Overwegingen
27-jul-2021 |

Feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel  


Zondag 18 juli 2021


Een voormalige prior generaal van de Karmel heeft een ooit uitgerekend dat er over de hele wereld zo’n 60.000 mensen op de een of andere wijze verbonden zijn met de Orde van Karmel. Afgelopen vrijdag vierden al die mensen wereldwijd het feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel. Ooit, rond het jaar 1200, begon onze Karmelorde met een klein groepje monniken die bij elkaar woonden in hutjes en grotten in het Karmelgebergte, in het toenmalige Palestina. Omdat ze hun verblijfplaats in het Karmelgebergte hadden, werden ze al gauw Karmelieten genoemd.De monniken woonden daar dicht bij een kapel die was toegewijd aan Maria. Zij wisten zich op een bijzondere manier verbonden met haar, Onze Lieve Vrouw, Maria, de moeder van Jezus. Daar komt die andere naam van de karmelieten vandaan: zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel.Iets meer dan een halve eeuw na dat eerste begin vertrokken de Karmelieten onder de druk van hevig oorlogsgeweld naar Zuid-Europa. Daar breidde de groep zich snel uit en in een mum van tijd waren ze te vinden in bijna alle landen van Europa. Maar hun beide namen bleven ze houden: Karmelieten, zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel. Een belangrijke vraag bij het feest van vandaag is volgens mij: welk aspect van het leven van Maria zou óns als zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel in onze tijd het meest kunnen aanspreken? Maria als onze zuster? Maria als moeder van Karmel? Voorspreekster? Tochtgenoot op onze levensreis? Toevlucht? Gids? Dit zijn allemaal namen die ze in de loop der jaren binnen en buiten de Karmel heeft gekregen. Maar voor de meeste zusters en broeders van de Nederlandse Karmel zeggen die namen op zich niet zo veel. Ik denk dat ik mag zeggen dat wij ons meer thuis voelen bij het antwoord dat Maria gaf aan de engel, toen die haar de boodschap kwam brengen die u net in het evangelie hoorde: “Schrik niet, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en zoon van de Allerhoogste worden genoemd”. En dán vooral haar antwoord: “Mij geschiede naar uw woord. Laat met mij gebeuren wat U hebt gezegd”. Dat antwoord is voor velen en ook voor mij het meest inspirerende in de houding van Maria. In groot vertrouwen is ze vanaf die eerste boodschap blijven kiezen voor de weg waarvan ze zelf het einde niet kon overzien. Maria durfde zich toe te vertrouwen aan de weg die ze kreeg te gaan. Een weg die God haar wees. En dát spreekt ons aan. Ze durfde erop te vertrouwen dat God niet alleen spreekt in de woorden van de Schrift. Hij spreekt ook in wat er met je in je leven gebeurt, in de feitelijkheden van je leven. Als Jezus als twaalfjarige tijdens een bedevaart met zijn ouders naar Jeruzalem drie dagen zoek is, vinden ze hem terug in de tempel terwijl hij daar druk zit te praten met een groepje Schriftgeleerden. En als Maria dan zegt: “Kind hoe kon je ons dit aandoen?” en Jezus antwoordt: “Wist je dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?” – dan staat er dat Maria hem niet begreep; maar onmiddellijk volgt dan: “zijn moeder bewaarde alles in haar hart.” Precies dát is kenmerkend voor Maria. Ze overwoog de dingen die haar overkwamen in de stilte van haar hart, ook als ze het niet helemaal begreep, en ze durfde zich dan over te geven aan wat er gebeurde. Dit is ook een van de kenmerken van onze karmelitaanse weg. Je durven toevertrouwen aan wat er op je weg komt. Onze prior generaal zei in een videoboodschap aan de wereldwijde Karmel: “Karmel is een manier van leven waarin we proberen ons bewust te zijn van de tegenwoordigheid van God in de heel gewone dingen en gebeurtenissen van ons leven. We proberen ons leven en ons werk biddend te beleven, met beide voeten op de grond van de alledaagse problemen en zorgen”. Daarom nog even terug naar Maria. Toen de engel aan Maria de boodschap kwam brengen die we in het evangelie hoorden, trok ze zich niet terug in haar huis en hield ze niet op haar gewone dagelijkse leven te leven. Ze bleef niet erg lang stilstaan bij wat haar gebeurd was, - al na een paar dagen trok ze door de bergen naar haar nicht Elisabeth die ook in verwachting was. Ze bleef drie maanden bij haar om haar te helpen bij de bevalling en de verzorging van haar kind. Luisteren naar God wil niet zeggen je terugtrekken in je binnenkamer en je afsluiten voor wat er om je heen gebeurt. De weg die God ons wijst, leidt ons altijd naar het gewone leven. Daar is de plek waar God ons aanspreekt. En daarin spreekt Maria ons aan.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 4 juli 2021 (Slotviering)


Jezus trekt rond, zo vertelt Marcus ons. Hij bezoekt met een groepje leerlingen de dorpen rond het meer van Galilea. Hij geneest zieken en op de Sabbat gaat hij naar de synagoge en geeft daar zijn visie op God en op de samenleving. “Het koninkrijk van God is nabij”, zegt hij, “daarom raad ik jullie aan na te denken over je leven en je bezig te gaan houden met wat werkelijk belangrijk is. Wees rechtvaardig, zorg voor de weduwen en wezen. Heb je naaste lief, bemoedig elkaar, zie elkaar als medemens, leg elkaar geen onnodige lasten op…”. Bij veel mensen vindt Jezus gehoor voor zijn boodschap. Maar er is ook kritiek. De religieuze overheid vindt Jezus te vrijpostig. Zijn moeder en sommige andere familieleden maken zich zelfs zorgen over hem. Zorgt hij wel goed voor zichzelf? Maar dan gebeurt er iets bijzonders. Jezus bezoekt Nazareth, het dorp waar hij is opgegroeid. Wat de Farizeeërs en de Schriftgeleerden niet klaarkregen, dat lukt zijn dorpsgenoten wel: op een paar uitzonderingen na kan Jezus in zijn dorp geen zieken genezen, er is geen vertrouwen in hem is, geen geloof. Want ze menen dat hij geen bijzondere zending kan hebben, hij is toch de zoon van de timmerman. En ze kennen ook de rest van zijn familie. Zijn moeder woont bij hen en zijn zussen en broers…Deze wetenschap verhindert hen om in Jezus iets bijzonders te zien. Jezus is voor hen de dorpstimmerman en daarmee uit. Er staat dan ook dat Jezus verwonderd was over hun ongeloof. Ook onze tijd kent dit onvermogen om vertrouwen te stellen in de woorden en daden van Jezus. Soms ligt de oorzaak bij de kerk die in de ogen van veel mensen te autoritair is en wereldvreemd. Soms vinden mensen het moeilijk om te geloven in de boodschap van Jezus vanwege alle ellende en rampen die direct onze huiskamers inkomt. Hoe kun je dan zeggen dat God ons nabij is en ons wil steunen. Maar er is nóg reden waardoor sommige mensen het moeilijk vinden te geloven. Die beschrijft Marcus vandaag. De mensen van Nazareth kúnnen Jezus niet geloven omdat hij veel te gewoon is. De zoon van een timmerman… iemand uit het dorp… Misschien is dit wel een heel belangrijk punt voor ons. Want het onvermogen om te vertrouwen op de boodschap van Jezus zou wel eens samen kunnen hangen met het feit dat wij het moeilijk vinden om in het dagelijkse leven iets goddelijks te zien, iets van God. Als dit waar is, dan zouden wij iets kostbaars kunnen winnen, door onszelf meer open te stellen voor het bijzondere dat vaak schuilgaat in gewone mensen en in gebeurtenissen uit onze directe omgeving. Als zieken blij, opgeknapt en dankbaar terugkomen van Lourdes, waarom zouden wij dat dan niet beschouwen als een gave van God... als een chirurg een moeilijke operatie succesvol afrondt, waarom zouden we dat dan niet een wonder noemen... Misschien raken we juist hier wel de kern van geloven: dat geloven eigenlijk het vermogen is om Gods aanwezigheid te ervaren in de dingen die om ons heen gebeuren…  de trouwe zorg aan een ziekbed… het vertrouwen dat een klein kind je schenkt… buren die oog hadden voor de overbuurman toen die maar moeilijk overweg kon met zijn eenzaamheid tijdens de lockdown…



  • de geweldige inzet van de mensen uit de zorg toen de corona-pandemie gruwelijk uit de hand dreigde te lopen…

  • uw stroom van goede gaven voor de voedselbank…


Waarom zouden die dingen er niet op kunnen wijzen dat God aan het werk is in ons midden? Dat is in ieder geval wél iets waar de profeten in de Bijbel ons telkens weer op wijzen: dat in de zogenaamd kleine gebaren van goedheid en barmhartigheid iets te zien is van Gods bedoeling met ons… De profeten vragen ons om Gods aanwezigheid te zien én om Gods aanwezigheid zichtbaar te maken in onze daden van goedheid en liefde. Misschien is het goed met deze gedachte onze komende vakantietijd in te gaan.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 27 juni 2021 (13e zondag door het jaar)


Ik wil beginnen met een Joods verhaal: Op zekere dag kwam God tot de conclusie dat er maar een nieuwe zondvloed moest komen, zonder ark, zonder duif, zonder overlevenden. Hij zond een engel naar de aarde om dit besluit bekend te maken. Eerst kwam de engel bij de paus. De paus zei: ‘God is groot, tegen zijn oordeel mogen we ons niet verzetten’. Toen ging de engel naar de leider van de moslims. Die zei: ‘De wil van Allah moet geschieden’. Tenslotte bezocht de engel de joodse opperrabbijn. De rabbi dacht lang na en zei: ‘Het is waar, we hebben gezondigd, maar goeie God, het zal nog niet meevallen om te leren leven onder tien meter water…’ Ik begin met dit verhaaltje, omdat dit zo goed laat zien hoe het joodse volk in het leven gelooft. Er is geen volk dat zo heeft geleden. Maar er blijft vertrouwen in het leven; vertrouwen dat het leven verdergaat. Het is opvallend dat in de woorden van Jezus - die Hij zegt tegen de bloedvloeiende vrouw en tegen de man die op het punt staat zijn kind te verliezen - het helemaal niet gaat over Gods wil en over berusting en aanvaarding. Nee, het is het vertrouwen dat zal redden. En dat is iets heel anders dan berusting en aanvaarding. Vertrouwen gaat namelijk vaak helemaal tegen zogenaamd realistisch menselijk denken in. Want realistisch gezien hebben die twee mensen in het evangelieverhaal geen enkele kans: Allereerst is er een man die om leven voor zijn dochter vraagt. Hij is een hooggeplaatst en machtig man: een overste van de synagoge. Een machtige man met aanzien. Maar hij is niet opgewassen tegen de dood, de dood van zijn kind nog wel. De tweede die een beroep op Jezus doet is een vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt. Haar toestand zette haar aan de rand van de maatschappij. Zij is altijd onrein, de strenge voorschriften voor de menstruerende vrouw moet zij altijd in acht nemen. Zij wordt daarmee feitelijk een paria, een onaanraakbare. Daarom ook raakt ze Hém niet aan, want als ze Hem aanraakt wordt ook Hij onrein. Dat wil ze Hem niet aandoen. Nee, heel voorzichtig én respectvol raakt ze alleen maar de zoom van zijn kleed aan. Een man van aanzien en een vrouw aan de rand van de samenleving. Toch hebben zij één ding gemeen. Zij zijn, naar menselijke maat, in een hopeloze situatie. De vrouw is overal om hulp geweest, niemand kan haar helpen. De synagogebestuurder kan niets beginnen tegen de ziekte die zijn dochter in de greep heeft. Er is geen mens op deze aarde die zich niet kan herkennen in deze mensen. Wij maken allemaal vroeg of laat mee dat er krachten zijn waar wij machteloos tegenover staan. We worden ziek, oud, we verliezen mensen waarvan we houden. We staan zo vaak machteloos. Sommige mensen raken daardoor verbitterd. Ze worden verdrietig en kwaad, ook op God. Iemand die haar eerste kind na een half jaar verloor vertelde eens: 'Mijn vertrouwen in het leven is diep geschokt en de toekomst is in een totaal ander licht komen te staan. Mijn beeld van God is in duigen gevallen. lk heb het gevoel nooit meer echt van het leven te kunnen genieten.' Haar vertrouwen in een God die liefde is en goedheid was helemaal weg. Het is ook moeilijk om met elkaar te rijmen, het verlies van een kind en de boodschap dat God, een God van leven is. Dat hebben we in de eerste lezing gehoord: ‘Hij toch heeft alles geschapen voor de onsterfelijkheid. En in evangelie volgens Marcus staat: ‘Hij is geen God van doden maar van levenden’. De mensen zeggen tegen Jairus: `Uw dochter is gestorven. Wat valt u de meester nog lastig?' Met andere woorden: er is geen hoop meer, dood is dood. Geen wonder dat Jezus zegt: ‘uw vertrouwen is uw redding’. Zonder vertrouwen in het leven zou er allang geen Joods volk meer bestaan. ‘Vertrouwen, wat moet ik er mee’, zei iemand niet zo lang geleden tegen me. Maar vertrouwen ís leven. Met vertrouwen durf je zelfs te geloven dat je onder 10 meter water kunt leren leven, zoals die oude rabbijn. Ook al is dat niet realistisch. Een student zei eens tegen een professor theologie: ‘wat als het nu eens allemaal niet waar is. Wat als we nu met z’n allen al 2000 jaar voor de gek worden gehouden’? De professor dacht lang na en zei toen: ‘dan laat ik me voor de gek houden, maar wel samen met Jezus’. Bidden wij dat ook wij zullen groeien in vertrouwen. Amen


Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 20 juni 2021 (12e zondag door het jaar)


Welkomstwoord


Ik heet u allen van harte welkom in deze eucharistieviering. Op het meer van Gennesareth kan het regelmatig hevig spoken. De oorzaak zijn valwinden die vanaf de koude Hermon in het noorden het broeierige dal van de Jordaan binnen vallen. Hoe verwoestend valwinden kunnen zijn, weten we sinds eergisteren. In Leersum is een aantal huizen verwoest en op de Utrechtse heuvelrug is een grote strook bos volkomen ontworteld. Vandaag lezen we het verhaal van de storm op het meer. Het verhaal gaat echter over veel meer dan een storm. In de zee en in de storm huizen de mythische monsters van de chaos en de dood die ons leven bedreigen. In allerlei verhalen vertelt de Bijbel hoe God de chaos bedwingt en hoe Hij uit de chaos onze levensruimte uitspaart. Het verhaal van de storm op het meer vertelt ons hoe onze angst voor de chaos en de dood kan worden omgevormd tot ontzag voor het geheim van God. Het is het geheim van God dat in iedere mens aanwezig is, het geheim dat vraagt dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar. Ik wens u een goede viering.


Overweging


Ooit heb ik een storm op zee meegemaakt. Het was tijdens een oversteek van Turkije naar Cyprus. Zolang onze boot voer onder de kust van Turkije viel het nog enigszins mee. Maar eenmaal op volle zee werd het verschrikkelijk. De boot rolde heen en weer en stampte omhoog en omlaag. Het leek alsof er overal water was, onder ons, links en rechts van ons, soms zelfs boven ons. En soms leek het alsof onder ons helemaal geen water was. Iedereen zag groen van ellende. Niemand kon iets binnen houden. Het boek van de Psalmen beschrijft hoe mensen in een vliegende storm terecht komen. Psalm 107 vertelt hoe mensen met hun schepen de zee opgingen om handel te drijven. Er stak een stormwind op die de golven hoog op zwiepte. Hemelhoog rezen zij. In afgronden daalden zij. Zij vergingen van angst. Ze tolden en tuimelden als waren zij dronken. Van al hun zeemanskunst bleef niets over. De psalm vertelt verder hoe ze in hun angst tot God riepen en hoe Hij hen redde uit de nood. God bracht de storm tot bedaren. De golven kwamen tot rust. De mensen waren blij toen het kalm was geworden. En God leidde hen tot de veilige haven. In de Bijbel is het kolkende water de vijand van God. De kolkende zee is de vijand van elke orde, ook van de scheppingsorde. In de oerzee heeft God een ruimte uitgespaard voor de schepping. In die ruimte heeft hij licht en donker geordend, dag en nacht, land en zee, man en vrouw. Zo maakte Hij voor ons een ruimte om te leven. In de oerzee huizen de chaosmonsters, Behemoth en Leviathan. Ze zijn uit op onze vernietiging. Toen God zijn volk leidde uit de slavernij van Egypte naar de vrijheid van het beloofde land, spleet Hij de zee. Op meerdere plaatsen spreekt de Bijbel erover dat God toen de koppen van Leviathan vermorzelde. In het evangelie van vandaag wordt de vernietigende kracht van de oerchaos opnieuw bedwongen. Het leven behaalt opnieuw de overwinning op de dood. Maar er is een belangrijk verschil. Jezus slaapt. Hij merkt niet dat zijn leerlingen de ondergang tegemoet varen, dat ze dreigen te vergaan in de kolkende chaos. Mensen die een beetje bekend zijn met de Bijbel, denken meteen aan de profeet Jona, die zijn roeping om in Ninive te gaan verkondigen, probeert te ontlopen. Hij scheept zich op een schip dat naar Tarsis vaart. Precies de andere kant op. Het schip komt in een storm terecht die alsmaar heviger wordt. Maar Jona ligt in het ruim van het schip te slapen. Na veel gedelibereer gooit de bemanning hem in zee en de woede van de zee bedaart. Behalve Psalm 107, het scheppingsverhaal en het verhaal van Jona klinken nog andere teksten mee uit de Bijbel. Het zijn teksten die erover spreken dat God zelf in slaap is gevallen en de noodkreten van zijn volk niet hoort. In Psalm 44 vragen mensen die met de dood worden bedreigd, God om wakker te worden. ‘O Heer, ontwaak. Waarom slaapt U? Ontwaak, stoot ons niet af voorgoed… Sta op en kom ons te hulp. Bevrijd ons omwille van uw liefde.’ In Psalm 78 is het nog erger. God is als een dronken soldaat die zijn roes ligt uit te slapen. Maar als Hij wakker is geworden slaat Hij zijn vijanden achteruit. Als Hij weer nuchter is, komt Hij in actie en redt Hij zijn mensen. God slaapt. Hij hoort ons niet. Hij doet niets. Hij redt ons niet. In die ervaring zullen vele mensen zich herkennen. Hij was er niet toen de pandemie wereldwijd toesloeg. Toen het conflict in het Midden-Oosten voor de zoveelste keer oplaaide in ziedend geweld en vele slachtoffers eiste, deed Hij niets. Hij is er niet als vluchtelingen aan de grenzen van Europa worden terug gestuurd en geen asiel kunnen aanvragen. Zijn bedoelingen met ons blijven onzichtbaar wanneer mensen tot de pijnlijke en verdrietige conclusie komen dat ze niet met elkaar verder kunnen.  God doet niets. Hij slaapt. Hoe verlost Hij ons uit onze nood? De leerlingen maakten Jezus wakker en vroegen: ‘Raakt het U niet dat wij vergaan?’ De vraag rijst hoe wij God wakker maken? De leerlingen vroegen dat Jezus ingreep in hun levens­ bedreigende situatie. Als wij dat doen, als wij God smeken om ons bij te staan in onze ellende, dan betekent dat niet dat wij de verantwoordelijkheid voor ons ongeluk op God kunnen afwentelen. Voor veel onrecht in onze wereld blijven wij zelf verantwoordelijk en dus ook voor het herstel van dat onrecht. Als wij God wakker willen roepen en Hem vragen ons te helpen, moeten wij ook ons zelf wakker roepen. Wij moeten ook zelf nabijkomen in de situaties die ons bedreigen. Wakker worden betekent beseffen dat God in ons en door ons werkt aan een betere wereld. De rechtvaardigheid en de vrede die God wil, wordt bereikt doordat wij de verantwoordelijkheid voor elkaar op ons nemen. Wij kunnen erkennen dat de ander niet onze vijand is, maar dat hij ons respect verdient omdat hij een geheim in zich draagt dat ons besef te boven gaat. Natuurlijk is er ook lijden dat we niet kunnen voorkomen en verhinderen. Dat lijden echter kunnen we samendragen in het besef dat onze God bereid is geweest om ook ons lijden op zich te nemen. Samen ons lijden dragen is ook een vorm van wakker worden uit onze onverschilligheid en vormgeven aan onze verantwoordelijkheid voor elkaar.


Huub Welzen o.carm.


 


Zondag 13 juni 2021 (11e zondag door het jaar)


De profeet Ezechiël sprak in de eerste lezing opbeurende woorden, vol vertrouwen. Opmerkelijk, want die woorden staan tussen allerlei profetieën die rampspoed verkondigen. Hij kondigt aan dat het hele volk in ballingschap wordt gevoerd naar Babylon. Er was door de machthebbers van Juda een puinhoop van gemaakt: woekeren, bloedvergieten, complotten smeden, afgoderij, het zaad, door God zelf in Israël geplant, was kapotgemaakt. In het boek Ezechiël wordt in een eerder hoofdstuk het beeld gebruikt van een pasgeboren kind dat te vondeling wordt gelegd. Er staat geschreven: ‘Niemand had medelijden met u of ontfermde zich over u om voor u te zorgen. Op de dag van uw geboorte werd u in het vrije veld te vondeling gelegd, omdat men aan uw leven geen waarde hechtte. Toen kwam ik voorbij u en toen ik zag hoe u daar lag te spartelen in uw bloed sprak ik tot u: ‘Blijf leven!’ Ja Ik sprak: ‘Blijf leven’. Prachtige woorden waarmee de profeet Ezechiël zegt hoezeer het volk van Israël álles te danken had aan de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Een God die het schreeuwen van zijn volk had gehoord toen het werd onderdrukt en gedood in de slavernij van Egypte. Hij wil ermee zeggen dat het volk helemaal niets aan zichzelf te danken had. Hulpeloos was het, toen het werd gezien én geholpen. Dat bewustzijn was en is er in het jodendom. Immers: ieder jaar opnieuw werd en wordt de bevrijding gevierd met het Pesachfeest. Het moment van uittocht, van het duister naar het licht, van slavernij naar bevrijding. Je zou dan denken, dat als mensen zich er diep van bewust zijn dat zij hun bestaan als mens en volk helemaal te danken hebben aan de Eeuwige, dat dit een besef is dat gunnend maakt; dat het bestaan en het leven wordt gegund aan andere mensen; dat er zorg is voor elkaar en de wereld. Het volk van Israël had dan ook vele wetten en regels die juist dát moesten waarborgen: nee je mocht slaven niet eindeloos uitbuiten; ja, je moest zorgen voor weduwen en wezen; je moest je houden aan reinheidswetten omdat – hóe wist men natuurlijk niet – dat mensen gezond hield; nee, je mocht wrede en bloed eisende goden niet vereren. Allemaal regels die moesten zorgen voor een goed leven, voor zover dat in de macht van mensen ligt. Een samenleving waarin het gunnen van God centraal staat. Het evangelie laat zien dat dit gunnende leven, het leven is dat Jezus heeft geleid. Hij besefte diep hoe Hij alles had ontvangen van zijn Vader en Hij gaf het door, juist aan de mensen die door anderen het leven werd misgund omdat ze in de ogen van die mensen niet deugden. Jezus begreep echter dat wij mensen maar één ding echt verkeerd kunnen doen, en dat is ons afkeren van dat leve gevende van God, het Rijk van God. Daartegen kon Jezus behoorlijk tekeergaan, tegen de farizeeën en schriftgeleerden die met de opgeheven vinger stonden, maar ondertussen het leven aan kwetsbare mensen misgunden. Die noemde Hij witgepleisterde graven en adderengebroed. In die tijd en cultuur echt vreselijke scheldwoorden. Wij mensen kunnen allerlei redenen hebben om tegen dat gunnen van God in te gaan: omdat we méér willen of willen houden wat we hebben of omdat we gewoon bang zijn voor onze kwetsbaarheid. Maar Hij probeert ons over de streep te trekken en Hij lokt ook ons naar het Rijk van God met die vergelijking van de kiemkracht van het kleinste zaad. En het wordt groot, Jezus zegt, ‘daarin kunnen de vogels wonen en schuilen’, ergens anders zegt Hij, het heeft vele woningen, plaats voor iedereen. Het gunt iedereen, ook jou, je leven. De vraag is of we ons over de drempel láten trekken. Kunnen we het vertrouwen opbrengen om in het Rijk van God te gaan wonen? Want vertrouwen vraagt het, bij iedere keuze die wij moeten maken in het leven. Wij kunnen namelijk nooit zeker weten of het ook iets oplevert wat we doen. Het is net als met de boer die het zaad in de aarde stopt. Hij weet dat de oogst ook wel eens mislukt, maar hij blijft zaaien en hij hoopt en vertrouwt op een mooie oogst. Enige weken geleden was ik in de Achterhoek en ik heb daar een drie eeuwen oude eik mogen bewonderen die een stamomtrek heeft van 7 meter. Ook die boom was ooit begonnen als eikeltje dat nou heel toevallig niet door de varkens werd opgegeten. Nu woonden er al driehonderd jaar vogels en allerlei andere wezens tussen zijn takken. Bidden wij dat wij het aandurven om gunnend te leven, zo gunnend als God. Amen. 


Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 6 juni (Sacramentsdag en Vaartzondag)


Het is alweer wat jaren geleden dat ik als voorbereiding op de eerste communie een ouderavond organiseerde over de eucharistie. Ik had tien stapeltjes kaartjes meegenomen waarop in steekwoorden iets over de eucharistie stond. Die had ik op tafel gelegd en ik vroeg toen aan de ouders een kaartje te pakken dat zij het meest toepasselijk vonden. Van de kaartjes waarop stond ‘delen van brood en leven’ werden er de meeste gepakt. De kaartjes met ‘gemeenschap’ deden het ook goed. Ook van de kaartjes met ‘Jezus’ erop werden er nogal wat gepakt. En ik zie nog zo voor me dat twee mensen het kaartje met ‘aanwezigheid van God’ meenamen. Maar van het stapeltje ‘Eucharistie is offer’ bleven alle kaartjes liggen. Dat heeft me toen behoorlijk aan het denken gezet. Want in de eucharistie gedenken we toch dat Jezus zijn leven heeft gegeven uit liefde voor God en de mensen? Daar hebben we die avond op doorgepraat. En toen werd het me duidelijk dat praten over ‘offer’ en vooral ‘jezelf opofferen’ tegenwoordig niet erg populair is. Integendeel. Wij willen ons leven liever zelf inrichten. Én we willen het liefst een heleboel dingen tegelijk: een baan, een goed salaris, een carrière, leuke sociale contacten en als het kan kinderen. Soms worden die wensen vervuld. Maar vaker kan het ook niet allemaal en moet je overleggen met elkaar: wie er werkt en hoeveel, wie voor de kinderen zorgt en hoelang... En dan komt onherroepelijk het punt dat je sommige wensen moet opgeven en inleveren. M.a.w. er worden regelmatig offers van ons gevraagd. Je kunt dit offer, dit inleveren negatief beleven. De ander wil dat jij iets inlevert, opoffert. En dan heeft de ander het gedaan. Maar het is ook mogelijk dat je ‘jezelf op eigen initiatief opoffert’, niet omdat een ander dit van jou vraagt, maar omdat jij ervoor kiest. Je kunt zo bezield worden door een doel of een ideaal dat je er andere zaken met liefde voor laat. En dan maak je dus die keuze zelf. Als je je met liefde en toewijding inzet voor iets dat je ter harte gaat, dan neem je het als-vanzelf voor lief dat je dit iets kost. Een man die zijn zieke vrouw verzorgt, offert met liefde zijn nachtrust op. Ouders die hun kinderen voor een studie naar het buitenland laten gaan, hebben daar soms van harte heel veel voor over. Een onderwijzer die een kind met problemen aandacht wil geven, levert vrije tijd in. Dan is het dus de zorg, de bekommernis of de liefde voor een ander die maakt dat jij bereid bent je eigenbelang los te laten. Offer wordt dan een daad van liefde of van zorg. Als ik zo over offer kan gaan denken, dan krijgt dit woord voor mij een heel andere betekenis. Toegepast op Jezus: toen hij voor de laatste keer met zijn vrienden aan tafel was, wist hij dat de machthebbers hem wilden pakken en dat een van zijn vrienden hem zou verraden. Hij had misschien nog kunnen vluchten, maar dan had hij zijn diepste dromen verraden. En zijn dromen gingen bijna altijd over LIEFDE, RECHTVAARDIGHEID EN GOEDHEID. Hij droomde ervan dat de liefde tussen mensen een onvoorwaardelijk karakter zou krijgen, dat de maatschappij een rechtvaardige samenleving zou worden, waar iedere mens recht zou worden gedaan, en dat onze onderlinge goedheid een goedheid zou worden die niemand uitsluit. In de ogen van Jezus is er eigenlijk maar EEN die echt helemaal goedheid is, helemaal rechtvaardigheid, helemaal liefde. En dat is God. Heel zijn leven was het Gods liefde, Gods goedheid, Gods rechtvaardigheid waardoor Jezus zich had laten leiden. Dat had hem gemaakt tot wie hij was. Daar kón hij uiteindelijk niet meer van afwijken, ook op het laatste moment niet. Dát is het wat Jezus zeggen wil als hij op die laatste avond van zijn leven het brood breekt en de beker met wijn ronddeelt en zegt: ‘dit ben ik, zo wil ik zijn voor jullie en voor alle mensen; als je aan mij denkt of over mij spreekt, blijf mij dan zó gedenken’. Overstromende liefde is het geweest, ook al kostte het hem zijn leven. Die liefde, die houding van Jezus, die gedenken wij vandaag op Sacramentsdag en die gedenken wij in de Vaart. Het is niet toevallig dat die liefde van Jezus hier in Boxmeer op Sacramentsdag al eeuwenlang is uitgebeeld met een kelk die tijdens de eucharistie overstroomt. Jezus heeft zichzelf helemaal gegeven, overstromende liefde is hij geworden. Dát gedenken wij. Amen


Pastor Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 30 mei (Feest van de Heilige Drie-eenheid)


Tot leerling gemaakt  


Vandaag luisterden we naar de woorden van Paulus die hij schreef aan de Romeinen en naar de laatste woorden van Jezus die Mattheus in zijn Evangelie heeft opgetekend. Deze laatste drie zinnen zijn te lezen als een samenvatting van het hele Evangelie volgens Mattheus. In mijn voorbereiding op deze zondag, werd ik door de middelste zin aangesproken. De zin: Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, en leer hun alles onderhouden wat Ik jullie geboden heb. Vele vragen kwamen naar aanleiding van Jezus zijn slotwoorden in mij op. Enkele daarvan waren: zijn onze kinderen door de doop tot leerling gemaakt? Hebben wij hen geleerd alles te onderhouden wat Jezus ons geboden heeft? We hebben het geprobeerd. Dat wel. En nog steeds. Maar, het is gebrekkig, onvolmaakt. We zijn als ouders zelf ook leerlingen. En wat betekent het dat Jezus zegt: maak alle volkeren tot leerling? Mijn vragen gingen over in bidden. Want aan wie kan ik mijn vragen beter voorleggen dan aan Jezus zelf? De andere woorden van Jezus kwamen als een antwoord: Míj is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Weet wel dat ik met jullie ben… Ik ben met jullie. Dat is de naam van God. Onze God heeft alle macht in de hemel en op aarde. En wij? Wij zijn kinderen van God zoals Paulus ons leert. Kinderen en erfgenaam. Kind zijn betekent dat we een Vader hebben, dat we bij die Vader horen. Kind zijn betekent dat we op onnavolgbare wijze Zijn erfenis in ons dragen en dat we op Hem lijken. Ook al gaat dat ons begrip te boven. Én we zijn leerling van Jezus. Als leerling van Jezus zijn we ons leven lang bij Hem in de leer. Van Jezus leren wij hoe wij zijn geboden kunnen onderhouden. Van Jezus leren wij hoe wij bovenal God en elkaar zullen liefhebben en hoe wij elkaar zullen dienen. Jezus heeft ons zichzelf als voorbeeld gegeven. Een voorbeeld dat wij als leerlingen proberen na te volgen. Dat is, zo is mijn ervaring, niet eenvoudig. Daarom hebben wij dagelijks het onderricht van Jezus nodig. Vaak onderricht Jezus ons in ons dagelijks leven. Laat ik u hiervan een voorbeeld geven. Afgelopen week liepen mijn dochter en ik door Gennep. We gingen de Mariakapel in. Een kaars brandde. Omdat we beiden geen geld bij ons hadden om zelf een kaars aan te steken, zei ze: we mogen ook wel bij deze kaars voor mijn vriendin en haar zieke man bidden. Daarna maakte ze voor haar vriendin die met haar man in Oman leeft en Moslim is, een foto van de kapel met Maria en de brandende kaars. Buiten maakte ze nog een foto van de kerk. Boven de ingang staat in grote letters: IK BEN ER. Ze verstuurde ook deze foto. Ik keek naar mijn dochter, ik keek naar het opschrift IK BEN ER. God gaf mij op dat moment een les in hoe Hij werkt. God leerde mij door deze twee jonge vrouwen, dat leerlingen maken, Góds werk is. Gód maakt ons tot leerling en laat het werk van zijn handen nooit los. In het verborgene werkt Gods liefde en Jezus zijn onderricht in en door mensen. Hem is alle macht gegeven. Wij mogen vragen, bidden, van Hem leren en proberen mensen lief te hebben zoals Hij. Misschien bedoelt Jezus met zijn woorden: maakt alle volken tot leerling, dat wij net als Hij alle mensen van alle volken moeten zien als kinderen van God, zoals we dat zelf ook zijn. Dat we naar alle mensen kijken en met ze omgaan zoals Jezus ons leert. Misschien bedoelt Jezus met zijn woorden: en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, dat we ons steeds ervan bewust zijn dat élk mens een kind van God is, dat élk mens leeft in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, dat God met élk mens wil zijn. En dat het Gods verlangen is dat alle mensen leven als broeders en zusters van één Vader, als erfgenaam van zijn liefde. Nadat mijn dochter de foto’s en gebeden in het Arabisch naar haar vriendin had gestuurd, kreeg ze in de avond een berichtje uit Oman met de tekst: je bent mijn lieve vriendin maar bovenal: je bent mijn zuster. Zusters, kinderen van dezelfde Vader. Zusters die voorbij alle cultuurverschillen elkaar zien en zorg en liefde voor elkaar hebben. Zou het zo kunnen zijn dat als we met elkaar omgaan zoals Jezus ons leert, dat we dan mensen van alle volken tot leerling maken en tot broeder en zuster? Laten we het er met elkaar op wagen om Jezus’ leerling te zijn, laten we het wagen om met elkaar om te gaan als broeders en zusters, twijfelend en gelovend dat Hij mét ons is. Hij, die is Vader, Zoon en heilige Geest. Amen.


Greetje Feenstra


Zondag 23 mei 2021 (Pinksteren)


Als iemand lange tijd leider is geweest van een vereniging en zo iemand valt plotseling weg, dan loop je de kans dat zo’n club in elkaar zakt en helemaal uiteenvalt. Dat gevaar dreigde na de dood van Jezus ook in de kring van zijn eerste leerlingen. Ze dreigden uiteen te vallen. Ze zaten met een klein groepje teleurgesteld en uitgedoofd bij elkaar, - verdrietig om het verlies van Jezus. Tot ze in de morgen van Pinksteren plotseling als het ware weer wakker werden geschud uit hun verdriet… Dat is wat we zojuist hoorden in de Handelingen van de Apostelen. ‘Ineens kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak. En heel het huis waar zij waren, was er vol van. Zij werden allemaal vervuld van de heilige Geest…’ Wat mogen we ons daarbij voorstellen? Ik dacht aan het volgende. Als wij een dierbare verloren hebben en wij zitten bij elkaar om een afscheidsviering voor te bereiden, dan komen er als vanzelf allerlei verhalen naar boven. Mooie verhalen, verhalen waar je opnieuw weer verdrietig van wordt, af en toe ook verhalen waar je met zijn allen vreselijk om moet lachen, - kortom, de dierbare om wie het gaat is dan weer even helemaal aanwezig… Ik heb het verschillende keren zo meegemaakt. Ik stel me zo voor dat de leerlingen van Jezus, daar, toen bijeen in dat huis in Jerusalem, - dat zij toen ook verhalen begonnen te vertellen aan elkaar over wie Jezus voor hen geweest was. Dat hij altijd bijzondere aandacht had gehad voor zieken en voor mensen die buiten de boot vielen, dat hij de farizeeërs soms keihard de waarheid had gezegd en zelfs tegenover de Schriftgeleerden geen blad voor de mond nam; of dat hij de mensen wees op de lessen die de natuur ons geeft: ‘Kijk naar de vogels van de hemel, ze zaaien niet en maaien niet, ze oogsten niet, je hemelse Vader voedt ze…’ Zéker hebben ze zich ook herinnerd dat Jezus hen nadrukkelijk had gezegd dat ze niet bij de pakken neer moesten aan zitten als hij er niet meer zou zijn, maar dat hij hen een Helper zou sturen, zijn heilige Geest… ‘ontvang de heilige Geest’,  had hij gezegd; ‘laat mijn heilige Geest in je werken, en dan komt het goed’. Er is daar, toen, tijdens het Pinksterfeest, écht iets gebéurd! Het verhaal uit de Handelingen van de apostelen zegt het heel duidelijk: ‘er waaide een frisse wind die het hele huis vulde’. Het was de Geest van Jezus, het was Gods Geest, die onder hen levend werd… Het is die Geest die niet alleen aan de leerlingen weer nieuwe kracht gaf, die Geest waait nog steeds, ze wordt ook aan ons gegeven, – steeds weer opnieuw… Hoe mogen wij ons nu, concreet, de werking van de heilige Geest voorstellen? De Nieuwe Catechismus uit 1966 zegt het in verstaanbare bewoordingen: “De helderste beschrijving van wat de Geest doet, geeft Paulus in zijn Galatenbrief: ‘de vruchten van de Geest zijn: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, zachtheid en trouw.’ (Gal.5,22) De manier waarop de Geest in ons werkt gaat niet buiten ons om. De Geest werkt juist in ons met en door deze eigenschappen”. Bidden we dat Zij ook in en door ons werkt: Kom heilige Geest, vervul de harten van Uw gelovigen en ontsteek in ons het vuur van Uw liefde. Kom heilige Geest en alles zal worden herschapen. En het aanschijn van de aarde zal worden vernieuwd.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 16 mei (7e zondag van Pasen) 


‘Heilige Vader, bewaar hen, opdat zij één mogen zijn zoals Wij’. Wij weten allemaal: dat mensen één zijn, is bepaald niet vanzelfsprekend. Dat was ook met de leerlingen van Jezus het geval. Uit de evangelieverhalen  blijkt dit héél duidelijk: je hebt Johannes, de zachtmoedige en Nathanaël, de vrome. Er is Thomas de twijfelaar en niet te vergeten Petrus, die behalve een steenrots ook behoorlijk opvliegend is. Een groot verschil in karakters. De leerlingen zijn, net als wij, ieder op eigen wijze mens. Daarbovenop hadden ze ook nog hun Heer in de steek gelaten, toen Hij gevangen was genomen. Ze waren zelfs gevlucht, ieder een eigen kant op. Wat hebben zij eigenlijk gemeenschappelijk? Wij hebben in de evangelielezing zojuist kunnen horen dat er toch één ding is dat ze gemeen hebben. Jezus zegt over zijn leerlingen dat zij niet ván de wereld zijn, zoals Hij niet ván de wereld is. Wat betekent dat? Dat is belangrijk, want over de eeuwen heen bidt Jezus natuurlijk niet alleen voor zijn leerlingen tóen, maar ook voor zijn leerlingen nú. Wij zijn allemaal ín de wereld, dat kan niet anders, anders zijn we dood. Maar ook wij zijn niet ván de wereld. Het kan allemaal wat duister klinken, de taal van die tijd is niet altijd zomaar toegankelijk. Wereld, kosmos in het Grieks, heeft veel betekenissen. In de taal van de evangelist Johannes heeft het vooral te maken met dat wat vervreemd is van God, met het kwaad dat in de wereld is. Ieder van ons heeft ervaring met het kwaad, niemand van ons mensen is er immuun voor. Er is kwaad in de wereld en dus ook in ons. Het kwaad bij mensen gaat over het dikke of grote IK: wat IK wil, wat IK graag heb, dat IK er koste wat het kost moet zijn. Het grote IK behouden gaat desnoods ten koste van anderen of van de schepping. Dat zelfbehoud zit in de natuur, in de wereld van planten en dieren, bij ons mensen: álles dat leeft wil bestaan. Eten en gegeten worden; het recht van de sterkste. Het grote verschil tussen de natuur en ons mensen is dat wij het ons bewust kunnen zijn. Er is overal in de natuur een drift tot leven, maar wij mensen kunnen bedenken tot hoever we daarin willen gaan. Wij kunnen nadenken over hoever we gaan met consumeren, ten koste waarvan dat mag gaan. Mogen we maar onbeperkt producten aanprijzen, steeds meer, die eigenlijk niemand nodig heeft. Mogen we eten wat we willen, terwijl mensen in grote delen van de wereld honger hebben en de aarde de last van bv. al die vleesconsumptie niet meer aankan. Die vragen zijn goed. We kunnen echter ook naar de andere kant doorslaan en alles wat in onze wereld is afwijzen. Er zijn hele perioden in onze geschiedenis geweest waarin er eigenlijk van werd uitgegaan dat alles dat wij nodig hebben voor ons lijfelijk voortbestaan dus eigenlijk slecht was. Dat was natuurlijk vooral het geval met zinnelijkheid, seksualiteit en eigenlijk alle genot. Maar dat is, denk ik, het kind met het badwater weggooien. Er is in Gods schepping niets slecht, de wereld is goed geschapen en we zijn zo geschapen dat wij er afhankelijk van zijn. Maar er is ook misbruik, wij kunnen plezier, genot najagen dat ten koste gaat van… Daarom zegt Jezus: ik ben wel in de wereld, maar ik ben niet van de wereld, júllie zijn in de wereld, maar niet ván de wereld. Jezus heeft in onze wereld zo geleefd dat Hij het Rijk Gods op aarde groeikracht gaf; een Rijk waarin er leven en liefde is voor alle mensen. Alles wat dat in de weg stond wees Hij af. Hij was niet uit op wereldlijke macht, rijkdom of op aanzien. Altijd verwees Hij naar zijn Vader van Wie Hij álles verwachtte. Aan Wie Hij ook alles gaf. Als Jezus bidt toont Hij geen afschuw voor de wereld, Hij eist niet dat we de wereld moeten verachten. Het gebed van Jezus laat wel zien dat wij de strijd tegen dat grote ik in onszelf niet zomaar op eigen kracht kunnen. Om te werken aan een nieuwe aarde hebben we zijn hulp nodig en in en door Hem de hulp van de Vader. Wij vinden onze eenheid in dat gevecht om het goede in onszelf en de wereld. Daarin vinden wij elkaar door elkaar aan te moedigen om vol te houden bij het gaan van zijn weg, met vallen en weer opstaan. Bidden wij  dat 'wij één mogen zijn zoals Hij één is met zijn Vader': Eén in de liefde van God. Amen. 


Susan van Driel o.carm.


Zondag 18 april (3e zondag van Pasen)


‘Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.’ Dat is de laatste regel van de geloofsbelijdenis die we bijna elke zondag staande en hardop met elkaar uitspreken. We spreken het bijna allemaal uit. Toch, als we er met elkaar over in gesprek raken, blijkt het een van de lastigste uitspraken die we kunnen doen. Als we spreken over onze geliefden die gestorven zijn, zeggen we dat ze geborgen zijn bij God, dat ze opgenomen zijn in zijn liefde, dat ze in de hemel zijn, of we gebruiken andere beelden die willen uitdrukken dat het goed met ze gaat. Het zijn allemaal beelden waarin het lichaam van de gestorvene eigenlijk geen rol meer speelt. Dat lichaam hebben we immers aan de aarde toevertrouwd of in het vuur tot stof laten terugkeren. Het gaat dan eigenlijk nooit over de opstanding van het lichaam, die wij toch wel belijden.Voor joden en moslims is de opstanding uit de doden zelfs een reden om crematie af te wijzen. Katholieken mogen sinds de jaren ’60 wel hun doden cremeren. De apostel Paulus schrijft ( 1Kor 15) immers al dat de opstanding zal gebeuren met een nieuw en ander lichaam; wij zullen worden herschapen. Hieruit blijkt wel dat het lichaam in onze geloofstraditie belangrijk is, en dat zijn we in onze cultuur toch weleens vergeten. Er zijn tijden geweest dat alles dat lichamelijk was eigenlijk werd afgewezen, minderwaardig werd gevonden. Je mocht vooral niet van het lichamelijke genieten. In veel kringen is dat nog altijd verdacht. Nee, het geestelijke, daar ging/gaat alles om. De verhalen die de evangelisten vertellen over de begrafenis van de gestorven Jezus vertellen juist hoe belangrijk zijn lichaam werd gevonden: Hij eet en drinkt met mensen, hij wordt met olie verzorgd. Na zijn dood wordt zijn lichaam in doeken gewikkeld en op paasmorgen gaan de vrouwen naar zijn graf om zijn dode lichaam te verzorgen. Ook in de verschijningsverhalen is Jezus heel nadrukkelijk lichamelijk aanwezig. Dat hebben we zojuist ook kunnen horen. Hij laat zijn handen en voeten zien; Hij nodigt zijn leerlingen uit om naar Hem te kijken en Hem aan te raken. Hij eet zelfs voor de ogen van zijn leerlingen een stuk vis. Hij zegt daarmee: ‘Zie, ik ben het, geest én lichaam...


Misschien is een goede vraag die wij onszelf n.a.v. die evangelieverhalen kunnen stellen of wij het lichaam de eer geven die het toekomt? Zien wij onszelf als één heel mens, lichaam én geest? Dat wij zo geschapen zijn en dus zó door God gewild en dat wij zó, naar ziel én lichaam, geborgen zijn in Hem? Wij hoeven het niet erg te vinden als wij moeite hebben met dat geloof dat toch een groot geheim is. Wij hebben zojuist gelezen dat de leerlingen er ook grote moeite mee hadden. Lucas schrijft dat ze met ‘verbijstering en schrik’ dachten dat het een geest was, er staat ook dat ze twijfel in hun hart hebben. Hij schrijft daarna ‘dat ze stomverbaasd waren’ en nog niet konden geloven. Ook wij  krijgen dus alle ruimte om op onze manier te reageren. Het is niet erg om te twijfelen en om te zoeken hoe wij die goede boodschap – de boodschap dat Jezus helemaal leeft en dat ook wij helemaal in God geborgen zijn -  in ons leven kunnen opnemen. Er staat in de evangelietekst die wij zojuist hebben gelezen ook:  ‘Toen maakte Hij hun geest ontvankelijk’; toen begrepen ze. Dat is, denk ik, niet een begrijpen met het hoofd, maar veel meer een begrijpen met het hart. De ervaring van de leerlingen was dat Jezus aanwezig was; ze voelden Hem helemaal aanwezig als ze samen waren: met Hem aten ze; met Hem zouden ze gaan getuigen van het Rijk Gods, dat Rijk van Gods liefde. Ook wij kunnen ons geloof niet forceren. Het heeft ook geen enkele zin om tegen elkaar te zeggen: ‘Je móet geloven’ of, ‘als je dit niet gelooft hoor je er niet bij’. Het hart van ons allemaal moet nog verder en verder open voor die liefde die Jezus heeft getoond en nog altijd toont aan ons. Altijd, als wij het brood delen, als wij luisteren naar het Woord van God en proberen te zoeken naar wat het ons te zeggen heeft, als wij samen zijn en proberen elkaar op te bouwen tot wij een levend lichaam van Christus zijn met een warm kloppend hart. Tot die tijd spreken we ons geloof uit, ook als we moeten toegeven dat we het Geheim van wat we zeggen niet helemaal kunnen volgen. Wij gaan gewoon door, tot Hij helemaal onze geest en ons hart heeft geopend. Amen.


Susan van Driel o.carm.


Overweging Paaswake


Als we de verhalen over Jezus die zich na zijn dood als levende laat zien naast elkaar leggen valt op dat er maar één punt van overeenkomst is: Jezus leeft en de boodschap dat Hij leeft, moet verder verteld worden. Hij is verrezen, Hij is de levende. Dit verhaal ging als een lopend vuur door het Romeinse Rijk. Het verhaal over hoe Hij had geleefd, hoe Hij bevrijdend omging met mensen. Hij was dan wel gestorven met de meest pijnlijke en vernederende dood die de Romeinen konden bedenken, maar God had zijn leven bekrachtigd. Het was alsof er vanuit de hemel werd gezegd: dit leven was góed en jullie vernietigen het niet… In die dagen was het Romeinse rijk heerser over de wereld. Wij zijn vaak vol bewondering voor alle prachtigs van deze cultuur. De ruïnes die ervan zijn overgebleven, de literatuur die is bewaard. Maar we vergeten dan misschien wel dat een groot deel van de mensen die in dat rijk leefden totaal geen rechten hadden; dat een groot deel van de mensen eigendom was van een ander, totaal afhankelijk van hun meester. Een eigenaar mocht een slaaf doden, als hij of zij dat wilde. Voor niet-Romeinen waren er speciale straffen, bijvoorbeeld kruisiging… In dat Romeinse Rijk  was het evangelie dan ook een boodschap die de mensen als het ware indronken. Hij leeft! De mens waarin arme en kwetsbare mensen Gods nabijheid hadden gevoeld, die tegen uitgestoten mensen op allerlei manieren liet blijken: ‘Jij bent Gods kind, jij hoort erbij’, Hem hadden ze niet kapot kunnen krijgen. Zó nabij was Gods liefde in Hem, dat van Hem zelfs werd gezegd dat Hij God is. Toch een lastige boodschap.  Het is niet voor niets dat de apostel Paulus schrijft dat een gekruisigde God “voor Joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid is”. Goden waren in het religieus denken van de mensen sterke wezens, zonen van goden waren bijna onsterfelijke helden. Deze was gekruisigd als het minste van de minsten. Dit was een volstrekt nieuwe boodschap, dit was ongehoord. Dat God een God van bevrijding is, was natuurlijk niet nieuw. We hebben zojuist de lezing uit Exodus gehoord over Gods bevrijdend handelen aan het volk Israël. Maar dit was anders:  Gods aanwezigheid in een mens van vlees en bloed; een mens die juist de mensen die met de nek werden aangekeken bij zich nam, opbeurde, nieuw leven gaf. Het is opvallend dat mensen die geloven in die boodschap vaak een enorme inzet laten zien om die boodschap te verspreiden. Dat was toen en dat is eigenlijk nog steeds: mensen die diep vertrouwen in een God die mensen liefheeft gaan juist die liefde in woord én daad doorgeven aan anderen. Die opdracht kregen ook de vrouwen bij het lege graf: ‘Hij is niet hier, ga terug naar Galilea, ga het vertellen’. Die opdracht klinkt iedere Pasen weer, welk evangelieverhaal ook wordt gelezen: ‘Ga het doorgeven, laat in woord en daad blijken dat de Jezus in wie je Gods liefde voor mensen kunt ontmoeten leeft.’ Het is natuurlijk heel terecht dat mensen dan vragen waar Hij dan te vinden is. Ik las heel kort geleden de volgende woorden van bisschop Johan Bonny van Antwerpen die een antwoord op die vraag geeft. Hij schrijft:  “Blijf niet op dat kerkhof hangen. Er is geen dode Jezus meer om te balsemen. Wat de vrouwen niet meer kunnen, moeten ook wij niet langer proberen. Zoek de levende Jezus niet tussen dode stenen. Laat het verleden achter. Ga voor een nieuwe ontmoeting met Hem, op een nieuwe en een betere plek. Volg het spoor dat de engel je aangeeft: ga terug naar Galilea, naar je gewone leven, waar alleen jij het verschil kan maken. Daar verwacht de verrezen Christus je in de frisse buitenlucht van je bestaan, met een nieuwe boodschap en een nieuwe zending” .Wij kunnen allemaal ‘het verschil maken’. Hier en nu, voor mensen die zoeken, zoeken naar Gods liefde die uitgaat naar iedere mens. Elk moment dat wij die boodschap verder dragen maken wij die liefde springlevend. Bidden wij dat wij aan die oproep gehoor zullen geven. Amen


Susan van Driel o.carm.


 


Palmzondag 2021     


Jezus wordt vandaag ingehaald op een manier die eigenlijk alleen gebruikelijk was bij de intocht van een koning. De mensen rukten takken van de bomen, ze spreidden hun kleren uit op de weg waar hij overheen zou gaan en ze riepen: “Hosanna, gezegend is hij die komt in de naam van de Heer”. Alleen één ding was niet zo gebruikelijk, ongebruikelijk zelfs: hij gebruikte een veulen waarop nog nooit iemand had gezeten. Door dat nadrukkelijk te vermelden zegt Marcus de evangelist dat Jezus geen gewone koning was, maar een heel bijzondere… Zijn koningschap was niet een koningschap van pracht en praal, heldhaftig of trots. Jezus was vooral koning door zijn eenvoud en door zijn zorg en zijn bezorgdheid om het lot dat mensen soms te dragen krijgen. Jezus was een man van de dienstbaarheid, - dat zullen we trouwens ook heel uitdrukkelijk horen op Witte Donderdag, als hij de voeten wast van zijn leerlingen… Maar hoe zorgzaam, goed en rechtvaardig hij ook was, toch riep hij ook irritatie op, verzet en zelfs haat. Dat zullen we in de komende week ook horen, m.n. op Goede Vrijdag. Dan wordt het ‘hosanna’ van vandaag tot een ‘weg met hem’. Maar juist toen… juist toen hij zeer ernstig op de proef werd gesteld… toen de mensen hem lieten vallen, …’aan het kruis met hem’… en toen zijn vrienden hem in de steek lieten, …’konden jullie dan nog niet één uur met mij waken’… en toen het erop leek dat hij té zwaar zou worden beproefd, …’God mijn God, waarom heb je mij verlaten’… juist toen bleef hij na een zware innerlijke strijd toch overeind en had hij oog voor zijn moeder, Maria, en voor zijn beste vriend, Johannes, en vroeg hij hen om voor elkaar te zorgen… ja, zelfs had hij toen de kracht te bidden voor zijn beulen, …’Vader vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen’… en kon hij een bange misdadiger moed inspreken, …’jij zult vandaag nog met mij zijn in het paradijs’… tot het allerlaatste bleef hij geloven dat God hem niet los zou laten… De koning op zijn veulen vraagt ons deze hele komende week om met hem mee te gaan, met hem mee te leven: om ons te bezinnen op zijn dienstbaarheid, op zijn liefde voor God, op zijn trouw aan zijn roeping en aan zijn zending… Hij laat ons zien wat het is om ook in de alleruiterste beproeving te blijven geloven in Liefde, Gerechtigheid, Zachtmoedigheid… En dat is nog steeds een heel actuele boodschap. Laten we de komende week met Jezus in de geest de weg gaan die hij ging. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 21 maart (5e zondag van de veertigdagentijd)


‘Vader, verheerlijk uw Naam’, bidt Jezus.


‘Verheerlijking’ lijkt iets prachtigs. Zoiets als wat bij de verheerlijking op de berg gebeurde, Jezus, opgenomen in prachtig, schitterend licht. Mozes en Elia die uit de hemel neerdalen om daarbij aanwezig te zijn. Petrus, vond het allemaal zó prachtig dat hij daarbij wel altijd wilde blijven. Wát een heerlijkheid… Maar is het allemaal wel zo heerlijk. Als wij de tekst die wij zojuist hebben gehoord eens goed gaan bekijken dan blijkt al gauw dat ‘verheerlijking bij God’ anders is dan wij er ons van voorstellen. Het blijkt eigenlijk direct als Jezus zegt: ‘Ik zeg u: als de graankorrel sterft brengt hij veel vrucht voort.  Wie zijn leven bemint verliest het, maar wie zijn leven in deze wereld haat zal het ten eeuwigen leven bewaren.’ Dit soort woorden zijn vaak zo begrepen alsof de dingen van deze wereld geen waarde hebben. Dat wij niet van de wereld mogen genieten, de schoonheid er niet van mogen zien. In het Johannes evangelie gaat het woord ‘wereld’ echter veel meer over de duistere, vernietigende krachten waar wij in ons bestaan mee te maken hebben: het recht van de sterkste; bestaansdrift ten koste van de ander; gewelddadige krachten die uit zijn op eigen macht en eigen bestaan juist ten koste van het goede dat God heeft geschapen. Daarom staat in het begin van het Johannes evangelie: ‘Hij kwam in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet aangenomen.’ Nee, die wereld van zelfzucht zal Hem vernietigen. Jezus ziet onder ogen dat als Hij op zijn weg blijft gaan, precies dat zal gebeuren. Op dat moment bidt Jezus: ‘Vader, verheerlijk uw Naam’, Hij zal de weg blijven gaan van zelfgave. Wij mensen zijn wat dat betreft op deze aarde een heel bijzonder wezen: Wij kunnen onszelf bewust geven aan een ander, en daarmee, zegt onze christelijke traditie, geven wij ons aan God. In de geschiedenis zien wij veel van dat soort lichtende figuren, die een voorbeeld zijn geworden van goedheid. Voor mij is Etty Hillesum zo’n voorbeeld. Een jonge joodse vrouw die op 27 jarige leeftijd werd vermoord in Auschwitz. Zij weigerde onder te duiken, hoewel zij een van de mensen was die heel helder wist dat haar dit het leven zou kosten. Zij wilde, ‘bij haar volk blijven’. Zij schreef op 11 juli 1942 in haar dagboek: 


"Velen verwijten mij onverschilligheid en passiviteit en zeggen, dat ik me zo maar overgeef. En zeggen: ieder, die uit hun klauwen kan blijven, moet dat proberen en is dat verplicht. En ik moet iets dóen voor mezelf. Dit is een sommetje, dat niet op gaat. Iederéén is op het ogenblik n.l. bezig iets voor zichzelf te doen om er onder uit te komen en er moet immers toch een aantal, een zeer groot aantal zelfs, gaan? En het gekke is: ik voel me niet in hun klauwen. Niet als ik blijf en niet als ik weg getransporteerd word. Ik vind dat alles zo clichéachtig en primitief, ik kan die redenering helemaal niet meer volgen, ik voel me in niemands klauwen, ik voel me alleen maar in Gods armen, […] of dat nu hier aan dit verschrikkelijk dierbare en vertrouwde bureau is, of over een maand in een kale kamer in de Jodenbuurt of misschien in een arbeidskamp onder S.S.-bewaking, in Gods armen zal ik me geloof ik altijd voelen.”


Etty en vooral ook Jezus was het mogelijk om zichzelf te geven in diep vertrouwen op Gods liefde. Er zijn mensen die deze weg gaan zonder dat zij op een bepaalde manier gelovig zijn.  Het zit ook niet in wat we geloven maar in wat we dóen. Ieder moment waarin mensen voorbij zichzelf kunnen kijken wordt God verheerlijkt. Meestal hoeven wij niet zover te gaan dat dit ons tot op het kruis leidt. Iedere zorgmedewerker die in de afgelopen maanden met gevaar voor eigen gezondheid aan het bed van een  coronapatiënt is blijven staan, iedere mens die zorgvuldig is omgegaan met andere mensen om besmetting te voorkomen, iedere mens die tóch die prik gaat halen, ook al is er misschien angst voor: die mens is op eigen kleine wijze de Naam van God aan het verheerlijken. En zo zijn er nog veel meer momenten waarin mensen gewoon góed zijn voor een ander. In de eerste lezing staat geschreven: ‘Ik leg mijn wet in hun binnenste, lk grif ze in hun hart.’ God is een verbond aangegaan met ons mensen: een verbond in goedheid. Bidden wij dat Gods Naam in ons verheerlijkt wordt. Amen.


Zondag 14 maart (4e zondag van de veertigdagentijd)


inleiding


We zijn op weg naar Pasen. Vandaag horen we in het evangelie een gesprek tussen Jezus en een zekere Nicodemus. Best wel een pittig gesprek. Ik zou er vandaag in de overweging een paar woorden uit willen nemen en daar wat nader bij stilstaan. Jezus zegt tegen Nicodemus: ‘Jij moet opnieuw geboren worden…’ Wat kan dat eigenlijk betekenen? In dit gesprek krijgen de woorden ‘licht’ en ‘waarheid’ een sterke nadruk. Jezus zegt aan het eind van het gesprek: ‘wie de waarheid doet, komt naar het licht toe’. Wij mogen hier denken aan de woorden die in de Paaswake klinken bij de intocht met de paaskaars: ‘Licht van Christus’ zingen we dan. Het doen van de waarheid brengt ons dichterbij hem, bij het licht dat hij ons gebracht heeft. Genoeg om vandaag te overdenken. 


overweging


“Het licht is in de wereld gekomen,


maar de mensen waren meer gesteld op de duisternis dan op het licht”. We hoorden deze woorden van Jezus zojuist aan het eind van zijn gesprek met een zekere Nicodemus. Nicodemus was een invloedrijk man uit de leidende Joodse kringen. Hij wilde wel eens kennismaken met die Jezus over wie zoveel gesproken werd. Hij benadert Jezus met veel respect:  “Rabbi, we weten dat U als leraar van Godswege gekomen bent”.  Maar Jezus reageert nauwelijks op deze mooie begroeting.  Hij zegt onmiddellijk: “Alleen wie opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God zien”. Als Nicodemus Jezus wil leren kennen, dan moet hij opnieuw geboren worden. Hij moet zijn ogen openen voor een nieuwe werkelijkheid, de werkelijkheid van de hemel, de werkelijkheid waarin God woont, de werkelijkheid van het licht en de waarheid. Dit is niet alleen de boodschap voor Nicodemus, maar ook voor ons. Het gaat Jezus toen en vandaag om een andere werkelijkheid dan die wij meestal zien. Wij zien dikwijls vooral wat we graag willen zien. Ik las bij de voorbereiding van deze overweging een kras staaltje van hoe overtuigd mensen soms van hun eigen wereldje kunnen zijn. In New York bestaat een christelijke gemeente waarvan de leden er heilig van overtuigd zijn dat God de mensen die in Hem geloven, zegent met materiële rijkdom en gezondheid. De predikant is dan ook schatrijk. Een krant komt hem interviewen en legt hem een bekende bijbeltekst voor: “het is moeilijker voor een rijke om het Rijk van God binnen te gaan, dan voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen”. En dan vraagt de verslaggever aan de rijke dominee hoe hij deze uitspraak vindt. Die antwoordt dan zonder blikken of blozen: “Als dat voor een rijke al zo moeilijk is, dan kun je nagaan hoe moeilijk het is voor een arme!” De dominee zet de werkelijkheid helemaal naar zijn hand. Natuurlijk is dit volkomen belachelijk. Maar toch…  Hoe vaak doen wij dat niet: de werkelijkheid verdraaien omdat we ons daar beter bij voelen? Een paar voorbeelden. Wie gebruikt er niet soms een leugentje om bestwil om een fatsoenlijk beeld van zichzelf hoog te houden? Of minder onschuldig: hoe vaak wordt er niet gezegd of minstens gedacht dat arme mensen zelf schuldig zijn aan hun armoede omdat ze niet goed met hun geld omgaan, of dat het weer eens de buitenlanders zijn die de problemen veroorzaken, of dat verslaafde mensen geen ruggengraat hebben. Het is makkelijk te denken dat de natuur zichzelf wel zal herstellen en dat je niet ziek wordt als je maar gezond eet; het is makkelijk  de achteruitgang van het kerkbezoek te wijten aan laksheid en gemakzucht. Zo maken we van de werkelijkheid een eigen werkelijkheid waarin wij ons thuis voelen. Wij hebben alles geprobeerd om een ruzie bij te leggen, menen we, maar die ander… Maar wat wij als werkelijkheid zien, is dikwijls maar een klein deel ervan. Want armoede is lang niet altijd de schuld van de armen. En de toeslagenaffaire laat zien dat bepaalde regelingen in Nederland helemaal niet  rechtvaardig zijn. Uiteraard zijn buitenlanders net zulke goede of slechte medemensen al u en ik, herstelt de natuur zich niet vanzelf, garandeert gezond eten niet dat je gevrijwaard blijft van ziekten en is de achteruitgang van het kerkbezoek niet simpelweg te wijten aan gemakzucht. Vandaag zegt Jezus tegen Nicodemus: “wie de waarheid doet, komt naar het licht toe, en dan zal blijken dat zijn daden in God zijn verricht”. De waarheid begint waar wij bereid zijn opnieuw geboren te worden en waar we leren kijken met de ogen van God. Dat wil zeggen: waar wij boven ons eigenbelang uitstijgen en ophouden steeds maar van onszelf uit te gaan. De waarheid begint waar wij onze medemensen als ménsen zien, - kunnen zien dat zij net als wij allemaal iets in hun rugzak hebben: wij zijn allemaal op zijn tijd gewonde, geraakte, mooie of gekwetste mensen. Wij zijn allemaal mensen die op zijn tijd mededogen nodig hebben, barmhartigheid, liefde, gerechtigheid…


Dat leren zien, dát is opnieuw geboren worden in God. Daarvoor heb je nodig dat je met nieuwe ogen kijkt naar de werkelijkheid en naar elkaar. Natuurlijk gaat dit niet zomaar. Bij mij niet. Bij u niet. Het gaat, maar wel met kleine stapjes. Bidden we daarom om geduld met onszelf. En bidden we ook dat we steeds meer gesteld raken op hem, het licht van de wereld, Jezus. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 7 maart ( 3e zondag van de veertigdagentijd )


In de eerste lezing hoorden we wat wij gewoonlijk ‘de tien geboden’ noemen.


Ze worden ook wel, eigenlijk veel beter, ‘aanwijzingen tot leven’ genoemd. Want het zijn dé grote levensrichtlijnen waarmee wij elkaar het leven mogelijk maken; waarmee wij het beschermen, omdat het kostbaar is. Heel vaak wordt echter, als wij over die ‘geboden’ nadenken, de eerste zin vergeten waarmee het allemaal begint: 'Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.’ Het is daarmee het uitgangspunt en de kern van alles. Gods bevrijdend handelen, zijn bevrijding van Israël uit de slavernij in Egypte, staat aan de basis van heel het religieus bewustzijn van het joodse volk en daarmee ook aan de basis van ons gelovig leven. Na die zin komt daarom direct: ‘Gij zult geen andere goden hebben ten koste van Mij.’ Want alles dat kan knechten en het leven kan bedreigen staat in directe vijandschap tegenover de Schepper God die tot leven wil brengen. Die andere goden zijn de oude, soms bloeddorstige goden van het Midden-Oosten, sommigen namen zelfs kinderen als offer. Nee, de God van Israël laat vanaf het eerste begin weten dat zijn wetten zijn gegrond op de bescherming van het leven dat Hij heeft gegeven. Het is die God die Jezus ‘Abba’, Vader,  noemt, waarmee Hij zich verbonden voelt, waardoor Hij zich geliefd voelt, die Hij verkondigt in woord en daad in heel zijn optreden. God, is een bevrijdende God die niet toelaat dat mensen worden geknecht. Niet door mensen, niet door kwade geesten, niet door invalide makende ziekten. In het evangelie dat wij zojuist hoorden kwam precies die bewogenheid van Jezus aan het licht. Sommige mensen schrikken van deze Jezus. Wij zien hem toch liever als de Goede Herder of als de leraar van de Bergrede. Toch is de Jezus die het tempelplein met behoorlijk wat geweld leeg veegt, precies dezelfde als die Goede Herder. Wat heeft het een dan met het ander te maken? In de evangelietekst over de ‘Tempelreiniging’ staat er nadrukkelijk dat dit gebeurde ‘kort voor het paasfeest der Joden’. Dat is opvallend want in een Joods huishouden is het verplicht om vóór het Pesachfeest het huis helemaal schoon te maken. Volgens de joodse wet mag er in het hele huis geen kruimeltje gedesemd brood achterblijven. Tijdens het Pesachfeest wordt  ongedesemd brood gegeten, de matzes. Die kunnen niet bederven, zoals gedesemd brood. In de keuken, in alle kamers, die onzuiver kunnen zijn door beschimmelde kruimeltjes, moet alles helemaal  gezuiverd worden voor het Pesach, die al duizenden jaren terugkerende viering van Gods bevrijding. Zuivering probeert altijd naar de kern te gaan van waar alles om gaat. Zo is ook het zuiverend vasten in onze joods-christelijke cultuur geen doel op zich. We vasten in onze traditie niet om te ervaren hoe sterk we zijn, ook niet om ons lichaam te ontslakken en een heldere geest te krijgen, ook niet om geld over te houden voor goede doelen, dat is een hele leuke bijkomstigheid. Nee, vasten en onthouding zoekt vooral naar de kern waar het allemaal om gaat. Het zoekt om met Gods hulp ons te ontdoen van alles dat we in de plaats stellen van die God van leven, liefde en bevrijding. ‘Het huis van mijn Vader is geen marktplaats,’zegt Jezus, en Hij veegt winstbejag en het gemarchandeer het huis uit. Zo zuivert Jezus het huis van zijn Vader. Als Hij dan door geschokte mensen ter  verantwoording wordt geroepen wijst Hij op zichzelf: 'Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.' Jezus voelt hoe Hijzelf de plaats is waar God leven en bevrijding voor mensen kan zijn. Als we dit goed tot ons door laten dringen dan is dit een oproep aan ons allen, om ook zo’n plaats te zijn waar God bevrijdend kan werken aan leven en bevrijding, aan zijn Rijk van Gerechtigheid. Een tempel waarin zijn Geest kan wonen; Wij voelen allemaal wel aan dat ook de tempel die wij zijn onzuiver gemaakt kan worden, door verslavingen, door hang naar macht of geld; van meer en meer willen; zaken die ons mensen in de ban houden én die onszelf en de schepping kapot kunnen maken. Ieder jaar weer worden wij opgeroepen om in de veertigdagentijd even pas op de plaats te maken en daarbij stil te staan om de tempel die wij zijn eens kritisch te bekijken en misschien hier en daar wat schoon te vegen. Bidden wij dat in deze 40-dagentijd dit zuiverend werk in ons kan gebeuren. Amen.


Zondag 28 februari ( 2e zondag van de veertigdagentijd )


opening


 We leven in de Veertigdagentijd, de tijd waarin we gedenken op weg te zijn naar Pasen. We zien uit naar het feest waarop we vieren dat Jezus van God nieuw en ander leven heeft ontvangen. Het grote Geheim van Pasen. Niet de dood heeft het laatste woord, maar God. Hij is onvoorwaardelijk trouw. In het evangelie van vandaag zullen we horen dat de leerlingen als het ware een voorproefje krijgen van dit grote Mysterie. Het vertelt het verhaal van de gedaanteverandering. We zullen horen dat leven meer is dan wat wij hier en nu ervaren. Ook ons wacht eens de ervaring van Pasen. Laten we vandaag in die hoop én in dat vertrouwen met elkaar eucharistie vieren.


overweging


Jezus neemt drie van zijn leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes, met zich mee naar een berg. Een berg is in de Bijbel vaker dé plek is waar God en de mensen elkaar raken en ontmoeten, waar God wordt ervaren als heel nabij. Daar op die berg – door de traditie de Thabor genoemd – krijgen de leerlingen een visioen. En wat ze zien is een korte blik op hoe het zal zijn als Jezus na zijn dood is opgenomen in het huis van God, zijn Vader. Ze zien een hemelse wereld waarin Jezus is veranderd van gedaante en in schitterend witte kleren in gesprek is met Elia en met Mozes. Én ze zien dat een wolk hen overdekt. Als er dat staat bedoelt de Bijbel altijd dat God zelf aanwezig is. Vanuit die wolk klinkt een stem, de stem van God: “Dit is mijn veelgeliefde zoon, de zoon van wie ik heel veel hou. Luister naar hem”. Vanuit die wolk klinkt een en al liefde. God ís een en al liefde. Petrus, Johannes en Jacobus hebben daar toen op die berg als in een flits even mogen zien waar het met het leven van Jezus en van hen naar toe zal gaan. Naar een wereld waarin alle mensen thuis mogen komen in de liefde van God. Maar de leerlingen waren bang en bezorgd. Jezus had hen een paar keer gezegd dat hij veel zou moeten lijden en zelfs dat hij ter dood zou worden gebracht. Daar waren ze erg van geschrokken. Dat Jezus er aan had toegevoegd dat hij na drie dagen zou verrijzen, dat was niet goed tot hen doorgedrongen. Integendeel. Vooral Petrus had hevig geprotesteerd. Zó hevig zelfs dat Jezus hem streng tot de orde had moeten roepen: “Weg Satan”, zei hij tegen Petrus, “jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen..” Deze ruzieachtige scène ging vooraf aan het evangelieverhaal van vandaag. Wat ik Jezus vandaag zie doen dat is dat hij zijn leerlingen in die zorgen en angsten uitzicht probeert te bieden, perspectief. Dat doet hij in het prachtige visioen dat wij hoorden in het evangelie. Maar even plotseling als het is begonnen is het ook weer afgelopen. Ik vind het niet zo vreemd dat Petrus hier tenten wilde bouwen. Dat hij vast wilde houden aan dat overweldigend mooie. Maar ik vind het ook niet zo vreemd dat Jezus zijn leerlingen weer met zich mee neemt naar beneden, de berg af, terug de vlakte in, naar de mensen die daar leven. Want dáár, in de alledaagse werkelijkheid, in wat Jezus voor de mensen gaat doen, - ook dáár moeten zij zijn goddelijkheid leren zien, evenzeer als op de berg. Daar in de vlakte,  waar Jezus zich bekommert om de noden van de mensen, om armen en zieken, melaatsen en zondaars, weduwen en wezen, om allen die een beroep op hem doen. Daar, in de vlakte, op de stoffige weggetjes van Palestina, in de armoedige dorpjes, daar, bij al die gekwelde mensen, dáár wordt de majesteitelijke schoonheid van Jezus zichtbaar. Dáár doet Hij de wil van zijn Vader. Dáár is Hij de Zoon van wie de Vader zoveel houdt. Daarom moeten zij, moeten wij, van de berg af om hem te helpen die hemelse werkelijkheid tot een aardse werkelijkheid te maken, hier op de plekken waar wij wonen en werken. Jezus zelf heeft hiervan niet alleen met woorden, maar met zijn léven getuigenis afgelegd. Hij heeft zich niet laten voorstaan op zijn bijzondere relatie met God. Of zoals het in de eerste lezing stond: “hij heeft zich niet vastgeklampt aan zijn gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf belangeloos gemaakt en dienstbaar”. Hij heeft gekozen voor een leven van totale dienstbaarheid.  En uiteindelijk heeft hij zich in de keuzes die hij maakte toevertrouwd aan de belofte van zijn Vader in de hemel dat Hij ons draagt in de palm van Zijn hand. Tot in de dood. Ook ons kan van alles overkomen, net zoals Jezus en zijn leerlingen. Bidden wij dat wij in dat alles toch steeds weer houvast kunnen vinden in het vertrouwen dat de Vader in de hemel ook ons niet aan ons lot overlaat, maar in liefde draagt. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 21 februari (1e zondag van de veertigdagentijd) 


Er staat op YouTube een heel leuk filmpje van een chimpansee in een dierentuin. Het is een groot en sterk mannetje. Er is in het verblijf van de chimps een lading appelen gestort zodat zij ervan kunnen nemen wat ze nodig hebben. Hij als grootste man neemt natuurlijk het eerst. Hij pakt wat hij kan en stapelt zoveel mogelijk appelen in zijn armen, pakt dan in iedere hand en iedere voet nog een of twee appelen en stopt er ook nog een stuk of drie in zijn mond. Zo probeert hij naar een rustig hoekje te komen waar hij alles rustig kan opeten. Dat lukt hem nog ook. Het is heel grappig, omdat het een aap is. Als wij mensen zo graaien wordt het minder leuk. Toch gebeurt dat ook, de aap in ons is niet helemaal weg. Wij mensen hebben ook een sterke drang tot overleven. De schrijver Jean Jaques Suurmondt die prachtige artikelen en boeken schrijft over het geestelijk leven van mensen noemt dat deel van het innerlijk  van de mens - en ook en vooral ook van zijn eigen innerlijk – de ‘knurftige aap’; het is dat wat wil hebben; dat op de allereerste plaats denkt aan eigen overleven, eigen veiligheid, eigen gezondheid, eigenbelang. Het is dat wat ook, voor op zich mooie idealen, over lijken wil gaan. Wij weten allemaal waartoe bv. de prachtige idealen van het communisme hebben geleid: onderdrukking; moord; kampen vol met gevangen mensen die anders dachten. De knurftige aap zegt nogal eens: ‘het doel heiligt de middelen’. Als Jezus in de woestijn is, is Hij, staat geschreven, bij ‘de wilde dieren’. Hij gaat er de confrontatie mee aan; met de ‘wilde dieren’ en met de Satan die Hem beproeft. In die veertig dagen woestijn ziet Hij alle negativiteit die onder en in mensen is onder ogen. In de tekst die wij zojuist als tweede lezing hebben gehoord, wordt het maar kort verteld. Bij Matteus wordt het uitgewerkt. Jezus ziet onder ogen hoe Hij zijn zending zou kunnen misbruiken; hoe Hij macht zou kunnen krijgen; zichzelf zou kunnen verheffen. In onze veertigdagentijd, waarvan deze zondag de eerste is, hebben wij de kans om contact te maken met de wilde dieren en die ‘knurftige aap’ in onszelf, met wat in ons destructief is. Niet dat wij dan direct andere mensen zijn, maar het helpt op z’n minst om anderen niet te veroordelen; om meer begrip te hebben voor ons kleinmenselijke gedrag. Het is niet fijn, die confrontatie, maar misschien worden wij in deze veertig dagen ook geholpen en worden, we net als Jezus, geholpen door die andere zijde van ons mensen en zijn er, net als bij Hem, engelen die ons bedienen. Zo’n engelachtige stem had Jezus gehoord bij zijn doop. Direct na zijn doop kwam Hij het water uit en hoorde Hij een stem: “Jij bent mijn geliefde Zoon”. Wij zeggen ook weleens als bij ons een kwartje valt, ‘Het was alsof de hemel openging’. Jezus had zo’n ervaring: Hij zag opeens heel helder in hoezeer God Hem liefhad en hoe God een God van Leven is. Die ervaring was zo diep dat Hij dat onmogelijk voor zichzelf kon houden. Wanneer Jezus naar de woestijn gaat dan is dat voor hem ook een tijd van opnieuw contact maken met het Leven dat God geeft, want het is dat leven dat Hij nodig heeft voor alles wat Hij voor de mensen wil zijn. De God van Noach, de God van Abraham, Izaak en Jacob, de God die Israël uit Egypte bevrijdde, die Jezus zond om het Rijk Gods te verkondigen is bij uitstek een Schepper God. Hij wil bestaan en leven schenken, zelfs als wij mensen er een bende van maken. Dat konden wij horen in de eerste lezing. Iedere keer als wij een regenboog zien, mogen we daarop vertrouwen. Daarom is het zo belangrijk niet alleen het duister in ons ons onder ogen te zien maar ook om open te zijn voor die stem van de engel, die ons uit onszelf trekt naar de andere mens om op onze beurt zelf een engel te zijn voor wie ons nodig heeft. Wij mensen zijn complexe wezens: apen en engelen, goed en kwaad, het zit allemaal in ons. Maar het is met dat bijzondere wezen dat God een verbond is aangegaan. Ondanks alles zijn wij werktuig voor zijn Rijk: een Rijk van vrede en medemenselijkheid. Bidden wij dat in deze veertigdagentijd de engelen ons zullen helpen. Amen.


Susan van Driel o.carm.


Zondag door het jaar 14 februari 2021


begroeting en inleiding


De oude bijbelse tijden waren niet bepaald gemakkelijk, zeker niet als je  aan een besmettelijke huidziekte leed of een ernstige beperking had. Als duidelijk werd dat jij melaatsheid had, dan kon je niet thuis blijven wonen. Dan moest je het dorp of de stad uit. En als je dan per ongeluk toch in de buurt van andere mensen kwam, moest je zorgen dat je afstand hield en dan moest je vanuit de verte met hard roepen of met een ratel kenbaar maken dat je er aan kwam. Wat er dan met je gebeurde, - dat horen we vandaag. In beide lezingen. Je raakte sociaal totaal geïsoleerd. Vandaag zullen we horen dat Jezus iemand die melaats was juist wel aanraakte. Wat heeft deze daad van Jezus betekende en nog betekent, - daarop willen wij ons vandaag bezinnen. 


overweging


Toen u aan het begin van de viering mijn inleiding hoorde – en zeker toen u het evangelie hoorde – kan het bijna niet anders dan dat u in uw gedachten even naar de maatregelen ging waarmee wij in deze dagen elkaar beschermen tegen besmetting door het coronavirus. Afstand houden, geen fysiek contact met andere mensen, geen bezoek ontvangen, op bepaalde tijden niet op straat… Het lijkt een beetje op die oude tijden. Een beetje, want de maatregelen van vroeger waren nog wel wat erger dan die van nu. Bovendien: corona is hopelijk tijdelijk, iets dat voorbijgaat; melaatsheid was, zeker toen, levenslang. Maar toch.. wat overeenkomt is dat ook wij erachter komen, hoe zwaar het voelt eenzaam te zijn en afstand te houden van elkaar… of nog erger er helemaal niet meer bij te horen. Maar nu naar het evangelie. Waarom zou Marcus dit verhaal verteld hebben? Welke waarde heeft dit verhaal voor de tijd van nu? Er worden in onze ziekenhuizen zoveel duizenden mensen genezen. Daar zullen ze over tweeduizend jaar toch ook niet meer over praten? Waarom is het verhaal van Marcus over deze ene melaatse voor ons nú dan wél belangrijk? Ik denk omdat Jezus deze melaatse niet genas als dokter, als arts, maar als iemand met een zending van Godswege. Dat wilde Marcus vertellen. Bij Jezus ging het niet alleen om een medisch proces. Dat wordt duidelijk als we letten op dat ene zinnetje: ‘Jezus raakte hem aan’. En zoals ik al duidelijk heb gemaakt: dat mocht eigenlijk helemaal niet. Toch raakte Jezus hem aan. Op datzelfde moment voelde die melaatse dat hij weer verder kon met zijn leven. Er was iemand die hem liet voelen dat hij voor hem niet vies was, niet smerig, niet gevaarlijk. Dat hij voor hem een méns was. Misschien moet je zeggen dat deze melaatse op twee manieren is aangeraakt: ja, hij is genezen van zijn ziekte… maar op de eerste plaats  voelde hij zich gezíen als méns. Jezus zág hem en is diep ontroerd. Jezus, in wie wij de gestalte van God mogen herkennen, in wie de liefde van God zichtbaar geworden is, laat de man voelen dat God naar hem omziet, dat God door medelijden bewogen wordt, dat Hij ons uit ons isolement wil halen. Verder zitten er nog twee kanten aan dit verhaal. De eerste kant is dat ieder van ons die zich buitengesloten voelt – en dat kun je ook vertalen met gekleineerd, miskend, uitgerangeerd – dat iedere mens die zich zo aan de kant gezet voelt, wat Jezus betreft moet kunnen rekenen op andere mensen die hem of haar er weer bij halen. Daar mag hij of zij op rekenen zolang er nog echte christenen zijn. De tweede kant is: als iemand van ons een ander kleineert, miskent, bang maakt of buiten de kring drukt, - dan zit die iemand er helemaal naast. Wij mogen geen mensen buitensluiten. Want voor alle mensen – of ze nou melaats zijn, of egoïstisch, geslagen door het leven, of hoe dan ook mislukt of aan de rand geraakt – voor alle mensen vraagt Jezus in Gods naam om een plaats in de kring. Daarom zei ik dat Jezus de man uit het evangelie niet genas als dokter, maar als iemand met een zending van Godswege.. Het optreden van Jezus in dit evangelie is voor mij een beeld dat duidelijk maakt dat God ons ziet, – hoe we er ook aan toe zijn. Hij heeft  oog voor ons. Een aantal jaren geleden was hier ergens in Brabant het motto van carnaval: ‘k zè ‘r gère bij. Als ik het niet helemaal goed uitspreek: ik hoor er heel graag bij. Ik denk dat dat een levenslang verlangen is van alle mensen, ziek én gezond. Namens God laat Jezus ons vandaag zien dat we dit verlangen serieus moeten nemen.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


 


 

Archief
 
Het Parochiehuis
 van Sasse van Ysseltstraat 8
    5831 HD BOXMEER
 (0485) 57 32 77
 secretariaat
Noodnummer:
Voor een acute ziekenzalving of een uitvaart
 06-12089054