk vol verwachting was en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde of hij niet de Messias zou zijn, gaf Johannes aan allen het antwoord: 'Ik doop u met water maar er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.'Terwijl al het volk zich liet dopen, en Jezus na zijn doop in gebed was, geschiede het dat de hemel openging, en dat de heilige Geest, in lichamelijke gedaante als een duif over Hem neerdaalde, en dat een stem uit de hemel sprak 'Gij zijt mijn Zoon, de Welbeminde, in U heb Ik mijn behagen gesteld.'


Overweging


 Een jonge vader vertelde tijdens een doopgesprek over het wonder van de geboorte van hun eerste kind. Ze waren ze blij geweest dat zij in verwachting was, dat ze samen het geboortekaartje al ruim vóór de geboorte gemaakt had. Tekst en beeld waren klaar. Alleen de naam en de datum moesten nog worden ingevuld. De vader vertelde hoe ontzettend veel indruk de geboorte van hun kindje op hem had gemaakt. Hij had het helemaal mee mogen maken, in het ziekenhuis, midden in de nacht en het had hem totaal overdonderd. Het had alles overtroffen wat hij er tevoren over had gehoord. Toen hij de ochtend na de geboorte naar de drukker reed, was dat gevoel er nog steeds geweest: dat hij een groot en ontzagwekkend wonder had meegemaakt. Maar “toen ik het kaartje nog even doorkeek in de drukkerij, vond ik het eigenlijk veel te gewoon. Het paste niet meer bij wat ik voelde”. En toen had hij er in een opwelling een zinnetje aan toegevoegd. Terug bij zijn vrouw had hij dat ook onmiddellijk opgebiecht. “Ik hoop dat je het niet erg vindt, maar ik heb de tekst een beetje veranderd. Ik vond de geboorte zo buitengewoon... Ik heb er toen onder de naam nog een paar woorden bij laten drukken: ‘Made in heaven’”. (Verteld door Nico ter Linden). Zo verwoordde de jonge vader het ontzagwekkende geheim dat hij voelde achter de geboorte van zijn kindje. Lucas gebruikt totaal andere woorden, maar hij bedoelde misschien wel hetzelfde Geheim onder woorden te brengen. Bij Jezus’ doop, vertelt hij, klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn liefste zoon, in jou heb ik mijn behagen gesteld’. Dat wil zeggen: ‘Jij bent een mens naar mijn hart. Ik hou van jou!’ Eigenlijk zegt God dit tegen ieder kind dat wordt geboren. Daarom lees ik het evangelie dat we zojuist hoorden ook graag voor in doopvieringen. En in een kort woordje zeg ik dan vlak voor de eigenlijke doop tegen de dopeling: “Nu wordt jij gedoopt, nu zegt God ook tegen jou: jij bent een kind van mij, jij bent mijn liefste dochter, jij bent mijn liefste zoon, in ben heel blij met jou, ik hou van jou”. De liturgie van vandaag heeft het verhaal van de doop van Jezus gekoppeld aan de eerste lezing met die bekende, prachtige woorden van Jesaja over de dienstknecht van God. Eigenlijk laat de liturgie daarmee zien waarom Jezus een mens was naar Gods hart, waarom God in hem zijn behagen had gesteld. ‘Hij roept en schreeuwt niet, hij laat zijn stem niet horen op straat. Het geknakte riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit blaast hij niet uit. Hij zal werkelijk gerechtigheid brengen’. Maar zo’n mens als Jezus worden wij niet vanzelf. De kans dat je zo iemand wordt is het grootst als je in je kinderjaren en in je jeugd lieve mensen om je heen hebt die, zoals die jonge vader, geraakt kunnen worden door het wonder en het geheimvolle van het leven. En de kans dat je een leven kunt opbouwen in de geest van Jezus is het grootst als je in je jonge jaren mensen om je heen hebt voor wie de levensstijl van Jezus iets betekent, die de levenswijze van Jezus serieus nemen. ‘Ik doop u’, hoorden we Johannes zeggen, ‘met water, maar hij die na mij komt, zal u dopen met heilige Geest en met vuur’. De Geest van Jezus, het vuur van Jezus, - daarmee worden wij gedoopt.Wat dit in de praktijk kan betekenen is me duidelijk geworden in het verhaal van een ouderpaar dat ik ooit in het ziekenhuis ontmoette. Zij hadden vijf kinderen. Alle kinderen waren slim, behalve één zoon. Hij bleek al gauw een zorgenkindje. Hij kon niet goed meekomen op school. In het voortgezet onderwijs kwam de aap uit de mouw. Hij had een tumor in zijn hoofd. En daarmee had hij lang gesukkeld. Uiteindelijk was hij gestorven, veertien jaar oud. Op de grafsteen van die jongen hadden zij toen de woorden laten zetten die wij vandaag in de eerste lezing hoorden: "Het geknakte riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit blaast hij niet uit." Aan die woorden hadden deze ouders zichzelf altijd opgetrokken in hun zorg voor hun zoon. Nu hun zorgenkind gestorven was, bleven ze zich optrekken aan die woorden. Ze geloofden dat God hun liefde en hun zorgzaamheid had overgenomen. Want zó was Jezus toch ook met mensen omgegaan?“Jij bent mijn geliefde zoon”, zei de Stem uit de hemel.Mijn kindje is “made in heaven”, zei de jonge vader.“Ik doop je met water”, zei Johannes, “maar die na mij komt zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur”.“God heeft onze zorg en onze liefde overgenomen”, zeiden die ouders.Van vóór onze geboorte in deze wereld tot ín ons leven na de dood zijn we met heel ons wezen verbonden met God. En Jezus heeft ons laten zien wat de uitwerking daarvan kan zijn. Bidden we dat we mensen kunnen zijn en worden zoals God ons graag ziet.


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


Overweging oud en nieuw 31 december 2021


Morgen weer een nieuw jaar, dus naar goede gewoonte wensen we elkaar straks gelukkig Nieuwjaar, en we voegen er heel vaak aan toe: ‘En een goede gezondheid.’ Dat doen we zeker in deze tijd heel nadrukkelijk, een tijd waarin we al een hele poos worden geconfronteerd met hoe kwetsbaar we eigenlijk zijn. Vroeger wensten we elkaar een ‘Zalig Nieuwjaar’, dat klinkt toch iets zegenrijker dan ‘gelukkig’, in ‘zalig’ klinkt de hemel door. En naar een beetje hemel op aarde verlangen we toch allemaal. Daar willen we zelfs verantwoordelijkheid voor nemen en ook aan werken. Maar wat we ook verlangen, waar we ook aan willen werken, we weten dat op 1 januari niet alles als bij toverstaf verandert. We mogen dan misschien een nieuwe kalender en een nieuwe agenda hebben, ons leven van vandaag gaat morgen gewoon door. Wat ons het voorbije jaar vreugde bracht, nemen we ook in het komend jaar met ons mee en het verdriet, de twijfel en de pijn die er gisteren waren, verdwijnen niet ineens omdat we in 2022 leven. Zojuist hebben we in de evangelielezing gehoord hoe de herders en Maria op hún nieuwe jaar reageren. Want er kan geen twijfel over bestaan dat er voor hen iets nieuws begonnen is. Dat hebben we met Kerstmis gevierd, en vandaag zien we wat er daarna gebeurt: de herders haasten zich naar Bethlehem om met eigen ogen te zien wat zij van Godswege hebben gehoord. En inderdaad, ze vinden het pasgeboren kind. Ze hebben dus gehoord en nu ook gezien. Wordt het vervolgens ‘horen, zien en zwijgen’? Nee, het wordt horen, zien en spreken, want ze worden verkondigers; ze maken openbaar wat hun over dat kind is verteld. Zij zijn eigenlijk de eerste apostelen. Zij, eenvoudige herders, die helemaal niet in de gunst stonden van het betere volk. En wanneer ze naar hun kudde teruggaan, verheerlijken en loven ze God. Dat is wat zij op de eerste dag van hún nieuwe jaar doen. Misschien kunnen we daar iets van leren en ook iets vaker doen: God verheerlijken, en Hem danken voor elke dag die Hij zo gunnend aan ons schenkt; Hem danken voor het leven, voor de liefdevolle mensen om ons heen, voor het licht in onze ogen en de klanken die we horen. Dat krijgen we allemaal, ondanks dat we ook in een donkere tijd leven en dat we het soms best wel moeilijk hebben met elkaar. En dan Maria. Wat moest ze beginnen met de woorden van de engel dat er vandaag een Redder geboren was, Christus de Heer’? Het enige wat ze er op dat moment mee kon doen, was die woorden bewaren in haar hart, ze bij zichzelf overwegen. en hopen dat zij ze ooit zou begrijpen. Maar daarvoor moest ze eerst groeien in geloof, en moesten haar geloof en haar hoop sterker worden dan twijfel en pijn. Ja, zij had gezegd: “Mij geschiede naar uw Woord”, maar toen zij jaren later tijdens een reis naar Jeruzalem haar kind kwijt was sloeg de schrik haar om het hart. En ze ging zoeken en ze liet het niet alleen over aan Gods voorzienigheid. Vertrouwen en verantwoordelijkheid nemen voor de wereld die wij hebben geërfd, het een heft het ander niet op, maar als het goed is maakt het elkaar wel sterker. En vooral dat wens ik ons toe: dat we doen als Maria, dat we Gods woorden in ons hart bewaren en ze bij onszelf overwegen, en dat ons geloof en onze hoop het winnen van de duisternis. Onze H. Schrift staat vol met voorbeelden van mensen die de weg gingen van de Heer, maar met angst en vrees in het hart. Vooral profeten vonden het nogal eens heel bedreigend als zij geroepen werden om Gods Woord tegen machten en duistere krachten in te verkondigen. Toch gingen ze, tegen moedeloosheid in. En ze ontdekten gaande de weg dat Hij er is. Dat ontdekten de herders, dat Hij er is, dat ondervond Maria, dat Hij er is. Zelfs in haar en uit haar… En ten slotte: in de eerste lezing hoorden we een prachtige, oeroude zegenwens. Ik herhaal hem graag: “Moge de Heer u zegenen en u behoeden! Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn! Moge de Heer zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!” Blijven wij bidden dat wij net als Maria zullen groeien in het geloof dat de Eeuwige door alles heen dat werkelijk ook dóet. Bidden wij dat wij net als Maria vrede zullen vinden in dat vertrouwen. Dan kan het nieuwe jaar niet meer stuk, want dan zal het echt een Zalig Nieuwjaar zijn waarin Hij met ons meegaat waarin zijn glans onze ogen zal verlichten. Amen


Zuster Susan van Driel o.carm.


Overweging op kerstavond 24 december 2020 


Overweging


Het is in zoveel gestalten dat de nood van mensen aan onze ogen voorbijtrekt. Dat is natuurlijk niet nieuw, altijd is er hongersnood en wreedheid, ziekte en oorlog geweest. Maar in onze dagen krijgen wij in de media de nood van de hele wereld dagelijks voorgeschoteld. Soms vliegt het ons aan. Als God bestaat, waarom laat Hij dit dan toe, waar ís God?’ Zo vaak kan zo’n vraag door ons hoofd spoken, zo vaak wordt die ook uitgesproken. Wáár is in godsnaam God? Dit is geen nieuwe vraag.  Tweeduizend jaar geleden stelden mensen ook die vraag. Het was een tijd waarin Herodes, de vazal van Rome de eretitel ‘Koning der Joden’ van de Romeinse bezetter gekregen had, omdat hij een opstand bloedig had neergeslagen.  In pracht en praal regeerde hij, hij had ook de tempel in Jeruzalem prachtig opnieuw laten bouwen heel de wereld keek er met bewondering naar. Maar het schild met de Romeinse Adelaar hing boven de ingang.  Een gruwel in de ogen van vrome Joden. Waar is God, vroegen de mensen zich af. Er wordt weleens gezegd dat wij mensen goddelijkheid alleen kunnen herkennen in pracht en praal, in schitterende kathedralen, prachtige gewijde plaatsen. Maar zojuist hebben we een verhaal gehoord dat eigenlijk het tegenovergestelde vertelt. Dat verhaal vertelt dat hij zomaar ergens in een uithoek van onze aarde geboren werd, midden in een tijd van harde onderdrukking en in een voerbak werd gelegd. De apostel Paulus zegt in onze H. Schrift over de kruisdood van Christus dat dit voor veel mensen ‘een aanstoot en een dwaasheid’ is. Het staat nergens, maar hij zou het ongetwijfeld ook hebben gezegd over zijn geboorte. De herders moeten een kind gaan zoeken dat in een voerbak ligt. Dat is geen plaats voor een pasgeboren kind, maar het is wel een plaats die tot de gewone wereld van de herders hoort. Natuurlijk kunnen herders een stal binnengaan. In een paleis of in het heilige der heiligen in die prachtige tempel van Herodes zou dat onmogelijk zijn geweest. Herders waren in die tijd ruw volk, de onderkant van de samenleving, ze werden zelfs heidenen genoemd. Die kwamen niet binnen in tempels en paleizen. Nee, Gods geboorte, Gods liefde voor mensen verschijnt midden in hún leefwereld. Zo kunnen zíj bij Hem komen. Zo kunnen zíj Hem vinden, in hun gewone dagelijkse leven. En precies dát is wat dit verhaal over de eeuwen heen vertelt Hij is geboren en Hij wordt altijd weer geboren heel dichtbij, vlak onder onze neus. Hoe wij Hem kunnen herkennen? Ja dat heeft dat Kind in die voerbak in zijn hele latere leven voorgedaan. Hij heeft voorgedaan dat mensen elkaar leven kunnen geven: als ze elkaar accepteren en niet uitstoten omdat ze anders zijn, of zich misschien niet helemaal aan de regels kunnen houden; hij heeft voorgedaan dat we elkaar kunnen vergeven als we elkaar pijn doen; Hij heeft aan mensen laten weten, in woord én daad, dat God maar één ding wil, leven geven. Hij zei tegen mensen: ‘je bent welkom, zoals je bent hoor je erbij’. Zo wordt Hij altijd maar weer geboren, midden in oorlogsellende waar mensen op de vlucht zijn en mensen opeens een andere mens ontmoeten die ze een stukje op weg helpt. Hij wordt geboren waar moedige mensen aan de grens met Wit-Rusland een lichtje laten branden, waarmee ze laten weten aan hongerige, onderkoelde vluchtelingen ik help je, je kunt aan mijn deur kloppen. En Hij wordt geboren als wij deze kerstmis weten dat we elkaar toegenegen zijn, misschien op afstand, maar toch…,


God wordt zo vaak geboren. Op de meest gewone plaatsen. Onder onze neus. Ja, en zelfs, ook al zijn we ons dat meestal niet bewust, ook in onszelf, in de liefde die wíj hebben te geven in de verantwoordelijkheid die wij nemen voor elkaar. Laten we dát vieren. Amen.


Zuster Susan van Driel o.carm.


Op de vierde zondag van de Advent was er vanwege de Covid-maatregelen  geen viering in de Sint Petrusbasiliek


 


Overweging op het feest van Driekoningen – 2 januari 2022  


lezing: Mattheüs 2,1-12 – (woorddienst is op YouTube geplaatst; opgenomen in het klooster)


Evangelielezing


Toen Jezus te Bethlehem in Juda geboren was, ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het oosten en vroegen: „Waar is de pasgeboren koning der Joden? „Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen. "Toen koning Herodes dit hoorde werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem. Hij riep alle hogepriesters en Schriftgeleerden van het volk bijeen en legde hun de vraag voor waar de Christus moest geboren worden. Zij antwoordden hem: “Te Bethlehem in Juda. „Zo immers staat er geschreven bij de profeet: En gij Bethlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman tevoorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël”. Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen en hij vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. Daarop zond hij hen naar Bethlehem met de opdracht: “Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar het Kind, en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan opdat ook ik het hulde kan gaan brengen”. Na de koning aanhoort te hebben vertrokken zij. En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat ze boven de plaats waar het Kind zich bevond stil bleef staan. Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten tevoorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre. En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.


Overweging bij Mattheüs 2,1-12 (Driekoningen)


Officieel heet het feest van vandaag: Openbaring van de Heer. Die uitdrukking komt van de Romeinen. Het woord ‘openbaring‘ werd door hen gebruikt als de grote keizer zich na zijn kroning op de trappen van de senaat liet zien aan het volk. De eerste christenen namen dit woord ‘openbaring’ over om uit te drukken dat God zich aan de wereld presenteerde, - niet in een machtige heerser, maar in het kleine kwetsbare kind Jezus… dat ook nog eens geboren werd in een plaatsje waar je het nooit zou zoeken: in het onbeduidende Bethlehem.      


Het sprookjesachtige verhaal van Mattheüs krijgt hiermee een diepere betekenis. Drie Wijzen vertrouwen op hun gebrekkige kennis en middelen en laten vanuit een eenvoudig geloof alles achter om zich in het volstrekt onbekende te storten. Ze ploeteren op hun kamelen door een eindeloze woestijn en moeten over de bergen van Juda, - beeld van de vele beproevingen die een mens soms moet trotseren. Pas dan wordt geleidelijk duidelijk waar de bestemming van hun reis zich bevindt. Echter, als ze denken dat ze er bijna zijn, raken ze de ster kwijt die hen tot dan toe de weg wees; koning Herodes probeerde hen op een dwaalspoor te zetten. Maar als ze zich niet in de war laten brengen door zijn koninklijke pracht en praal, vinden ze de ster weer terug. Uiteindelijk vinden ze dan hun bestemming: in een schaapsstal ligt een pasgeboren kind in een voerbak. ‘Ze werden vervuld van overgrote vreugde’ staat er. Ze wisten: ‘hier moesten we zijn; hier openbaart Hij zich die wij zochten’. En na dit kindje geëerd te hebben met geschenken, worden ze in een droom gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te gaan. Ze keren langs een andere weg naar huis terug. 


De weg die de Wijzen gingen voerde hen langs ravijnen en door onherbergzame woestijnen. Zij vertellen ons dat de beproevingen en de tegenslagen van dit leven én de Herodesen van deze wereld met hun willekeur en hun macht nooit het laatste woord mogen hebben… Het verhaal over hun zoektocht vraagt ons ook waardoor wíj ons laten leiden op onze levenstocht… Waar gaat het óns om? Door welke ster laten wij ons leiden?


Ik moest hier in deze dagen denken aan de woorden en de daden van Desmond Tutu. Een magiër, een wijze uit Zuid-Afrika. Hij durfde zich te laten gezeggen door zijn kwetsbare medemensen die al zoveel jaren te lijden hadden onder rassenscheiding. Hij hoorde hun roep om gerechtigheid. Voor hem is dit de ster geworden die voor hem uitging en hem de weg wees… het werd voor hem de droom die hem niet meer losliet… het werd de ster die hem hielp langs een andere weg een nieuw thuis te vinden… Dat de manier waarop de Wijzen hun weg gingen voor ons een voorbeeld kan zijn. Dat ook wij ons de weg laten wijzen, naar God, naar elkaar en naar de minsten onder ons…


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


Overweging op de derde zondag van de Advent – 12 december 2021


lezingen: brief van Paulus aan de Filippenzen 4,4-7 en Lucas 3, 10-18


Sint Petrusbasiliek Boxmeer


Uit de brief van Paulus aan de Filippenzen 4,4-7


Broeders en zusters, verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u! Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij. Weest onbezorgd. Laat al uw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking, en nooit zonder dankzegging. En de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en gedachten behoeden in Christus Jezus.


Evangelie: Lucas 3, 10-18


In die tijd stelden de mensen Johannes de vraag: 'Wat moeten wij doen?' Johannes gaf hun ten antwoord: 'Wie dubbele kleding heeft, laat hij delen met wie niets heeft, en wie voedsel heeft, laat hij hetzelfde doen.' Er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden en ze vroegen hem: 'Meester, wat moeten wij doen?' Hij zei hun: 'Niet méér vragen dan voor u is vastgesteld.' Ook soldaten ondervroegen hem: 'En wij, wat moeten wij doen?' Hij antwoordde: 'Niemand uitplunderen, niemand iets afpersen, maar tevreden zijn met uw soldij.' Omdat het volk vol verwachting was en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde, of hij niet de Messias zou zijn, gaf Johannes aan allen het antwoord: 'Ik doop u met water, maar er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. De wan heeft Hij in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren en zijn tarwe te verzamelen in de schuur, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.' Zo en met nog vele andere vermaningen verkondigde Johannes aan het volk de Blijde Boodschap.


Overweging


“Zusters en broeders, verheugt u in de Heer, altijd. En laat uw vriendelijkheid bij alle mensen om u heen bekend zijn." Zo begon de eerste lezing. Ik zou me kunnen voorstellen dat u wat aarzelingen voelt bij deze opgetogen woorden. Ze kunnen gauw wat overdreven of niet-doorleefd klinken en daardoor weerstand oproepen. Maar ik ben ervan overtuigd dat dit hier niet het geval is. Bij de apostel Paulus is het wél degelijk echt en doorleefd. Hij schrijft deze brief als hij al een hele tijd gevangen zit vanwege zijn geloof in de waarheid van het evangelie. En juist omdat zijn gevangenschap al zo lang duurt, moet het wel helemaal van binnenuit komen als hij schrijft dat de Heer in die ellende voor hem nabij is en als hij zijn mensen toewenst dat de vrede van God hun harten en hun gedachten zal behoeden.


In het evangelie hoorden we Johannes de Doper. Ook al iemand die het harde leven kende en die je niet kunt verdenken van wat oppervlakkige praat. Johannes had gekozen voor een leven in de woestijn. Hij had bewust afstand gedaan van heel veel. Hij probeerde recht uit het hart te leven én te spreken. En of het nou een soldaat was of een ambtenaar van de Romeinse keizer, iemand van stand of een gewone man of vrouw, als ze door hem gedoopt wilden worden, hij nam bij niemand een blad voor de mond. Aan ieder die het maar horen wilde, verkondigde hij de noodzaak van bekering: “Als je zelf voldoende kleren hebt, deel dan met mensen die niks hebben. En als iemand geen eten heeft en jij wel, doe dan hetzelfde en deel”. En tegen de belastingambtenaren: “Niet méér vragen dan wat de wet heeft voorgeschreven”. En tegen soldaten: “Niemand uitplunderen of afpersen, maar tevreden zijn met je soldij’. Eigenlijk komt het erop neer dat het goede leven begint met in je eigen leven gewoon te doen wat je moet doen.


“Wees blij”, zei Paulus, “laat er vrede zijn in je binnenste en laat jullie vriendelijkheid bekend zijn bij de mensen”. “Als je overvloed hebt”, zei Johannes, “deel er dan van en wees redelijk, eerlijk en rechtvaardig”. Paulus en Johannes vullen elkaar aan: laat er vrede zijn in je hart en wees goed en rechtvaardig in je gedrag.


Maar er is nog iets. Iets belangrijks. Beiden laten met hun manier van leven zien dat ze hun vastigheid, het fundament van hun dagelijkse leven zochten en vonden bij God én bij de daden en woorden van Jezus. In de meest lastige omstandigheden, waar ze echt beproefd werden… vonden ze hun kracht in de herinnering aan het leven van Jezus. Ik heb hier gedacht aan Titus Brandsma die vanuit de gevangenis in Scheveningen kon schrijven: ‘O, Jezus als ik u aanschouw, dan leeft weer dat ik van U hou. Ik ben gelukkig in mijn leed. Want Gij, o Jezus zijt bij mij, ik was U nimmer zo nabij’. Wij weten inmiddels heel zeker dat ook dit diepdoorleefd was. Eigenlijk is het iets om bijna jaloers op te zijn wanneer je je in zulke omstandigheden geborgen kunt weten bij God.


Daarom nog deze vraag: is dit een levenshouding die vooral voorbehouden is aan heel bijzondere mensen, mensen als Paulus, Johannes de Doper, Titus Brandsma? Ik denk het niet. Ook niet zo opvallende mensen geloven en gedragen zich soms zo op een vergelijkbare manier. Kijk maar om u heen. Ik denk hier aan – wat iemand ooit genoemd heeft – de kleine goedheid. Dat is die goedheid, die nauwelijks opvalt. Ik ben ervan overtuigd dat het de goedheid is van gewone mensen die eigenlijk de wereld draagt. De goedheid van mensen die in stilte goed werk doen. Ze komen niet op de teevee, ze gedragen zich niet opvallend, maar zij dragen ondertussen wél de samenleving. Deze goedheid heeft altijd iets van belangeloosheid: goed doen ook al krijg je er niets voor terug. Je hoeft niet per se iemand te kennen om goed voor te zijn. “Dat doen de heidenen en zondaars ook, die zijn ook goed voor elkaar ”, zegt Jezus. “Jullie vraag ik iets meer: wees ook goed voor mensen die je niet kent”. Goedheid is het wonder van het menselijke in de mens, dat echt-menselijke is tegelijk ook het goddelijke in de mens is. In de gewone goedheid van alledag wordt door God aan het licht gebracht waartoe wij geboren zijn: mens voor een mens te zijn.


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


Overweging op de tweede zondag van de advent – 5 december 2021


lezing: Lucas 3,1-6 – Sint Petrusbasiliek Boxmeer


Evangelie volgens Lucas (3,1-6)


Het gebeurde in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tibérius: Pontius Pilatus was landvoogd van Judea; Herodes gouverneur van Galilea: Zijn broer Fìlippus gouverneur van het gewest Ituréa en Trachónitis en Lysánias gouverneur van Abiléne; Annas en Kílafas bekleedden het hogepriesterschap. Toen kwam het woord van God over Johannes, zoon van Zacharías, die in de woestijn verbleef. Hij begon op te treden in heel de Jordaanstreek en een doopsel van bekering te preken tot vergeving van zonden, volgens de profetie die geschreven staat in het boek van Jesaja: Een stem roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht. Elk dal moet gevuld, elke berg of heuvel geslecht worden; de kronkelpaden moeten recht, de ruwe wegen effen worden. Heel de mensheid zal Gods redding zien.


Overweging


Om te beginnen roep ik graag even bij u op hoe het begin van het evangelie dat u zojuist hoorde, in onze tijd zou kunnen klinken. Luister! ‘Toen Biden president van de Verenigde Staten was, en Poetin in Rusland de touwtjes in handen hield; Willem Alexander in Den Haag resideerde en paus Franciscus de wereldkerk bestuurde..., toen kwam het woord van God over Hendrik die kampeerde in een eenvoudig tentje in de Maasduinen...’ Het hadden natuurlijk ook Bart of Truus kunnen zijn op trektocht in de Ardennen... U had het ook zelf kunnen zijn!

Wat ik hiermee wil zeggen is, dat Lucas met zijn evangelie een schril contrast oproept tussen de machthebbers in hun regeringscentra en de eenvoudige profeet Johannes de Doper in een kale woestijn. De bedoeling van Lucas zal duidelijk zijn. Het echte heil zal niet komen van de groten der aarde. Wie op zoek is naar een echt menselijke levenswijze, zal moeten luisteren naar mensen zoals Johannes de Doper die werkelijk bezield was, en bewust op zoek naar de plek die God in ons leven zou willen innemen. 


Jezus noemde Johannes een van de grootste profeten. Als je de verhalen in de evangelies over hem leest, dan is dat ook heel goed te begrijpen. Want Johannes was vol van de komst van God. “Bereid de weg van de Heer”, riep hij “maak de weg vrij voor zijn komst. Besef dat God een rol spelen wil in ons leven”. Het zal duidelijk zijn waarom dit stukje evangelie zo vlak voor kerstmis voorgelezen wordt. Wij worden in deze Adventstijd uitgenodigd ons voor te bereiden op de geboorte van Jezus, de komst van Gods zoon in ons midden.


Johannes gebruikte geen zachte woorden of populaire beloften toen hij in de woestijn met de mensen sprak over wat God van hen vroeg. Hij had natuurlijk kunnen zeggen: “Beste mensen, jullie moeten de weg vrij maken voor de komst van de Messias. En daarvoor zul je enige maatregelen moeten nemen. Maar als dat niet helemaal lukt, maak je dan maar niet al te bezorgd. Want God is vergevingsgezind”.


Maar zo deed Johannes het dus niet. Nee, hij was in zijn woorden niet bepaald vrijblijvend. Hij was streng, - ook voor die tijd. Als de mensen hem vroegen of hij hen wilde dopen dan eiste hij dat ze zich zouden bekeren en dat ze daarvoor ook werkelijk iets zouden doen. De eisen die hij stelde eisen waren stevig en radicaal. Ik geef u een paar voorbeelden: “Als je ziet dat iemand nauwelijks voldoende kleren heeft, en jij hebt nog twee stel in de kast… deel dat dan met die persoon. En als iemand geen eten heeft en jij wel, doe dan hetzelfde en deel”. Hij vroeg nog wel meer van de mensen, maar dat kunt u zelf nalezen in de bijbel. Het staat direct na dit evangeliefragment. 


Iemand uit onze tijd die mij soms aan Johannes de Doper doet denken is paus Franciscus. Onze paus brengt bij zijn bezoeken overal ter wereld veel mensen op de been, - net zoals Johannes indertijd. En ook hij durft dan te zeggen waar het op aankomt. Soms tot grote irritatie van de belangrijke mensen in het Vaticaan.


En wat het evangelie over Johannes schrijft, dat kunnen we ook van onze paus zeggen: hij wijst altijd van zich af. Hij wijst steeds weer naar Jezus, naar wat Jezus zei en deed. Johannes deed dat ook. Daarin zijn hij en onze paus een voorbeeld voor ons.


Wij allemaal, iedereen die de boodschap van Jezus een goed hart toedraagt, ieder die zich christen, volgeling van Jezus Christus - voor ieder van ons geldt wat voor Johannes de Doper gold: het gaat er om hoe wij hier en nu Jezus navolgen, in het gewone dagelijkse doen en laten. God dien je het beste in het leven van alledag. Dat is de boodschap van Johannes de Doper. Eigenlijk een heel eenvoudige boodschap. Maar wel een die ons kan helpen ons voor te bereiden op het feest van de geboorte van Jezus.


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


Zondag 21 november het feest van Christus Koning


De Bijbel is in principe niet koningsgezind. In de heilige Schrift klinken vaak waarschuwingen in de richting van de koningen van Israël omdat ze de verleidingen van hun macht niet konden weerstaan. Vooral de profeten waren daar fel op. Hun waarschuwingen golden en gelden overigens niet alleen de koningen van toen. Iedere mens die macht krijgt toebedeeld, loopt het gevaar die macht te misbruiken door vriendjespolitiek, corruptie of willekeur. Toch besloot paus Pius XI in 1925 om het feest in te stellen dat wij vandaag vieren: Christus, Koning. Christus, koning van het heelal. Waarom deed hij dat? In 1925 waren het roerige tijden. We zitten dan vlak na de eerste wereldoorlog. Overal in Europa braken gevechten uit om de macht. In Rusland streed men na de revolutie om wie er de baas zou worden in dit immense land. Duitsland en Frankrijk stonden als kat en hond tegenover elkaar. In Italië kwam het fascisme op. Paus Pius maakte zich zorgen over dit soort ontwikkelingen: machthebbers die zichzelf op de troon werkten met terreur en onderdrukking en vorsten die claimden koning te zijn bij de gratie Gods, maar die daarvoor wel grof geweld nodig hadden. De paus probeerde de mensen tegen dit soort ontwikkelingen weerbaar te maken. Hij probeerde dat te doen door het feest van Christus Koning in te stellen, het feest van Christus, die als een dienstbare koning niet uit was op macht maar op vrede. Christus, de dienstbare koning die bereid was zijn leven tot het uiterste in dienst te stellen van de zending die hij van God had meegekregen. Op die manier probeerde de paus met de idealen van Jezus de opkomst van die in zijn ogen zorgelijke ideologieën te bestrijden. Er werd echt geluisterd naar de paus. Hier in Nederland hielden de mensen grote bijeenkomsten in overvolle stadions met de bisschoppen in vol ornaat op de tribunes. Maar wij weten nu allemaal dat dit niet veel geholpen heeft. In Duitsland groeide het nationaalsocialisme uit tot een beweging die terreur en massavernietiging ging organiseren in een omvang zoals de wereld die nog niet eerder had gezien. Er kwam een oorlog die zich uitbreidde over een groot deel van de wereld. Nog nooit vielen er in één eeuw zoveel slachtoffers van oorlog en geweld. 80 miljoen. Nu wij dit achteraf allemaal weten, kun je je afvragen of het nog wel passend is om Jezus koning te blijven noemen? Nou, ik denk dat we dat toch maar moeten blijven doen. Maar dan moeten we ons wél de lessen ter harte nemen die we elk jaar weer op het feest van Christus Koning te horen krijgen van de verschillende evangelisten. Mattheus bij voorbeeld wijst ons op waar het werkelijk om gaat: “Ik had honger en u hebt mij te eten gegeven, ik was een vreemdeling en u hebt mij welkom geheten, ik had het koud en u hebt mij kleding gegeven…” en zo voort… Of de evangelist Johannes die ons in het evangelie van vandaag het verhoor beschrijft dat Pilatus Jezus afneemt: “U bent toch koning…?” “Ja.. maar mijn koningschap is niet van deze wereld”. Of Lucas die het korte gesprekje weergeeft tussen Jezus en een van de twee ter dood veroordeelden die naast Jezus hingen: “Jezus, vergeet mij niet. Denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt”. “Ik beloof je, vandaag nog zul je bij mij zijn in het paradijs”. Jezus was wel koning, maar dan wel op één heel specifieke manier. Hij was een koning die dicht bij de mensen stond; en speciaal de mensen die vaak tekort komen: de armen, de mensen aan de rand, de zieken, de vervolgden; en dan niet alleen ‘de goeden’ onder hen, maar ook de zogenaamde zondaren. Én hij was een koning, die zich gedroeg als een knecht. Hij waste zijn leerlingen de voeten bij hun laatste gezamenlijke maaltijd; een werk dat normaal door een dienstknecht werd gedaan. Tot slot nog dit. Toen twee van zijn leerlingen aan Jezus vroegen voor hem te bemiddelen voor een mooie functie in het toekomstige rijk van God, was hij heel duidelijk in zijn commentaar: ‘Jullie weten werkelijk niet wat je vraagt. Wees a.u.b. niet als de leiders van deze wereld want die maken misbruik maken van hun macht; wie onder jullie groot wil zijn, moet dienaar zijn…’. Dat zijn woorden van een échte koning… In de ogen van Jezus zijn we pas koninklijk als we ons leven in dienst stellen van het welzijn van onze medemensen en de wereld waarin we wonen. 



Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 7 november (Willibrordzondag)


Willibrord was in zijn leven als monnik vertrouwd met de heilige Schrift. Vertrouwd met Gods liefde, met Jezus. Van de vreugde waarmee Gods liefde hem vervulde, wilde hij vertellen. Hij wilde zijn vreugde delen met mensen die nog geen weet hadden van Gods liefde. “Ga”, zo hoorde hij Jezus zeggen. “Ga en maak alle volkeren tot leerling…” Willibrord is op weg gegaan, een onzekere toekomst tegemoet, vertrouwend op Gods belofte: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld. In ons land waar hij aan wal ging, en in het grote gebied daaromheen, heeft Willibrord vele kilometers afgelegd en geprobeerd de mensen die hij ontmoette, tot leerling te maken door hen te dopen en het evangelie van Gods liefde te verkondigen. Moesten Willibrord, Bonifatius en vele andere missionarissen verre reizen maken, wij hoeven niet ver te gaan. Wij kunnen missionaris zijn in ons eigen land, in ons eigen dorp, in onze eigen kring van gezin, familie, vrienden, bekenden en buren. Immers, geloven in God is niet vanzelfsprekend. Het is eerder zo dat geloven in de drie-ene God als achterhaald wordt gezien, niet meer van deze tijd. Evenzo het gaan naar de kerk en het met elkaar vieren van de Eucharistie. Het is nog iets van oudere mensen, zo lijkt het. Kortom, we hebben een heel missiegebied voor ons liggen. Maar, hoe is het met ons eigen spreken over God gesteld? Geloven in Gods liefde is niet bepaald het onderwerp waarover we gemakkelijk spreken. Hoe komt dat? Onlangs las ik het woord Godschaamte, als titel van een boek waarin de schrijver Gods liefde en zijn weg om Gods liefde te beantwoorden, ter sprake brengt. De schrijver is zijn schaamte voorbij… Godschaamte. Schaamte om God, om Gods liefde ter sprake te brengen. Herkent u dat? Ik beken u eerlijk dat het mij moeilijk valt om met mensen die zeggen niets met God, met kerk of geloof te hebben, over mijn geloof in Gods liefde te spreken. En ik vermoed dat het u ook moeilijk valt. Onze geloofservaringen ter sprake brengen kan schroom en ongemak in ons oproepen. Schroom misschien omdat we onze relatie met God als heel persoonlijke ervaren of omdat we ons afvragen of onze relatie met God wel écht is. Ongemak, omdat we mogelijk bang zijn dat de ander ons dwaas vindt als we stuntelig over Gods liefde proberen te spreken. Ongemak, omdat veel mensen de geloofstaal niet verstaan en we geen woorden kunnen vinden die aansluiten bij de zo andere leefwereld van zeg maar even ‘de ongelovige’. Zo kunnen we vele redenen hebben om te zwijgen over Gods liefde, ook in contact met mede gelovigen. Maar, wat zou ons kunnen helpen om het aan te durven om wél te spreken? Mijn ervaring is dat het met elkaar spreken over onze schroom en ongemak, een grote hulp is. Met elkaar proberen woorden te vinden voor wat eenieder wel of niet ervaart van Gods liefde, geeft vreugde! Naar elkaar luisteren hoe eenieder tekenen ziet van Gods liefde in het eigen leven en in het leven van mensen waarmee we samenleven, geeft vreugde! In het met elkaar spreken, deelt God zélf zich mee, én worden wij bemoedigd in en vertrouwder met het spreken over Gods liefde. Zo krijgen wij oefening én krijgen wij vreugde in het ter sprake brengen van Gods liefde in ons leven. De plaats waar we ons spreken over Gods liefde mogen oefenen, is vlak bij! Wij zijn gezegend met de aanwezigheid van het Karmelklooster! Met de aanwezigheid van zusters en broeders die in en met hun leven getuigen van Gods liefde. Zij bieden ons een plaats waar we kunnen leren Gods liefde ter sprake te brengen. Waar we kunnen leren zien hoe Gods liefde door mensen tot uitdrukking komt in hun soms onopvallende uitingen van liefde voor hun naasten. Bijvoorbeeld door mensen hun gebed, door het aansteken van een kaars, door het doen van een boodschap, door het brengen van een bezoekje, door het vullen van de voedselmand, door het zingen in de vieringen, en vult u maar aan met wat u allemaal kunt zien als uitingen van Gods liefde…. En wat zijn wij gezegend met de zusters en broeders die hier in de Basiliek elke dag Gods woord van liefde verkondigen! Zo zijn er vele missionarissen van Gods liefde om ons heen. Missionarissen die ons bemoedigen leerling te zijn. Leerlingen tezamen met één Meester, Jezus Christus. Leerlingen met vele voorbeelden van mensen die Gods liefde hebben verkondigd. In de tijd van Willibrord. En in onze tijd. Tot ons nu zegt Jezus: “Ga! Verlaat je bang-zijn. Durf het aan om over Mij te spreken. Durf het aan om mijn woord te leven! Ga weg uit de wereld waarin het leven lijkt te gaan om prestatie, om geld en goed. Ga! En verkondig alle mensen mijn liefde”. Ja, God roept ons op, God zélf wil samen met ons zijn weggaan. Zijn eeuwigdurende en onvoorwaardelijke liefde roept ons alle dagen tot aan de voleinding van de wereld…


Greetje Feenstra


Zondag 24 oktober 2021 (30e zondag door het jaar)


Inleiding


Op vrijdag 21 mei maakte paus Franciscus bekend dat er in oktober 2023 een algemene bisschoppensynode. Dat is een grote bijeenkomst waar zoveel mogelijk bisschoppen van over de hele wereld samen zullen nadenken over ‘de Kerk vandaag en morgen’. De paus nodigt iedere bisschop ook uit om in zijn eigen bisdom zo’n bezinningsproces op gang te brengen. Onze bisschop heeft dat afgelopen zondag gedaan in een plechtige viering in de kathedraal van Den Bosch. De komende maanden, tot eind februari, staan in het teken van verkennen: verkennen van wat er leeft in de parochies. Daarbij zullen wij ons in Nederland vooral richten op drie kernthema’s: vieren van de liturgie, onze medeverantwoordelijkheid voor missie en de dialoog in Kerk en samenleving.  Van die verkenningen zullen verslagen gemaakt worden; die zullen gebundeld worden en de samenvattingen van over de hele wereld zullen de basis vormen van de gesprekken van de bisschoppen tijdens de synode van volgend jaar oktober. U begrijpt: een intensief en groots aangepakt proces. Afgelopen zondag, 17 oktober, is in de kathedraal van Den Bosch het startsein gegeven. Zuster Bep de Vreede is daarbij aanwezig geweest namens onze parochie én namens onze kloostercommuniteit. Zij en alle andere 259 parochies van ons bisdom hebben uit Den Bosch een kaars meekregen, een synodekaars, die wij hier tijdens onze vieringen zullen branden. En we zullen in de voorbeden regelmatig bidden voor het welslagen van de synode en het proces ernaartoe. 


Overweging naar Marcus 10,46-52


Wat willen jullie dat ik voor je doe?’, dat hoorden we vorige zondag door Jezus vragen aan twee van zijn vrienden. Die twee hadden toen voor zichzelf om de beste plaatsen gevraagd in de hemel. ‘Je weet niet wat je vraagt’, was toen het antwoord geweest van Jezus. ‘Zorg maar eerst dat je oog krijgt voor de mensen die het moeilijk hebben’. Vandaag hoorden we in het evangelie dat de leerlingen niets geleerd hadden van dat gebeuren.  Want of het zo zijn moest: ze kwamen prompt langs zo iemand die het moeilijk had: Bartimeüs, een blinde man, die dagelijks langs de weg moest bedelen om wat eten te kunnen kopen.  Waarschijnlijk wist hij dat Jezus daarlangs zou komen. In ieder geval riep hij heel hard: ‘Heb medelijden met mij’. Aanvankelijk probeerden de volgelingen van Jezus de blinde man nog tegen te houden. Ze snauwden tegen hem dat hij zijn mond moest houden; maar de man liet zich niet uit het veld slaan. Hij schreeuwde nog een keer: ‘heb medelijden met mij’. Toen Jezus hem hoorde, zei hij: ‘Roep die man eens hier’. Opvallend is dat de omstanders toen ineens wél vriendelijk konden zijn. ‘Hou goede moed. Hij roept je’. Toen de man bij Jezus was gekomen, vroeg die hem: ‘Wat wil je dat ik voor je doe?’ ‘Dat ik zien kan’, was zijn antwoord. Waarop Jezus tegen hem zei: ‘Ga, je vertrouwen, je geloof, heeft je genezen’. En dan besluit het verhaal met te zeggen dat Bartimeus zich bij hem aansloot.


Eigenlijk is het hele evangelie van Marcus één grote parabel, één groot verhaal, waarin wij onszelf kunnen tegenkomen. En daarom durf ik mezelf en u te vragen op wie wij zouden kunnen lijken.



  • Zijn wij als die blinde man die zo graag wil zien en vooral ook: die daar langs de weg zijn uiterste best deed om gezien te worden? Zijn wij als die man en durven wij, zoals hij, als dat nodig is ook te laten merken dat wij hulp nodig hebben of zwijgen we liever of durven wij niet of hebben we eigenlijk geen vertrouwen meer in de mensen om ons heen en in God? Dit evangelie-verhaal zegt in ieder geval: ‘Vraag gerust om hulp als dat nodig is. Schaam je niet. Durf op te komen voor jezelf’.

  • Maar misschien lijken we soms ook op die omstanders, die mensen die met Jezus meetrokken en die de man afsnauwden, en vinden wij vragen van mensen in nood lastig en hebben we liever niet te veel te maken met het verdriet of de ellende van een ander? Als dat zo is, dan zouden we vandaag zeker kunnen bidden dat Jezus ook ons geneest, opdat ook ons de ogen opengaan.

  • En als ons de ogen opengaan, worden we dan, net als de blinde man, ook volgelingen van Jezus en vragen we, net als hij, aan elkaar: ‘Wat kan ik voor je doen?’ of zeggen we tegen elkaar: ‘Houd goede moed. Hij roept je’.


Vandaag is het missiezondag. Dat heeft alles te maken bij twee van de kernthema’s waar de paus aandacht voor vraagt in de voorbereiding op de grote synode van 2023’: ‘medeverantwoordelijkheid voor missie en dialoog in de kerk en samenleving’. Hij heeft deze thema’s onder meer gekozen vanuit het besef dat Kerk en geloof in Europa en vooral noordelijk Europa heel kwetsbaar zijn geworden. Tegelijk hoopt de paus dat ons katholieke geloof ook in onze streken toekomst heeft.


Precies die overwegingen van de paus sluiten goed aan bij het evangelie van vandaag: missie in de oude en in de hedendaagse zin beginnen bij:  stilstaan bij mensen, luisteren naar hun vragen, kritiek van mensen niet uit de weg gaan, elkaar moed inspreken… én vragen: ‘wat kan ik voor je doen?’ en elkaar helpen om uit te vinden hoe we samen de weg kunnen gaan die Jezus ging.


Ben Wolbers, pastor-teamleider


Zondag 17 oktober (29ste zondag door het jaar)


Er is een tijd geweest waarin mensen manieren zochten om heilig te worden. Ik heb nogal eens zusters op hoge leeftijd gesproken die tegen mij zeiden dat zij precies daarom in het klooster waren gegaan: ‘Ik wilde heilig worden, daarom trad ik in’. Het is opvallend dat zij dit altijd zeggen met een beetje verontschuldigend lachje. Zo van: ‘Ach ja, ik wist toen niet beter’. Het blijkt namelijk altijd dat zij gaande hun leven erachter zijn gekomen dat het zo niet werkt. Je kunt er niet van alles en nog wat aan dóen om heilig te worden. Je kunt nog zoveel ascetische oefeningen doen: vasten, weinig slapen, zelfkastijding, boetegordels omdoen, uren en uren, ja nachtenlang bidden en er was nog zoveel meer dat mensen bedachten in hun pogingen tot zelfheiliging. Het werkte niet. Vaak gebeurde het tegenovergestelde: mensen werden nogal eens gefrustreerd met alle gevolgen van dien. Frustratie, dat weten wij allemaal, maakt geen betere mensen van ons. Helaas was dat toch heel vaak dé manier die mensen probeerden om Christus na te volgen. Zó wilden zij de beker drinken die Hij dronk: de beker van het lijden. Eigenlijk is dat heel gek, want Jezus heeft volgens onze evangelieverhalen nooit op die wijze het lijden gezocht. Hij at en dronk, Hij sliep, Hij had vriendschappen, Hij was onder de mensen en Hij hield van ze. Heeft het lijden dan geen plaats in ons geloof? Dat kunt u nu denken. In de evangelietekst die wij zojuist hoorden spreekt Jezus wel degelijk over lijden. “Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink?” Wij weten maar al te goed dat Jezus in Getsemane ook in gebed over een beker zal spreken en in hevige angst zal bidden dat die beker van Hem zal worden weggenomen. Een beker die níet zou worden weggenomen; een beker die Hij tot de bodem zal legen. De toenmalige leerlingen snappen niet goed waar het over gaat als Jezus zijn lijden aankondigt. Zij laten zich leiden door menselijke overwegingen. Zij blijven dromen van een aardse en politieke Messias, die alle problemen in een oogwenk zal oplossen, die een leger zal aanvoeren. Zij zien alles alleen nog maar in hun eigen kaders en structuren. Het kader waarin wij aan van alles en nog wat willen en kunnen werken. Jezus geeft opnieuw duidelijk aan wat zijn levensvisie en programma is. Dat had Hij al eerder gedaan. Jezus had toen een kwetsbaar kind in hun midden geplaatst. Nu komen de leerlingen opnieuw met de vraag naar erebaantjes: wie links en rechts van Hem mogen zitten. De eerste raadgevers van de keizer zaten links en rechts van hem.  Maar wéér zegt Jezus dat het bij Hem anders is: wie eerste wil zijn, moet slaaf van allen zijn. ‘Slaaf’, geen vrije dienaar, zoals die links en rechts van de Keizer zitten. Die eigenlijk verlengstuk van de Keizer zijn en delen in zijn macht. Nee, ‘slaaf’, die doen wat gedaan moet worden, aan wie alles kan worden gevraagd. Zoals aan Jezus uiteindelijk alles werd gevraagd. Ja, dan kan de navolging van Christus leiden met een lange ij worden. Niet omdat dat op zichzelf goed is, maar omdat dit de uiterste consequentie van een levenswijze kan zijn; de consequentie van wat de mens ziet als een leven dat gericht is op goedheid, op het welzijn van mensen. Wij hebben afgelopen week in de media Siegried Kaag gezien die voor de rechtbank vertelde wat ernstige bedreigingen met haar hadden gedaan. Ze had zich zelfs in oorlogsgebieden nog nooit zo angstig gevoeld. Virologen die zich in de media uitspreken over vaccinatie overkomt hetzelfde. Toch gaan ze door, ze laten zich niet intimideren, hoewel zij en wij weten dat het een keer kan gebeuren…Peter R. de Vries wist het ook… Dit zijn niet allemaal christelijk gelovige mensen, Tóch drinken ook zij de beker, ze laten zich niet afhouden van dat wat ze zien als een oprecht en goed leven. Ongeveer honderd jaar geleden leefde een jonge vrouw. Zij wilde ook een heldhaftige en ascetische religieuze zijn, maar daar was ze veel te zwak voor. Dat zat er voor haar gewoon niet in. Dat was een enorme worsteling, want hoe zou het nou met haar heiligheid gaan? Na een paar jaar geworstel viel het kwartje. Ze had zich ooit verwonderd over een nieuwe uitvinding: een lift. Christus is de lift, begreep ze; de lift van de liefde die er ís: Gods liefde en haar liefde. Voor die liefde hoefde ze niets speciaals te doen. Toen accepteerde ze haar kleine en weinig heldhaftige bestaan dat ze had ontvangen. Toen ze tuberculose kreeg en een vreselijk ziekbed hield ze dat vertrouwen tot en met dat ze zelfs al haar geloof in de hemel kwijtraakte. Maar juist daarom werd Theresia van Lisieux niet alleen heiligverklaard, maar zelfs verheven tot lerares van de kerk. Kun jij de beker drinken die ik drinken moet? Dat vraagt Jezus door de eeuwen heen aan al zijn leerlingen, ieder in hun eigen grootse of kleine bestaan. Bidden wij dat Hij ons daarbij te hulp zal komen. Amen.


Susan van Driel o.carm.


 


 


Zondag 17 oktober. Overweging tijdens de Eerste Communie mis


Beste kinderen, voorop het boekje zien we: geluksvogels. Dat slaat op jullie! Jullie mamma’s en pappa’s hebben dat samen met meneer Roger bedacht! Ze vinden dat jullie geluksvogels zijn. Toen ik een beetje nadacht over dit Bijbelverhaal dat ik zojuist voorlas, toen moest ik ze gelijk geven: ze hadden het verhaal goed gelezen: Jezus noemt jullie eigenlijk ook geluksvogels. En waarom noemt hij jullie zo? Omdat de nieuwe wereld van God heel in het bijzonder voor jullie bestemd is. Jullie zijn geluksvogels omdat jullie nog heel veel kansen hebben om van de wereld die God ons geeft, iets moois van te maken. Jullie zijn geluksvogels… Maar als dat zo is, moeten we natuurlijk ook weten wat een geluksvogel eigenlijk is. Ik denk dat je het antwoord op deze vraag kunt vinden in dat mooie gedicht dat Josien ons voorlas; je bent een geluksvogel als je weet waar je het geluk kunt vinden. Je vindt het geluk, zegt het gedicht, als je kunt genieten van de natuur: van de wind om je oren, van de zon in de lucht, als je de stilte kunt horen. Je wordt gelukkig als je kunt délen in je leven. Als je niet alleen voor jezelf zorgt, maar ook aandacht hebt voor een ander. Als je iemand overeind helpt die gevallen is. Als je een ander probeert te troosten als die verdriet heeft. Je kunt gelukkig worden als je gaat spelen met een kind dat er een beetje buiten valt. Als je ziet dat een ander hulp nodig heeft, dat je dan ook gewoon gáát helpen. Je wordt gelukkig als je gewoon lekker kunt spelen op school of bij jou in de straat. En je vindt geluk als je leert in Jezus te geloven, want hij vond al die dingen in het gedicht belangrijk. Hij liet zien hoe fijn ‘samen’ is en hoe goed het is plezier én verdriet te delen. Hij wist dat je echt gelukkig kunt worden als je probeert de dingen te doen die daar aangeraden worden. Nu ga ik iets tegen de grote mensen zeggen. Beste mensen, jullie die allemaal nauw betrokken bent bij het wel en wee van deze kinderen: deze boodschap van Jezus klinkt eenvoudig, maar ze is zó ongelofelijk belangrijk voor ons en voor onze samenleving. En het is ook zó ongelofelijk belangrijk dat deze kinderen die vandaag voor het eerst de heilige communie ontvangen, die boodschap meekrijgen. Daarom zeg ik vandaag tegen jullie: ik ben blij dat jullie deze kinderen door de eerste communie betrekken in wat ik zou willen noemen: ‘de wereld van Jezus’, dat is de wereld waar mensen verantwoordelijkheid willen dragen voor elkaar… Ik ben er óók blij mee dat jullie kinderen hun eerste communie ontvangen in een gemeenschap, de gemeenschap van de Onze Lieve Vrouwe Parochie.  Niet alleen omdat ik hier pastoor ben, maar vooral omdat ik vind dat onze parochie een plek is waar we ons geloof op een eigentijdse manier beleven. Onze parochie is een gemeenschap waar iedereen welkom is, wie hij of zij ook is, ongeacht afkomst, kleur of geaardheid. Onze parochie probeert actief betrokken te zijn bij allerlei gebeurtenissen uit de samenleving. We trekken ons werkelijk iets aan van de noden van onze maatschappij; dat doen we door actie te voeren voor kinderen in Afrika, door bij voorbeeld Amnesty International te ondersteunen. Door elke week boodschappen in te zamelen voor de Voedselbank.  En natuurlijk door de goedheid en de onderlinge hulp die niet opvalt maar die mensen elkaar hier wel in stilte geven. Op die manier probeert onze parochiegemeenschap het voorbeeld van Jezus na te volgen. En daarom is het fijn en goed, beste mensen dat jullie kinderen vandaag hier hun eerste communie ontvangen. Ik wens jullie samen met je kinderen heel veel geluk en zegen. En ik wens uit de grond van mijn hart dat deze nu nog kleine mensen uit zullen groeien tot gelukkige mensen.


Ben Wolbers, pastor-teamleider


Donderdag 29 september 2021. Overweging tijdens de Lourdesmis.


De kleine heilige Theresia van Lisieux heeft eens gezegd: ‘Een preek over Maria doet mij eigenlijk alleen maar iets, als ik haar leven voor mij kan zien zoals het werkelijk was en niet zoals het vaak uitgedacht is door geleerde mensen. Ik ben ervan overtuigd’, zei zij, ‘dat het werkelijke leven van Maria heel eenvoudig geweest moet zijn. Men stelt haar vaak voor op een manier die niet na te volgen is, onbereikbaar, maar men moet haar zó uitbeelden dat ze na te volgen is; het is al genoeg te weten dat ze uit haar geloof heeft geleefd’. Ik vind dit heel raak gezegd. Er staat niet zoveel over Maria in de bijbel. Maar wat er staat, is voldoende om ons helpen om haar leven voor ons te zien zoals het werkelijk was. Het begint al wanneer zij te horen krijgt dat zij zwanger is, op een geheimvolle wijze. Dat bracht haar behoorlijk in verwarring, maar uiteindelijk zei ze ‘Uw wil geschiede…’ en bewaarde ze alles in de stilte van haar hart. En vanavond hoorden we dat zij op bezoek ging bij haar nicht Elisabeth, toen die net als zij zwanger was. Maria ging naar haar toe, gewoon om te helpen; ze bleef drie maanden bij haar. Haar zoontje moest ze ter wereld brengen in een smerige stal in Bethlehem. Toen haar kindje Jezus geboren was moest ze op de vlucht naar Egypte, op de vlucht voor het geweld van koning Herodes, vluchten voor geweld van machthebbers het is helaas van alle tijden. En dan het gedrag van haar zoon hoe vaak hebben zij en Josef zich niet moeten afvragen wie of wat hem toch bezielde als kleine jongen al tussen de geleerde mensen in de tempel in Jeruzalem en later op de bruiloft van Kana. En tenslotte dat vreselijke gebeuren dat ze moest aanzien dat hij vermoord werd door de machthebbers. Naar die Maria gaan wij vrijdag op reis. De Maria die heeft moeten meemaken wat zoveel mensen voor en na haar soms ook moeten meemaken. Daarom staat ze ook zo dichtbij veel gewone mensen. Ze leidde een gewoon, onopvallend leven. Maar toch, toch was het leven van Maria meer dan gewoon, eenvoudig en onopvallend. Het was ook bijzonder. Bijzonder omdat zij altijd is blijven vasthouden aan die ene ervaring die ze had toen haar de geboorte van Jezus werd aangekondigd: dat God haar in al haar kwetsbaarheid kracht zou geven, dat Hij haar zou blijven vasthouden. Daar haalde zij haar kracht vandaan. Daarom is onze reis naar Maria ook geen gewone reis. Het is een bedevaart. Een bedevaart is een reis naar een plek waar je op een bijzondere wijze vertrouwen kunt ervaren, geloof, hoop en liefde. Je gaat op bedevaart om tot bezinning te komen, tot gebed, tot bezinning, om even afstand te nemen van je dagelijks bestaan.  Een bedevaart is een reis waarvan je hoopt dat je er kracht zult vinden, moed, inspiratie, hulp voor je leven van alledag. Wij gaan op bedevaart naar Maria in het verre Lourdes. We hopen dat we daar iets mogen ondervinden en aanvoelen van het geloof en het vertrouwen waardoor Maria kon omgaan met wat haar allemaal overkwam. We zullen de komende week van alles met elkaar meemaken en met elkaar delen. Verdrietige dingen, mooie dingen. We zullen mogen ervaren hoe goed het is dat we met elkaar optrekken. We zullen bij elkaar ontdekken dat wij niet de enigen zijn die kwetsbaar zijn of zwak. We zullen elkaars hoop versterken, elkaars geloof versterken. We zullen ook heel veel andere mensen zien van over de hele wereld. Die zijn daar net als wij ook gekomen om iets te ervaren van het geloof en het vertrouwen van Maria. We zullen samen bidden en vieren. Elkaar vast houden en bemoedigen en daar doorheen zullen we kunnen voelen, dat God ons vasthoudt en ons kracht geeft. Zo zal het met Maria ook gegaan zijn. Want God werkt door mensen, door onze handen, door onze woorden, door onze glimlach, door ons medelijden, door onze kleine gebaren van goedheid. Ik herinner u aan Therese van Lisieux: het is al genoeg als je weet dat ze uit haar geloof heeft geleefd. Ik hoop dat we de komende dagen in Lourdes kunnen ervaren dat we in de teleurstellingen en de verdrietige ervaringen die iedereen op haar of zijn levensweg onherroepelijk tegenkomt. Dat we daarin overeind kunnen blijven. Straks zullen we het uitzingen: ‘Als de golven dreigen, hoger, hoger stijgen, schijn dan veilig voor ons uit...’ Om dit alles wens ik u en mijzelf toe: “een goede vaart, een gezegende bedevaart”.


Ben Wolbers, pastor-teamleider


Zondag 26 september 2021 (26ste zondag door het jaar)


We hoorden twee verhalen die erg op elkaar lijken. We horen over Mozes en over Jezus. Beiden hebben een kring van mensen om zich heen die ze gevraagd hebben hen te helpen. Maar als er dan mensen van buiten die kringen hetzelfde doen, dan is Leiden in last. Vorige week – in de oecumenische viering – hebt u kunnen horen over het onderlinge gekibbel van de leerlingen van Jezus, – de latere leiders van de kerk dus – wie van hen de belangrijkste was, wie de baas zou zijn. En we hoorden toen hoe Jezus hen op hun plaats zette. In het evangelie van vandaag doet hij dat weer. De leerlingen hebben niet het alleenrecht om de goede boodschap van Jezus te verkondigen. Tussen dit evangelieverhaal en de eerste lezing van dit weekend liggen vele eeuwen. Maar in beide verhalen gebeurt eigenlijk hetzelfde. En ik denk dat we sindsdien nog weinig of niets hebben bijgeleerd, maar daarover straks meer. Eerst even naar de lezingen kijken. Mozes heeft God gevraagd of hij de leiding over het volk van Israël mag delen met zeventig anderen. Zijn leiderschap werd hem te zwaar. Maar als Mozes die zeventig aangesteld heeft, dan blijken er nog twee anderen te zijn die ook als leider optreden. Dat vonden enkele mensen te ver gaan. Ze gingen naar Mozes: ‘Dat moet u hen verbieden. Die horen niet bij die zeventig. Dit mogen ze niet.’ Maar Mozes zegt dat het wel degelijk mag. Nog sterker: ‘Ik zou willen dat het hele volk zo in de Geest van God zou werken’. Eeuwen later in de tijd van Jezus speelt iets soortgelijks. Dat hoorden we in het evangelie. ‘Rabbi, meester, we hebben iemand die niet bij ons hoort, duivels zien uitdrijven. Dat mag toch niet?’ Kennelijk dachten zijn leerlingen dat ze een soort alleenrecht hadden. Maar Jezus reageert net als Mozes: ‘Laat ze maar doen’, zegt hij tegen zijn jaloerse leerlingen. ‘Laat ze maar doen. Wie niet tegen ons is, is voor ons’. Ruimer denken kan bijna niet. We zijn intussen twintig eeuwen verder en wat ik al zei: volgens mij hebben we nog steeds weinig bijgeleerd. Ik bedoel dit: wanneer overtuigde gedoopte en gevormde christenen in het openbaarheid gaan spreken, dan gebeurt het nogal eens dat hen gevraagd wordt te zwijgen, dat ze in bepaalde kringen van de kerk geen recht van spreken hebben. Ik heb hier aan een medebroeder op het oog, Carlos Mesters heet hij, die als jongen van zeventien naar Brazilië ging, daar priester werd gewijd en zich ontwikkelde tot een ook nu nog steeds zeer bekende bijbelgeleerde. Carlos leeft nog en is inmiddels de negentig gepasseerd. Omdat hij naast zijn wetenschappelijke arbeid ook als missionaris werkte in de sloppenwijken van de grote steden en op het arme platteland, kwam hij ertoe om juist voor de arme en gewone mensen een bijbelschool op te richten. Dat werd uiteindelijk een bloeiend instituut, bekend in heel Brazilië. Op internet kunt u daarover wel het een en ander vinden. Het speciale aan die bijbelschool is, dat hij daar de gewone mensen leerde de Bijbel verstaan als een boek voor hen, een boek dat beschrijft dat God bevrijding wil en rechtvaardigheid voor álle mensen, en speciaal ook voor de armen en de mensen aan de rand. Maar omdat dit een beetje te veel deed denken aan de bevrijdingstheologie, gaf het Vaticaan hem in negentiger jaren een spreekverbod. Hij mocht niet meer preken en een les meer geven. Zijn bijbeluitleg was te gevaarlijk… Dat verbod werd gelukkig na een jaar weer opgeheven, maar toch…


Mozes en Jezus wilden de werking van de heilige Geest juist niet beperken tot een kleine exclusieve groep. Dat zouden wij als kerk – juist in deze tijd – heel goed moeten beseffen. De Bijbel vraagt juist van ons dat we elkaar waarderen en wederzijds respecteren. Daarmee bedoel ik niet dat we alle verschillen glad moeten strijken, maar juist op hun waarde te schatten. Een bloementuin is pas mooi als er verschillende bloemen en kleuren in staan, zei Carlos ooit. We hebben elkaar nodig. Juist doordat we soms zo verschillend zijn, kunnen we er samen iets moois van maken. Dat betekent dus: niemand buitensluiten. In onze samenleving niet en zeker niet in onze kerk. Stelt Jezus dan geen eisen? Jawel. Lees maar verder in het evangelie. Wie kleine mensen verdrukt, armen uitbuit en de ander zijn of haar loon onthoudt, die is te licht voor het Rijk van God. Maar wie naar eer en geweten aandacht besteedt aan gewone en kleine mensen, die hoort bij ons thuis, - zegt Jezus. Dat is de ruimdenkendheid die ik aan het begin bedoelde. 


Ben Wolbers, pastor-teamleider


 


Overweging van dhr. Jos de Graaf op 19-9-21 oecumenische viering rond de Vredesweek


Thema van de overdenking is:


Durf te Kiezen


Dinsdag is het Prinsjesdag, alle belangrijke mensen zijn dan weer aanwezig, wellicht aangepast i.v.m. de corona, Wat zou dit land enorm geholpen zijn als het dienen waartoe Jezus oproept, de hoofden en harten weer eens zou beheersen. Dan zouden keuzes gemaakt worden en zouden ouderen, zieken, werklozen, armen en arbeidsongeschikten ontzien worden. Jezus maakt keuzes en stelt prioriteiten. Er is nu even geen tijd om zieken te genezen of het woord te verkondigen; integendeel, Hij moet onderricht geven aan zijn leerlingen; en dat dat nodig is blijkt al duidelijk uit dit gedeelte (Marcus 9: 30-37) want de discipelen snappen niet wat Jezus zegt als Hij lijden moet en ze lopen te kibbelen over de vraag wie van hen de belangrijkste is! Durven te kiezen; velen van ons hebben het er moeilijk mee om duidelijk te zijn; aan te geven wat prioriteiten zijn; zeggen dat we niet alles tegelijk kunnen doen. Aangeven wat je wel of wat je niet wil of kunt. Velen van ons proberen alle ballen tegelijk in de lucht te houden met als gevolg dat er voortdurend steken vallen. Jezus durft te kiezen. Hij kiest hier voor onderricht. En zegt dat Hij zal moeten lijden. Dan staat er dat de leerlingen Hem niet begrijpen, maar ook geen vragen stellen. Ook dat herkennen we naadloos. Je wil niet dat men je voor dom houdt. Je wil niet laten merken dat er iets is dat je niet snapt. Je durft dus niet kwetsbaar te zijn. Je suggereert dat je alles wel weet…Niet voor niets zal Jezus zo dadelijk een kind in het midden stellen; want kinderen zijn kwetsbaar en weten niet alles. De discipelen zwegen; zo doen we dat als we de confrontatie niet aandurven; we houden ons mond en hopen dat de bui overwaait… Maar we zien niet dat de bereidheid om de eigen grootsheid te relativeren de eerste voorwaarde is om werkelijk tot God te komen… Ze komen in Kapernaüm. Onderweg voeren de discipelen een heel gesprek. Waarover spraken zij? Over het aanstaande lijden van Jezus, waarvan ze zojuist uit zijn mond hoorden? Nee dus. Het zijn net mensen, die discipelen. Ze hebben niet zo veel boodschap aan de woorden van de Heer, ze hebben zo hun eigen programma, hun eigen vragen. Heel herkenbaar. Het geldt bij tijd en wijle voor ieder van ons; we horen de woorden van de Heer, maar parkeren ze. Andere zaken zijn belangrijker.De discipelen hebben een brandende vraag aangesneden: Wie van hen is de grootste, de belangrijkste, de invloedrijkste. Hoe komen de leerlingen van Jezus bij die vraag?  Jezus vraagt hun: En waarover was onderweg die discussies? Ze zwijgen. En blijven zwijgen, want ze zijn beschaamd. Maar helaas! Jezus weet het: Wie de belangrijkste wil zijn, zegt Hij… en sluit zo aan bij wat hen bezighield. Wij kunnen wel denken dat God niet weet wat in ons omgaat, maar het is Hem bekend. Hij immers is onze Schepper en hij heeft toegang tot ons hart. God weet wat ons bezig houdt… Daarom kunnen we het beter met Hem delen, bijvoorbeeld in onze gebeden. Toen naam Jezus een kind en plaatste dat in hun midden. Hij bedoelt hier niet te zeggen dat mensen moeten worden als een kind; Het is niet zoals in die bekende tekst: Laat de kinderen tot Mij komen… Het gaat hier om iets anders. Jezus wil zeggen dat mensen weerloos en kwetsbaar zijn als een kind, niet moeten heersen als de groten der aarde. De dienst bewezen aan een kind is onbaatzuchtig en bewijst zelfopoffering. Dan zegt Jezus: Wie de belangrijkste, de grootste wil zijn, moet de nederigste zijn, moet dienen! En dat is nu net wat Hij bedoelde in zijn onderwijs aan de leerlingen over het lijden. Het gaat niet om straks, het gaat om nu. Niet met een gouden koets, niet met pracht en praal maar door te dienen. We schrijven de armen, de hongerigen, de dorstigen, de zieken, de gevangenen, de vreemdelingen – buitengeslotene net zo gemakkelijk af zoals we God afschrijven. Ze lijken niets voor te stellen, maar ze blijken dichter bij het koninkrijk te zijn, dan vele andere. Durven wij ook te kiezen: Wie in het oorlogsmuseum is geweest heeft wellicht de foto zien hangen van de scheepswerf waar Hitler aanwezig was, en daar staan heel veel medewerkers op die de Hitler groet doen. Maar er staat een man tussen die dat niet doet, hij durfde te kiezen omdat niet te doen, met alle risico’s van dien voor hem. Kiezen we voor een injectie of niet, met mogelijke negatieve of de positieve gevolgen. Onlangs in Afghanistan waar de taliban weer de macht heeft. Kozen Afghanen om het land te verlaten, o.a. voor hun godsdienst anders dan de taliban zal dicteren. Zelf iemand die de keuze had gemaakt om aan een landingsgestel van een vliegtuig te gaan hangen, met fatale gevolgen; zijn dodelijke val van grote hoogte. We maken keuzen met je hoofd, Maar je hoofd weet het antwoord niet. In je hoofd zitten twijfels. Het resultaat is dat je alleen nog meer nadenkt en piekert over de mogelijke consequenties van je keuze. Bovendien denk je vaak alleen maar aan de negatieve gevolgen van je keuze. Je vergeet na te denken over de positieve gevolgen van je keuze. Nadenken over de negatieve consequenties werkt verlammend. Bovendien wordt het alleen maar erger, want alles wat je aandacht geeft groeit. Het antwoordt op je keuze zit niet in je hoofd. Het antwoord zit in je hart. Heb mijn Lief, MIJN alleen betracht het goede en weet dat ook het goede zich duizendvoudig voorplant. Durf te kiezen.  Amen


Jos de Graaf


 


Overweging van ds. Marise Boon op 19-9-21 oecumenische viering rond de Vredesweek


Wat heeft dit verhaal nou met vrede te maken, kun je je afvragen? Probeert u zich eens in te denken hoe het voor de leerlingen geweest moet zijn, om hier bij te zijn. Volgens mij moet het een bijzonder ongemakkelijke situatie geweest zijn. Er spreekt maar weinig vrede uit de tekst. Al pratend trekken Jezus en zijn leerlingen door Galilea en Jezus probeert te vertellen wat er in de nabije toekomst zal gaan gebeuren. Dat hij zal sterven, maar dat dit het einde niet zal zijn. Het is op zich geen wonder dat de leerlingen dit niet helemaal begrijpen. Wat wel vreemd is, is dat niemand de moed heeft om te vragen wat hij bedoelt. Waar dit over gaat. Of de toekomst die zij zich gedacht hebben, dan wel in beeld is. Zij dachten met een overwinnaar op pad te zijn, met iemand die koning zou gaan worden in Jerusalem. Niet met iemand die gedood zou worden. In plaats van hun verwarring uit te spreken, zwijgen ze tegenover Jezus. Onder elkaar zwijgen ze echter niet. Onder elkaar lopen ze zich breed te maken, ze lopen zichzelf te vergelijken met de anderen om te zien wie het belangrijkste is. Jezus hoort ze wel praten onderweg, maar zegt er niets van. Hij zal er het zijne wel van gedacht hebben. Pas als ze thuis zijn, als ze onder elkaar zijn, vraagt Jezus waar ze het onderweg eigenlijk over hadden. Dat ze hierover zwijgen als Jezus hen er naar vraagt, zegt wel iets. Schamen ze zich? Weten ze wel dat Jezus hier heel anders over denkt? Ze zouden het in elk geval wel kunnen weten. Een mooi stel is het, die leerlingen van Jezus. Ze zwijgen als er wezenlijke vragen gesteld worden, en als ze praten dan hangen ze de macho uit. Het zijn net echte mensen…. Want dit herkennen we allemaal wel, toch? Het is veel makkelijker om over iets nietszeggends te kletsen, dan om te laten zien dat je verward bent, of bang, dat je iets niet weet of gewoon niet weet wat je moet zeggen. Dan doen we allemaal wel op zijn tijd. Toch? Als Jezus zijn leerlingen vraagt naar waarover zij spraken, zwijgen ze. Ze worden geconfronteerd met hun eigen onvermogen en houden bedremmeld hun mond. Jezus gebruikt deze gelegenheid om zijn leerlingen een les te leren. Het is op zich niet erg, dat je belangrijk wilt zijn, zegt hij, maar weet je wie voor God belangrijk is? Dat is niet degene met de beste baan, de grootste spierballen, de grootste mond. Dat is niet degene die zijn leven het beste voor elkaar heeft, en ook niet degene die het eerste voor de ander klaarstaat. Voor God is dit kind belangrijk – en Jezus omarmt en knuffelt een kind dat blijkbaar ook in het huis aanwezig is. Een kind is kwetsbaar en wordt snel over het hoofd gezien. God kijkt daarnaar: hoe ga je om met kwetsbaarheid: die van jezelf en die van een ander? Als je God wilt ontvangen, houd je dan bezig met kwetsbare mensen en met je eigen kwetsbare kanten, zegt Jezus. Laat die stoere spierballentaal maar over aan anderen. Nu komt dan toch de vrede in beeld. Want die spierballentaal is taal van de macht. En waar die toe leidt, zien we dagelijks op het journaal. Je mag niet over je laten lopen. Je moet laten zien wie de baas is. Als zij mij aanvallen, dan moeten wij die aanval vergelden. Wij heersen over de aarde en gebruiken alles om er rijker of beter van te worden. Dit alles gaat ten koste van kwetsbare mensen, die honger lijden of armoede, die moeten vluchten voor geweld, die worden uitgebuit of vergeten. Wat doe jij in Vredesnaam? Dat is de vraag van deze vredesweek. Het antwoord van Jezus leidt ons in de goede richting. Houd je bezig met kwetsbaarheid. Die zien we dagelijks, om ons heen. Zeker hier in Sint Anna. Probeer elkaar te helpen, probeer geduldig en begripvol te zijn, probeer dat te doen wat in jouw vermogen ligt. Wees een medemens – dat is oneindig veel waard. Kwetsbaar, dat is niet alleen de ander. Dat zijn wij zelf ook. Wees daar niet bang voor, dat hoort bij de essentie van mens zijn. Durf kwetsbaar te zijn. Dat is eng, want een ander kan je pijn doen, als je laat zien waar je kwetsbaar bent. Maar het is ook verrijkend, want de ander heeft dan ook de kans om je géén pijn te doen, omdat hij/zij weet heeft van jouw gevoelige plekken. En daar… daar is God aanwezig. Tot slot een vertelling uit de joodse traditie: aan een joodse rabbi werd door zijn leerlingen de vraag gesteld: Vroeger waren er mensen die God zagen van aangezicht tot aangezicht. Nu hoor je dat nooit meer. Waarom zijn die mensen er tegenwoordig niet meer? De rabbi antwoordde: omdat vandaag niemand zich meer zo diep wil bukken. Diep bukken, dat is onze opdracht. Durft u het te proberen? Amen


Ds. Marise Boon


Zondag 5 september (23ste zondag door het jaar)


Tot op vandaag wordt bij het doopsel een ritus voltrokken die Effataritus wordt genoemd. Bij de dopeling wordt dan symbolisch mond en oren geopend. Het gaat erom dat het woord van God gehoord en verkondigd kan worden.  Alles wat het hem of haar onmogelijk zou maken om goed te kunnen horen en het goede te kunnen vertellen wordt symbolisch of, beter gezegd, sacramenteel geheeld. Als Jezus in het evangelie volgens Matheus spreekt over mensen die zien en toch niet zien; die horen en toch niet horen, dan weten wij eigenlijk direct dat het om meer gaat dan alleen onze zintuigen. En dat is dus ook in de lezingen die wij zojuist hebben gehoord het geval. Ook als wij goed werkende ogen hebben, kunnen wij blind zijn; ook als wij goed werkende oren hebben, kunnen wij dicht zijn. En eigenlijk is dat soms maar goed ook. Dat afgesloten zijn hebben wij zo nu en dan hard nodig. Het is immers een van onze belangrijkste strategieën tot zelfbescherming. Als kinderen hun handen op hun oren houden, en daarbij hard gaan zingen, doen ze dat om zich af te sluiten, wanneer ze bang zijn om iets te horen wat ze niet willen horen of omdat ze het niet kunnen verdragen. Ik las over een gespreksgroep waarin aan de deelnemers de opdracht werd gegeven om zinnen op te schrijven waarbij ze eigenlijk als kind de oren dicht hadden willen houden. Het resultaat waren woorden zoals: ‘Wat zullen de buren ervan zeggen – ‘Wat ben jij toch waardeloos, je kunt ook helemaal niets’– ‘Je maakt me ziek – ‘Dat had ik van jou niet verwacht’- ‘Wanneer maak je mij eens trots,’ enzovoort. Goede voorbeelden die verklaren waarom wij, als we volwassen zijn, zo nu en dan de poort van onze geest op slot doen. Voor we het weten oordelen we en luisteren bij voorbaat niet meer, of we weten al wat iemand gaat zeggen, nog voor iemand uitgesproken is.  Of we luisteren met een soort filter en horen alleen datgene wat ons aangenaam in de oren klinkt en wat natuurlijk ook ons eigen standpunt bevestigt. Ongewenste nieuwe ideeën of iets waarbij we dieper moeten nadenken worden bij voorbaat afgewezen.  Hoeveel misverstanden ontstaan niet omdat we maar met een half oor luisteren?  Ik betrap mijzelf er vaak op dat ik al een antwoord heb terwijl de ander me nog iets wil uitleggen. Als ik dan zou moeten herhalen wat me werd verteld, dan zou ik daar niet veel van terecht brengen. Dit soort doofheid is, als we het ons al bewust zijn, heel hardnekkig. Het is dan ook opvallend dat Jezus veel dóet, om de doofheid van de man te doorbreken: zijn woord alleen is hier niet genoeg. Nee, Hij kijkt naar de hemel, Hij steekt de man vingers in de oren, Hij doet zijn speeksel op zijn tong. Jezus moet hem dus heel dicht op zijn huid komen. Die moeite die Jezus doet is niet verwonderlijk, want heel de geschiedenis van God en mensen is afhankelijk van het horen. Het is niet voor niets dat het ‘Sjema Israël’, ‘Hoor Israël’ het belangrijkste gebed van het jodendom is. Want, zonder wérkelijk horen gaat het hele heilsaanbod van God aan mensen voorbij. Horen, d.w.z. open zijn, is fundamenteel. Open zijn voor wat van God komt. De woorden die wij hoorden in de eerste lezing zijn uit een veel grotere context gelicht. Hoofdstuk 35 in het boek Jesaja is één prachtig visioen van dat wat van God komt: ballingen worden bevrijd, de woestijn zal bloeien, kreupelen zullen dansen, blinden zien en doven horen, wilde dieren zullen er niet meer zijn. Het is een wereld die er nu niet is. Hoewél, misschien is die er voor een deel al wel, het ligt er maar aan hoe wíj met de wereld en met elkaar omgaan. Wij kunnen hier en nu die wereld een stukje tot stand brengen. Vanaf het eerste hoofdstuk in het evangelie volgens Marcus is Jezus op zoek naar mensen die willen meewerken; willen meewerken aan die wereld van God, het Rijk van God. Mensen die net als Hij willen verkondigen dat het eigenlijk heel dichtbij is en die net als Hij erop vertrouwen dat zij daarvoor kracht uit de hemel de hemel zullen krijgen. Jezus keek, lazen wij, naar de hemel. Hij stond met geheel zijn wezen open voor de Vader. Bij de meesten van ons zal opengaan een langzaam proces zijn waarvoor we gelukkig een leven lang de tijd krijgen. En zelfs daarna mogen we vertrouwen dat de Eeuwige zíjn werk zal afmaken. De kerk heeft in dat woord ‘Effata’, ‘ga open’, altijd een oproep gehoord tot de hele mensheid en de hele aarde. Bidden wij dat ook wij zullen horen. Amen


Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 29 augustus bij de start van het nieuwe parochiejaar


Thema: werk in uitvoering


Begroeting en inleiding


Van harte welkom in onze startviering!


De meeste vakanties zijn voorbij. En ook in onze parochie maken wij een nieuwe start. Dat doen we in een tijd waarin de dreiging van het corona-virus voorzichtig wat aan het afnemen is. ‘Gelukkig maar’, zeggen velen. Maar er zijn er ook bij wie ik zorg hoor. Zullen wij ons er wel van bewust blijven dat veel afhangt van ieders persoonlijk gedrag?


Straks zullen we in de lezingen horen dat Jezus en de apostel Jacobus een beroep doen op ieders persoonlijke verantwoordelijkheid. Natuurlijk niet alleen op het vlak van de beheersing van de gevaren van het corona-virus. Beiden spreken over de persoonlijke verantwoordelijkheid. De persoonlijke verantwoordelijkheid voor de keuzes die we maken. Hoe gaan we om met wat er leeft in ons hart: aan welke waarden geven wij voorrang? Durven we ons eigen gedrag kritisch te bekijken? werken we nog aan onszelf? willen wij af en toe nadenken over de  manier waarop wij elkaar benaderen? Het gaat hier over de gebieden in ons leven waar we zelf aan kunnen werken, waar we zelf verantwoordelijkheid voor dragen. Vandaar ook het thema van deze viering: ‘werk in uitvoering’… en vandaar de prachtige afbeelding voorop uw boekje: waar iemand werk maakt van het schoonmaken en oppoetsen van zijn of haar hart…


Overweging


Een oude indiaan gaf zijn kleinzoon onderricht over het leven en levensgeluk. "Binnen in me is een gevecht gaande," zei hij tegen de jongen. "Het is een gevecht tussen twee wolven. De ene wolf is slecht; hij bestaat uit woede, jaloezie, hebzucht, verwaandheid, schuld, wrok, leugens, valse trots en ego. De andere wolf is goed; hij is vrede, liefde, hoop, kalmte, nederigheid, vriendelijkheid, vrijgevigheid en compassie. Die twee wolven vechten met elkaar in het hart van iedere mens, ook in jouw hart." De kleinzoon dacht enkele ogenblikken na en vroeg toen aan zijn opa: "Welke wolf zal dit gevecht winnen?" De oude man glimlachte en antwoordde, "De wolf die jij te eten geeft.” Misschien begrijpt u al wel waarom ik dit verhaaltje vertel. In deze levenswijsheid van een oude indiaan komen beide lezingen samen: de eerste lezing, waarin Jezus het heeft over de duistere kant van ons mens-zijn. En de tweede, waarin de apostel Jacobus vertelt over het licht dat we óók in ons meedragen. Als we het hadden gelaten bij alleen de waarschuwende woorden van Jezus, dan was u straks waarschijnlijk met een vervelend gevoel naar huis gegaan. Want Jezus pakt daar nogal uit tegen de farizeeërs: het binnenste van een mens, zegt hij, wordt echt niet vies als iemand zijn handen niet wast of als hij een keer de afwas niet doet, nee… de mens wordt van binnen smerig door wat daar aan vuiligheid leeft. En dan noemt Jezus een hele rij: boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk en nog veel meer. U hebt het net gehoord. Het is goed dat de strenge woorden van Jezus van vandaag werden gevolgd door de brief van Jacobus. Dat is ook de reden waarom we voor deze keer de volgorde van de lezingen hebben omgedraaid. Want de boodschap van Jezus in het evangelie mag dan misschien wat hard overkomen, Jacobus laat zien dat de boodschap van Jezus zeker ook een blijde boodschap genoemd mag worden. Jacobus zegt: God heeft bij iedere mens in het hart een vermogen tot liefde geplant; en Hij hoopt dat wij die liefde laten uitgroeien tot iets moois. In ons hart leven niet alleen slechte neigingen. Maar ook goede. De titel van een bekend boek zegt het raak: ‘De meeste mensen deugen’. De wijsheid van de oude indiaan is een prachtige aanvulling op de beide lezingen van vandaag. Hij brengt die beide lezingen als het ware samen. Hij laat ons zien dat er van alles kan leven in het binnenste van een mens. Maar hij laat het daar niet bij; hij voegt er een wijs woord aan toe: dat het er vooral op aankomt wat je dóet met wat er leeft in je hart: geef je voedsel aan het negatieve dat daar soms broeit of zorg je dat het goede dat er leeft, kan groeien? Wij zoals wij hier bijeen zijn zullen het erover eens zijn dat je voor het laatste moet kiezen. Dat je de verantwoordelijkheid hebt dat het goede dat in je leeft groeien kan. Dat je met zorg aandacht moet besteden aan het vermogen tot liefhebben dat in ieder van ons leeft. De apostel Jacobus benadrukt dat ook in zijn brief. ‘Besef’, zegt hij, ‘dat er in je binnenste krachtige woorden zijn geplant, woorden van Godswege, woorden die je in beweging kunnen zetten. Wees uitvoerders van die woorden en niet alleen toehoorders en zoek bij voorbeeld wezen en weduwen op in hun nood’. ‘Bij voorbeeld’ want hij bedoelt natuurlijk alle mensen die onze steun nodig hebben, die er in het leven alleen voor staan, alle mensen die om welke reden ook moeilijk hebben. ‘En’ gaat hij verder: ‘doe dat met zachtmoedigheid’, - wat niet hetzelfde is als softheid. Doe het vanuit een hart dat zich durft te laten raken door mensen die het niet makkelijk hebben. Op deze manier verstaan geven Jezus en Jacobus ons een grote maar ook mooie opdracht mee voor het jaar dat wij als parochiegemeenschap voor de boeg hebben: dat wij niet ophouden aandacht en zorg te hebben voor elkaar, vooral voor hen die dat het hardste nodig hebben… dat wij elkaar helpen groeien in verbondenheid met elkaar… én dat we ons daarin laten sturen door Gods woord. En tenslotte: dat wij daarbij regelmatig stilstaan bij onze eigen verantwoordelijkheid, onze eigen rol. Er is dus nog genoeg te doen. Maar er wórdt ook al veel gedaan. Om het met het motto van deze viering te zeggen: veel van wat gedaan moet worden is al in uitvoering. Laten wij daarom bidden dat wij als parochie een echte gelóófs-gemeenschap zullen zijn – en dat, zoals Jacobus het zegt, niet alleen als toehoorders maar ook als uitvoerders. 


Ben Wolbers o.carm. pastor teamleider


Zondag 22 augustus (21ste zondag door het jaar)


Thema: Kiezen en delen                  


Een boek wordt geschreven om de inhoud te delen. De schrijver vertrouwt de woorden toe aan het papier of tegenwoordig - de laptop of tablet - en de lezer is het die er vervolgens ‘iets’ mee doet: die er van geniet, die er lessen uithaalt, gespreksstof of er mee aan de slag gaat, bijv. zoals bij een kook- of klusboek. Het ligt aan de inhoud, voor wie of waarom het boek geschreven is. De schrijver kiest zorgvuldig de woorden uit zodat hetgeen bedoeld wordt, zo goed mogelijk begrepen kan worden. Het is een vorm van breken en delen die iedereen wel kent. Vele bibliotheken zijn gevuld met, ja in feite dode boeken waarvan de woorden pas tot leven komen als ze ook gelezen worden en zo verder leven in en door de lezer. Jezus heeft geen boek geschreven maar wel geschiedenis en enkele van zijn apostelen voelden zich achteraf geroepen om zijn levensverhaal en levenslessen op schrift te stellen, te vertellen over Hem zodat veel méér mensen van het Evangelie - het Goede Nieuws - zouden horen en zo mogelijk kunnen lezen. In vele talen en door de eeuwen heen in vele vertalingen is de bijbel handmatig of door middel van drukwerk gekopieerd en uitgegeven en de vele commentaren en studies die volgden zijn niet te overzien. ‘Gij hebt woorden van eeuwig leven, tot wie zouden wij anders gaan?’ Spraken we met Petrus uit als acclamatie na het Evangelie. Het gaat erom dat hetgeen je leest - of hoort voorlezen - je echt aanspreekt, in een taal die je begrijpt en dat is nog niet zo eenvoudig. Zelfs voor Jezus lijkt het een hele klus om hemels leven en hemelse principes te vertalen naar aardse begrippen. In woord en daad probeert Hij z’n Goede Nieuws te vertellen, echter met wisselend succes. ‘Begrijpen jullie het nou nog niet!?,’ horen we Jezus regelmatig tegen z’n apostelen zeggen. Daarom stuurde Hij na zijn hemelvaart ook de H. Geest die zou helpen om Jezus’ woorden en uitleg te begrijpen, te bevatten zodat ze er daadwerkelijk mee aan de slag konden. Voor woorden van eeuwig leven, daar heb je bijzondere Eeuwige hulp bij nodig maar dat niet alleen. In onze werkgroep krijgen we regelmatig met teksten te maken waarvan we aanvankelijk denken dat we er niks mee kunnen maar het gelezene met elkaar doorspreken werkt heel verhelderend, het krijgt langzaam als het ware handvatten en handen en voeten; iedereen kijkt er weer anders tegen aan. We halen er dan verschillende, ook actuelere vertalingen bij; spreektaal verandert in de loop van de tijd. Dat viel me eens in het bijzonder op toen een familie uit Canada, - die in de jaren ‘50 van de vorige eeuw van hieruit geëmigreerd was, - op bezoek kwam. Ze spraken nog de taal uit de tijd van hun vertrek en dat is logisch. Die typische klanken en dat woordgebruik en ik dacht verbaasd: ‘Ja, zo zeiden we dat toen!’ terwijl het elkaar verstaan geen enkel probleem vormde, was het verschil duidelijk waarneembaar. Over de langere termijn is dat verschil natuurlijk nog veel groter. ‘U spreekt woorden van eeuwig leven.’ Deze woorden sprongen er bij de lezing van vandaag voor mij uit. Vrijwel allemaal zoals we hier bijeen zijn, hebben we wel een bijbel in huis. Gekregen of ooit gekocht maar er in je eentje een stukje in lezen valt niet mee als je het van huis uit niet hebt meegekregen dat te doen. Zeker een oudere vertaling – ook al is het in een kostbare uitvoering -, kan anders overkomen, als je het voor de eerste keer leest; het dagelijks woordgebruik sluit vaak niet meer aan bij de manier van spreken en schrijven van pakweg een kleine eeuw geleden. Toch is het belangrijk met het Levensboek bezig te blijven; het is naar mijn idee een werkboek en de teksten kunnen ons meehelpen om onze geloofsrelatie levend te houden. Het verstoft zo gemakkelijk onder de beslommeringen van de dag en dat leidt tot geestelijke verschraling. Jezus’ woorden van eeuwig leven zijn als dagelijks eten en drinken soms zware kost, dan weer helder en licht verteerbaar. Zijn aanwijzingen voor het leven zijn kostbare woorden hoe God met mensen omgaat en dat heeft eeuwigheidswaarde, ze helpen ons een visie verder in het hier en nu, ze helpen ons om in het dagelijks leven Gods liefde bewuster in praktijk te brengen. Alleen wij zelf kunnen van hieruit kiezen om te delen. 


Betzie Brakels werkgroep Woord- en Communieviering


 


Zondag 15 augustus 2021 (Maria tenhemelopneming)


Begroeting en inleiding


Als een van ons ’s avonds om een uur of zes de basiliek sluit dan zien we dat er hier de dag door behoorlijk veel mensen zijn geweest om bij het beeld van Maria een kaarsje op te steken. Velen van ons bidden tot Maria, ook in deze tijd. Misschien zelfs wel juist in deze tijd van corona. Wij vinden het dikwijls gemakkelijker om tot haar te bidden dan rechtstreeks tot God. Maria is dan onze voorspreekster. Maar wie is Maria nog meer? Laten we daarvoor even alvast naar voren kijken, naar de lezingen van vandaag. In de eerste lezing wordt gesproken over een vrouw die vecht met de draak, het kwaad. En het kwaad uiteindelijk verslaat. De traditie heeft in deze vrouw al heel lang Maria gezien. In de tweede lezing zien we Maria opnieuw als een krachtige vrouw die de handen uit de mouwen steekt bij haar nichtje Elisabeth en die dat beroemde lied zingt, het Magnificat, waarin God bezongen wordt als Degene die opkomt voor gerechtigheid en bevrijding. Al in de eerste eeuwen van onze christelijke traditie was men ervan overtuigd dat het geloof van Maria zo hecht was, dat haar band met haar zoon en met God niet kon worden verbroken door de dood. In het gelovige aanvoelen van de mensen heeft God Maria op een bijzondere wijze bij zich thuis laten komen, in Zijn liefde. En daarmee vieren we eigenlijk ook de hoop en het geloof, dat dit ook eens voor ons allemaal zal zijn weggelegd. In die hoop willen we vandaag vieren en bidden.  


Overweging


Al in de eerste eeuwen van onze christelijke traditie leefde de overtuiging dat het lichaam van Maria niet begraven is, maar dat het opgenomen is bij God. De eerste aanwijzingen dat dit geloof ook echt feestelijke is gevierd, vinden we al rond het jaar 450. ‘Natale Sanctae Mariae’ heette het toen. Vrij vertaald: ‘Maria is opnieuw geboren in de hemel’. Het evangelie zegt niets over deze wonderbare overgang van Maria naar de hemel. Maar het evangelie tekent Maria wél als een vrouw die heel dichtbij God leefde. Het allersterkst komt dit naar voren in het lied dat we haar vandaag hoorden zingen. Het Magnificat. Daar zingt ze uit hoe vertrouwt ze zich voelt met God. Niet de vorsten, de premiers en de presidenten van deze wereld zullen het laatste woord hebben, maar God! Niet de alleskunners, maar de kleine en gewone mensen die op Hem hun vertrouwen hebben gesteld, díe mogen rekenen op Zijn hulp en mededogen. Maria heeft dit vertrouwen in haar leven ook daadwerkelijk laten zíen: zij durfde het leven aan zich te laten gebeuren. Zij vertrouwde erop dat het – wat er ook gebeurde in haar leven – uiteindelijk goed zou komen, - met de hulp van God. Wij reageren dikwijls heel anders op de werkelijkheid waarin wij leven. Ik heb me in de afgelopen maanden wel eens bezorgd afgevraagd hoe het verder zal gaan met onze parochie nu we vanwege corona zo lang met beperkingen moeten leven. Zou u nog terugkomen? Of zou de loop eruit zijn? Gelukkig niet, zo te zien. Maar het zijn soms wel angstige vragen. Of hoe zouden we het anders moeten aanpakken om jongeren meer bij onze parochie te betrekken? Of – iets heel anders – wat zouden we kunnen doen om de bedreigingen van de klimaatverandering weg te nemen of om te buigen? De onmacht die we bij deze vragen voelen, maakt soms weleens mismoedig… Maria ging anders om met de werkelijkheid waarin zij leefde. Zij durfde het leven aan zich te laten gebeuren. Zij zocht niet voor alles een onmiddellijke oplossing. Zij bewaarde de dingen in haar hart, staat er in het evangelie. Maar zij ging intussen wel gewoon door met de dingen die ze meende te moeten doen. Ze ging gewoon naar haar nicht Elisabeth om die te helpen bij de bevalling van haar kindje Johannes. Zij trok gewoon met Jezus mee op zijn reizen door het land. Het vertrouwen dat in haar Magnificat te beluisteren valt, was niet gebaseerd op overspannen verwachtingen, waardoor ze zichzelf verlamde en een machteloos gevoel gaf. Nee, - in haar Magnificat horen we een bepaalde zekerheid dat het uiteindelijk God is, die alles ten goede keert. Die zekerheid gaf haar van de ene kant de vrijheid om te doen wat ze kon doen, en van de andere kant ook de vrijheid om niet méér te willen dan voor haar mogelijk was. Deze innerlijke zekerheid zie ik ook terug bij onze medebroeder Titus Brandsma. Titus heeft net als Maria altijd de overtuiging gehad dat wij op onze levensweg geleid worden door God en dat ons leven in Zijn hand ligt. Dit vertrouwen heeft hem tot het eind toe kracht gegeven en een diepe innerlijke zekerheid, - ook toen hij wist dat het concentratiekamp Dachau het einde zou betekenen van zijn leven in deze wereld. Een diepe innerlijke zekerheid… máár net zoals bij Maria was zijn vertrouwen in Gods leiding niet een simplistisch denken dat God alle tegenwind weghoudt, maar wel een van binnen weten dat onze weg hier op aarde ons hoe dan ook naar een goede bestemming voert. Ik ben ervan overtuigd dat Maria in dit vertrouwen voor Titus een zeer belangrijk voorbeeld was. Precies om dit geloof en om dit vertrouwen mogen wij vandaag vieren dat Maria hoog in de hemel is opgenomen als het stralende teken dat God kleine mensen groot maakt…


Ben Wolbers o.carm. pastor teamleider


 


Zondag 1 augustus 2021 (18e zondag door het jaar)


Begroeting en inleiding


Vijf zondagen lang lezen we uit het evangelie van Johannes, waarin gesproken wordt over brood, honger en dorst, eten en drinken. Dat begon vorige week met het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging. Vandaag het vervolg: de toespraak van Jezus over honger hebben, maar honger waarnaar?Een pasgeboren baby, nog maar net op de wereld, heeft een ingeboren reflex om onmiddellijk te willen drinken. Als het pasgeboren kind de borst of de fles krijgt, zuigt het met veel kracht de melk naar binnen. Maar het is méér dan alleen voedsel dat het binnenkrijgt. Wat het naar binnen zuigt, is ook: aandacht, warmte, nabijheid, liefde, leven. En over dat meer gaat het in het evangelie van vandaag. Dus nogmaals: honger hebben, maar honger waarnaar?


Overweging


‘Operatie Manna'. Zo werden de voedseldroppings genoemd die de geallieerden organiseerden aan het eind van de hongerwinter van 1945. Limburg en Brabant waren al bevrijd, maar in het westen was honger, echte honger. De Duitsers hadden een regelmatige voedseltoevoer geblokkeerd. Op 29 april 1945 werd, na maanden onderhandelen, door meer dan 200 bommenwerpers 535 ton voedsel uitgeworpen. In de kranten stond: ‘Brood uit de hemel’. Na zo’n lange tijd vreselijke honger was het voor heel velen inderdaad een wonder: brood uit de hémel, eindelijk te eten. Die woorden ‘brood uit de hemel’ hoorden wij zojuist ook in de eerste lezing. Daar reageerde God op de klacht van het Joodse volk dat het niets te eten had tijdens zijn lange reis door de woestijn. ‘Ik zal brood uit de hemel voor jullie laten regenen’. En in het evangelie klonken die woorden weer: daar zegt Jezus: ‘Mijn Vader geeft u brood uit de hemel, het echte. Want het brood dat God geeft, dat ben ik’. Ik ga daar direct verder op in. Maar eerst nog dit. Hebt ú wel eens echte honger gehad? Echte honger? De meesten van u waarschijnlijk niet. Ik ook niet. Als wij thuis tegen moeder zeiden dat we honger hadden, zei ze bijna altijd: ‘Jullie hebben trek, maar honger, - nee hoor; de kinderen van Biafra, díe hebben echt honger’. Wij kennen nauwelijks echte honger. Onder de mensen die indertijd achter Jezus aangingen waren zeer waarschijnlijk wel behoorlijk wat vaders en moeders die elke dag opnieuw maar moesten zien hoe ze hun kinderen te eten gaven. Die misschien wel noodgedwongen op de markt bleven hangen, op zoek naar iets eetbaars, een paar vruchten die overbleven of een weggegooid stuk brood. Daarom was de samenkomst met Jezus, waar we vorige zondag over hoorden, waar duizenden mensen te eten kregen, ook zoiets geweldigs geweest, een feest van eindelijk even geen zorgen. Een groot wonder. En daarom was het ook heel begrijpelijk dat ze hem nu weer zochten. Maar Jezus geeft ze dit keer niet te eten. En hij legt hen ook uit waarom hij dit niet doet. Vrij naverteld zegt hij ‘Ik begrijp dat jullie ook vandaag graag te eten krijgen. Maar vandaag wil ik jullie iets zeggen over mijzelf. Ik wil jullie zeggen dat ik zelf het brood ben dat mijn Vader in de hemel jullie geeft. Ik ben het brood waar je van kunt leven.’ In feite zegt Jezus hier tegen de mensen van toen én tegen ons dat wij meer nodig hebben dan het brood dat wij dagelijks eten. Hij nodigt ons uit om zijn hele manier van doen en denken te gaan zien als voedsel dat je elke dag nodig hebt, waarmee je je elke dag weer kunt voeden. En wat hij daar dan precies mee bedoelt, kunnen we hier elke zondag in de evangelieverhalen horen: dat leven meer is dan gewoon maar bestaan; dat leven ook is: vreugde, liefde, vrijheid, geborgenheid en voelen dat je er mag zijn; dat leven breken en delen is, elkaar vergeven en opnieuw beginnen; dat leven bij tijd en wijle ook lijden is; maar dat we er zijn om elkaar dan bij te staan; dat God liefde is en dat Hij ons altijd vasthoudt, ook als we sterven. Aan het begin van zijn openbare leven zei hij het kort en bondig: ‘Een mens leeft niet van brood alleen’. Amen


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 8 augustus 2021 (19e zondag door het jaar)


Elia, hoorden wij in de eerste lezing, was depressief. Hij had enorm zijn best gedaan om het volk van Israël en de koning en koningin, Achab en Izebel, tot bekering te brengen. Maar Izebel wil dat Baäl, de God van vruchtbaarheid wordt vereerd. Zij heeft zelfs de profeten van Israël laten doden. Nu is zij uit op het leven van Elia. Elia is op de vlucht en wil eigenlijk niet meer leven. In een depressieve bui loopt hij zonder eten en drinken de woestijn in. Hij doet dus een zelfmoordpoging, want zonder drinken red je het in de woestijn niet. Hij is er klaar mee en gaat onder een struik liggen. Hij geeft het op. Hij wil dood. God reageert heel rustig op de vertwijfeling van zijn profeet: geen antwoord op het klagen; geen boosheid of vermaning voor zijn zwakheid; Hij laat een engel zelfs brood en water brengen: “Sta op en eet, anders is de weg te lang voor jou”. Het is heel eenvoudig eten. Karig eten. Maar het is genoeg om Elia te laten herleven. Het geeft hem de kracht om zijn weg voort te zetten.  Hij gaat op weg naar de Horeb, de berg van God in de Sinaï, waar hij God zal ontmoeten. Zonder het brood uit de hemel zou Elia het niet hebben klaargespeeld. Was het alleen dat brood, of ook het besef dat hij er uiteindelijk niet alleen voor staat? Ik denk dat het in ieders leven voorkomt dat er in moeilijke tijden engelen zijn en er brood uit de hemel wordt gezonden. Dat hoeft natuurlijk niet per se materieel te zijn. Nee, zo nu en dan krijgen we ook geestelijk voedsel dat ons verder helpt op onze levensweg. Van dat laatste las ik een mooi voorbeeld van een depressieve tamelijk orthodoxe dominee die in zijn gemeente niet meer verder kon. Hij liep stuk op de zondenleer in zijn kerk. Hij kreeg het boek Eerlijk voor God in handen dat geschreven is door de Anglicaanse bisschop Robinson. Dat gaf hem méér dan zijn hele godsdienstige opvoeding tot dan toe. Het brood dat Robinson aan deze dominee gaf was het inzicht dat áls we zeggen dat God liefde is, áls we dat geloven, dat we dat dan heel erg serieus moeten nemen. Elke uitspraak waarin het begrip God met iets hatelijks, iets verwijtends, iets discriminerends wordt verbonden moet dan als vals worden beschouwd. Pijn doen en een ander ongelukkig maken in naam van God is niet mogelijk, of we zouden met een afgod van doen hebben. Een soort van Baäl dus. Voor deze dominee was het alsof er een enorme last van hem werd afgenomen. Dat geestelijk voedsel dat hij op het moment van het lezen van dat boek kreeg was voedsel voor de rest van zijn leven. Het licht van de liefde liet op alles een ander licht schijnen. De wereld leek wel omgekeerd. Hij zag toen ook pas echt in hoe groot de liefde is die in Christus aan ons mensen is gegeven, die zich niet voor niets brood uit de hemel noemt. Ja, ik denk dat wij allen wel zo’n ervaring hebben. Bij mij was het op het juiste moment een oude zuster die hoorbaar verzuchtte: “Waarom snappen mensen toch niet dat God alleen maar liefde is?” Toen viel bij mij opeens het kwartje. Als het echter waar is dat God zo nu en dan een engel stuurt om ons een zetje te geven met het juiste voedsel op het juiste ogenblik, dan is het andersom ook zo dat God zijn woord zo nu en dan in onze mond wil leggen. Soms zal God onze mond lenen, onze pen, onze laptop, om even zijn engel te zijn. Af en toe zullen wij, misschien zonder het in de gaten te hebben, een woord zeggen dat voor een ander richtinggevend en reddend is. Dat kan natuurlijk vooral gebeuren als we, zoals de engel bij Elia, niet oordelend met het vingertje omhoog staan of willen manipuleren en de ander naar onze hand willen zetten. Engel zijn en brood voor een ander. Mensen kunnen dat. Misschien zijn wij daarom beeld van God? Amen


Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 25 juli 2021 (17e zondag door het jaar)


Ik weet niet of u de film kent over de sociaal bewogen priester Daens. Daarin komt een scene voor van een jongentje dat honger heeft. Hij vangt een paar visjes, stekelbaarsjes, legt ze voor zich neer met een paar stukjes brood. Met zijn ogen stijf toegeknepen gaat hij daarbij bidden. Zijn handen zijn zo strak gevouwen dat zijn knokkels wit worden. Er wordt verder niets bij toegelicht, maar iedereen die enigszins het evangelie kent dat wij zojuist hebben gehoord, weet waar het hier over gaat. Als de jongen klaar is met zijn hartstochtelijk gebed doet hij zijn ogen open. Daar liggen nog steeds de kleine stukjes brood en drie stekelbaarsjes. Hij staat kwaad op en loopt, nog steeds hongerig weg. Zijn kinderlijk geloof is definitief weg. Het is ook geen wonder dat het juist dit evangelieverhaal is dat door critici van het christendom wordt aangegrepen om te laten zien dat ons geloof niet meer dan een zoethoudertje is. Want, zo geef je mensen niet te eten. Mensen worden gevoed door hulp en sociale gerechtigheid… Ja, als je dit verhaal als niet meer dan een wonderverhaal ziet, dan is die kritiek misschien wel terecht. Ik denk dan wel dat een paar heel belangrijke gedachten in het verhaal worden gemist. Allereerst is er de houding van Jezus. De evangelist laat er geen twijfel over bestaan dat Jezus het als zijn verantwoordelijkheid ziet om de mensen te voeden. Hij schrijft: ‘Hij wist wat Hij zou gaan doen’. Het is zijn grondhouding om voor mensen te zorgen. Hij ziet hun vermoeidheid, hun honger naar brood en naar Hem. Vervolgens - en dat is het tweede dat van belang is - doet Hij dat met het weinige dat er is: de paar broden en vissen die een jongetje bij zich heeft, iemand die nog niet volwassen is en eigenlijk niet eens wordt geteld. Alleen volwassen mannen werden immers geteld. Hoe je het ook bekijkt, het is allemaal ontoereikend. Als wij mensen delen, doen wij dat juist vaak vanuit overvloed. Dat doen wij met geld en goed. Wij geven graag aan acties en projecten. Voor de meesten van ons is dat delen niet zo moeilijk. Echt hebberige, gierige mensen zijn er gelukkig niet zo veel. Maar het wordt lastiger als het b.v. om persoonlijke inzet gaat óf nóg lastiger, om delen van wat er in ons omgaat. Delen van wat we geloven, onze idealen, iets van onze ziel delen met een ander. Wij hebben immers veel meer aan elkaar te geven, wij kunnen elkaar namelijk inspireren, we kunnen elkaar geestelijk voeden. Niemand gelooft zomaar uit zichzelf, wij hebben het ergens vandaan, van mensen die het met ons hebben gedeeld. Het probleem bij dit delen is echter nogal eens dat wij denken dat wij daarvoor niet genoeg in huis hebben. Ik kom ik dat best vaak tegen. Dan kun je dingen horen als: ‘Wat heb ik nou in te brengen?’ ‘In een gespreksgroep wil ik niet, ik kom niet goed uit mijn woorden.’ ‘Wat zou ik nou kunnen bijdragen aan die werkgroep’?  En zo zou ik nog veel meer kunnen opnoemen. Delen, aan een ander iets van jezelf gunnen, van misschien het weinige dat we volgens ons in huis hebben, is een heel grote opgave. Er is ook durf voor nodig: wát als ik niet word begrepen of de mensen het gek of verkeerd vinden wat ik te zeggen heb. En toch hebben we elkaar echt broodnodig als we geïnspireerde, gelovige mensen willen zijn en blijven. Geloven in je eentje is echt niet zo makkelijk. Morgen is het de sterfdag van Titus Brandsma. Hij noemde ons mensen Goddragers. Hij bedoelde daarmee dat wij mensen juist in het van onszelf aan de ander geven, iets van God in de wereld brengen. Dat was geen nieuwe gedachte. Paulus zegt het al: ‘Niet ik leef maar Christus leeft in mij’. Dat kunnen we supermystiek gaan verstaan, alsof dat alleen voor heel bijzondere mensen geldt. Maar ik denk eigenlijk dat het heel gewoon is. Wij zijn als gemeenschap én als personen de plaats waar God aan het licht kan komen, waar God in de wereld geboren kan worden, juist in dat op wat voor manier dan ook delen van wat van onszelf is Als wij dát doen, als wij geven en delen, doen wij dat altijd van het weinige, het tekort, dat we hebben. Want, Superman bestaat echt alleen in stripboeken. Ook Titus Brandsma was fysiek een kleine, zwakke man. Maar hij was bereid te geven, een leven lang, ja, tot in Dachau. Zo werd hij tot inspiratie voor heel veel mensen. Ik wil sluiten met een gebed dat ik kortgeleden las: 


Ook een verdorde boom


kan mooi zijn in het landschap.


Laat mij in al mijn kwetsbaarheid


een teken zijn van jouw mateloze schoonheid,


en geef me het vertrouwen


dat ik van mijzelf kan weggeven


en daarbij mijzelf vindt in Jou.


Amen


Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 18 juli 2021 (Feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel)


Een voormalige prior generaal van de Karmel heeft een ooit uitgerekend dat er over de hele wereld zo’n 60.000 mensen op de een of andere wijze verbonden zijn met de Orde van Karmel. Afgelopen vrijdag vierden al die mensen wereldwijd het feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel. Ooit, rond het jaar 1200, begon onze Karmelorde met een klein groepje monniken die bij elkaar woonden in hutjes en grotten in het Karmelgebergte, in het toenmalige Palestina. Omdat ze hun verblijfplaats in het Karmelgebergte hadden, werden ze al gauw Karmelieten genoemd.De monniken woonden daar dicht bij een kapel die was toegewijd aan Maria. Zij wisten zich op een bijzondere manier verbonden met haar, Onze Lieve Vrouw, Maria, de moeder van Jezus. Daar komt die andere naam van de karmelieten vandaan: zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel.Iets meer dan een halve eeuw na dat eerste begin vertrokken de Karmelieten onder de druk van hevig oorlogsgeweld naar Zuid-Europa. Daar breidde de groep zich snel uit en in een mum van tijd waren ze te vinden in bijna alle landen van Europa. Maar hun beide namen bleven ze houden: Karmelieten, zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel. Een belangrijke vraag bij het feest van vandaag is volgens mij: welk aspect van het leven van Maria zou óns als zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel in onze tijd het meest kunnen aanspreken? Maria als onze zuster? Maria als moeder van Karmel? Voorspreekster? Tochtgenoot op onze levensreis? Toevlucht? Gids? Dit zijn allemaal namen die ze in de loop der jaren binnen en buiten de Karmel heeft gekregen. Maar voor de meeste zusters en broeders van de Nederlandse Karmel zeggen die namen op zich niet zo veel. Ik denk dat ik mag zeggen dat wij ons meer thuis voelen bij het antwoord dat Maria gaf aan de engel, toen die haar de boodschap kwam brengen die u net in het evangelie hoorde: “Schrik niet, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en zoon van de Allerhoogste worden genoemd”. En dán vooral haar antwoord: “Mij geschiede naar uw woord. Laat met mij gebeuren wat U hebt gezegd”. Dat antwoord is voor velen en ook voor mij het meest inspirerende in de houding van Maria. In groot vertrouwen is ze vanaf die eerste boodschap blijven kiezen voor de weg waarvan ze zelf het einde niet kon overzien. Maria durfde zich toe te vertrouwen aan de weg die ze kreeg te gaan. Een weg die God haar wees. En dát spreekt ons aan. Ze durfde erop te vertrouwen dat God niet alleen spreekt in de woorden van de Schrift. Hij spreekt ook in wat er met je in je leven gebeurt, in de feitelijkheden van je leven. Als Jezus als twaalfjarige tijdens een bedevaart met zijn ouders naar Jeruzalem drie dagen zoek is, vinden ze hem terug in de tempel terwijl hij daar druk zit te praten met een groepje Schriftgeleerden. En als Maria dan zegt: “Kind hoe kon je ons dit aandoen?” en Jezus antwoordt: “Wist je dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?” – dan staat er dat Maria hem niet begreep; maar onmiddellijk volgt dan: “zijn moeder bewaarde alles in haar hart.” Precies dát is kenmerkend voor Maria. Ze overwoog de dingen die haar overkwamen in de stilte van haar hart, ook als ze het niet helemaal begreep, en ze durfde zich dan over te geven aan wat er gebeurde. Dit is ook een van de kenmerken van onze karmelitaanse weg. Je durven toevertrouwen aan wat er op je weg komt. Onze prior generaal zei in een videoboodschap aan de wereldwijde Karmel: “Karmel is een manier van leven waarin we proberen ons bewust te zijn van de tegenwoordigheid van God in de heel gewone dingen en gebeurtenissen van ons leven. We proberen ons leven en ons werk biddend te beleven, met beide voeten op de grond van de alledaagse problemen en zorgen”. Daarom nog even terug naar Maria. Toen de engel aan Maria de boodschap kwam brengen die we in het evangelie hoorden, trok ze zich niet terug in haar huis en hield ze niet op haar gewone dagelijkse leven te leven. Ze bleef niet erg lang stilstaan bij wat haar gebeurd was, - al na een paar dagen trok ze door de bergen naar haar nicht Elisabeth die ook in verwachting was. Ze bleef drie maanden bij haar om haar te helpen bij de bevalling en de verzorging van haar kind. Luisteren naar God wil niet zeggen je terugtrekken in je binnenkamer en je afsluiten voor wat er om je heen gebeurt. De weg die God ons wijst, leidt ons altijd naar het gewone leven. Daar is de plek waar God ons aanspreekt. En daarin spreekt Maria ons aan.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 11 juli 2021


Zojuist hebben wij gehoord hoe Jezus zijn leerlingen uitzendt: Ze krijgen de macht onreine geesten uit te drijven; ze gaan oproepen tot bekering, zalven zieken met olie en genezen hen. Ze nemen het op tegen het kwaad. Prachtig! Net als Jezus verkondigen zij het Rijk van God, niet alleen met woorden, maar ook met daden.Tóch, als je het evangelie volgens Marcus van voren tot achter leest dan lijkt dat moment van uitzending plotseling en ook wat voorbarig te zijn. Immers: de leerlingen worden geroepen en vervolgens krijgen ze te maken met van alles en nog wat dat nou bepaald niet hun vertrouwen ondersteunt. Ze horen de reacties van de mensen: sommigen zijn enthousiast, maar farizeeën en schriftgeleerden zijn meestal heel negatief, al heel snel willen zij Hem uit de weg te ruimen. Dat zijn wél de leiders van het geloof. De mensen die Jezus het meest na staan zijn dorpsgenoten en familie, die zijn achterdochtig, ze denken zelfs dat Hij gek is. De leerlingen moeten dat allemaal maar een plaats geven. Als er een storm over het meer opsteekt en Jezus in de boot ligt te slapen, blijkt dan ook dat het vertrouwen van de leerlingen maar een dun laagje is: ‘Meester, kan het u niet schelen dat wij vergaan?’, roepen ze in hun angst. Zelfs twee hoofdstukken na de tekst die wij zojuist hebben gehoord, als ze dus al uitgezonden zijn geweest, neemt Petrus Jezus apart om hem de les te lezen, want Petrus accepteert niet dat, zoals Jezus zegt, zijn weg naar het kruis zal voeren. Nee, dat past niet in zijn beeld van de Messias. Maar toch worden ze uitgezonden. Had hun vertrouwen niet eerst wat moeten groeien, voordat ze op zo’n belangrijke missie worden gestuurd? Moeten ze niet eerst leren om een antwoord te hebben op al die kritische en negatieve geluiden? Moet hun geloof niet grondiger worden beproefd? Wij zitten in onze tijd eigenlijk in precies dezelfde situatie als die eerste leerlingen. Wij hoeven bij wijze van spreken de televisie maar aan te doen, of er is wel een kritisch geluid te horen over alles wat met christendom te maken heeft. En het is vaak zo ongenuanceerd, zo zonder enig begrip en vanuit de negatieve houding dat gelovige mensen maar simpele zielen zijn. Maar is het alleen de buitenwacht en zitten die geluiden niet ook in onszelf? Is het bij ons allemaal zo rotsvast? Een poos geleden sprak ik iemand die mij vertelde hoe zij een enorme weerstand had gekregen tegen alles dat met geloof te maken had. Dat kwam volgens haar omdat alles haar in haar jeugd was opgedrongen: zó is het, dát heb je te geloven, geen vragen stellen, vooral niet kritisch zijn. Vooral niet twijfelen, want dat is een teken – zo was dat in de kerk waar zij bij hoorde - dat je niet gered bent. Zij twijfelde wel, ze twijfelde heel geregeld. Ze kon niet anders dan ‘twijfelend geloven’. Het resultaat was, dat ze, toen ze zich aan haar milieu had ontworsteld, nergens meer mee te maken wilden hebben. Had ze maar mogen twijfelen, dan was haar weg misschien veel eenvoudiger geweest, in ieder geval met veel minder weerstand. Met veel minder ballast zodat ze zich wat eerder had kunnen openen voor wat en wie op haar weg kwam. De twaalf apostelen die worden uitgestuurd weten niet goed wie Jezus is. Ze worden niet altijd met veel enthousiasme ontvangen en waar hun weg hen uiteindelijk brengen zal, weten ze ook niet. Ze zijn ondanks dat wel bereid om te gaan én om niets mee te nemen. Dat betekent dat ze moeten ontvangen wat op hun weg komt: de negatieve opmerkingen en achterdocht van de mensen, mensen die ze weer moeten verlaten, maar ook de mensen bij wie ze wel te gast mogen zijn; de mensen die zich wel laten raken door die boodschap over God als Vader van alle mensen. Ze zijn maar half opgeleid. In dat opzicht is ook onze eerste lezing heel toepasselijk: Amos zegt: “Ik ben helemaal geen profeet, m.a.w. ik hoor niet bij die club, ik ben boer, ik hoed koeien en verbouw vijgen”. Hij voelde zich ook tot niets in staat en ook zijn boodschap werd echt niet met open armen ontvangen. Wij mogen uit het evangelie leren dat wij geen rotsvaste zekerheden hoeven te hebben. Maar ook kunnen wij leren dat wij mét al onze twijfels zo in het leven kunnen staan dat wij iets laten zien van dat Rijk van God: opkomen voor wat het leven bevordert, opkomen tegen het kwaad, omkijken naar elkaar. Vertellen van een God die gewoon van mensen houdt zoals ze zijn. Bidden wij dat wij mét onze twijfels dat doen. Amen


Zr. Susan van Driel o.carm


 


Zondag 4 juli 2021 (Slotviering)


Jezus trekt rond, zo vertelt Marcus ons. Hij bezoekt met een groepje leerlingen de dorpen rond het meer van Galilea. Hij geneest zieken en op de Sabbat gaat hij naar de synagoge en geeft daar zijn visie op God en op de samenleving. “Het koninkrijk van God is nabij”, zegt hij, “daarom raad ik jullie aan na te denken over je leven en je bezig te gaan houden met wat werkelijk belangrijk is. Wees rechtvaardig, zorg voor de weduwen en wezen. Heb je naaste lief, bemoedig elkaar, zie elkaar als medemens, leg elkaar geen onnodige lasten op…”. Bij veel mensen vindt Jezus gehoor voor zijn boodschap. Maar er is ook kritiek. De religieuze overheid vindt Jezus te vrijpostig. Zijn moeder en sommige andere familieleden maken zich zelfs zorgen over hem. Zorgt hij wel goed voor zichzelf? Maar dan gebeurt er iets bijzonders. Jezus bezoekt Nazareth, het dorp waar hij is opgegroeid. Wat de Farizeeërs en de Schriftgeleerden niet klaarkregen, dat lukt zijn dorpsgenoten wel: op een paar uitzonderingen na kan Jezus in zijn dorp geen zieken genezen, er is geen vertrouwen in hem is, geen geloof. Want ze menen dat hij geen bijzondere zending kan hebben, hij is toch de zoon van de timmerman. En ze kennen ook de rest van zijn familie. Zijn moeder woont bij hen en zijn zussen en broers…Deze wetenschap verhindert hen om in Jezus iets bijzonders te zien. Jezus is voor hen de dorpstimmerman en daarmee uit. Er staat dan ook dat Jezus verwonderd was over hun ongeloof. Ook onze tijd kent dit onvermogen om vertrouwen te stellen in de woorden en daden van Jezus. Soms ligt de oorzaak bij de kerk die in de ogen van veel mensen te autoritair is en wereldvreemd. Soms vinden mensen het moeilijk om te geloven in de boodschap van Jezus vanwege alle ellende en rampen die direct onze huiskamers inkomt. Hoe kun je dan zeggen dat God ons nabij is en ons wil steunen. Maar er is nóg reden waardoor sommige mensen het moeilijk vinden te geloven. Die beschrijft Marcus vandaag. De mensen van Nazareth kúnnen Jezus niet geloven omdat hij veel te gewoon is. De zoon van een timmerman… iemand uit het dorp… Misschien is dit wel een heel belangrijk punt voor ons. Want het onvermogen om te vertrouwen op de boodschap van Jezus zou wel eens samen kunnen hangen met het feit dat wij het moeilijk vinden om in het dagelijkse leven iets goddelijks te zien, iets van God. Als dit waar is, dan zouden wij iets kostbaars kunnen winnen, door onszelf meer open te stellen voor het bijzondere dat vaak schuilgaat in gewone mensen en in gebeurtenissen uit onze directe omgeving. Als zieken blij, opgeknapt en dankbaar terugkomen van Lourdes, waarom zouden wij dat dan niet beschouwen als een gave van God... als een chirurg een moeilijke operatie succesvol afrondt, waarom zouden we dat dan niet een wonder noemen... Misschien raken we juist hier wel de kern van geloven: dat geloven eigenlijk het vermogen is om Gods aanwezigheid te ervaren in de dingen die om ons heen gebeuren…  de trouwe zorg aan een ziekbed… het vertrouwen dat een klein kind je schenkt… buren die oog hadden voor de overbuurman toen die maar moeilijk overweg kon met zijn eenzaamheid tijdens de lockdown…



  • de geweldige inzet van de mensen uit de zorg toen de corona-pandemie gruwelijk uit de hand dreigde te lopen…

  • uw stroom van goede gaven voor de voedselbank…


Waarom zouden die dingen er niet op kunnen wijzen dat God aan het werk is in ons midden? Dat is in ieder geval wél iets waar de profeten in de Bijbel ons telkens weer op wijzen: dat in de zogenaamd kleine gebaren van goedheid en barmhartigheid iets te zien is van Gods bedoeling met ons… De profeten vragen ons om Gods aanwezigheid te zien én om Gods aanwezigheid zichtbaar te maken in onze daden van goedheid en liefde. Misschien is het goed met deze gedachte onze komende vakantietijd in te gaan.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 27 juni 2021 (13e zondag door het jaar)


Ik wil beginnen met een Joods verhaal: Op zekere dag kwam God tot de conclusie dat er maar een nieuwe zondvloed moest komen, zonder ark, zonder duif, zonder overlevenden. Hij zond een engel naar de aarde om dit besluit bekend te maken. Eerst kwam de engel bij de paus. De paus zei: ‘God is groot, tegen zijn oordeel mogen we ons niet verzetten’. Toen ging de engel naar de leider van de moslims. Die zei: ‘De wil van Allah moet geschieden’. Tenslotte bezocht de engel de joodse opperrabbijn. De rabbi dacht lang na en zei: ‘Het is waar, we hebben gezondigd, maar goeie God, het zal nog niet meevallen om te leren leven onder tien meter water…’ Ik begin met dit verhaaltje, omdat dit zo goed laat zien hoe het joodse volk in het leven gelooft. Er is geen volk dat zo heeft geleden. Maar er blijft vertrouwen in het leven; vertrouwen dat het leven verdergaat. Het is opvallend dat in de woorden van Jezus - die Hij zegt tegen de bloedvloeiende vrouw en tegen de man die op het punt staat zijn kind te verliezen - het helemaal niet gaat over Gods wil en over berusting en aanvaarding. Nee, het is het vertrouwen dat zal redden. En dat is iets heel anders dan berusting en aanvaarding. Vertrouwen gaat namelijk vaak helemaal tegen zogenaamd realistisch menselijk denken in. Want realistisch gezien hebben die twee mensen in het evangelieverhaal geen enkele kans: Allereerst is er een man die om leven voor zijn dochter vraagt. Hij is een hooggeplaatst en machtig man: een overste van de synagoge. Een machtige man met aanzien. Maar hij is niet opgewassen tegen de dood, de dood van zijn kind nog wel. De tweede die een beroep op Jezus doet is een vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt. Haar toestand zette haar aan de rand van de maatschappij. Zij is altijd onrein, de strenge voorschriften voor de menstruerende vrouw moet zij altijd in acht nemen. Zij wordt daarmee feitelijk een paria, een onaanraakbare. Daarom ook raakt ze Hém niet aan, want als ze Hem aanraakt wordt ook Hij onrein. Dat wil ze Hem niet aandoen. Nee, heel voorzichtig én respectvol raakt ze alleen maar de zoom van zijn kleed aan. Een man van aanzien en een vrouw aan de rand van de samenleving. Toch hebben zij één ding gemeen. Zij zijn, naar menselijke maat, in een hopeloze situatie. De vrouw is overal om hulp geweest, niemand kan haar helpen. De synagogebestuurder kan niets beginnen tegen de ziekte die zijn dochter in de greep heeft. Er is geen mens op deze aarde die zich niet kan herkennen in deze mensen. Wij maken allemaal vroeg of laat mee dat er krachten zijn waar wij machteloos tegenover staan. We worden ziek, oud, we verliezen mensen waarvan we houden. We staan zo vaak machteloos. Sommige mensen raken daardoor verbitterd. Ze worden verdrietig en kwaad, ook op God. Iemand die haar eerste kind na een half jaar verloor vertelde eens: 'Mijn vertrouwen in het leven is diep geschokt en de toekomst is in een totaal ander licht komen te staan. Mijn beeld van God is in duigen gevallen. lk heb het gevoel nooit meer echt van het leven te kunnen genieten.' Haar vertrouwen in een God die liefde is en goedheid was helemaal weg. Het is ook moeilijk om met elkaar te rijmen, het verlies van een kind en de boodschap dat God, een God van leven is. Dat hebben we in de eerste lezing gehoord: ‘Hij toch heeft alles geschapen voor de onsterfelijkheid. En in evangelie volgens Marcus staat: ‘Hij is geen God van doden maar van levenden’. De mensen zeggen tegen Jairus: `Uw dochter is gestorven. Wat valt u de meester nog lastig?' Met andere woorden: er is geen hoop meer, dood is dood. Geen wonder dat Jezus zegt: ‘uw vertrouwen is uw redding’. Zonder vertrouwen in het leven zou er allang geen Joods volk meer bestaan. ‘Vertrouwen, wat moet ik er mee’, zei iemand niet zo lang geleden tegen me. Maar vertrouwen ís leven. Met vertrouwen durf je zelfs te geloven dat je onder 10 meter water kunt leren leven, zoals die oude rabbijn. Ook al is dat niet realistisch. Een student zei eens tegen een professor theologie: ‘wat als het nu eens allemaal niet waar is. Wat als we nu met z’n allen al 2000 jaar voor de gek worden gehouden’? De professor dacht lang na en zei toen: ‘dan laat ik me voor de gek houden, maar wel samen met Jezus’. Bidden wij dat ook wij zullen groeien in vertrouwen. Amen


Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 20 juni 2021 (12e zondag door het jaar)


Welkomstwoord


Ik heet u allen van harte welkom in deze eucharistieviering. Op het meer van Gennesareth kan het regelmatig hevig spoken. De oorzaak zijn valwinden die vanaf de koude Hermon in het noorden het broeierige dal van de Jordaan binnen vallen. Hoe verwoestend valwinden kunnen zijn, weten we sinds eergisteren. In Leersum is een aantal huizen verwoest en op de Utrechtse heuvelrug is een grote strook bos volkomen ontworteld. Vandaag lezen we het verhaal van de storm op het meer. Het verhaal gaat echter over veel meer dan een storm. In de zee en in de storm huizen de mythische monsters van de chaos en de dood die ons leven bedreigen. In allerlei verhalen vertelt de Bijbel hoe God de chaos bedwingt en hoe Hij uit de chaos onze levensruimte uitspaart. Het verhaal van de storm op het meer vertelt ons hoe onze angst voor de chaos en de dood kan worden omgevormd tot ontzag voor het geheim van God. Het is het geheim van God dat in iedere mens aanwezig is, het geheim dat vraagt dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar. Ik wens u een goede viering.


Overweging


Ooit heb ik een storm op zee meegemaakt. Het was tijdens een oversteek van Turkije naar Cyprus. Zolang onze boot voer onder de kust van Turkije viel het nog enigszins mee. Maar eenmaal op volle zee werd het verschrikkelijk. De boot rolde heen en weer en stampte omhoog en omlaag. Het leek alsof er overal water was, onder ons, links en rechts van ons, soms zelfs boven ons. En soms leek het alsof onder ons helemaal geen water was. Iedereen zag groen van ellende. Niemand kon iets binnen houden. Het boek van de Psalmen beschrijft hoe mensen in een vliegende storm terecht komen. Psalm 107 vertelt hoe mensen met hun schepen de zee opgingen om handel te drijven. Er stak een stormwind op die de golven hoog op zwiepte. Hemelhoog rezen zij. In afgronden daalden zij. Zij vergingen van angst. Ze tolden en tuimelden als waren zij dronken. Van al hun zeemanskunst bleef niets over. De psalm vertelt verder hoe ze in hun angst tot God riepen en hoe Hij hen redde uit de nood. God bracht de storm tot bedaren. De golven kwamen tot rust. De mensen waren blij toen het kalm was geworden. En God leidde hen tot de veilige haven. In de Bijbel is het kolkende water de vijand van God. De kolkende zee is de vijand van elke orde, ook van de scheppingsorde. In de oerzee heeft God een ruimte uitgespaard voor de schepping. In die ruimte heeft hij licht en donker geordend, dag en nacht, land en zee, man en vrouw. Zo maakte Hij voor ons een ruimte om te leven. In de oerzee huizen de chaosmonsters, Behemoth en Leviathan. Ze zijn uit op onze vernietiging. Toen God zijn volk leidde uit de slavernij van Egypte naar de vrijheid van het beloofde land, spleet Hij de zee. Op meerdere plaatsen spreekt de Bijbel erover dat God toen de koppen van Leviathan vermorzelde. In het evangelie van vandaag wordt de vernietigende kracht van de oerchaos opnieuw bedwongen. Het leven behaalt opnieuw de overwinning op de dood. Maar er is een belangrijk verschil. Jezus slaapt. Hij merkt niet dat zijn leerlingen de ondergang tegemoet varen, dat ze dreigen te vergaan in de kolkende chaos. Mensen die een beetje bekend zijn met de Bijbel, denken meteen aan de profeet Jona, die zijn roeping om in Ninive te gaan verkondigen, probeert te ontlopen. Hij scheept zich op een schip dat naar Tarsis vaart. Precies de andere kant op. Het schip komt in een storm terecht die alsmaar heviger wordt. Maar Jona ligt in het ruim van het schip te slapen. Na veel gedelibereer gooit de bemanning hem in zee en de woede van de zee bedaart. Behalve Psalm 107, het scheppingsverhaal en het verhaal van Jona klinken nog andere teksten mee uit de Bijbel. Het zijn teksten die erover spreken dat God zelf in slaap is gevallen en de noodkreten van zijn volk niet hoort. In Psalm 44 vragen mensen die met de dood worden bedreigd, God om wakker te worden. ‘O Heer, ontwaak. Waarom slaapt U? Ontwaak, stoot ons niet af voorgoed… Sta op en kom ons te hulp. Bevrijd ons omwille van uw liefde.’ In Psalm 78 is het nog erger. God is als een dronken soldaat die zijn roes ligt uit te slapen. Maar als Hij wakker is geworden slaat Hij zijn vijanden achteruit. Als Hij weer nuchter is, komt Hij in actie en redt Hij zijn mensen. God slaapt. Hij hoort ons niet. Hij doet niets. Hij redt ons niet. In die ervaring zullen vele mensen zich herkennen. Hij was er niet toen de pandemie wereldwijd toesloeg. Toen het conflict in het Midden-Oosten voor de zoveelste keer oplaaide in ziedend geweld en vele slachtoffers eiste, deed Hij niets. Hij is er niet als vluchtelingen aan de grenzen van Europa worden terug gestuurd en geen asiel kunnen aanvragen. Zijn bedoelingen met ons blijven onzichtbaar wanneer mensen tot de pijnlijke en verdrietige conclusie komen dat ze niet met elkaar verder kunnen.  God doet niets. Hij slaapt. Hoe verlost Hij ons uit onze nood? De leerlingen maakten Jezus wakker en vroegen: ‘Raakt het U niet dat wij vergaan?’ De vraag rijst hoe wij God wakker maken? De leerlingen vroegen dat Jezus ingreep in hun levens­ bedreigende situatie. Als wij dat doen, als wij God smeken om ons bij te staan in onze ellende, dan betekent dat niet dat wij de verantwoordelijkheid voor ons ongeluk op God kunnen afwentelen. Voor veel onrecht in onze wereld blijven wij zelf verantwoordelijk en dus ook voor het herstel van dat onrecht. Als wij God wakker willen roepen en Hem vragen ons te helpen, moeten wij ook ons zelf wakker roepen. Wij moeten ook zelf nabijkomen in de situaties die ons bedreigen. Wakker worden betekent beseffen dat God in ons en door ons werkt aan een betere wereld. De rechtvaardigheid en de vrede die God wil, wordt bereikt doordat wij de verantwoordelijkheid voor elkaar op ons nemen. Wij kunnen erkennen dat de ander niet onze vijand is, maar dat hij ons respect verdient omdat hij een geheim in zich draagt dat ons besef te boven gaat. Natuurlijk is er ook lijden dat we niet kunnen voorkomen en verhinderen. Dat lijden echter kunnen we samendragen in het besef dat onze God bereid is geweest om ook ons lijden op zich te nemen. Samen ons lijden dragen is ook een vorm van wakker worden uit onze onverschilligheid en vormgeven aan onze verantwoordelijkheid voor elkaar.


Huub Welzen o.carm.


 


Zondag 13 juni 2021 (11e zondag door het jaar)


De profeet Ezechiël sprak in de eerste lezing opbeurende woorden, vol vertrouwen. Opmerkelijk, want die woorden staan tussen allerlei profetieën die rampspoed verkondigen. Hij kondigt aan dat het hele volk in ballingschap wordt gevoerd naar Babylon. Er was door de machthebbers van Juda een puinhoop van gemaakt: woekeren, bloedvergieten, complotten smeden, afgoderij, het zaad, door God zelf in Israël geplant, was kapotgemaakt. In het boek Ezechiël wordt in een eerder hoofdstuk het beeld gebruikt van een pasgeboren kind dat te vondeling wordt gelegd. Er staat geschreven: ‘Niemand had medelijden met u of ontfermde zich over u om voor u te zorgen. Op de dag van uw geboorte werd u in het vrije veld te vondeling gelegd, omdat men aan uw leven geen waarde hechtte. Toen kwam ik voorbij u en toen ik zag hoe u daar lag te spartelen in uw bloed sprak ik tot u: ‘Blijf leven!’ Ja Ik sprak: ‘Blijf leven’. Prachtige woorden waarmee de profeet Ezechiël zegt hoezeer het volk van Israël álles te danken had aan de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Een God die het schreeuwen van zijn volk had gehoord toen het werd onderdrukt en gedood in de slavernij van Egypte. Hij wil ermee zeggen dat het volk helemaal niets aan zichzelf te danken had. Hulpeloos was het, toen het werd gezien én geholpen. Dat bewustzijn was en is er in het jodendom. Immers: ieder jaar opnieuw werd en wordt de bevrijding gevierd met het Pesachfeest. Het moment van uittocht, van het duister naar het licht, van slavernij naar bevrijding. Je zou dan denken, dat als mensen zich er diep van bewust zijn dat zij hun bestaan als mens en volk helemaal te danken hebben aan de Eeuwige, dat dit een besef is dat gunnend maakt; dat het bestaan en het leven wordt gegund aan andere mensen; dat er zorg is voor elkaar en de wereld. Het volk van Israël had dan ook vele wetten en regels die juist dát moesten waarborgen: nee je mocht slaven niet eindeloos uitbuiten; ja, je moest zorgen voor weduwen en wezen; je moest je houden aan reinheidswetten omdat – hóe wist men natuurlijk niet – dat mensen gezond hield; nee, je mocht wrede en bloed eisende goden niet vereren. Allemaal regels die moesten zorgen voor een goed leven, voor zover dat in de macht van mensen ligt. Een samenleving waarin het gunnen van God centraal staat. Het evangelie laat zien dat dit gunnende leven, het leven is dat Jezus heeft geleid. Hij besefte diep hoe Hij alles had ontvangen van zijn Vader en Hij gaf het door, juist aan de mensen die door anderen het leven werd misgund omdat ze in de ogen van die mensen niet deugden. Jezus begreep echter dat wij mensen maar één ding echt verkeerd kunnen doen, en dat is ons afkeren van dat leve gevende van God, het Rijk van God. Daartegen kon Jezus behoorlijk tekeergaan, tegen de farizeeën en schriftgeleerden die met de opgeheven vinger stonden, maar ondertussen het leven aan kwetsbare mensen misgunden. Die noemde Hij witgepleisterde graven en adderengebroed. In die tijd en cultuur echt vreselijke scheldwoorden. Wij mensen kunnen allerlei redenen hebben om tegen dat gunnen van God in te gaan: omdat we méér willen of willen houden wat we hebben of omdat we gewoon bang zijn voor onze kwetsbaarheid. Maar Hij probeert ons over de streep te trekken en Hij lokt ook ons naar het Rijk van God met die vergelijking van de kiemkracht van het kleinste zaad. En het wordt groot, Jezus zegt, ‘daarin kunnen de vogels wonen en schuilen’, ergens anders zegt Hij, het heeft vele woningen, plaats voor iedereen. Het gunt iedereen, ook jou, je leven. De vraag is of we ons over de drempel láten trekken. Kunnen we het vertrouwen opbrengen om in het Rijk van God te gaan wonen? Want vertrouwen vraagt het, bij iedere keuze die wij moeten maken in het leven. Wij kunnen namelijk nooit zeker weten of het ook iets oplevert wat we doen. Het is net als met de boer die het zaad in de aarde stopt. Hij weet dat de oogst ook wel eens mislukt, maar hij blijft zaaien en hij hoopt en vertrouwt op een mooie oogst. Enige weken geleden was ik in de Achterhoek en ik heb daar een drie eeuwen oude eik mogen bewonderen die een stamomtrek heeft van 7 meter. Ook die boom was ooit begonnen als eikeltje dat nou heel toevallig niet door de varkens werd opgegeten. Nu woonden er al driehonderd jaar vogels en allerlei andere wezens tussen zijn takken. Bidden wij dat wij het aandurven om gunnend te leven, zo gunnend als God. Amen. 


Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 6 juni (Sacramentsdag en Vaartzondag)


Het is alweer wat jaren geleden dat ik als voorbereiding op de eerste communie een ouderavond organiseerde over de eucharistie. Ik had tien stapeltjes kaartjes meegenomen waarop in steekwoorden iets over de eucharistie stond. Die had ik op tafel gelegd en ik vroeg toen aan de ouders een kaartje te pakken dat zij het meest toepasselijk vonden. Van de kaartjes waarop stond ‘delen van brood en leven’ werden er de meeste gepakt. De kaartjes met ‘gemeenschap’ deden het ook goed. Ook van de kaartjes met ‘Jezus’ erop werden er nogal wat gepakt. En ik zie nog zo voor me dat twee mensen het kaartje met ‘aanwezigheid van God’ meenamen. Maar van het stapeltje ‘Eucharistie is offer’ bleven alle kaartjes liggen. Dat heeft me toen behoorlijk aan het denken gezet. Want in de eucharistie gedenken we toch dat Jezus zijn leven heeft gegeven uit liefde voor God en de mensen? Daar hebben we die avond op doorgepraat. En toen werd het me duidelijk dat praten over ‘offer’ en vooral ‘jezelf opofferen’ tegenwoordig niet erg populair is. Integendeel. Wij willen ons leven liever zelf inrichten. Én we willen het liefst een heleboel dingen tegelijk: een baan, een goed salaris, een carrière, leuke sociale contacten en als het kan kinderen. Soms worden die wensen vervuld. Maar vaker kan het ook niet allemaal en moet je overleggen met elkaar: wie er werkt en hoeveel, wie voor de kinderen zorgt en hoelang... En dan komt onherroepelijk het punt dat je sommige wensen moet opgeven en inleveren. M.a.w. er worden regelmatig offers van ons gevraagd. Je kunt dit offer, dit inleveren negatief beleven. De ander wil dat jij iets inlevert, opoffert. En dan heeft de ander het gedaan. Maar het is ook mogelijk dat je ‘jezelf op eigen initiatief opoffert’, niet omdat een ander dit van jou vraagt, maar omdat jij ervoor kiest. Je kunt zo bezield worden door een doel of een ideaal dat je er andere zaken met liefde voor laat. En dan maak je dus die keuze zelf. Als je je met liefde en toewijding inzet voor iets dat je ter harte gaat, dan neem je het als-vanzelf voor lief dat je dit iets kost. Een man die zijn zieke vrouw verzorgt, offert met liefde zijn nachtrust op. Ouders die hun kinderen voor een studie naar het buitenland laten gaan, hebben daar soms van harte heel veel voor over. Een onderwijzer die een kind met problemen aandacht wil geven, levert vrije tijd in. Dan is het dus de zorg, de bekommernis of de liefde voor een ander die maakt dat jij bereid bent je eigenbelang los te laten. Offer wordt dan een daad van liefde of van zorg. Als ik zo over offer kan gaan denken, dan krijgt dit woord voor mij een heel andere betekenis. Toegepast op Jezus: toen hij voor de laatste keer met zijn vrienden aan tafel was, wist hij dat de machthebbers hem wilden pakken en dat een van zijn vrienden hem zou verraden. Hij had misschien nog kunnen vluchten, maar dan had hij zijn diepste dromen verraden. En zijn dromen gingen bijna altijd over LIEFDE, RECHTVAARDIGHEID EN GOEDHEID. Hij droomde ervan dat de liefde tussen mensen een onvoorwaardelijk karakter zou krijgen, dat de maatschappij een rechtvaardige samenleving zou worden, waar iedere mens recht zou worden gedaan, en dat onze onderlinge goedheid een goedheid zou worden die niemand uitsluit. In de ogen van Jezus is er eigenlijk maar EEN die echt helemaal goedheid is, helemaal rechtvaardigheid, helemaal liefde. En dat is God. Heel zijn leven was het Gods liefde, Gods goedheid, Gods rechtvaardigheid waardoor Jezus zich had laten leiden. Dat had hem gemaakt tot wie hij was. Daar kón hij uiteindelijk niet meer van afwijken, ook op het laatste moment niet. Dát is het wat Jezus zeggen wil als hij op die laatste avond van zijn leven het brood breekt en de beker met wijn ronddeelt en zegt: ‘dit ben ik, zo wil ik zijn voor jullie en voor alle mensen; als je aan mij denkt of over mij spreekt, blijf mij dan zó gedenken’. Overstromende liefde is het geweest, ook al kostte het hem zijn leven. Die liefde, die houding van Jezus, die gedenken wij vandaag op Sacramentsdag en die gedenken wij in de Vaart. Het is niet toevallig dat die liefde van Jezus hier in Boxmeer op Sacramentsdag al eeuwenlang is uitgebeeld met een kelk die tijdens de eucharistie overstroomt. Jezus heeft zichzelf helemaal gegeven, overstromende liefde is hij geworden. Dát gedenken wij. Amen


Pastor Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 30 mei (Feest van de Heilige Drie-eenheid)


Tot leerling gemaakt  


Vandaag luisterden we naar de woorden van Paulus die hij schreef aan de Romeinen en naar de laatste woorden van Jezus die Mattheus in zijn Evangelie heeft opgetekend. Deze laatste drie zinnen zijn te lezen als een samenvatting van het hele Evangelie volgens Mattheus. In mijn voorbereiding op deze zondag, werd ik door de middelste zin aangesproken. De zin: Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, en leer hun alles onderhouden wat Ik jullie geboden heb. Vele vragen kwamen naar aanleiding van Jezus zijn slotwoorden in mij op. Enkele daarvan waren: zijn onze kinderen door de doop tot leerling gemaakt? Hebben wij hen geleerd alles te onderhouden wat Jezus ons geboden heeft? We hebben het geprobeerd. Dat wel. En nog steeds. Maar, het is gebrekkig, onvolmaakt. We zijn als ouders zelf ook leerlingen. En wat betekent het dat Jezus zegt: maak alle volkeren tot leerling? Mijn vragen gingen over in bidden. Want aan wie kan ik mijn vragen beter voorleggen dan aan Jezus zelf? De andere woorden van Jezus kwamen als een antwoord: Míj is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Weet wel dat ik met jullie ben… Ik ben met jullie. Dat is de naam van God. Onze God heeft alle macht in de hemel en op aarde. En wij? Wij zijn kinderen van God zoals Paulus ons leert. Kinderen en erfgenaam. Kind zijn betekent dat we een Vader hebben, dat we bij die Vader horen. Kind zijn betekent dat we op onnavolgbare wijze Zijn erfenis in ons dragen en dat we op Hem lijken. Ook al gaat dat ons begrip te boven. Én we zijn leerling van Jezus. Als leerling van Jezus zijn we ons leven lang bij Hem in de leer. Van Jezus leren wij hoe wij zijn geboden kunnen onderhouden. Van Jezus leren wij hoe wij bovenal God en elkaar zullen liefhebben en hoe wij elkaar zullen dienen. Jezus heeft ons zichzelf als voorbeeld gegeven. Een voorbeeld dat wij als leerlingen proberen na te volgen. Dat is, zo is mijn ervaring, niet eenvoudig. Daarom hebben wij dagelijks het onderricht van Jezus nodig. Vaak onderricht Jezus ons in ons dagelijks leven. Laat ik u hiervan een voorbeeld geven. Afgelopen week liepen mijn dochter en ik door Gennep. We gingen de Mariakapel in. Een kaars brandde. Omdat we beiden geen geld bij ons hadden om zelf een kaars aan te steken, zei ze: we mogen ook wel bij deze kaars voor mijn vriendin en haar zieke man bidden. Daarna maakte ze voor haar vriendin die met haar man in Oman leeft en Moslim is, een foto van de kapel met Maria en de brandende kaars. Buiten maakte ze nog een foto van de kerk. Boven de ingang staat in grote letters: IK BEN ER. Ze verstuurde ook deze foto. Ik keek naar mijn dochter, ik keek naar het opschrift IK BEN ER. God gaf mij op dat moment een les in hoe Hij werkt. God leerde mij door deze twee jonge vrouwen, dat leerlingen maken, Góds werk is. Gód maakt ons tot leerling en laat het werk van zijn handen nooit los. In het verborgene werkt Gods liefde en Jezus zijn onderricht in en door mensen. Hem is alle macht gegeven. Wij mogen vragen, bidden, van Hem leren en proberen mensen lief te hebben zoals Hij. Misschien bedoelt Jezus met zijn woorden: maakt alle volken tot leerling, dat wij net als Hij alle mensen van alle volken moeten zien als kinderen van God, zoals we dat zelf ook zijn. Dat we naar alle mensen kijken en met ze omgaan zoals Jezus ons leert. Misschien bedoelt Jezus met zijn woorden: en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, dat we ons steeds ervan bewust zijn dat élk mens een kind van God is, dat élk mens leeft in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, dat God met élk mens wil zijn. En dat het Gods verlangen is dat alle mensen leven als broeders en zusters van één Vader, als erfgenaam van zijn liefde. Nadat mijn dochter de foto’s en gebeden in het Arabisch naar haar vriendin had gestuurd, kreeg ze in de avond een berichtje uit Oman met de tekst: je bent mijn lieve vriendin maar bovenal: je bent mijn zuster. Zusters, kinderen van dezelfde Vader. Zusters die voorbij alle cultuurverschillen elkaar zien en zorg en liefde voor elkaar hebben. Zou het zo kunnen zijn dat als we met elkaar omgaan zoals Jezus ons leert, dat we dan mensen van alle volken tot leerling maken en tot broeder en zuster? Laten we het er met elkaar op wagen om Jezus’ leerling te zijn, laten we het wagen om met elkaar om te gaan als broeders en zusters, twijfelend en gelovend dat Hij mét ons is. Hij, die is Vader, Zoon en heilige Geest. Amen.


Greetje Feenstra


Zondag 23 mei 2021 (Pinksteren)


Als iemand lange tijd leider is geweest van een vereniging en zo iemand valt plotseling weg, dan loop je de kans dat zo’n club in elkaar zakt en helemaal uiteenvalt. Dat gevaar dreigde na de dood van Jezus ook in de kring van zijn eerste leerlingen. Ze dreigden uiteen te vallen. Ze zaten met een klein groepje teleurgesteld en uitgedoofd bij elkaar, - verdrietig om het verlies van Jezus. Tot ze in de morgen van Pinksteren plotseling als het ware weer wakker werden geschud uit hun verdriet… Dat is wat we zojuist hoorden in de Handelingen van de Apostelen. ‘Ineens kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak. En heel het huis waar zij waren, was er vol van. Zij werden allemaal vervuld van de heilige Geest…’ Wat mogen we ons daarbij voorstellen? Ik dacht aan het volgende. Als wij een dierbare verloren hebben en wij zitten bij elkaar om een afscheidsviering voor te bereiden, dan komen er als vanzelf allerlei verhalen naar boven. Mooie verhalen, verhalen waar je opnieuw weer verdrietig van wordt, af en toe ook verhalen waar je met zijn allen vreselijk om moet lachen, - kortom, de dierbare om wie het gaat is dan weer even helemaal aanwezig… Ik heb het verschillende keren zo meegemaakt. Ik stel me zo voor dat de leerlingen van Jezus, daar, toen bijeen in dat huis in Jerusalem, - dat zij toen ook verhalen begonnen te vertellen aan elkaar over wie Jezus voor hen geweest was. Dat hij altijd bijzondere aandacht had gehad voor zieken en voor mensen die buiten de boot vielen, dat hij de farizeeërs soms keihard de waarheid had gezegd en zelfs tegenover de Schriftgeleerden geen blad voor de mond nam; of dat hij de mensen wees op de lessen die de natuur ons geeft: ‘Kijk naar de vogels van de hemel, ze zaaien niet en maaien niet, ze oogsten niet, je hemelse Vader voedt ze…’ Zéker hebben ze zich ook herinnerd dat Jezus hen nadrukkelijk had gezegd dat ze niet bij de pakken neer moesten aan zitten als hij er niet meer zou zijn, maar dat hij hen een Helper zou sturen, zijn heilige Geest… ‘ontvang de heilige Geest’,  had hij gezegd; ‘laat mijn heilige Geest in je werken, en dan komt het goed’. Er is daar, toen, tijdens het Pinksterfeest, écht iets gebéurd! Het verhaal uit de Handelingen van de apostelen zegt het heel duidelijk: ‘er waaide een frisse wind die het hele huis vulde’. Het was de Geest van Jezus, het was Gods Geest, die onder hen levend werd… Het is die Geest die niet alleen aan de leerlingen weer nieuwe kracht gaf, die Geest waait nog steeds, ze wordt ook aan ons gegeven, – steeds weer opnieuw… Hoe mogen wij ons nu, concreet, de werking van de heilige Geest voorstellen? De Nieuwe Catechismus uit 1966 zegt het in verstaanbare bewoordingen: “De helderste beschrijving van wat de Geest doet, geeft Paulus in zijn Galatenbrief: ‘de vruchten van de Geest zijn: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, zachtheid en trouw.’ (Gal.5,22) De manier waarop de Geest in ons werkt gaat niet buiten ons om. De Geest werkt juist in ons met en door deze eigenschappen”. Bidden we dat Zij ook in en door ons werkt: Kom heilige Geest, vervul de harten van Uw gelovigen en ontsteek in ons het vuur van Uw liefde. Kom heilige Geest en alles zal worden herschapen. En het aanschijn van de aarde zal worden vernieuwd.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 16 mei (7e zondag van Pasen) 


‘Heilige Vader, bewaar hen, opdat zij één mogen zijn zoals Wij’. Wij weten allemaal: dat mensen één zijn, is bepaald niet vanzelfsprekend. Dat was ook met de leerlingen van Jezus het geval. Uit de evangelieverhalen  blijkt dit héél duidelijk: je hebt Johannes, de zachtmoedige en Nathanaël, de vrome. Er is Thomas de twijfelaar en niet te vergeten Petrus, die behalve een steenrots ook behoorlijk opvliegend is. Een groot verschil in karakters. De leerlingen zijn, net als wij, ieder op eigen wijze mens. Daarbovenop hadden ze ook nog hun Heer in de steek gelaten, toen Hij gevangen was genomen. Ze waren zelfs gevlucht, ieder een eigen kant op. Wat hebben zij eigenlijk gemeenschappelijk? Wij hebben in de evangelielezing zojuist kunnen horen dat er toch één ding is dat ze gemeen hebben. Jezus zegt over zijn leerlingen dat zij niet ván de wereld zijn, zoals Hij niet ván de wereld is. Wat betekent dat? Dat is belangrijk, want over de eeuwen heen bidt Jezus natuurlijk niet alleen voor zijn leerlingen tóen, maar ook voor zijn leerlingen nú. Wij zijn allemaal ín de wereld, dat kan niet anders, anders zijn we dood. Maar ook wij zijn niet ván de wereld. Het kan allemaal wat duister klinken, de taal van die tijd is niet altijd zomaar toegankelijk. Wereld, kosmos in het Grieks, heeft veel betekenissen. In de taal van de evangelist Johannes heeft het vooral te maken met dat wat vervreemd is van God, met het kwaad dat in de wereld is. Ieder van ons heeft ervaring met het kwaad, niemand van ons mensen is er immuun voor. Er is kwaad in de wereld en dus ook in ons. Het kwaad bij mensen gaat over het dikke of grote IK: wat IK wil, wat IK graag heb, dat IK er koste wat het kost moet zijn. Het grote IK behouden gaat desnoods ten koste van anderen of van de schepping. Dat zelfbehoud zit in de natuur, in de wereld van planten en dieren, bij ons mensen: álles dat leeft wil bestaan. Eten en gegeten worden; het recht van de sterkste. Het grote verschil tussen de natuur en ons mensen is dat wij het ons bewust kunnen zijn. Er is overal in de natuur een drift tot leven, maar wij mensen kunnen bedenken tot hoever we daarin willen gaan. Wij kunnen nadenken over hoever we gaan met consumeren, ten koste waarvan dat mag gaan. Mogen we maar onbeperkt producten aanprijzen, steeds meer, die eigenlijk niemand nodig heeft. Mogen we eten wat we willen, terwijl mensen in grote delen van de wereld honger hebben en de aarde de last van bv. al die vleesconsumptie niet meer aankan. Die vragen zijn goed. We kunnen echter ook naar de andere kant doorslaan en alles wat in onze wereld is afwijzen. Er zijn hele perioden in onze geschiedenis geweest waarin er eigenlijk van werd uitgegaan dat alles dat wij nodig hebben voor ons lijfelijk voortbestaan dus eigenlijk slecht was. Dat was natuurlijk vooral het geval met zinnelijkheid, seksualiteit en eigenlijk alle genot. Maar dat is, denk ik, het kind met het badwater weggooien. Er is in Gods schepping niets slecht, de wereld is goed geschapen en we zijn zo geschapen dat wij er afhankelijk van zijn. Maar er is ook misbruik, wij kunnen plezier, genot najagen dat ten koste gaat van… Daarom zegt Jezus: ik ben wel in de wereld, maar ik ben niet van de wereld, júllie zijn in de wereld, maar niet ván de wereld. Jezus heeft in onze wereld zo geleefd dat Hij het Rijk Gods op aarde groeikracht gaf; een Rijk waarin er leven en liefde is voor alle mensen. Alles wat dat in de weg stond wees Hij af. Hij was niet uit op wereldlijke macht, rijkdom of op aanzien. Altijd verwees Hij naar zijn Vader van Wie Hij álles verwachtte. Aan Wie Hij ook alles gaf. Als Jezus bidt toont Hij geen afschuw voor de wereld, Hij eist niet dat we de wereld moeten verachten. Het gebed van Jezus laat wel zien dat wij de strijd tegen dat grote ik in onszelf niet zomaar op eigen kracht kunnen. Om te werken aan een nieuwe aarde hebben we zijn hulp nodig en in en door Hem de hulp van de Vader. Wij vinden onze eenheid in dat gevecht om het goede in onszelf en de wereld. Daarin vinden wij elkaar door elkaar aan te moedigen om vol te houden bij het gaan van zijn weg, met vallen en weer opstaan. Bidden wij  dat 'wij één mogen zijn zoals Hij één is met zijn Vader': Eén in de liefde van God. Amen. 


Zr. Susan van Driel o.carm.


Zondag 18 april (3e zondag van Pasen)


‘Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.’ Dat is de laatste regel van de geloofsbelijdenis die we bijna elke zondag staande en hardop met elkaar uitspreken. We spreken het bijna allemaal uit. Toch, als we er met elkaar over in gesprek raken, blijkt het een van de lastigste uitspraken die we kunnen doen. Als we spreken over onze geliefden die gestorven zijn, zeggen we dat ze geborgen zijn bij God, dat ze opgenomen zijn in zijn liefde, dat ze in de hemel zijn, of we gebruiken andere beelden die willen uitdrukken dat het goed met ze gaat. Het zijn allemaal beelden waarin het lichaam van de gestorvene eigenlijk geen rol meer speelt. Dat lichaam hebben we immers aan de aarde toevertrouwd of in het vuur tot stof laten terugkeren. Het gaat dan eigenlijk nooit over de opstanding van het lichaam, die wij toch wel belijden.Voor joden en moslims is de opstanding uit de doden zelfs een reden om crematie af te wijzen. Katholieken mogen sinds de jaren ’60 wel hun doden cremeren. De apostel Paulus schrijft ( 1Kor 15) immers al dat de opstanding zal gebeuren met een nieuw en ander lichaam; wij zullen worden herschapen. Hieruit blijkt wel dat het lichaam in onze geloofstraditie belangrijk is, en dat zijn we in onze cultuur toch weleens vergeten. Er zijn tijden geweest dat alles dat lichamelijk was eigenlijk werd afgewezen, minderwaardig werd gevonden. Je mocht vooral niet van het lichamelijke genieten. In veel kringen is dat nog altijd verdacht. Nee, het geestelijke, daar ging/gaat alles om. De verhalen die de evangelisten vertellen over de begrafenis van de gestorven Jezus vertellen juist hoe belangrijk zijn lichaam werd gevonden: Hij eet en drinkt met mensen, hij wordt met olie verzorgd. Na zijn dood wordt zijn lichaam in doeken gewikkeld en op paasmorgen gaan de vrouwen naar zijn graf om zijn dode lichaam te verzorgen. Ook in de verschijningsverhalen is Jezus heel nadrukkelijk lichamelijk aanwezig. Dat hebben we zojuist ook kunnen horen. Hij laat zijn handen en voeten zien; Hij nodigt zijn leerlingen uit om naar Hem te kijken en Hem aan te raken. Hij eet zelfs voor de ogen van zijn leerlingen een stuk vis. Hij zegt daarmee: ‘Zie, ik ben het, geest én lichaam...


Misschien is een goede vraag die wij onszelf n.a.v. die evangelieverhalen kunnen stellen of wij het lichaam de eer geven die het toekomt? Zien wij onszelf als één heel mens, lichaam én geest? Dat wij zo geschapen zijn en dus zó door God gewild en dat wij zó, naar ziel én lichaam, geborgen zijn in Hem? Wij hoeven het niet erg te vinden als wij moeite hebben met dat geloof dat toch een groot geheim is. Wij hebben zojuist gelezen dat de leerlingen er ook grote moeite mee hadden. Lucas schrijft dat ze met ‘verbijstering en schrik’ dachten dat het een geest was, er staat ook dat ze twijfel in hun hart hebben. Hij schrijft daarna ‘dat ze stomverbaasd waren’ en nog niet konden geloven. Ook wij  krijgen dus alle ruimte om op onze manier te reageren. Het is niet erg om te twijfelen en om te zoeken hoe wij die goede boodschap – de boodschap dat Jezus helemaal leeft en dat ook wij helemaal in God geborgen zijn -  in ons leven kunnen opnemen. Er staat in de evangelietekst die wij zojuist hebben gelezen ook:  ‘Toen maakte Hij hun geest ontvankelijk’; toen begrepen ze. Dat is, denk ik, niet een begrijpen met het hoofd, maar veel meer een begrijpen met het hart. De ervaring van de leerlingen was dat Jezus aanwezig was; ze voelden Hem helemaal aanwezig als ze samen waren: met Hem aten ze; met Hem zouden ze gaan getuigen van het Rijk Gods, dat Rijk van Gods liefde. Ook wij kunnen ons geloof niet forceren. Het heeft ook geen enkele zin om tegen elkaar te zeggen: ‘Je móet geloven’ of, ‘als je dit niet gelooft hoor je er niet bij’. Het hart van ons allemaal moet nog verder en verder open voor die liefde die Jezus heeft getoond en nog altijd toont aan ons. Altijd, als wij het brood delen, als wij luisteren naar het Woord van God en proberen te zoeken naar wat het ons te zeggen heeft, als wij samen zijn en proberen elkaar op te bouwen tot wij een levend lichaam van Christus zijn met een warm kloppend hart. Tot die tijd spreken we ons geloof uit, ook als we moeten toegeven dat we het Geheim van wat we zeggen niet helemaal kunnen volgen. Wij gaan gewoon door, tot Hij helemaal onze geest en ons hart heeft geopend. Amen.


Zr. Susan van Driel o.carm.


Overweging Paaswake


Als we de verhalen over Jezus die zich na zijn dood als levende laat zien naast elkaar leggen valt op dat er maar één punt van overeenkomst is: Jezus leeft en de boodschap dat Hij leeft, moet verder verteld worden. Hij is verrezen, Hij is de levende. Dit verhaal ging als een lopend vuur door het Romeinse Rijk. Het verhaal over hoe Hij had geleefd, hoe Hij bevrijdend omging met mensen. Hij was dan wel gestorven met de meest pijnlijke en vernederende dood die de Romeinen konden bedenken, maar God had zijn leven bekrachtigd. Het was alsof er vanuit de hemel werd gezegd: dit leven was góed en jullie vernietigen het niet… In die dagen was het Romeinse rijk heerser over de wereld. Wij zijn vaak vol bewondering voor alle prachtigs van deze cultuur. De ruïnes die ervan zijn overgebleven, de literatuur die is bewaard. Maar we vergeten dan misschien wel dat een groot deel van de mensen die in dat rijk leefden totaal geen rechten hadden; dat een groot deel van de mensen eigendom was van een ander, totaal afhankelijk van hun meester. Een eigenaar mocht een slaaf doden, als hij of zij dat wilde. Voor niet-Romeinen waren er speciale straffen, bijvoorbeeld kruisiging… In dat Romeinse Rijk  was het evangelie dan ook een boodschap die de mensen als het ware indronken. Hij leeft! De mens waarin arme en kwetsbare mensen Gods nabijheid hadden gevoeld, die tegen uitgestoten mensen op allerlei manieren liet blijken: ‘Jij bent Gods kind, jij hoort erbij’, Hem hadden ze niet kapot kunnen krijgen. Zó nabij was Gods liefde in Hem, dat van Hem zelfs werd gezegd dat Hij God is. Toch een lastige boodschap.  Het is niet voor niets dat de apostel Paulus schrijft dat een gekruisigde God “voor Joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid is”. Goden waren in het religieus denken van de mensen sterke wezens, zonen van goden waren bijna onsterfelijke helden. Deze was gekruisigd als het minste van de minsten. Dit was een volstrekt nieuwe boodschap, dit was ongehoord. Dat God een God van bevrijding is, was natuurlijk niet nieuw. We hebben zojuist de lezing uit Exodus gehoord over Gods bevrijdend handelen aan het volk Israël. Maar dit was anders:  Gods aanwezigheid in een mens van vlees en bloed; een mens die juist de mensen die met de nek werden aangekeken bij zich nam, opbeurde, nieuw leven gaf. Het is opvallend dat mensen die geloven in die boodschap vaak een enorme inzet laten zien om die boodschap te verspreiden. Dat was toen en dat is eigenlijk nog steeds: mensen die diep vertrouwen in een God die mensen liefheeft gaan juist die liefde in woord én daad doorgeven aan anderen. Die opdracht kregen ook de vrouwen bij het lege graf: ‘Hij is niet hier, ga terug naar Galilea, ga het vertellen’. Die opdracht klinkt iedere Pasen weer, welk evangelieverhaal ook wordt gelezen: ‘Ga het doorgeven, laat in woord en daad blijken dat de Jezus in wie je Gods liefde voor mensen kunt ontmoeten leeft.’ Het is natuurlijk heel terecht dat mensen dan vragen waar Hij dan te vinden is. Ik las heel kort geleden de volgende woorden van bisschop Johan Bonny van Antwerpen die een antwoord op die vraag geeft. Hij schrijft:  “Blijf niet op dat kerkhof hangen. Er is geen dode Jezus meer om te balsemen. Wat de vrouwen niet meer kunnen, moeten ook wij niet langer proberen. Zoek de levende Jezus niet tussen dode stenen. Laat het verleden achter. Ga voor een nieuwe ontmoeting met Hem, op een nieuwe en een betere plek. Volg het spoor dat de engel je aangeeft: ga terug naar Galilea, naar je gewone leven, waar alleen jij het verschil kan maken. Daar verwacht de verrezen Christus je in de frisse buitenlucht van je bestaan, met een nieuwe boodschap en een nieuwe zending” .Wij kunnen allemaal ‘het verschil maken’. Hier en nu, voor mensen die zoeken, zoeken naar Gods liefde die uitgaat naar iedere mens. Elk moment dat wij die boodschap verder dragen maken wij die liefde springlevend. Bidden wij dat wij aan die oproep gehoor zullen geven. Amen


Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Palmzondag 2021     


Jezus wordt vandaag ingehaald op een manier die eigenlijk alleen gebruikelijk was bij de intocht van een koning. De mensen rukten takken van de bomen, ze spreidden hun kleren uit op de weg waar hij overheen zou gaan en ze riepen: “Hosanna, gezegend is hij die komt in de naam van de Heer”. Alleen één ding was niet zo gebruikelijk, ongebruikelijk zelfs: hij gebruikte een veulen waarop nog nooit iemand had gezeten. Door dat nadrukkelijk te vermelden zegt Marcus de evangelist dat Jezus geen gewone koning was, maar een heel bijzondere… Zijn koningschap was niet een koningschap van pracht en praal, heldhaftig of trots. Jezus was vooral koning door zijn eenvoud en door zijn zorg en zijn bezorgdheid om het lot dat mensen soms te dragen krijgen. Jezus was een man van de dienstbaarheid, - dat zullen we trouwens ook heel uitdrukkelijk horen op Witte Donderdag, als hij de voeten wast van zijn leerlingen… Maar hoe zorgzaam, goed en rechtvaardig hij ook was, toch riep hij ook irritatie op, verzet en zelfs haat. Dat zullen we in de komende week ook horen, m.n. op Goede Vrijdag. Dan wordt het ‘hosanna’ van vandaag tot een ‘weg met hem’. Maar juist toen… juist toen hij zeer ernstig op de proef werd gesteld… toen de mensen hem lieten vallen, …’aan het kruis met hem’… en toen zijn vrienden hem in de steek lieten, …’konden jullie dan nog niet één uur met mij waken’… en toen het erop leek dat hij té zwaar zou worden beproefd, …’God mijn God, waarom heb je mij verlaten’… juist toen bleef hij na een zware innerlijke strijd toch overeind en had hij oog voor zijn moeder, Maria, en voor zijn beste vriend, Johannes, en vroeg hij hen om voor elkaar te zorgen… ja, zelfs had hij toen de kracht te bidden voor zijn beulen, …’Vader vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen’… en kon hij een bange misdadiger moed inspreken, …’jij zult vandaag nog met mij zijn in het paradijs’… tot het allerlaatste bleef hij geloven dat God hem niet los zou laten… De koning op zijn veulen vraagt ons deze hele komende week om met hem mee te gaan, met hem mee te leven: om ons te bezinnen op zijn dienstbaarheid, op zijn liefde voor God, op zijn trouw aan zijn roeping en aan zijn zending… Hij laat ons zien wat het is om ook in de alleruiterste beproeving te blijven geloven in Liefde, Gerechtigheid, Zachtmoedigheid… En dat is nog steeds een heel actuele boodschap. Laten we de komende week met Jezus in de geest de weg gaan die hij ging. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 21 maart (5e zondag van de veertigdagentijd)


‘Vader, verheerlijk uw Naam’, bidt Jezus.


‘Verheerlijking’ lijkt iets prachtigs. Zoiets als wat bij de verheerlijking op de berg gebeurde, Jezus, opgenomen in prachtig, schitterend licht. Mozes en Elia die uit de hemel neerdalen om daarbij aanwezig te zijn. Petrus, vond het allemaal zó prachtig dat hij daarbij wel altijd wilde blijven. Wát een heerlijkheid… Maar is het allemaal wel zo heerlijk. Als wij de tekst die wij zojuist hebben gehoord eens goed gaan bekijken dan blijkt al gauw dat ‘verheerlijking bij God’ anders is dan wij er ons van voorstellen. Het blijkt eigenlijk direct als Jezus zegt: ‘Ik zeg u: als de graankorrel sterft brengt hij veel vrucht voort.  Wie zijn leven bemint verliest het, maar wie zijn leven in deze wereld haat zal het ten eeuwigen leven bewaren.’ Dit soort woorden zijn vaak zo begrepen alsof de dingen van deze wereld geen waarde hebben. Dat wij niet van de wereld mogen genieten, de schoonheid er niet van mogen zien. In het Johannes evangelie gaat het woord ‘wereld’ echter veel meer over de duistere, vernietigende krachten waar wij in ons bestaan mee te maken hebben: het recht van de sterkste; bestaansdrift ten koste van de ander; gewelddadige krachten die uit zijn op eigen macht en eigen bestaan juist ten koste van het goede dat God heeft geschapen. Daarom staat in het begin van het Johannes evangelie: ‘Hij kwam in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet aangenomen.’ Nee, die wereld van zelfzucht zal Hem vernietigen. Jezus ziet onder ogen dat als Hij op zijn weg blijft gaan, precies dat zal gebeuren. Op dat moment bidt Jezus: ‘Vader, verheerlijk uw Naam’, Hij zal de weg blijven gaan van zelfgave. Wij mensen zijn wat dat betreft op deze aarde een heel bijzonder wezen: Wij kunnen onszelf bewust geven aan een ander, en daarmee, zegt onze christelijke traditie, geven wij ons aan God. In de geschiedenis zien wij veel van dat soort lichtende figuren, die een voorbeeld zijn geworden van goedheid. Voor mij is Etty Hillesum zo’n voorbeeld. Een jonge joodse vrouw die op 27 jarige leeftijd werd vermoord in Auschwitz. Zij weigerde onder te duiken, hoewel zij een van de mensen was die heel helder wist dat haar dit het leven zou kosten. Zij wilde, ‘bij haar volk blijven’. Zij schreef op 11 juli 1942 in haar dagboek: 


"Velen verwijten mij onverschilligheid en passiviteit en zeggen, dat ik me zo maar overgeef. En zeggen: ieder, die uit hun klauwen kan blijven, moet dat proberen en is dat verplicht. En ik moet iets dóen voor mezelf. Dit is een sommetje, dat niet op gaat. Iederéén is op het ogenblik n.l. bezig iets voor zichzelf te doen om er onder uit te komen en er moet immers toch een aantal, een zeer groot aantal zelfs, gaan? En het gekke is: ik voel me niet in hun klauwen. Niet als ik blijf en niet als ik weg getransporteerd word. Ik vind dat alles zo clichéachtig en primitief, ik kan die redenering helemaal niet meer volgen, ik voel me in niemands klauwen, ik voel me alleen maar in Gods armen, […] of dat nu hier aan dit verschrikkelijk dierbare en vertrouwde bureau is, of over een maand in een kale kamer in de Jodenbuurt of misschien in een arbeidskamp onder S.S.-bewaking, in Gods armen zal ik me geloof ik altijd voelen.”


Etty en vooral ook Jezus was het mogelijk om zichzelf te geven in diep vertrouwen op Gods liefde. Er zijn mensen die deze weg gaan zonder dat zij op een bepaalde manier gelovig zijn.  Het zit ook niet in wat we geloven maar in wat we dóen. Ieder moment waarin mensen voorbij zichzelf kunnen kijken wordt God verheerlijkt. Meestal hoeven wij niet zover te gaan dat dit ons tot op het kruis leidt. Iedere zorgmedewerker die in de afgelopen maanden met gevaar voor eigen gezondheid aan het bed van een  coronapatiënt is blijven staan, iedere mens die zorgvuldig is omgegaan met andere mensen om besmetting te voorkomen, iedere mens die tóch die prik gaat halen, ook al is er misschien angst voor: die mens is op eigen kleine wijze de Naam van God aan het verheerlijken. En zo zijn er nog veel meer momenten waarin mensen gewoon góed zijn voor een ander. In de eerste lezing staat geschreven: ‘Ik leg mijn wet in hun binnenste, lk grif ze in hun hart.’ God is een verbond aangegaan met ons mensen: een verbond in goedheid. Bidden wij dat Gods Naam in ons verheerlijkt wordt. Amen.


Zondag 14 maart (4e zondag van de veertigdagentijd)


inleiding


We zijn op weg naar Pasen. Vandaag horen we in het evangelie een gesprek tussen Jezus en een zekere Nicodemus. Best wel een pittig gesprek. Ik zou er vandaag in de overweging een paar woorden uit willen nemen en daar wat nader bij stilstaan. Jezus zegt tegen Nicodemus: ‘Jij moet opnieuw geboren worden…’ Wat kan dat eigenlijk betekenen? In dit gesprek krijgen de woorden ‘licht’ en ‘waarheid’ een sterke nadruk. Jezus zegt aan het eind van het gesprek: ‘wie de waarheid doet, komt naar het licht toe’. Wij mogen hier denken aan de woorden die in de Paaswake klinken bij de intocht met de paaskaars: ‘Licht van Christus’ zingen we dan. Het doen van de waarheid brengt ons dichterbij hem, bij het licht dat hij ons gebracht heeft. Genoeg om vandaag te overdenken. 


overweging


“Het licht is in de wereld gekomen,


maar de mensen waren meer gesteld op de duisternis dan op het licht”. We hoorden deze woorden van Jezus zojuist aan het eind van zijn gesprek met een zekere Nicodemus. Nicodemus was een invloedrijk man uit de leidende Joodse kringen. Hij wilde wel eens kennismaken met die Jezus over wie zoveel gesproken werd. Hij benadert Jezus met veel respect:  “Rabbi, we weten dat U als leraar van Godswege gekomen bent”.  Maar Jezus reageert nauwelijks op deze mooie begroeting.  Hij zegt onmiddellijk: “Alleen wie opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God zien”. Als Nicodemus Jezus wil leren kennen, dan moet hij opnieuw geboren worden. Hij moet zijn ogen openen voor een nieuwe werkelijkheid, de werkelijkheid van de hemel, de werkelijkheid waarin God woont, de werkelijkheid van het licht en de waarheid. Dit is niet alleen de boodschap voor Nicodemus, maar ook voor ons. Het gaat Jezus toen en vandaag om een andere werkelijkheid dan die wij meestal zien. Wij zien dikwijls vooral wat we graag willen zien. Ik las bij de voorbereiding van deze overweging een kras staaltje van hoe overtuigd mensen soms van hun eigen wereldje kunnen zijn. In New York bestaat een christelijke gemeente waarvan de leden er heilig van overtuigd zijn dat God de mensen die in Hem geloven, zegent met materiële rijkdom en gezondheid. De predikant is dan ook schatrijk. Een krant komt hem interviewen en legt hem een bekende bijbeltekst voor: “het is moeilijker voor een rijke om het Rijk van God binnen te gaan, dan voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen”. En dan vraagt de verslaggever aan de rijke dominee hoe hij deze uitspraak vindt. Die antwoordt dan zonder blikken of blozen: “Als dat voor een rijke al zo moeilijk is, dan kun je nagaan hoe moeilijk het is voor een arme!” De dominee zet de werkelijkheid helemaal naar zijn hand. Natuurlijk is dit volkomen belachelijk. Maar toch…  Hoe vaak doen wij dat niet: de werkelijkheid verdraaien omdat we ons daar beter bij voelen? Een paar voorbeelden. Wie gebruikt er niet soms een leugentje om bestwil om een fatsoenlijk beeld van zichzelf hoog te houden? Of minder onschuldig: hoe vaak wordt er niet gezegd of minstens gedacht dat arme mensen zelf schuldig zijn aan hun armoede omdat ze niet goed met hun geld omgaan, of dat het weer eens de buitenlanders zijn die de problemen veroorzaken, of dat verslaafde mensen geen ruggengraat hebben. Het is makkelijk te denken dat de natuur zichzelf wel zal herstellen en dat je niet ziek wordt als je maar gezond eet; het is makkelijk  de achteruitgang van het kerkbezoek te wijten aan laksheid en gemakzucht. Zo maken we van de werkelijkheid een eigen werkelijkheid waarin wij ons thuis voelen. Wij hebben alles geprobeerd om een ruzie bij te leggen, menen we, maar die ander… Maar wat wij als werkelijkheid zien, is dikwijls maar een klein deel ervan. Want armoede is lang niet altijd de schuld van de armen. En de toeslagenaffaire laat zien dat bepaalde regelingen in Nederland helemaal niet  rechtvaardig zijn. Uiteraard zijn buitenlanders net zulke goede of slechte medemensen al u en ik, herstelt de natuur zich niet vanzelf, garandeert gezond eten niet dat je gevrijwaard blijft van ziekten en is de achteruitgang van het kerkbezoek niet simpelweg te wijten aan gemakzucht. Vandaag zegt Jezus tegen Nicodemus: “wie de waarheid doet, komt naar het licht toe, en dan zal blijken dat zijn daden in God zijn verricht”. De waarheid begint waar wij bereid zijn opnieuw geboren te worden en waar we leren kijken met de ogen van God. Dat wil zeggen: waar wij boven ons eigenbelang uitstijgen en ophouden steeds maar van onszelf uit te gaan. De waarheid begint waar wij onze medemensen als ménsen zien, - kunnen zien dat zij net als wij allemaal iets in hun rugzak hebben: wij zijn allemaal op zijn tijd gewonde, geraakte, mooie of gekwetste mensen. Wij zijn allemaal mensen die op zijn tijd mededogen nodig hebben, barmhartigheid, liefde, gerechtigheid…


Dat leren zien, dát is opnieuw geboren worden in God. Daarvoor heb je nodig dat je met nieuwe ogen kijkt naar de werkelijkheid en naar elkaar. Natuurlijk gaat dit niet zomaar. Bij mij niet. Bij u niet. Het gaat, maar wel met kleine stapjes. Bidden we daarom om geduld met onszelf. En bidden we ook dat we steeds meer gesteld raken op hem, het licht van de wereld, Jezus. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 7 maart ( 3e zondag van de veertigdagentijd )


In de eerste lezing hoorden we wat wij gewoonlijk ‘de tien geboden’ noemen.


Ze worden ook wel, eigenlijk veel beter, ‘aanwijzingen tot leven’ genoemd. Want het zijn dé grote levensrichtlijnen waarmee wij elkaar het leven mogelijk maken; waarmee wij het beschermen, omdat het kostbaar is. Heel vaak wordt echter, als wij over die ‘geboden’ nadenken, de eerste zin vergeten waarmee het allemaal begint: 'Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.’ Het is daarmee het uitgangspunt en de kern van alles. Gods bevrijdend handelen, zijn bevrijding van Israël uit de slavernij in Egypte, staat aan de basis van heel het religieus bewustzijn van het joodse volk en daarmee ook aan de basis van ons gelovig leven. Na die zin komt daarom direct: ‘Gij zult geen andere goden hebben ten koste van Mij.’ Want alles dat kan knechten en het leven kan bedreigen staat in directe vijandschap tegenover de Schepper God die tot leven wil brengen. Die andere goden zijn de oude, soms bloeddorstige goden van het Midden-Oosten, sommigen namen zelfs kinderen als offer. Nee, de God van Israël laat vanaf het eerste begin weten dat zijn wetten zijn gegrond op de bescherming van het leven dat Hij heeft gegeven. Het is die God die Jezus ‘Abba’, Vader,  noemt, waarmee Hij zich verbonden voelt, waardoor Hij zich geliefd voelt, die Hij verkondigt in woord en daad in heel zijn optreden. God, is een bevrijdende God die niet toelaat dat mensen worden geknecht. Niet door mensen, niet door kwade geesten, niet door invalide makende ziekten. In het evangelie dat wij zojuist hoorden kwam precies die bewogenheid van Jezus aan het licht. Sommige mensen schrikken van deze Jezus. Wij zien hem toch liever als de Goede Herder of als de leraar van de Bergrede. Toch is de Jezus die het tempelplein met behoorlijk wat geweld leeg veegt, precies dezelfde als die Goede Herder. Wat heeft het een dan met het ander te maken? In de evangelietekst over de ‘Tempelreiniging’ staat er nadrukkelijk dat dit gebeurde ‘kort voor het paasfeest der Joden’. Dat is opvallend want in een Joods huishouden is het verplicht om vóór het Pesachfeest het huis helemaal schoon te maken. Volgens de joodse wet mag er in het hele huis geen kruimeltje gedesemd brood achterblijven. Tijdens het Pesachfeest wordt  ongedesemd brood gegeten, de matzes. Die kunnen niet bederven, zoals gedesemd brood. In de keuken, in alle kamers, die onzuiver kunnen zijn door beschimmelde kruimeltjes, moet alles helemaal  gezuiverd worden voor het Pesach, die al duizenden jaren terugkerende viering van Gods bevrijding. Zuivering probeert altijd naar de kern te gaan van waar alles om gaat. Zo is ook het zuiverend vasten in onze joods-christelijke cultuur geen doel op zich. We vasten in onze traditie niet om te ervaren hoe sterk we zijn, ook niet om ons lichaam te ontslakken en een heldere geest te krijgen, ook niet om geld over te houden voor goede doelen, dat is een hele leuke bijkomstigheid. Nee, vasten en onthouding zoekt vooral naar de kern waar het allemaal om gaat. Het zoekt om met Gods hulp ons te ontdoen van alles dat we in de plaats stellen van die God van leven, liefde en bevrijding. ‘Het huis van mijn Vader is geen marktplaats,’zegt Jezus, en Hij veegt winstbejag en het gemarchandeer het huis uit. Zo zuivert Jezus het huis van zijn Vader. Als Hij dan door geschokte mensen ter  verantwoording wordt geroepen wijst Hij op zichzelf: 'Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.' Jezus voelt hoe Hijzelf de plaats is waar God leven en bevrijding voor mensen kan zijn. Als we dit goed tot ons door laten dringen dan is dit een oproep aan ons allen, om ook zo’n plaats te zijn waar God bevrijdend kan werken aan leven en bevrijding, aan zijn Rijk van Gerechtigheid. Een tempel waarin zijn Geest kan wonen; Wij voelen allemaal wel aan dat ook de tempel die wij zijn onzuiver gemaakt kan worden, door verslavingen, door hang naar macht of geld; van meer en meer willen; zaken die ons mensen in de ban houden én die onszelf en de schepping kapot kunnen maken. Ieder jaar weer worden wij opgeroepen om in de veertigdagentijd even pas op de plaats te maken en daarbij stil te staan om de tempel die wij zijn eens kritisch te bekijken en misschien hier en daar wat schoon te vegen. Bidden wij dat in deze 40-dagentijd dit zuiverend werk in ons kan gebeuren. Amen.


Zondag 28 februari ( 2e zondag van de veertigdagentijd )


opening


 We leven in de Veertigdagentijd, de tijd waarin we gedenken op weg te zijn naar Pasen. We zien uit naar het feest waarop we vieren dat Jezus van God nieuw en ander leven heeft ontvangen. Het grote Geheim van Pasen. Niet de dood heeft het laatste woord, maar God. Hij is onvoorwaardelijk trouw. In het evangelie van vandaag zullen we horen dat de leerlingen als het ware een voorproefje krijgen van dit grote Mysterie. Het vertelt het verhaal van de gedaanteverandering. We zullen horen dat leven meer is dan wat wij hier en nu ervaren. Ook ons wacht eens de ervaring van Pasen. Laten we vandaag in die hoop én in dat vertrouwen met elkaar eucharistie vieren.


overweging


Jezus neemt drie van zijn leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes, met zich mee naar een berg. Een berg is in de Bijbel vaker dé plek is waar God en de mensen elkaar raken en ontmoeten, waar God wordt ervaren als heel nabij. Daar op die berg – door de traditie de Thabor genoemd – krijgen de leerlingen een visioen. En wat ze zien is een korte blik op hoe het zal zijn als Jezus na zijn dood is opgenomen in het huis van God, zijn Vader. Ze zien een hemelse wereld waarin Jezus is veranderd van gedaante en in schitterend witte kleren in gesprek is met Elia en met Mozes. Én ze zien dat een wolk hen overdekt. Als er dat staat bedoelt de Bijbel altijd dat God zelf aanwezig is. Vanuit die wolk klinkt een stem, de stem van God: “Dit is mijn veelgeliefde zoon, de zoon van wie ik heel veel hou. Luister naar hem”. Vanuit die wolk klinkt een en al liefde. God ís een en al liefde. Petrus, Johannes en Jacobus hebben daar toen op die berg als in een flits even mogen zien waar het met het leven van Jezus en van hen naar toe zal gaan. Naar een wereld waarin alle mensen thuis mogen komen in de liefde van God. Maar de leerlingen waren bang en bezorgd. Jezus had hen een paar keer gezegd dat hij veel zou moeten lijden en zelfs dat hij ter dood zou worden gebracht. Daar waren ze erg van geschrokken. Dat Jezus er aan had toegevoegd dat hij na drie dagen zou verrijzen, dat was niet goed tot hen doorgedrongen. Integendeel. Vooral Petrus had hevig geprotesteerd. Zó hevig zelfs dat Jezus hem streng tot de orde had moeten roepen: “Weg Satan”, zei hij tegen Petrus, “jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen..” Deze ruzieachtige scène ging vooraf aan het evangelieverhaal van vandaag. Wat ik Jezus vandaag zie doen dat is dat hij zijn leerlingen in die zorgen en angsten uitzicht probeert te bieden, perspectief. Dat doet hij in het prachtige visioen dat wij hoorden in het evangelie. Maar even plotseling als het is begonnen is het ook weer afgelopen. Ik vind het niet zo vreemd dat Petrus hier tenten wilde bouwen. Dat hij vast wilde houden aan dat overweldigend mooie. Maar ik vind het ook niet zo vreemd dat Jezus zijn leerlingen weer met zich mee neemt naar beneden, de berg af, terug de vlakte in, naar de mensen die daar leven. Want dáár, in de alledaagse werkelijkheid, in wat Jezus voor de mensen gaat doen, - ook dáár moeten zij zijn goddelijkheid leren zien, evenzeer als op de berg. Daar in de vlakte,  waar Jezus zich bekommert om de noden van de mensen, om armen en zieken, melaatsen en zondaars, weduwen en wezen, om allen die een beroep op hem doen. Daar, in de vlakte, op de stoffige weggetjes van Palestina, in de armoedige dorpjes, daar, bij al die gekwelde mensen, dáár wordt de majesteitelijke schoonheid van Jezus zichtbaar. Dáár doet Hij de wil van zijn Vader. Dáár is Hij de Zoon van wie de Vader zoveel houdt. Daarom moeten zij, moeten wij, van de berg af om hem te helpen die hemelse werkelijkheid tot een aardse werkelijkheid te maken, hier op de plekken waar wij wonen en werken. Jezus zelf heeft hiervan niet alleen met woorden, maar met zijn léven getuigenis afgelegd. Hij heeft zich niet laten voorstaan op zijn bijzondere relatie met God. Of zoals het in de eerste lezing stond: “hij heeft zich niet vastgeklampt aan zijn gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf belangeloos gemaakt en dienstbaar”. Hij heeft gekozen voor een leven van totale dienstbaarheid.  En uiteindelijk heeft hij zich in de keuzes die hij maakte toevertrouwd aan de belofte van zijn Vader in de hemel dat Hij ons draagt in de palm van Zijn hand. Tot in de dood. Ook ons kan van alles overkomen, net zoals Jezus en zijn leerlingen. Bidden wij dat wij in dat alles toch steeds weer houvast kunnen vinden in het vertrouwen dat de Vader in de hemel ook ons niet aan ons lot overlaat, maar in liefde draagt. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 21 februari (1e zondag van de veertigdagentijd) 


Er staat op YouTube een heel leuk filmpje van een chimpansee in een dierentuin. Het is een groot en sterk mannetje. Er is in het verblijf van de chimps een lading appelen gestort zodat zij ervan kunnen nemen wat ze nodig hebben. Hij als grootste man neemt natuurlijk het eerst. Hij pakt wat hij kan en stapelt zoveel mogelijk appelen in zijn armen, pakt dan in iedere hand en iedere voet nog een of twee appelen en stopt er ook nog een stuk of drie in zijn mond. Zo probeert hij naar een rustig hoekje te komen waar hij alles rustig kan opeten. Dat lukt hem nog ook. Het is heel grappig, omdat het een aap is. Als wij mensen zo graaien wordt het minder leuk. Toch gebeurt dat ook, de aap in ons is niet helemaal weg. Wij mensen hebben ook een sterke drang tot overleven. De schrijver Jean Jaques Suurmondt die prachtige artikelen en boeken schrijft over het geestelijk leven van mensen noemt dat deel van het innerlijk  van de mens - en ook en vooral ook van zijn eigen innerlijk – de ‘knurftige aap’; het is dat wat wil hebben; dat op de allereerste plaats denkt aan eigen overleven, eigen veiligheid, eigen gezondheid, eigenbelang. Het is dat wat ook, voor op zich mooie idealen, over lijken wil gaan. Wij weten allemaal waartoe bv. de prachtige idealen van het communisme hebben geleid: onderdrukking; moord; kampen vol met gevangen mensen die anders dachten. De knurftige aap zegt nogal eens: ‘het doel heiligt de middelen’. Als Jezus in de woestijn is, is Hij, staat geschreven, bij ‘de wilde dieren’. Hij gaat er de confrontatie mee aan; met de ‘wilde dieren’ en met de Satan die Hem beproeft. In die veertig dagen woestijn ziet Hij alle negativiteit die onder en in mensen is onder ogen. In de tekst die wij zojuist als tweede lezing hebben gehoord, wordt het maar kort verteld. Bij Matteus wordt het uitgewerkt. Jezus ziet onder ogen hoe Hij zijn zending zou kunnen misbruiken; hoe Hij macht zou kunnen krijgen; zichzelf zou kunnen verheffen. In onze veertigdagentijd, waarvan deze zondag de eerste is, hebben wij de kans om contact te maken met de wilde dieren en die ‘knurftige aap’ in onszelf, met wat in ons destructief is. Niet dat wij dan direct andere mensen zijn, maar het helpt op z’n minst om anderen niet te veroordelen; om meer begrip te hebben voor ons kleinmenselijke gedrag. Het is niet fijn, die confrontatie, maar misschien worden wij in deze veertig dagen ook geholpen en worden, we net als Jezus, geholpen door die andere zijde van ons mensen en zijn er, net als bij Hem, engelen die ons bedienen. Zo’n engelachtige stem had Jezus gehoord bij zijn doop. Direct na zijn doop kwam Hij het water uit en hoorde Hij een stem: “Jij bent mijn geliefde Zoon”. Wij zeggen ook weleens als bij ons een kwartje valt, ‘Het was alsof de hemel openging’. Jezus had zo’n ervaring: Hij zag opeens heel helder in hoezeer God Hem liefhad en hoe God een God van Leven is. Die ervaring was zo diep dat Hij dat onmogelijk voor zichzelf kon houden. Wanneer Jezus naar de woestijn gaat dan is dat voor hem ook een tijd van opnieuw contact maken met het Leven dat God geeft, want het is dat leven dat Hij nodig heeft voor alles wat Hij voor de mensen wil zijn. De God van Noach, de God van Abraham, Izaak en Jacob, de God die Israël uit Egypte bevrijdde, die Jezus zond om het Rijk Gods te verkondigen is bij uitstek een Schepper God. Hij wil bestaan en leven schenken, zelfs als wij mensen er een bende van maken. Dat konden wij horen in de eerste lezing. Iedere keer als wij een regenboog zien, mogen we daarop vertrouwen. Daarom is het zo belangrijk niet alleen het duister in ons ons onder ogen te zien maar ook om open te zijn voor die stem van de engel, die ons uit onszelf trekt naar de andere mens om op onze beurt zelf een engel te zijn voor wie ons nodig heeft. Wij mensen zijn complexe wezens: apen en engelen, goed en kwaad, het zit allemaal in ons. Maar het is met dat bijzondere wezen dat God een verbond is aangegaan. Ondanks alles zijn wij werktuig voor zijn Rijk: een Rijk van vrede en medemenselijkheid. Bidden wij dat in deze veertigdagentijd de engelen ons zullen helpen. Amen.


Zr. Susan van Driel o.carm.


Zondag door het jaar 14 februari 2021


begroeting en inleiding


De oude bijbelse tijden waren niet bepaald gemakkelijk, zeker niet als je  aan een besmettelijke huidziekte leed of een ernstige beperking had. Als duidelijk werd dat jij melaatsheid had, dan kon je niet thuis blijven wonen. Dan moest je het dorp of de stad uit. En als je dan per ongeluk toch in de buurt van andere mensen kwam, moest je zorgen dat je afstand hield en dan moest je vanuit de verte met hard roepen of met een ratel kenbaar maken dat je er aan kwam. Wat er dan met je gebeurde, - dat horen we vandaag. In beide lezingen. Je raakte sociaal totaal geïsoleerd. Vandaag zullen we horen dat Jezus iemand die melaats was juist wel aanraakte. Wat heeft deze daad van Jezus betekende en nog betekent, - daarop willen wij ons vandaag bezinnen. 


overweging


Toen u aan het begin van de viering mijn inleiding hoorde – en zeker toen u het evangelie hoorde – kan het bijna niet anders dan dat u in uw gedachten even naar de maatregelen ging waarmee wij in deze dagen elkaar beschermen tegen besmetting door het coronavirus. Afstand houden, geen fysiek contact met andere mensen, geen bezoek ontvangen, op bepaalde tijden niet op straat… Het lijkt een beetje op die oude tijden. Een beetje, want de maatregelen van vroeger waren nog wel wat erger dan die van nu. Bovendien: corona is hopelijk tijdelijk, iets dat voorbijgaat; melaatsheid was, zeker toen, levenslang. Maar toch.. wat overeenkomt is dat ook wij erachter komen, hoe zwaar het voelt eenzaam te zijn en afstand te houden van elkaar… of nog erger er helemaal niet meer bij te horen. Maar nu naar het evangelie. Waarom zou Marcus dit verhaal verteld hebben? Welke waarde heeft dit verhaal voor de tijd van nu? Er worden in onze ziekenhuizen zoveel duizenden mensen genezen. Daar zullen ze over tweeduizend jaar toch ook niet meer over praten? Waarom is het verhaal van Marcus over deze ene melaatse voor ons nú dan wél belangrijk? Ik denk omdat Jezus deze melaatse niet genas als dokter, als arts, maar als iemand met een zending van Godswege. Dat wilde Marcus vertellen. Bij Jezus ging het niet alleen om een medisch proces. Dat wordt duidelijk als we letten op dat ene zinnetje: ‘Jezus raakte hem aan’. En zoals ik al duidelijk heb gemaakt: dat mocht eigenlijk helemaal niet. Toch raakte Jezus hem aan. Op datzelfde moment voelde die melaatse dat hij weer verder kon met zijn leven. Er was iemand die hem liet voelen dat hij voor hem niet vies was, niet smerig, niet gevaarlijk. Dat hij voor hem een méns was. Misschien moet je zeggen dat deze melaatse op twee manieren is aangeraakt: ja, hij is genezen van zijn ziekte… maar op de eerste plaats  voelde hij zich gezíen als méns. Jezus zág hem en is diep ontroerd. Jezus, in wie wij de gestalte van God mogen herkennen, in wie de liefde van God zichtbaar geworden is, laat de man voelen dat God naar hem omziet, dat God door medelijden bewogen wordt, dat Hij ons uit ons isolement wil halen. Verder zitten er nog twee kanten aan dit verhaal. De eerste kant is dat ieder van ons die zich buitengesloten voelt – en dat kun je ook vertalen met gekleineerd, miskend, uitgerangeerd – dat iedere mens die zich zo aan de kant gezet voelt, wat Jezus betreft moet kunnen rekenen op andere mensen die hem of haar er weer bij halen. Daar mag hij of zij op rekenen zolang er nog echte christenen zijn. De tweede kant is: als iemand van ons een ander kleineert, miskent, bang maakt of buiten de kring drukt, - dan zit die iemand er helemaal naast. Wij mogen geen mensen buitensluiten. Want voor alle mensen – of ze nou melaats zijn, of egoïstisch, geslagen door het leven, of hoe dan ook mislukt of aan de rand geraakt – voor alle mensen vraagt Jezus in Gods naam om een plaats in de kring. Daarom zei ik dat Jezus de man uit het evangelie niet genas als dokter, maar als iemand met een zending van Godswege.. Het optreden van Jezus in dit evangelie is voor mij een beeld dat duidelijk maakt dat God ons ziet, – hoe we er ook aan toe zijn. Hij heeft  oog voor ons. Een aantal jaren geleden was hier ergens in Brabant het motto van carnaval: ‘k zè ‘r gère bij. Als ik het niet helemaal goed uitspreek: ik hoor er heel graag bij. Ik denk dat dat een levenslang verlangen is van alle mensen, ziek én gezond. Namens God laat Jezus ons vandaag zien dat we dit verlangen serieus moeten nemen.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


 


 

Archief
 
Het Parochiehuis
 van Sasse van Ysseltstraat 8
    5831 HD BOXMEER
 (0485) 57 32 77
 secretariaat
Noodnummer:
Voor een acute ziekenzalving of een uitvaart
 06-12089054