Overwegingen
29-nov-2022 |

Overweging, 1ste zondag van de Advent 2022


Inleiding


Vandaag begint de advent, de tijd waarin we ons voorbereiden op het grote feest van Kerstmis. Over vier weken vieren we groots het geboortefeest van hem, Jezus Christus, die voor heel veel mensen in onze wereld – en ook voor ons – licht heeft gebracht in de duisternis. Als teken van ons geloof dat hij ook in ons leven licht zal brengen, ontsteken wij nu de eerste kaars van onze adventskrans en wij bidden: Heer, onze God, nu wij de eerste adventskaars ontsteken, bidden wij: laat uw licht doorbreken in al wat klein en kwetsbaar is. Uw licht geeft óns hoop en uitzicht. Maak ons hart gereed voor uw komst en maak onze geest attent om te zien dat Uw goedheid ook nu al merkbaar is in ons midden. Amen.


Eerste lezing: Jesaja 2,1-5


Visioen van Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem. Op het einde der dagen zal de berg waarop de tempel van de Heer staat, oprijzen boven alle bergen en uitsteken boven alle heuvels. Alle volkeren zullen erheen stromen en talloze naties erheen trekken. Zij zullen zeggen: 'Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons zijn wegen wijzen en wij zullen zijn paden bewandelen. Want uit Sion komt de Wet, het Woord van de Heer uit Jeruzalem. Oordelen zal Hij de volkeren, rechtspreken over de talloze naties. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, hun speren tot sikkels. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander, en niemand zal nog leren oorlog voeren. Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer.'


Evangelielezing: Mattheus 24,37-44


In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Zoals het ging in de dagen van Noach, zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Zoals de mensen in de dagen vóór de zondvloed doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, tot op de dag waarop Noach de ark binnenging, en zij niets vermoedden totdat de zondvloed kwam en allen wegrukte: zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Dan zullen er twee op de akker zijn de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten; twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten. Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt. Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur van de nacht de dief zou komen, zou hij blijven waken en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht.' 


Overweging


Wie de geschiedenis van het Joodse volk een beetje kent, weet dat de Israëlieten weinig goede en heel veel slechte tijden hebben gekend. Maar bijna altijd waren er in die beroerde omstandigheden mensen die droomden van een betere toekomst. Dat waren de profeten. Soms kwamen die wat vreemd over, omdat ze begonnen te praten over hun dromen terwijl de mensen om hen heen gebukt gingen onder de ellende van oorlog en geweld. En daarom wilden de mensen soms ook niets van hen weten. Ze hadden wel wat anders aan hun hoofd. Jesaja was zo'n profeet. We hoorden hem vandaag. "Eens", zei hij, "zullen alle volken hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, en van hun speren zullen ze zeisen maken. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander, niemand zal nog leren hoe je oorlog moet voeren". Daar droomde hij van. Dit was zijn visioen. Er zou een betere toekomst komen. God zou daarvoor zorgen. Daar geloofde hij in. Dat gaf hem de moed en de kracht om positief te blijven. En de mensen van zijn tijd en de mensen daarna hebben aan zijn woorden en dromen meestal tóch hoop ontleend en kracht, - anders zouden ze de verhalen over hem niet zolang, eeuwenlang, doorverteld hebben. De Bijbel zegt het ergens kort en krachtig: "Als het visioen verdwijnt, verwildert het volk" (Spreuken 29,18). De vraag aan ons is daarom vandaag: hebben wij als kerkgemeenschap, plaatselijk, nationaal of internationaal, nog visioenen? Dromen we nog van een betere toekomst voor alle mensen? Staan wij nog attent in het leven? Of met een woord dat Jezus vandaag gebruikt: zijn wij nog waakzaam? Léven wij nog waakzaam? Eigenlijk is dát hét sleutelwoord van de Advent: waakzaamheid. In een zekere zin zijn wij wel waakzaam. We moeten wel. Want voor je het weet is je fiets weg als je niet oplet. Of is je raam geforceerd en zijn jouw dierbare spullen gestolen. Winkels die bewakingscamera's en alarminstallaties verkopen, doen goede zaken. Als je het zo bekijkt, zijn we echt wel waakzaam. Maar zijn we ook waakzaam op wie we zijn? Op hoe we leven? En: zijn we ook op ons qui-vive als christen, als gelovige? Of leven we maar zo'n beetje van de ene dag in de andere, vooral druk met dingen die in wezen niet zo belangrijk zijn? Zijn we, zoals Jezus dat zei in het evangelie, "zoals de mensen uit de tijd van Noach, mensen van vóór de zondvloed, die gedachteloos doorgingen met eten en drinken, alsof er niets aan de hand was"…


Wie eerlijk is, zal moeten toegeven dat er ook wij best hele tijden kennen waarin we onnadenkend of oppervlakkig leven en waarin wij, de één meer dan de ander, voorbij leven aan God en aan elkaar. De profeet Jesaja en Jezus roepen ons op deze eerste zondag van de Advent op om wakker te blijven en waakzaam, en om bewust te leven… Zij vragen ons om in ons midden actief oog te hebben voor de tekenen van Gods gerechtigheid, hoe klein die soms ook zijn, te zoeken naar tekenen van Zijn vrede en goedheid. Jezus zei daarom: 'Wees waakzaam. De Mensenzoon komt op een uur waarop je het niet verwacht. De een wordt meegenomen en de ander wordt achtergelaten’. Als ik die woorden wat vrij mag weergeven, dan zeg ik het graag zo: de één wordt meegenomen en geraakt door wat hij/zij ziet, hoort of leest, - de ander blijft onverschillig. De één laat zich beroeren door de ellende of de zorgen van een ander, - de ander blijft onbewogen. De één zet zich in voor zijn naaste, voor de kerk of voor een of andere goed doel, - de ander zegt: dat is mijn zaak niet. 'Wees waakzaam', zei Jezus: 'wees attent op de vele gebaren van liefde en verzoening om je heen; want die zijn er veel, als je maar goed kijkt; zie en hoor het wanneer iemand een ander bemoedigt wanneer die in de put zit; heb oog voor de vele daden van goedheid en hartelijkheid waarmee mensen elkaar helpen als de tijden moeilijk zijn… want dat zijn de tekenen waarin God laat zien dat Hij er ook is, midden onder ons…' Laten we bidden dat de Advent zo een tijd kan worden van geloof in de toekomst. Amen.


Pastor Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


 


Overweging Christus Koning


2 Sam 5, 1-3, Lucas 23, 35-43


Als we over koning praten, denken we aan de belangrijkste persoon van een koninkrijk. Een koning heeft een grootste macht in zijn koninkrijk. Hij woont in een groots paleis en zit op een prachtige troon waar hij regeert. De bewaarders omringen hem en de dienaren en dienaressen staan klaar om hem te bedienen. Hij heeft ook duizenden soldaten. Iedereen moet zich onderwerpen aan hem. Vandaag vieren wij Christus Koning. De vragen zijn: waar is Zijn paleis? Waar is Zijn troon? Wie heeft Hem tot koning verheven? Over wie regeert Hij? En er zijn misschien nog veel vragen die wij kunnen stellen. Het evangelie van vandaag gaat zelfs over Jezus die aan het kruis is gehangen. Het volk stond toe te kijken. Niemand wilde hem verdedigen. Zelfs de leiders lachten Hem uit. De beledigende woorden kwamen uit hun monden. Waar waren zij die door Jezus waren genezen? Kwamen zij niet om Jezus te helpen? Er is nog een vraag: als Hij Koning is, waarom is Hij aan het kruis gestorven? Waar was Zijn macht als een koning? Het evangelie van vandaag laat ons het koningschap van Jezus zien die de wereld niet kan zien. Jezus laat ons weten dat Hij een echte Koning is. Hij is de koning van heelal, van alles wat bestaat. Dat betekent dat Zijn koningschap en zijn koninkrijk niet beperkt zijn door tijd en ruimte. Het kruis is zijn troon waaruit Hij Zijn grootheid toont. Voor de wereld is het kruis het symbool van zwakheid en minachting. Maar voor ons die in Hem geloven is het kruis het Symbool van overwinning. Vanuit het kruis laat Jezus zien dat Hij ons echt liefheeft. Jezus is de koning die Zijn hele leven geeft aan de mensen die de Vader aan Hem heeft gegeven. Hij laat ons weten dat een koning een herder is. De erkenning dat Jezus koning was kwam uit een van de twee misdadigers die naast Jezus zijn gekruisigd. Hij zei: Jezus, vergeet mij niet wanneer u in uw koninkrijk komt. Het antwoord van Jezus benadrukte waar zijn koninkrijk was. Jezus zei tegen hem: Ik beloof je, vandaag nog zul jij bij Mij zijn in het paradijs. Jezus heeft geen koninkrijk zoals de wereld denkt. Zijn koningschap is niet van deze wereld of van iemand anders. Daarom antwoordde Jezus op de vraag van Pilatus toen hij werd geoordeeld: “Mijn koningschap is niet van deze wereld. Als Mijn koningschap van deze wereld was, zouden Mijn dienaars er wel voor gevochten hebben dat Ik niet aan de Joden werd overgeleverd. Mijn koningschap is echter niet van deze wereld”. Het koninkrijk van God is de plaats waar Jezus heelal regeert met liefde want zijn wapen is de liefde. Als we het over het koninkrijk van God hebben, hebben we het over gerechtigheid, waarheid, elkaar liefhebben, elkaar helpen, voor elkaar respect hebben, liefde en zorg voor het milieu en de natuur. Het koninkrijk van God is een plaats voor iedereen, waar de mensen leven als broeders en zusters. David was een van de grootste en beroemdste koningen van Israël. Tijdens zijn regering bereikte Israël glorie. Maar toch was zijn koningschap voorbij want zijn koningschap was beperkt door tijd en ruimte. Hij heeft Israël geregeerd zoal andere koningen. Jezus is koning meer dan David. Hij regeert over het heelal, onze wereld, alle landen, alle mensen van verschillende talen en rassen, onze familie, onze gemeenschap. En het belangrijkste is dat Hij in ons hart leeft en regeert. Ik citeer wat Paulus zegt in zijn brief aan de Romeinen: “Het koninkrijk van God is geen kwestie van spijs en drank maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest”. Amen. 


Simon Taa o.carm.


 


Overweging, 33ste zondag door het jaar


Het is nogal wat, dat wat wij zojuist hebben gehoord in de tweede lezing. Trouwens, ook wat wij hebben gehoord in de eerste lezing: verwoesting en ellende. Allemaal als behorend bij de eindtijd. De tijd die het definitief komen van Gods Rijk op aarde moet inluiden. Het zijn heftige woorden waar heel veel mensen een hekel aan hebben. Toch hebben ze op onze cultuur een enorme impact gehad. Eigenlijk alle eeuwen door. Op sommige momenten was het nóg meer aanwezig dan anders. Zo verzamelden zich in het jaar 999 na Christus een massa mensen op een berg bij Jeruzalem. Ze waren daar door een heel zware reis te maken vanuit Europa naartoe getrokken om daar het einde der tijden af te wachten en het grote heil van Christus’ komst. Paus Sylvester II had voorspeld dat op 1 januari van het jaar 1000 het einde van het christelijke duizendjarige rijk zou komen en dus aan de wereld. Toen dat einde niet bleek te komen zou het 33 jaar later gebeuren, 1000 jaar na het lijden en sterven van Christus. Wéér trokken mensen naar Jeruzalem, weer gebeurde er niets. Als je op het internet gaat zoeken, kun je ook nu allerlei kleine geloofsgemeenschappen vinden die ‘het einde der tijden’ centraal stellen in hun geloofsverkondiging. Zij geloven ook allemaal dat zij zoveel mogelijk mensen moeten bekeren tot hun eigen wijze van geloven, want alleen daar is het heil te vinden; alleen de eigen mensen zullen van het geweld en het daarbij horend oordeel gered worden. Zij gaan van deur tot deur, of proberen mensen te overtuigen via sociale media. Moderne middelen, maar eigenlijk is er niet veel veranderd in de tweeduizend jaar dat de christenheid bestaat. Jezus kan nog zogezegd hebben: ‘wij weten dag noch uur’, toch steekt het iedere keer weer de kop op dat mensen het zeker weten dat het nú toch echt zover is gekomen dat het staat te gebeuren. Zij weten het zeker. Dit ‘zeker weten’, staat eigenlijk helemaal in tegenspraak met wat geloof ten diepste is. Geloof is niet het voor wáár houden van profetieën over de toekomst, het is niet het voor wáár houden van geloofsstellingen en -regels. Geloof heeft veel meer van doen met vertrouwen ‘dat het goed zal komen’. Hoe? De grond van dat vertrouwen is ten diepste Jezus die wij Messias noemen. Tweeduizend jaar geleden herkenden mensen in de ontmoeting met Hem het komen van God zelf. Hij gaf mensen hun leven terug door ze te genezen van hun ziekten en tekorten. Hij haalde ze uit hun isolatie. Zij konden weer opgenomen worden in de relatie met hun medemensen en met God. Dat herkenden die mensen als heil van God komend. Het kwam goed. En wij, tweeduizend jaar later, doen dat nog altijd.  Als wij het evangelie horen of lezen ontmoeten wij Hem nog altijd, net als die eerste leerlingen. Ook wij kunnen ‘heil’, genezing, in die ontmoeting ervaren. Vanaf het eerste begin is in de verkondiging van het Christendom dan ook benadrukt dat we niet moeten gaan wachten tot Christus terugkomt. Ja, Hij heeft dat beloofd, alles moet nog worden voltooid. Maar ook heeft Hij gezegd dat Gods Rijk in ons en onder ons is. Gods heil is er al. Daarvoor hoeven wij niet op een berg te gaan zitten. Ik las kortgeleden een citaat van de augustijn Joop Smit. Hij schrijft over wat het woord ‘heil’ in het Nieuwe Testament betekent. Hij schrijft: ‘Het woord ‘heil’ blijkt niet over een onduidelijke, ongrijpbare werkelijkheid te gaan, maar over een nabije, menselijke realiteit. Het feit dat een mens wordt bevrijd uit het isolement waarin hij zichzelf heeft gebracht, doordat een ander hem weer tot medemens maakt, […] Ik mag mij bij het woord [heil] blijkbaar iets heel ‘gewoons’ voorstellen: een menselijke ontmoeting waardoor je uit je isolement wordt verlost en als herboren in de mensengemeenschap wordt teruggebracht.’ Elke echte menselijke ontmoeting ís volgens Joop Smit ten diepste een eindtijdelijk gebeuren, een gebeuren waarin Gods aanwezigheid in onze wereld aan het licht kan komen, in ons, onder ons. Dat is wat de boodschap van Jezus is. Ook de boodschap van de eerste lezing van Maleachi. Wij kunnen beginnen bij de vreselijke tekenen die Hij noemt, maar waar zijn woorden op neerkomen is dat God komt. Het boek van deze profeet begint zelfs met de prachtige woorden: “Ik heb u lief, zegt de Heer.” “Ik heb u lief”, dat is het begin en het einde van alles. Door alles heen zal Hij zijn schepping niet in de steek zal laten. Hoe? In belangrijke mate door ons mensen heen. Soms in grote gebeurtenissen, meestal in het kleine, b.v. een ontmoeting van mens tot mens. Bidden wij dat ook wij dragers zullen zijn van die liefde die altijd komend is. Amen.


Zuster Susan van Driel o.carm.


Overweging 6 november 2022, 32ste zondag door het jaar


Eerste lezing:  2 Makkabeeën 7,1-2.9-14 Evangelie lezing: Lucas 20,27- 38


Vele vragen over leven en dood komen in je op als je zo’n stukje Evangelie leest én herleest. Wat is leven, wat is de kern van het leven? Wat is dood? Essentiele vragen waar je over het algemeen niet zo gemakkelijk bij stil staat, waarom zou je? Je móet wat met zo’n tekst. Het helpt om over leven en dood na te denken. Gaandeweg ga je het leven nóg meer waarderen. Het verwondert je! Zeker in herfst en lente als je grote veranderingen ziet in de natuur en geniet van een voor- of najaarszonnetje. Het leven verwondert je óók wanneer je van nabij te maken krijgt met knikpunten in het leven als geboorte en overlijden dan hap je toch echt even naar adem zo van: hoe kán het allemaal? Mijn Vader is geen God van doden maar van levenden!’ Wat bedoelt Jezus daar mee, hoe ver gaat dat? Je krijgt al lezend en zoekend niet overal antwoord op. Gaande de weg zie je dat het bij God en bij Jezus niet alleen dwars door alles heen, om de liefde voor het biologische leven draait - maar ook om de liefde in de geestelijke relatie met de mensen, zelfs voorbij de dood. Dat weet of je vermoed je eigenlijk wel; maar voor die relatie open staan, er dagelijks in de praktijk ruimte voor maken, vraagt vertrouwen, motivatie en wilskracht… 


Titus Brandsma verwoordt het zo:


Van het leven een voorsmaak maken van de hemel door hier reeds zo veel mogelijk God met ons verenigd te zien, God in alles lévend en in alles wérkend.


De Levende in alles werkend. Leven is voor Hem anders, veel méér dan voor ons, dat kan niet anders. Ons leven is begrensd, beperkt tot het hier en nu. Zijn grens ligt bij de vrije wil die Hij ons gegeven heeft. We kunnen Jezus en zijn levensadviezen van verstrekkende liefde: - Hou van God met gehéél je zijn, van jezelf én je naasten van groot tot klein – aanvaarden of naast ons neer leggen, want in de vrije wil zit de ware liefde. Ik vraag me af: slaat daar die zin uit het Evangelie op: zij die waardig bevonden worden deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden...’  Het doet me toch weer belanden bij Titus’ woorden: ‘Van het leven een voorsmaak maken van de hemel.’ Je kunt er in geloven en mee aan de slag gaan… of niet. Je kunt het belachelijk maken zoals de Sadduceeën in de Evangelielezing maar naar mijn idee is het leven daarvoor te kostbaar. Jezus neemt het leven uiterst serieus en geeft als leermeester van allen een doordacht antwoord waar iedereen, die dat wil, mee uit de voeten kan. Tijdens ons leven waarin we God een belangrijke plaats geven, als voorsmaak van de hemel’, krijgen we - van de wieg tot het graf – niet alleen te maken met grote fysieke veranderingen maar ook met een enorme geestelijke groei en dat allemaal uit liefde om, zoals het in de Catechismus staat: ‘hier én in het hiernamaals gelukkig te zijn.’ Veel van wat er in ons leven gebeurt, stelt ons voor vraagtekens. Een embryo weet niet dat het eens het stadium van de geboorteadem bereikt. Een rups weet niet dat hij een vlinder wordt maar heeft het wel in zich om er gehoor aan te geven zich te gaan verpoppen. De moeder en haar 7 zoons uit de eerste lezing vertrouwden op Gods belofte in een verder bij Hem na hun overlijden. ‘God heeft ons geen kalme reis beloofd maar wel een behouden aankomst’, zegt een tegeltjeswijsheid. Op weg met en naar de Eeuwige vinden er veel veranderingen plaats, ‘that’s live’, zo is het leven. De tekst van een bekend lied verwoordt: ‘Blijf niet staren op wat vroeger was, sta niet stil in het verleden Ik, zegt Hij, ga iets nieuws beginnen. Het is al begonnen, merk je het niet?’ Iedere dag wordt in het heden - door liefde op vele fronten, - aan de toekomst gebouwd, een toekomst waar we nu nog geen concreet zicht op hebben: maar God is een God van levenden dwars door alles heen. Daar, zo leert Jezus ons naar mijn idee, mogen we vast op vertrouwen. 


Betzie Brakels


Werkgroep Woord- en Communie vieringen


 


Overweging zondag 30 oktober (Allerheiligen – Allerzielen)


Ik ben de opstanding en het leven


Zusters en broeders…


Het is echt een groot verlies als iemand die wij goed kennen is overleden. Het overlijden van iemand is echt een triest incident. Het is een pijnlijke ervaring. Iedereen die dat ervaart zal verdrietig zijn.  Natuurlijk wil niemand dat ervaren. Er zijn veel mensen die depressief zijn vanwege het overlijden van hun dierbare mens. De dood is echt een afscheid. Wij vragen ons af wanneer wij hen weer tegen kunnen komen. Misschien vragen wij ons ook af waarom er dood is. Maar de dood is een werkelijkheid die niet kan worden ontkend. Iedereen die geboren wordt zal zeker sterven. En wij weten nooit wanneer die tijd komt. Ik herinner me mijn ervaring bij het overlijden van mijn vader. Toen waren ik en mijn broers en mijn zussen nog niet zelfstandig. Wij hadden de liefdevolle en bemoedigende aanwezigheid van onze vader nog nodig.  Wij vroegen ons af: waarom is het gebeurd, waarom verlaat onze vader ons, houdt God van ons? Maar die trieste ervaring bracht ons tot een bewustzijn op wie wij moesten vertrouwen en aan wie wij ons leven toe kunnen vertrouwen. Het verlies maakte ons geloof sterk. God had een plan achter wat wij ervoeren. Vandaag horen wij het evangelie dat over de aankomst van Jezus bij Marta en Maria gaat. Jezus kwam naar Marta en Maria vanwege het overlijden van hun broer, Lazarus.  Wij kunnen ons voorstellen hoe verdrietig zij waren. Daarom zei Marta tegen Jezus dat als Hij bij hen was geweest, hun broer niet gestorven zou zijn. Maar Marta geloofde dat Jezus een goede relatie had met Zijn Vader in de hemel. Jezus zou het beste doen voor hen.  Daarom overtuigde Jezus haar dat Lazarus niet dood was. En Jezus wilde laten weten wie Hij is. Hij is de opstanding en het leven. Hij heeft macht over leven en dood. Johannes in zijn visioen zag een grote menigte die voor het gelaat van het Lam stonden om God te loven. Het is een visioen van de mensen die gered zijn. Wij zijn ervan overtuigd dat er een nieuw leven is na de dood. Jezus is het Lam en de rechter die beslist wie voor het Troon van God mogen staan. 


 Zusters en broeders…


Veel mensen zijn de afgelopen twee jaar overleden aan het coronavirus. Zij zijn misschien onze familie, onze vrienden, onze buren, onze medewerkers, onze medezusters en medebroeders, onze dierbare mensen. Dat doet wel pijn. Maar wat betekent de dood voor ons? In Jezus geloven wij dat iedereen die in Hem gelooft zal worden gered. Jezus heeft ons beloofd dat hij zou gaan om een plaats voor ons gereed te maken. Daarom is de dood niet het einde. De dood is het begin van het nieuw leven. Wij geloven dat zij die al zijn overleden nu voor de troon van God staan om Hem te verheerlijken. Moge ons geloof versterkt worden. Jezus is de opstanding en het leven. Wij bidden voor de overledenen. Moge zij rusten in de vrede van de Heer. En wij zijn ook gevraagd om ons leven altijd te vernieuwen. God heeft ons lief. Hij wil ons redden. Wij reageren op Zijn aanbod van redding door goed te doen zoals Hij wil. 


Simon Taa o.carm.


Overweging 16 oktober 2022, 29e zondag door het jaar


Lucas 18,1-8 (en Rom.8,26-27)


Mijn overweging sluit vandaag vooral aan bij een van de laatste zinnetjes in het evangelie dat u zojuist hoorde. Namelijk: 'Zou God geen recht verschaffen aan de mensen die dag en nacht tot Hem roepen; ik zeg u: Hij zal hen recht verschaffen'. Dit zinnetje is voor mij aanleiding geworden om u vandaag te vertellen over een bediening zoals ik die onlangs mocht vieren met een mevrouw die niet lang meer te leven had. Haar kinderen hadden mij gebeld: moeder zou nog héél graag bediend willen worden. Ze was altijd een echt gelovige vrouw geweest. Haar geloof had altijd veel voor haar betekend. Ik hoorde aan de manier waarop de zoon dat aan mij zei dat ik er niet te lang mee moest wachten. Ik ben dus onmiddellijk gegaan. Toen ik binnenkwam, was ze blij dat ik er was. ‘Ja, nu zie ik het', zei ze, 'ik ken u van de kerk. Fijn dat u zo snel kon komen’. En wat ze toen zei, verraste mij. ‘Ik ben in stervensnood’. Ik kende die uitdrukking natuurlijk wel, maar ik dacht bij dat woord altijd aan angst voor het naderende sterven. Maar bij haar zag ik geen spoortje van angst. Maar wat zou ze dan bedoelen? Zou ze bedoelen dat ze nood had aan. Behoefte had aan. Gaf ze met dat woordje stervensnood aan dat ze graag Gods steun wilde voelen? En daarom vroeg ik haar of het goed was dat we maar gewoon zouden beginnen. Ze knikte. Ik begon met het gebed dat ik dan meestal bid: ‘Goede God, meer dan ooit doen wij een beroep op U. Van Jezus weten wij dat U ons nooit in de steek laat. U hebt ons uw grootste gave gegeven, het leven zelf. Het ons eigen bestaan. Maar meer dan van ons is het ook van U. Daarom vertrouwen wij ons toe aan uw veilige handen. Bescherm ons, bewaar ons, voltooi ons!’ Ik merkte dat dit bidden haar goed deed. We gingen verder en baden de geloofsbelijdenis. Zij en ik samen. Luid en duidelijk. Toen legde ik mijn hand op haar hoofd en zei: ‘Wat ik nu doe hebt u bij uw kinderen vast en zeker ook vaker gedaan. Als u hen het gevoel wilde geven dat alles goed was, dan pakte u hun gezicht in uw handen of dan legde u een hand op hun schouder of dan sloeg u een arm om hen heen. Op die manier liet u hen voelen dat u heel veel van hen hield. Ik leg nu mijn hand op uw hoofd en dan bid ik dat u in de zorg, de hulp en de liefde van uw kinderen, dat u daarin mag voelen dat God ook heel veel van u houdt. Daarna zalfde ik haar met chrisma en bad: ‘Moge de Geest van God in u wonen, moge de kracht van God u vervullen, moge de hoop op Gods liefde leven in uw hart en u bemoedigen’. Tot slot baden zij en ik samen met de kinderen nog een Onze Vader en een Wees Gegroet. Toen ik afscheid van haar nam, pakte zij mijn hand en zei: 'Nu is het goed'. Ze had er dus echt nood aan gehad. Behoefte aan gehad om te voelen dat ze zich met een gerust hart kon overgeven en dat ze zich kon toevertrouwen aan Zijn veilige handen. In de eerste lezing hoorden we dat wij soms niet weten hoe we moeten bidden. En dat is zo. Maar de dringende vraag van deze vrouw om bediend te worden, heb ik achteraf ervaren als een echt gebed. Met de woorden van Paulus uit de eerste lezing zou ik willen zeggen: de heilige Geest heeft gezien wat er in haar hart leefde, Hij is haar te hulp gekomen (Rom.8,26-27) en God heeft haar recht gedaan. Amen


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


Overweging zondag  9 oktober 2022,  28ste zondag door het jaar


‘Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea’. Zo begint het verhaal uit het evangelie dat wij zojuist hebben gehoord. Het is een zin met nogal een lading. Immers, de evangelist Lukas laat er geen misverstand over bestaan: Jezus wéét waarheen Hij op weg is. Hij is vastberaden op weg naar Jeruzalem, waar Hij, dat heeft Hij al voorspeld, ‘zal worden weggenomen’. Hij is dus op weg naar lijden en dood. En kijk eens waar zijn weg doorheen gaat. Midden tussen Galilea en Samaria door. Aan de ene kant Galilea waar Nazareth ligt, de stad waar zijn familie woont. Maar, in zijn vaderstad hadden zijn dorpsgenoten zich zo aan Hem geërgerd dat zij Hem zelfs in de afgrond wilden stoten. Nee, daar was Hij niet welkom. Aan de andere kant van zijn weg ligt Samaria. Ook daar, heeft Lucas verteld, wilden ze Hem niet ontvangen, juist omdát Jezus gericht was op Jeruzalem. Je kunt dus zeggen dat Jezus in de marge verkeert, niet gewenst door de mensen die Hem na zouden moeten staan, niet gewenst bij de mensen voor wie Hij een vreemde is. Hij is ongewenst, maar Hij heeft toch wel gezelschap, want achter Hem aan, schrijft Lucas aan het begin van hoofdstuk 17, ‘trekken drommen mensen’, Dat Maar dat zijn dus níet de mensen waarmee Jezus emotioneel en sociaal een nauwe band heeft. Nee, dat zijn: armen, zieken, zondaren. Mensen die sociaal en religieus aan de kant zijn gezet; mensen die met opgeheven hand staan en zelf maar heel weinig te geven hebben. Tussen Galilea en Samaria trekkend, langs de weg naar Jeruzalem gebeurt het weer: daar staan wéér tien zieke, uitgestoten mensen die hulp nodig hebben. Door hun huidziekte is ook voor hen alleen nog maar dat grensgebied gebleven waar de weg van Jezus doorheen gaat.  ‘Jezus, Meester, heb medelijden, roepen ze van ver. Heeft Jezus medelijden? Dat vertelt het verhaal niet. Wél ziet Hij ze en Hij handelt zonder aarzeling. Maar het blijft een afstandelijk gebeuren: geen aanraking, geen woorden van genezing en erbarmen. Geen redding wordt aangezegd. Alleen maar die paar woorden: ‘Ga je aan de priesters laten zien’ en zij wórden genezen. Zij kunnen sociaal weer worden opgenomen door familie, dorpsgenoten, hun geloofsgenoten. Ze kunnen weer aan hun leven beginnen. Er komt er maar één terug naar dat grensgebied waar de weg van Jezus doorheen trekt. De anderen laten zich niet meer zien. Mensen die Jezus willen navolgen worden ook wel eens mensen van de weg genoemd. Wíj, zoals wij hier zitten, worden mensen van de Weg genoemd. Beseffen we dan wel genoeg dat het dan over díe weg gaat: een weg die uiterst eenzaam is, vaak niet begrepen, ook niet door de mensen die ons dierbaar zijn? Een weg waarlangs ándere mensen zich ophouden die óns nodig hebben zonder dat ze iets terug kunnen of willen geven? Jezus, is níet persoonlijk beledigd dat de negen niet terugkomen om Hem te bedanken. Nee, alleen dat zij de Vader geen eer brengen lijkt Hem pijn te doen: ‘Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen?’, zegt Hij. Wij zouden misschien zeggen: ‘Is er dan niemand een beetje dankbaar?’ Toen men eens aan de Belgische kardinaal Daneels vroeg naar het verschil tussen een gelovige en een ongelovige was zijn antwoord: "Een, gelovig mens is meestal een dankbaarder mens". Wat gelovigen dus ten diepste onderscheidt van niet gelovigen was volgens Daneels niet goede dingen dóen. Ook mensen die niet geloven, zijn heel vaak goede mensen die het goede doen. Maar een gelovig mens beseft steeds dieper dat wij onszelf niet hebben gemaakt en dat er een scheppende liefde is die de grond is van ons bestaan. Ook al gebeuren er in een leven verdrietige dingen. Velen van ons gáán de weg naar Jeruzalem, velen van ons ervaren eenzaamheid; voelen zich niet begrepen; voelen zich niet gesteund door anderen; moeten tegen de stroom in zich inzetten voor wat zij voelen als waardevol en goed. Juist dat besef dat wij ons hele bestaan ontvangen kan ons helpen de weg te gaan, waar die ons ook heen zal leiden. Jezus besefte heel diep dat Hij alles had ontvangen van zijn Vader. Dát had Hem op zijn weg gezet. Een weg waarop Hij er was voor mensen die aan Hem niets te geven hadden. Hij ging de weg, ónze weg, in dankbaarheid aan de Vader; een vaak eenzame weg, onbegrepen door wie hem na staan, vastberaden, tussen Galilea en Samaria door, naar Jeruzalem… Bidden wij dat ook wij de kracht ontvangen om steeds verder die weg te gaan. Amen


Zr. Susan van Driel o.carm.


Zondag 2 oktober 2022, 27ste zondag door het jaar


Overweging bij Lucas 17,5-10


In het evangelie van vandaag vragen de leerlingen aan Jezus: ‘Geef ons meer geloof, geef ons meer vertrouwen’. Dat vroegen ze niet zomaar. Kort tevoren had Jezus gezegd: 'Als iemand je op één en dezelfde dag 7x beledigt en dan 7x tegen je komt zeggen dat het hem spijt, dan nog moet je hem toch vergeven'. Jezus vroeg hier aan zijn leerlingen – en dus ook aan ons – om een royale, hartelijke vergevingsgezinde manier van omgaan met elkaar. In plaats van een ander te laten vallen, moeten we hem of haar altijd weer de ruimte geven om het leven te beteren. Dat vonden de leerlingen toch maar heel moeilijk. Hoe kun je iemand na zoveel fouten nog vertrouwen? Vandaar die vraag: 'Heer, geef ons meer geloof.' In mijn ogen is de reactie die Jezus dán geeft, heel opvallend. Als ik hem goed versta zegt hij dan namelijk dat ons geloof en ons vertrouwen niet vermeerderd hóeft te worden. Want hij zegt: al had je maar een geloof als een mosterdzaadje, dat is genoeg – en dan wijst hij naar een grote boom – met een geloof zo groot als een mosterdzaadje zou je die boom met wortel en al uit de grond kunnen trekken en in zee laten verdwijnen. Waarom zou je dus ‘meer geloof’ nodig hebben? Vervolgens voegt de evangelist Lucas daar nog een klein verhaaltje aan toe, - over een heer en zijn knecht. Daar zegt Jezus dat je gewoon moet doen wat je heer – Jezus dus – je opdraagt. Dus als we net als de leerlingen de opdracht krijgen om telkens weer te vergeven en onze medemensen nooit te laten vallen, dan moeten we dat gewoon doen, zoals een knecht zijn werk moet doen. Daar heb je niet een groter geloof of meer geloof voor nodig. Dat roept dan wel de vraag op wat Jezus dan toch met geloof bedoelt. Ik versta het als volgt: als je werkelijk in een ideaal gelooft, dan betekent dat ideaal alles voor je, dan heb je daar alles voor over. Als wij werkelijk geloven dat God liefde is en dat Hij dus van ieder van ons houdt, wie zijn wij dan dat wij iemand zijn of haar fouten achterna blijven dragen? Geloven in God was voor Jezus geloven in de kracht van de liefde. Voor Jezus was geloven niet wat het voor ons vaak is: wij geloven dat iets zo of zo is, wij geloven dat iets waar is of niet, dat een bewering of een leerpunt waar is of niet. Voor Jezus was geloven een levenshouding. Als wij werkelijk geloven dat het Gods bedoeling dat wij in vrede met elkaar leven en dat wij zorgen dat iedereen in deze wereld genoeg te eten heeft, dan is het ook zaak dat we daar werkelijk aan werken, met hart en handen. En dan zal dat ook binnen enkele generaties werkelijkheid kunnen zijn. Maar heel vaak willen wij dat niet echt. Wij zijn niet van plan onze consumptiegewoonten echt te veranderen. Wij geloven niet echt in de kracht van dat visioen van Jezus: dat het Gods Rijk in ons midden werkelijkheid kan worden. Daar ligt een belangrijke oorzaak dat wij niet tot een gezamenlijke aanpak kunnen komen en daarom gaan de dingen zoals ze gaan. Wij willen het niet echt. Natuurlijk zijn er soms ook dingen die we wél echt samen willen. Een zieke bij voorbeeld wil heel echt beter worden en als familie wil je dat ook echt. Maar met alle 'echt willen' en 'echt geloven' blijkt er toch soms geen genezing meer mogelijk. Wij stuiten dan op de hardheid van de werkelijkheid die zijn eigen wetmatigheden heeft, dwars door ons menselijke willen heen. Dan móeten we begrijpen – of we willen of niet – dat we ons willen of ons verlangen moeten afstemmen op wat mogelijk is. Ik hoorde in Lourdes een mooie voorbede: 'Geef, God, dat de relatie tussen mijn vriend en zijn vriendin weer hersteld kan worden. Maar als dat niet kan, geef dan dat er weer vrede komt in het hart van twee mensen'. Wij weten dus soms best wel dat ook liefde haar grenzen kent. Maar vandaag wijst Jezus ons op iets anders: namelijk dat wij heel vaak nog lang niet toegekomen zijn aan de grenzen van het mogelijke. Dat er ontzettend veel mogelijk is, als we echt willen dat er ontzettend veel mogelijk is, als we echt ergens in geloven. En daarom toch maar die bede: 'Heer, geef ons meer geloof. Amen'. 


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


 


Overweging bij de oecumenische viering van de Vredesweek op 25 september 2022


Passend bij Psalm 156 in een vrije vertaling van Enis Odaci


Lezing: Exodus 20,4-6 NBV


Toen sprak God deze woorden:


Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de Heer, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. 


Die paar verzen die we uit de Bijbel hoorden, zijn heel pittige woorden. Ze staan meteen aan het begin van de Tien Geboden, als een soort terzijde bij het gebod om geen beelden te maken van goden. In protestantse kerken klonken deze woorden in het verleden elke zondag opnieuw: voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde en het vierde geslacht wanneer ze mij haten….


Dat doet iets met je – er wordt een beeld opgeroepen van een wraakzuchtige en straffende God, die niet alleen mensen zelf straft als ze iets fout doen, maar ook nog hun kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen… Wanneer houdt dat op? Er is over deze woorden heel wat geschreven. Over de juiste vertaling (want het Hebreeuws waarin het geschreven is, is buitengewoon lastig te vertalen) en daarmee ook over de juiste interpretatie. Ik wil u vanmorgen niet lastigvallen met de details hierover, maar wel wil ik u vertellen hoe ik denk dat je deze woorden mag en kunt uitleggen. Het gaat hier om afgoden. Daar maakten ze vroeger beeldjes van, waar ze dan dingen bij afsmeekten: gezondheid, geluk, vruchtbaarheid, overwinning bij een strijd. De God van Israël maakt heel duidelijk dat zoiets niet past bij mensen die aan hem zijn toegewijd. Ik heb jullie uit de slavernij in Egypte bevrijd, zegt God, dan is het niet de bedoeling dat jullie opnieuw slaaf worden – dat jullie de gunst van de goden moeten gaan afsmeken om een beetje goed terecht te komen in het leven. Ik heb jullie bevrijd, zegt God, het is de bedoeling dat jullie verantwoordelijk zijn voor je eigen leven, voor de wereld waarin jullie leven, voor de koers die jullie varen als gemeenschap. Jullie zijn zelf verantwoordelijk, zegt God, en vergis je niet: als je jezelf weer slaaf maakt van een of andere afgod die je geluk of overwinning of gezondheid belooft, dan heeft dat niet alleen gevolgen voor jou, maar ook voor de generaties die na jou komen. Vroeger was dat heel letterlijk zo, want mensen woonden als families bij elkaar: mensen bleven bij hun ouders wonen, ook als ze zelf kinderen en kleinkinderen kregen. Dat derde en vierde geslacht woonde op den duur dus gewoon onder jouw dak. Maar ook nu, nu dit heel anders is, snappen we nog steeds de impact die keuzes van mensen hebben op de generaties die na hen komen. Waar stel jij je vertrouwen op? Dat heeft gevolgen, volkomen ongewild, maar toch…


Denk aan de tweede wereldoorlog, waar mensen die ‘fout’ waren hun nageslacht opzadelde met schuld en trauma’s. Denk aan mensen die honger hadden en hun kinderen daarna vooral liefde gaven in de vorm van veel eten. Denk aan krampachtig bezorgde ouders, die hun kinderen niet willen laten overkomen wat hun zelf of familieleden was gebeurd. Waar jij je vertrouwen op stelt heeft impact mensen die na jou komen. Waar jij jouw geluk van laat afhangen, heeft gevolgen. Als we dus in deze Vredesweek spreken over ‘Generatie vrede’, dan gaat dat om de vraag: waar stel jij vertrouwen in? Wat is voor jou het belangrijkste? Wat laat je daarmee na aan de mensen die na jou komen? Je eigen familie, maar ook buurkinderen, jeugd die jou in de supermarkt moet helpen, verzorgend en verplegend personeel, jongeren die in je buurt rondlopen. Wat geef je hen mee? Leer je ze dat het normaal is dat je elkaar wantrouwt, dat je allereerst kiest voor jezelf, dat je geen verandering wilt, dat ‘de jeugd van tegenwoordig’ lang niet zo fijn is als wij in onze jonge jaren waren? Leer je ze angst voor wat anders is en wie anders is? Of geef je ze andere zaken mee: Godsvertrouwen, vertrouwen in henzelf, besef van verantwoordelijkheid, laat je ze zien dat (en hoe) ze jou kunnen helpen en dat jij er ook voor hen bent als dat nodig is? Vrede is meer dan afwezigheid van oorlog. Oorlog kunnen wij als individuen niet zomaar verhelpen. Wel kunnen wij zorgen, daar waar wij leven en bestaan, dat haat en wantrouwen niet de hele wereld vergiftigen. Dit kunnen we als individuen doen, maar ook als gemeenschap. Als we God liefhebben, vrede en rechtvaardigheid zoeken, liefde en vertrouwen verspreiden, kan dat tot in het duizendste geslacht doorwerken. Daar rust Goddelijke zegen op, die veel langer duurt en veel verder reikt dan we ooit voor mogelijk hielden. 


Marise Boon 


 Predikant protestantse gemeente te Boxmeer


 


Zondag 18 september 2022, Corneliusviering Vortum-Mullem


De H. Cornelius is maar heel kort paus geweest. In 251 werd hij paus, in 253 stierf hij in ballingschap. Maar tóch, de manier waarop hij zijn pausschap invulde, de manier waarop hij als christen zijn geloof beleefde, heeft een onuitwisbare invloed gehad op de héle christenheid na hem. Als hij zich niet sterk had gemaakt voor die boodschap van Christus, dat God zielsblij is met iedere gelovige die zich wil omkeren naar Hem, zouden wij hier misschien niet eens  in deze kerk hebben gezeten. Immers, waar ging het om in de strijd tussen paus Cornelius en tegenpaus en tegenstander Novatianus. De tijden waren zwaar. Christenen werden zwaar vervolgd en gedwongen hun geloof af te zweren, ze moesten offeren aan de god-keizer. Lang niet alle mensen werden martelaar. Lang niet iedereen kon het opbrengen om familieleden en ook kinderen op te offeren voor het geloof. Nee, zij brachten dat offer aan de keizer. Zij werden zogenaamde afvalligen. Werden ze daarmee ook door God afgeschreven? Schrijft God überhaupt mensen af? Cornelius besefte en geloofde dat God dat niet doet. Immers: had de eerste Paus Petrus, Jezus ook niet verloochend? En al die woorden van Jezus in de evangeliën, laten ook die niet zien dat God op de uitkijk staat, als zijn kind maar naar huis wil komen en als dat kind dat doet, dan zijn er zelfs geen verwijten maar dan ontvangt de Vader hem met een groot feest.  Cornelius besefte diep dat als hij zich niet sterk zou maken voor mensen die weleens verkeerde wegen gaan, onder dwang of niet, dat wij dan eigenlijk ook onszelf zouden afschrijven. Immers, doen wij altijd wat God eigenlijk van ons vraagt: liefde en goedheid voor onze naasten? Ieder mens, in verleden en heden, doet weleens wat hij of zij eigenlijk niet wil en wordt zo weleens afvallig. Maar wij mogen geloven, dankzij mensen als Sint Cornelius, dat wij ons altijd weer mogen bekeren, mogen terugkeren naar de Vader die daar alleen maar zielsblij mee is.  Cornelius, in dat hele korte pausschap, trotseerde de mensen van de harde lijn, de mensen die overtuigd waren dat zij de ware kerk zijn. Hij eindigde zijn leven in ballingschap. Wij weten eigenlijk niet precies hoe hij is gestorven. De traditie zegt door onthoofding, andere verhalen vertellen dat hij is gestorven aan de ontberingen die hij moest doorstaan. Maar zijn boodschap staat nog altijd overeind: God heeft mensen lief, en Hij wacht op ons allemaal, Hij staat op de uitkijk tot wij thuiskomen, altijd weer. Amen. 


Zuster Susan van Driel o.carm.


Zondag 11 september 2022, 24ste zondag door het jaar (Startviering)


Onze huidige paus zegt heel vaak: ‘Ik ben alleen maar een zondaar’. Echt, in bijna ieder interview dat hij geeft, zegt hij het: ‘Ik ben een zondaar’. Bedoelt hij daarmee te zeggen dat hij zulke verschrikkelijke dingen doet? Waarschijnlijk niet. Wat hij, denk ik, bedoelt te zeggen is dat hij niet anders is dan andere mensen. Wij zijn allemaal mensen die geschapen zijn om uit, met en voor God te leven; mensen die leven uit het Leven, met een hoofdletter! Zelf. Maar telkens weer vergeten wij dat, doen wij dingen die níet het leven dat God ons gunt ondersteunen. Op die momenten dwalen wij af. De paus is zich bewust dat hij dat dus ook doet. Een van de belangrijkste redenen van dat afdwalen, is dat wij mensen rekenen. Wij bepalen elkaars waarde in aantallen en gewicht. De 99 schapen in het evangelie dat wij zojuist hebben gehoord zijn meer waard dan 1 schaap, die 99 leveren veel meer wol en vlees. Mensen leveren geen wol en vlees maar van mensen bepalen we waarde aan wat we gestudeerd hebben, de functies die we bekleden, of we veel geld hebben, of we nuttig zijn, veel bijdragen aan de maatschappij. Wij mensen tellen en wat het meeste oplevert, dat is het belangrijkst. Maar de liefde, de liefde die God is, telt niet, die redeneert niet logisch. Voor Jezus die spreekt voor de Vader, is die éne bijzonder en van zo’n waarde dat Hij een hele kudde in de steek laat. Ja, zo de hele kudde aan gevaren blootstelt, om die ene te zoeken. De waarde van mensen zit voor Jezus dus niet in dat wat je kunt tellen. En zelfs zit die waarde er niet in of wij ons aan de voorschriften houden die de H. Schrift en ook Jezus ons voorhouden. Immers: In de evangelielezing over de herder en het schaap dat hij gaat zoeken en de vrouw die haar hele huis op z’n kop zet om die ene drachme te zoeken, hoort ook nog dat verhaal van de Vader die op de uitkijk gaat staan om zijn verloren zoon te verwelkomen.  Die ene zoon die zich aan God noch gebod heeft gehouden. Als dat gebeurt, dan wordt het groot feest. Die Vader had nóg een zoon, één die altijd netjes had gedaan wat hij had voorgeschreven, die had Hij ook lief maar voor die afdwalende ene blijft Hij op de uitkijk staan. Nee, God rekent niet, God is niet logisch. Hij houdt van ons, werkelijk zoals we zijn: mensen die geregeld afdwalen. Net als de paus. Maar ook mogen wij ons geliefd weten en – heel belangrijk! –mogen wij vanuit die liefde van God met elkaar omgaan, open staan voor elkaar, op de uitkijk, zoekend naar elkaar. Daarbij zijn wij soms schaap, maar soms ook herder. Of vader


In het mooie boek Eindelijk thuis, van Henry Nouwen, verplaatst hij zich in de drie hoofdpersonen van het dat verhaal over ‘de verloren zoon’. Hij erkent dat hij vaak die verloren jongen is geweest, ook die rechtschapen en jaloerse zoon herkent hij in zichzelf. Maar waar hij uiteindelijk bij uitkomt is de persoon van de Vader, die uitkijkende Vader, waarvan de ogen zijn zoon blijven zoeken. Dát is mijn opdracht, realiseert Nouwen zich uiteindelijk; dat is ónze opdracht. Uitkijken naar elkaar, blij zijn dat wij een gemeenschap mogen zijn. Ieders waarde zíen. Of we gezond of ziek zijn, of we veel of weinig naar de kerk komen, of we veel kunnen bijdragen, in geld of inzet, of niet. Laten we, wie we ook zijn, wat we ook kunnen bijdragen, zoeken naar elkaar. Ik denk dat we dat in onze parochie al veel doen. Maar bidden we, dat het ons in dit komend jaar gegeven zal zijn om er misschien nog een schepje bovenop te doen om een open, verwelkomende, ja, een zoekende gemeenschap te zijn. Héél gewoon, mensen die proberen te gaan in geloof in Hem die is Vader en Herder, en huisvrouw die haar hele huis overhoopgooit om iedere keer weer óns te zoeken. Wat een genade. Amen


Zuster Susan van Driel o.carm.


Zondag 4 september 2022, 23ste zondag door het jaar


Inleiding


Ieder weekend staan we hier stil bij wat het betekent Jezus na te volgen in je dagelijkse leven. En we weten onderhand wel dat dit niet vrijblijvend is. Maar wat Jezus vandaag zegt, is niet alleen niet-vrijblijvend, maar het roept bij veel mensen ook flinke weerstand op. We zullen Jezus namelijk horen zeggen: 'Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven wat je hebt: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, je broers en je zussen. Zelfs moet je bereid zijn je eigen leven op te geven'. Ooit zei iemand over dit fragment uit het evangelie: 'Dit past niet bij de liefde die Jezus verkondigt. Ik heb liever dat deze bladzijde uit de Bijbel verwijderd wordt'. Maar u hoort het: de bladzijde zit er nog steeds in.  Kort en goed: een pittig evangelie vandaag, maar we gaan toch proberen stil te staan bij wat Jezus bedoeld kan hebben. 


Evangelie: Lucas 14,25-33


Een grote groep mensen reisde met Jezus mee. Jezus zei tegen hen: Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, en je broers en je zussen. Je moet zelfs bereid zijn om je eigen leven op te geven. Als je dat niet wilt, dan kun je mijn leerling niet zijn. Je kunt alleen mijn leerling zijn als je met mij meegaat en samen met mij lijdt.’ Jezus zei: ‘Stel dat je een toren wilt bouwen. Dan ga je eerst bedenken hoeveel dat kost en of je genoeg geld hebt. Want stel dat je wel begint te bouwen, maar geen geld hebt om het werk af te maken. Dan zullen alle mensen je uitlachen. Ze zullen zeggen: ‘Die man begon te bouwen, maar hij kon het niet afmaken!’ Of stel dat een koning oorlog wil voeren tegen een andere koning. Hij weet dat die andere koning met een leger van twintigduizend soldaten komt. Dan gaat hij natuurlijk eerst bedenken of zijn eigen leger van tienduizend soldaten wel groot genoeg is. Als dat niet zo is, kan hij beter zo snel mogelijk een dienaar sturen. Die kan de andere koning dan om vrede vragen. Bedenk dus goed wat het betekent om mijn leerling te zijn. Want je moet alles opgeven wat je hebt. 


Overweging


‘Om Jezus te kunnen navolgen moet je alles kunnen opgeven.' Alles opgeven dat is nogal wat. Wat ik in de inleiding al zei: ik vermoed dat dit soort uitspraken van Jezus best weerstand oproepen. Ze gaan in ieder geval tamelijk direct in tegen wat in onze cultuur normaal gevonden wordt. De boodschappen die in de reclames op ons afkomen, spreken in ieder geval een andere taal. Die zeggen dat ik deodorant moet gebruiken omdat ik dat waard ben. Die zeggen dat ik naar bepaalde supermarkten moet gaan om mezelf te kunnen verwennen. Dit soort boodschappen proberen mij voortdurend aan te spreken op welke dingen en voorzieningen ik nodig zou hebben. Voor de èchte man, voor de èchte vrouw, voor jou, is een speciale auto ontworpen en bijzonder ondergoed. Jongeren krijgen een beeld voorgeschoteld van een wereld die er speciaal voor hen is, vol oppervlakkig genot, snelle computerspellen, mooie stranden en een studie die een hoog inkomen garandeert. Onze maatschappij is erop gericht dat mijn 'ik', mijn ego aan zijn trekken komt. De wereld die Jezus voor ogen heeft lijkt haaks te staan op ons beeld van een goede wereld. Vandaag lijkt mij een heel belangrijke vraag te zijn te zijn hoe wij de woorden van Jezus van vandaag moeten verstaan. Ik waag een poging. Ons evangeliefragment begint met te zeggen dat Jezus grote groepen mensen aantrok. Ik stel me zo voor dat er onder die mensen nogal wat meelopers waren. En dat hij zich in het evangeliegedeelte van vandaag speciaal tot hen richtte. Dat hij speciaal die mensen aansprak met de woorden die ons erg scherp in de oren klinken. Als ze zich werkelijk aangesproken voelden door zijn levensstijl, zei Jezus in mijn woorden, dan zouden ze er zich goed van bewust moeten zijn dat het je iets zal kosten als ze hem willen navolgen. Hij neemt als voorbeeld iemand die een toren wil bouwen en een koning die een oorlog moet voeren, - die moeten ook goed nadenken voor ze beginnen. Ik neem nog een ander voorbeeld, nu uit onze tijd. Ik heb ooit in een andere parochie een man ontmoet van wie de vrouw na een slopende ziekte overleden was. Hij vertelde mij dat ze langzaam maar zeker bedlegerig was geworden. Al gauw was ze zo achteruitgegaan dat ze bijna niets meer zelf kon. Er kwamen steeds meer zorgtaken bij hem te liggen. Eerst had hij het alleen gedaan. Daarna met hulp van wijkverpleging. Maar toen dat ook niet meer ging, had ze tot hun beider grote verdriet  naar een verzorgingshuis gemoeten, in een plaats zo'n twintig kilometer verderop. Ze hadden met elkaar afgesproken dat hij haar elke dag zou komen opzoeken. En dat had hij ook gedaan! Twee en een half jaar lang, op de bromfiets, door weer en wind, tot zij kwam te overlijden. Ondertussen was hij zo gewend geraakt aan de andere mensen in dat verzorgingshuis, dat hij had besloten door te gaan met zijn regelmatige bezoeken. 'Had je niet graag wat meer tijd voor jezelf gehad', vroeg ik hem. 'Nou nee', zei hij. 'Ik hield heel veel van haar en ik hou nog heel veel van haar. Ik heb er geen enkele spijt van. Ik wilde ik elke dag graag bij haar zijn, al was het maar even'. 'Maar nu kom je hier nog steeds', zei ik. 'Ja', zei hij, 'maar daar heb ik wel goed over nagedacht. Na een paar weken ik kwam tot de ontdekking dat die anderen op de kamer van mijn vrouw bijna familie van mij waren geworden. En daarom kom ik er nog steeds graag'. De liefde tussen hem en zijn vrouw had hem stapje voor stapje geholpen om de gewoonten en hobby's die hem eerst dierbaar waren, op te geven. En dat was hem niet moeilijk gevallen. Maar hij had er wél goed over nagedacht. Hij had zich niet gedwongen gevoeld of zo. Het was een vrije keuze geweest. Zijn liefde was onbaatzuchtig geworden en dat had van hem een vrije man gemaakt. Ik geloof dat Jezus zoiets bedoelde met zijn op het eerste gehoor onmogelijke woorden. Als je door iemand of iets geraakt bent kun je vrij worden van dingen die je eerst maar moeilijk los kon laten. Maar ik zeg er onmiddellijk bij dat ik met mijn verhaal over die man niet bedoelde te zeggen dat iedereen dit op deze manier zou moeten doen. Integendeel. Er zijn heel wat situaties waarin dat zelfs gewoonweg niet kan. Maar het verhaal over deze man  zo uit het leven gegrepen  kan ons wel dichterbij de betekenis brengen van het evangelie van vandaag. Het kan mij zelfs helpen die andere woorden van Jezus beter te begrijpen: 'Wie zijn leven durft te verliezen, zal het winnen'. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 28 augustus 2022, 22ste zondag door het jaar


Er is een nederigheid waar ik veel argwaan tegenover heb. Ons Christenen, werd altijd al met de paplepel ingegeven dat we nederig móeten zijn. We zijn vaak opgegroeid met stichtelijke verhalen over mensen die de nederigheid perfect beheersten. Mensen die zichzelf volkomen wegcijferden. Een totale dienstbaarheid met voorbijzien van eigen behoeften, werd als ideaal voorgehouden. Soms leek de boodschap van die verhalen zelfs te zijn dat wij om nederig te zijn, onszelf zouden moeten verontschuldigen, gewoon omdat wij leven. In die zin wil ik helemaal niet nederig zijn! Dat ik mijn bestaan heb ontvangen beschouw ik als een groot geschenk, niet als iets om mij voor te schamen, En dan is er nog dat altijd terugkerende spel dat we altijd met elkaar spelen, vooral niet de hoogste te willen zijn. Een kaart door een groep mensen laten ondertekenen en vooral je naam niet bovenaan zetten, waardoor alle namen zich op het alleronderste stukje kaart verdringen. Vooral niet als eerste iets te eten pakken, niet het eerste stukje vlaai pakken en zeker niet de laatste. ‘Ontrief ik niemand als ik dit opeet?’ Niet vooraan gaan zitten, bescheiden op de achtergrond blijven. Als je geprezen wordt, er vlug aan voorbij gaan. Niet in de schijnwerpers gaan staan. Op mij komt het lang niet altijd als echt over: een aangeleerd kunstje, ja, een kunstje dat wij állemaal krijgen aangeleerd. En wat horen we nu in het evangelie van vandaag? Dat evangelie schijnt gewoon zout in dezelfde wonde te strooien: ‘Wees nederig, ga liever achteraan zitten, je loon zal des te groter zijn!’ Maar is dat dan niet diezelfde mentaliteit als die waarmee wij dikwijls met elkaar omgaan? Diezelfde toch wat schijnheilige nederigheid die maar doet alsof? Achteraan gaan zitten en erop rekenen dat je wel naar voren geroepen zal worden. Dat kennen wij ook wel: ‘Maar meneer de directeur, u hier? Uw plaats is toch gereserveerd op de eerste rij, naast de burgemeester en de bisschop!’  Er was ooit een hoogwaardigheidsbekleder die per ongeluk niet op de ereplaats was gezet. De gastvrouw was zich wanhopig aan het verontschuldigen. De zelfbewuste reactie van de gast was: ‘Weest U niet bezorgd mevrouw, daar waar ik zit, daar is altijd de ereplaats.’ Klinkt behoorlijk aanmatigend, maar misschien sluit het toch wel aan bij wat Jezus ons wil leren. Jezus wil ons leren over het Rijk van God. Hij wil ons, zijn leerlingen, leren hoe wij in een Christelijke gemeenschap met elkaar moeten omgaan. In die gemeenschap moet niemand een ereplaats krijgen, want voor God is iedere mens ‘eerwaardig’. Wij zijn als mens een afbeelding van God. Ja, Titus Brandsma zei zelfs: ‘Wij zijn van goddelijke afkomst’. Als wij ons dat bewust zijn, dan voelt de ene mens zich niet belangrijker dan de andere, maar ook zeker niet minder. Dan zijn wij een gemeenschap van gelijken, die ook – en dat is belangrijk! - een gelijke verantwoordelijkheid dragen. In ons kerkelijk wetboek staat geschreven [can. 208]: ‘Tussen alle christengelovigen, en wel krachtens hun wedergeboorte in Christus, bestaat een ware gelijkheid in waardigheid en handelen, waardoor allen, ieder overeenkomstig de eigen plaats en taak, aan de opbouw van het lichaam van Christus meewerken.’ Hoewel het weleens anders lijkt en onze kerk vaak een kerk van priesters lijkt, klopt dat beeld dus niet helemaal. Een Jezusgemeenschap moet een gemeenschap zijn van mensen die elkaar dienen, elk naar eigen aanleg en mogelijkheden. Mensen die liefdevol als Hij in het leven willen staan, liefde ontvangen van God om ze dan ook weer verder weg te schenken. Vooral aan de mensen die het ’t hards nodig hebben die – wat dus geheel ten onrechte is - als de minste worden beschouwd. Jezus zet ons op het spoor van wie wij ten diepste zijn, van wie wij in Gods ogen zijn. We hebben in zijn ogen allemaal een hoge status, omdat we allemaal geschapen en gewild zijn door Hem. Hij heeft ons het leven geschonken en door ons doopsel en ons geloof zijn wij op de weg van het evangelie gezet. Bidden wij dat wij steeds meer beseffen wat voor een enorm geschenk maar ook grote verantwoordelijkheid dat is. Amen. 


Zuster Susan van Driel o.carm.


Zondag 21 augustus 2022, 21ste zondag door het jaar


Als wij kijken naar menselijke verhouding, is “kennen” of “elkaar kennen” heel belangrijk. Een vriendschapsrelatie zal sterk zijn als de mensen elkaar kennen. Wij kunnen elkaar liefhebben als wij elkaar goed kennen. Wij zijn beslist teleurgesteld als iemand die wij goed kennen ons niet meer herkent. We kunnen ons voorstellen als we niet worden erkend door onze familie of onze vrienden. Dat doet wel pijn. Het evangelie dat wij vandaag horen daagt ons uit om ons af te vragen hoe diep onze relatie is met God. Wij vragen ons ook af of wij bij de groep horen die door Jezus is gekend. Iemand komt bij Jezus en vraagt hoeveel mensen zullen worden gered. Jezus antwoordt hem met een vraag om zich in te spannen door een nauwe deur binnen te komen. Toen was Jezus onderweg naar Jeruzalem waar zijn lijden zou beginnen. Jezus wil ons laten weten dat als wij hem willen volgen, wij in zijn lijden moeten deelnemen. Iedereen die Hem volgt tot Jeruzalem kent Hij goed. Jezus volgen tot Jeruzalem betekent dat wij doen wat wij kunnen om door de nauwe deur binnen te komen. Jezus neemt een gelijkenis over een vaderhuis die is opgestaan en de deur gesloten heeft. Alleen mensen die op tijd zijn kunnen binnenkomen. Mensen die te laat komen, blijven buiten. Zelfs kent de heer van dat huis hen niet. Uit het evangelie weten wij wie niet binnen mogen komen. Het zijn allen die ongerechtigheid bedrijven. Is het aantal mensen dat binnen mag komen beperkt? Is het koninkrijk van God te klein voor alle volken? Ik denk dat het niet de bedoeling is. Het is niet zo belangrijk hoeveel mensen worden gered want God besluit of we gered worden of niet. Het belangrijkste is wat wij doen om op het onderricht van Jezus te reageren. De mensen die buiten de deur staan zeggen tegen de heer van dat huis dat zij samen met die heer hebben gegeten en gedronken. Zij kennen die heer als iemand die in straten onderricht heeft gegeven. Maar tocht kent de heer hen niet. Zij kennen de heer eigenlijk ook niet. Er is een wederkerige relatie tussen ons en God. God biedt redding aan mensen en we worden gevraagd om erop te reageren. Mensen die op het onderricht van Jezus reageren kent God goed. Zij zijn als mensen die het huis binnen komen voordat de deur op slot gaat. Daarom is het woord van Jezus dat wij vandaag horen kritiek voor de situatie waar mensen bezig zijn met wereldse zaken. Druk bezig met het zorgen voor wereldse dingen maakt ze zelfgenoegzaam en laat om het huis van God binnen te komen. Het is ook kritiek op toenmalige religieuze leiders. Zij voerden de religieuze rituelen uit, maar zij deden onrecht. Zij luisterden niet naar Jezus, zelfs zochten zij naar manieren waarop zij van Jezus konden afkomen. Ikzelf vraag me af of ik hoor bij de groep die door God wordt gekend.  Is het een garantie om gered te worden omdat ik priester ben? Geloven wij dat wij zullen worden gered omdat wij katholieken zijn? Nee. Vandaag worden wij gevraagd om een diepe en intieme relatie met God op te bouwen. Iedereen is geroepen om naar God te luisteren en om te doen wat Hij wil. Wij zijn ook geroepen om een goede relatie met andere mensen op te bouwen. Jezus vraagt ons om recht te doen. Op deze manier komen wij binnen het koninkrijk Gods door een nauwe deur. Amen.


Simon Taa o.carm.


Zondag 14 augustus, 20ste zondag door het jaar


bij het feest van Maria Ten Hemelopneming


Evangelie: Lucas 1, 39-56


In die dagen reisde Maria met spoed naar het bergland, naar een stad in Juda. Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth. Zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabeth werd vervuld met de heilige Geest en riep met luide stem: 'Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt? Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is.' En Maria sprak: 'Mijn hart prijst hoog de Heer. Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn redder, daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig, omdat Hij die machtig is aan mij zijn wonderwerken deed, en heilig is zijn Naam. Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht voor hen die Hem vrezen. Hij toont de kracht van zijn arm; slaat trotsen van hart uiteen. Heersers ontneemt Hij hun troon, maar Hij verheft de geringen. Die hongeren overlaadt Hij met gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen. Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken, gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig jegens Abraham en zijn geslacht, gelijk Hij had gezegd tot onze Vaderen.' Nadat Maria ongeveer drie maanden bij haar gebleven was keerde zij naar huis terug.


Overweging


Wat is het nou waardoor dit feest van Maria ten Hemelopneming de eeuwen door mensen is blijven aanspreken? Zo sterk zelfs, dat de paus er in 1950 een dogma van heeft gemaakt? Ik denk, dat in dit feest een van de grootste geheimen van ons leven wordt aangeraakt. In dit feest beleven we ons geloof dat onze levensweg een bestemming heeft. Ons leven brengt ons niet zomaar 'ins Blaue hinein'. Het is een weg ergens naar toe: 'naar God', leerde Maria van haar zoon, ‘naar God’, zegt ook onze christelijke traditie. In het leven van Maria is er verschillende keren sprake van een 'op-weg-zijn':  Maria, op weg door de bergen naar Elisabeth, zoals we vandaag hoor­den;  Maria, samen met Jozef op weg naar Bethlehem, omdat daar een volkstelling gehouden werd;  Maria, met Josef en Jezus op weg naar Egypte, op de vlucht voor het geweld van koning Herodes; Maria, diverse keren op weg naar Jerusalem, waar haar zoon haar kanten van zijn leven liet zien die ze nauwelijks kon begrijpen. En dan op het laatst die weg naar Golgotha dat moet wel het vreselijkste stuk van haar levensweg zijn geweest. Alleen al deze kleine opsomming leert ons dat Maria soms voor zware opgaven heeft gestaan. Maar het bijzondere van haar weg is wel geweest, dat ze is blijven vasthouden aan die ervaring die ze heeft gehad toen haar de geboorte van Jezus werd aangekondigd: dat God haar in al haar kwetsbaarheid kracht zou geven, dat Hij haar zou blijven vasthouden. Dat grote vertrouwen van Maria heeft mensen de eeuwen door aangesproken. In Maria's leven voelen wij dat diepe vertrouwen – of  misschien moeten we zeggen: het diepe verlangen – dat ook in het hart van velen van ons leeft: dat we in de bedreigingen en angsten die we tegenkomen op onze levensweg,- dat we daarin overeind kunnen blijven dat er een houvast zal zijn en op het einde een thuis dat we niet ten onder zullen gaan een oud Maria-lied zingt: ‘als de golven dreigen, hoger, hoger stijgen, schijn dan veilig voor ons uit.’ en de eerste lezing zei het met heel eigen woorden: dat de draken langs onze levensweg ons niet de baas zullen worden ook niet als onze levensweg ten einde loopt. Zo is het feest van Maria ten hemel opneming eigenlijk een verrijzenis-feest. En zo is de weg van Maria voor vele mensen de eeuwen door een bron van inspiratie en hoop geweest. Tot slot nog dit. Onze levensweg, onze weg naar onze uiteindelijke bestemming, ligt niet vast, zoals bijvoorbeeld de weg van Boxmeer via Sambeek naar Vortum-Mullem. Je levensweg moet je altijd zelf banen, - iedere dag weer opnieuw. Je moet keuzes maken over de richting, je moet weten wanneer je op moet schieten en wanneer je de tijd moet nemen, je moet soms luisteren naar de adviezen van anderen, en dan weer zelf beslissingen nemen. En ook maak je mee, dat je de weg die je gaat, niet zelf kunt kiezen. Zeker niet als onze weg hier op aarde ten einde loopt. Er is dus een soort evenwicht tussen zelf je weg uitstippelen, zelf je weg banen én je laten leiden op je weg, je durven overgeven, in het vertrouwen dat je leven in Goede Handen is. Precies in dat evenwicht is Maria ons een prachtig voorbeeld. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider 


Zondag 7 augustus 2022, 19e zondag door het jaar


In de eerste lezing hebben wij kunnen horen dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën Abraham als voorbeeld neemt van geloof. Hij schrijft: ‘Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roep van God, en ging hij op weg naar een land […]. Hij vertrok zonder te weten waarheen. Door het geloof heeft hij als vreemdeling gewoond in het land dat hem beloofd was; hij woonde er in tenten’.  Niet voor niets wordt Abraham in jodendom, christendom én islam de ‘vader van het geloof genoemd’. Hij was de eerste die een roepende stem hoorde, en hij ging; die stem dreef hem het onbekende en onvaste in. Toen ik nadacht over dit thema moest ik denken aan een tekst die ik ooit had gelezen van Ives Congar. Hij was een theoloog, docent in Parijs. In de jaren ’50 werd hij in Rome aangeklaagd door mensen die meenden het ware geloof te moeten verdedigen tegen zijn theologische opvattingen, opvattingen over oecumene en over de leek in de kerk. In 1954 werd Ives Congar door prelaten in Rome gehoord. Het was een uiterst negatieve ervaring voor hem. Op 22 november 1954 noteert hij in zijn dagboek dat hij gewond en gekwetst is en zwaar getekend door wat hem is verweten en waarvan hij is beschuldigd. Maar verbitterd was hij niet, Zijn geloofsinspiratie was namelijk een andere dan die van de theologische discussie. Er is ook nog, schrijft hij: ‘het gebed en de psalmen, het geloof dat er in bestaat in God te geloven zonder te weten waarheen hij ons leidt, de dimensie van de onoverwinnelijke hoop.[…en] er is er de mens, die zich niet laat overmeesteren door het kwaad, om zichzelf te blijven doorheen alles, om verder opbouwend te werken aan zichzelf in Christus, om zich te interesseren in de mensen en met hen in contact te treden overal waar hij ze ontmoet, om helemaal waardevol te zijn voor de mensen met zicht op Jezus-Christus. Dat de Heer me ter hulp mag komen, Hij op wie onze vaderen hebben gehoopt en die Israël uit Egypte heeft geleid!’ (Yves Congar, Journal d’un théologien 1946-1956, p. 289). Het geloof waar de theoloog Congar over spreekt is vertrouwen. Het is een vertrouwen dat gegrond is in Christus. Die mens voor mensen, de mens waarin wij nog altijd God herkennen. Die nog altijd hét voorbeeld is van de mens die God bedoelde toen Hij die schiep. Ik hoor nogal eens dat mensen verklaren dat zij niet meer kunnen geloven. Vaak zit daar een groot verdriet onder. U zult het ook wel van mensen horen: ‘Toen ik mijn dochter verloor, ben ik opgehouden met bidden’. ‘Een God die liefde is, die neemt geen kinderen af.’ ‘Ik heb gebeden en gebeden, ze ging gewoon dood. God bestaat niet…’ Mensen zijn dan ook wel boos op die God die niet bestaat. Bij zulk verdriet kun je niet veel zeggen, Toch, tegelijk, u zult dat misschien wel gek vinden, kan dat ongeloof een groot geluk worden. God houdt dan namelijk op precies te passen in onze vooronderstellingen over hoe wij mensen de schepping zouden willen hebben. In dit zgn. ongeloof kunnen wij tot het vertrouwen komen van Ives Congar, een grondvertrouwen dat niet stuk te krijgen is door wat mensen doen, een vertrouwen dat veel verder gaat dan geloof in zichzelf en in wat mensen überhaupt vermogen, een vertrouwen waar de psalmist over spreekt als hij zegt ‘met U spring ik over een muur’; het vertrouwen waar Abraham het grote voorbeeld van is, de man die de stem van God hoorde en op weg ging, niet wetend waarheen. Die, ondanks dat hij kinderloos was, vertrouwde de stamvader te worden van zoveel mensen als er sterren aan de hemel zijn. Hij vertrouwde op een land terwijl hij geen vaste grond onder zijn voeten had. Hij geloofde in de God van uitzicht en toekomst; Die zich toont doorheen een reis van loslaten, niet wanhopen bij tegenslag, volhouden ook als de toekomst onzeker is, verder gaan. Het volgende gedicht kwam mij onder ogen. Het gedicht is getiteld ‘foto aan het strand’: 


We waren toen aan zee


maar ik weet er niets


meer van, wel weet ik


hoe mijn vader me omhoog


gooide en later weer opving.


 


Dat moment dat moeder


in de camera ving:


Vader ik kom, ik kom


ik zweef in de lucht


boven zee als een vliegtuig.


 


Mijn armen gespreid


ik wist zeker: hij vangt me op


de verrukking, de angst ook


mijn voeten gestrekt


juichend maar zonder geluid.


Amen


Zuster Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 31 juli 2022, 18e zondag door het jaar


Overweging Hebben wij ons hart bij de Heer?


Niets is van ons, zo leren Jezus en de kerkleraren ons. Niets. En toch eigenen we ons van alles toe. Ons leven, de aarde, de bezittingen van onze ouders als ze komen te overlijden, de opbrengst van onze arbeid en noem het maar op. We vinden dat heel gewoon. De rijke man waarover Jezus vertelt, staat in hoe hij denkt, dicht bij ons.  Ook ik wil graag mijn bezit veiligstellen en wel zo dat ik er nog jaren van kan genieten. Wat is daar nu dwaas aan? Want dwaas is het, zo zegt God. Laten we eens kijken of we de logica van God een beetje kunnen begrijpen. Gods logica die zo anders is dan die van de wereld waarin wij leven. De gelijkenis die Jezus vertelt, begint met ‘Er was eens een rijke, wiens land veel had opgebracht.’ Het gaat dus om een rijk mens met veel land. De oogst is veel groter dan wat de rijke gewend is, want de schuren die hij heeft, zijn berekend op de gemiddelde oogsten die zijn land oplevert. Maar nu is de oogst zo groot dat zijn schuren te klein zijn. We kunnen ons nu de vraag stellen: Waardoor is de oogst zo groot geworden? Door deze rijke man? Of is het geluk, zoals het ook pech is als de oogst mislukt? Laten we eens aannemen dat deze man de grote oogst ziet als een geluk. Misschien dankt hij de weergoden, misschien dankt hij God voor de opbrengst. Dat alles weten we niet. Wel weten we dat hij bij zichzelf denkt: ‘Je hebt daar nu heel wat liggen, jongen, je kunt jaren vooruit; eet, drink en neem het ervan!’ In deze woorden horen we de voldoening van de man en zien we hem al voor ons, zich verheugend op een leven straks van een welverdiend genieten. En dan komt God die tot hem en tot u en mij spreekt: Dwaas! Deze mens, u en ik die ook zo denken, zijn in Gods ogen dwaas. Dwaas om te menen dat de rijke oogst van jou is. Dwaas om te denken dat de oogst alleen voor jou is. Dwaas om de schatten, de vruchten van de aarde, om alles wat we om niet krijgen je toe te eigenen. Dwazen zijn wij die zo denken en handelen, want niets is van ons, alles is en wordt ons door God gegeven. Ook vandaag. Maar wie van ons durft radicaal op de woorden van Jezus te vertrouwen dat onze Vader weet wat we nodig hebben, dat Hij voor ons zorgt, meer nog dan voor de vogels op het veld? Vertrouwen we niet liever op onszelf, op onze denkbeeldige schuur vol graan? Bezit, hebzucht, de zucht van meer en meer, groter en groter bezit. Het is van alle tijden. Ook Jezus werd beproefd. De duivel liet Jezus in een flits alle koninkrijken van de wereld zien en zei: ‘Heel die macht en al hun pracht zal ik U geven, want zij zijn mij in handen gegeven en ik geef ze aan wie ik wil. Als U mij aanbidt zal het allemaal van U zijn.’ De reclames die wij overal tegenkomen, vertellen ons hetzelfde als de duivel destijds Jezus. Als wij Mammon dienen, dan kunnen wij alles kopen, kunnen wij alles ons eigendom noemen, hebben we ons leven in eigen hand… Jezus wist de duivel te weerstaan. Jezus antwoordde de duivel: ‘Er staat geschreven: De heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.’ Later zegt Jezus tegen zijn leerlingen dat het onmogelijk is om twee heren te dienen. Je dient of God en God alleen, of je dient Mammon. Het gaat niet om een beetje God en een beetje Mammon te dienen. Het is denk ik daarom dat Paulus ons aanspoort om onze zinnen op het hemelse te richten, of te wel op God en niet op het aardse. Op de rijkdommen van God en niet op de wereldse rijkdommen. Paulus stelt ons de vraag of we werkelijk met ons hart bij de Heer zijn, of we werkelijk God aanbidden en Hem alleen dienen. Of wij onze oude mens, de hebzuchtige nooit genoeg hebbende mens, of we die mens en zijn gedragingen hebben afgelegd. Is deze mens werkelijk gestorven? Leven we werkelijk verborgen met Christus in God? We hoeven niet te antwoorden. Paulus kent ons antwoord al. Daarom roept hij ons op om radicaal een einde te maken aan onze hebzucht die gelijk staat aan afgoderij. Gods Woord roept ons op radicaal te breken met onze hebzucht, radicaal onze oude mens met zijn gedragingen af te leggen en ons radicaal op God te richten, op het hemelse, op Gods rijk. Pas dan kunnen we ons bekleden met de nieuwe mens die Christus is. Pas dan zijn we op weg naar het ware inzicht, pas dan worden wij vernieuwt naar het beeld van onze Schepper. Dan leven we daar waar alleen Christus is, verborgen in God. Daar, verborgen in God, is alles in allen. We hebben een weg te gaan. Maar we gaan niet alleen. Als we beseffen dat niets van ons is, dat we alles uit Gods hand ontvangen, dan verbinden we ons hart met God en is ons hart bij de Heer, dan roepen we onze dank uit, schreeuwen we onze nood uit in het vertrouwen dat God ons hoort, ons kent en weet wat wij nodig hebben, nog eerder dan wij hebben kunnen vragen. Bidden wij dat God ons blijft aansporen dwaas te worden voor de wereld en te worden rijke kinderen van God, in liefde met elkaar delend de gaven die wij uit Zijn hand ontvangen. 


Greetje Feenstra


Zondag 24 juli 2022, 17e zondag door het jaar


Lucas 11,1-13


Uit het heilig evangelie van onze heer Jezus Christus volgens Lucas


Op een keer was Jezus ergens aan het bidden. Toen Hij ophield, zei een van zijn leerlingen tot Hem: `Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft.’ Hij sprak tot hen: `Wanneer je bidt, zeg dan: Vader, uw naam worde geheiligd, uw Rijk kome; geef ons iedere dag ons dagelijks brood en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan ieder die ons iets schuldig is, en leid ons niet in bekoring.’ Hij vervolgde: `Stel, iemand van u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt: `Vriend, leen me drie broden, want een vriend van me is na een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.’ Zou die ander dan van binnenuit antwoorden: `Val me niet lastig. De deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed. Ik kan niet opstaan om ze je te geven’? Ik zeg u: als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, - zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden aandringen. Tot u zeg ik hetzelfde: vraag en u zal gegeven worden, zoek en u zult vinden, klop en er zal worden opengedaan. Want al wie waagt, verkrijgt, wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, doet men open. Is er onder u soms een vader die aan zijn zoon een steen zal geven als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt, zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven? Of als hij een ei vraagt, zal hij hem toch geen schorpioen geven? Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer dan zal uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.’


Overweging


Een van de leerlingen van Jezus vraagt hem of Jezus hem wil leren bidden. Volgens mij is dit een vraag van alle tijden. Toen ik nog als pastor in het ziekenhuis werkte, werd me die vraag dikwijls gesteld. “Kunt u mij vertellen hoe ik moet bidden? Ik probeer het wel, maar het duurt dan maar even of ik zit weer ergens anders met mijn gedachten”. In een gespreksgroep van jonge mensen vroeg ik ooit eens: “Hebben jullie het wel eens over bidden?” “Nee”, was het antwoord. “En áls we het er al over hebben, dan vinden we vaak dat het achterhaald is. Zegt u nu zelf: wat haalt het uit? Het heeft toch geen nut? Als ik bid voor een zieke of voor iemand die honger heeft, wat helpt dat dan?” Tja, wat levert bidden op? Wat koop je ervoor? Die jongeren hadden misschien in een zeker opzicht gelijk: bidden heeft geen nut. Maar dan zeg ik er wel gelijk bij: zoals het ook geen nut heeft om bij voorbeeld steeds maar te blijven zeggen ‘ik houd van je’. Dat heeft ook geen echt nút. Maar het heeft wel degelijk zin. Liefde heeft het nodig, en geloven ook dat je kunt uitzeggen wat er in je omgaat, dat je onder woorden kunt brengen wat je bezighoudt, en – als het over geloven gaat – dat je jouw blijheid, je verdriet, je zorgen aan God kunt laten weten… Voor Jezus had bidden echt zin. Dat hoorden we vandaag en we hoorden ook hoe hij bad. Zijn gebed was niet lang. Hij zei eenvoudig: “Vader.” God was voor hem niet ‘een Iets-dat-er-ergens-wel-moet-zijn’, ook niet zoiets als de oerknal, of wat mensen ook menen te kunnen zeggen over God.  Misschien is Hij dat allemaal óók wel, dat weten wij niet… Maar Jezus noemt Hem gewoon: “Vader”, hij spreekt God aan zoals je een medemens aanspreekt. En vervolgens vraagt hij niet iets voor zichzelf, om een lang leven of om aanzien. Hij bidt in het gebed dat hij zijn leerlingen leert, ook niet voor de zieken of voor de mensen die in de maatschappij niet meetellen … terwijl Jezus toch voortdurend zorg en aandacht vroeg voor hen. Hij bidt ook niet dat de Romeinse bezetter verdreven mag worden uit zijn land… Nee, hij bidt dat de wereld en wij zullen worden zoals God ons bedoeld heeft. Het gaat hem om Gods wil… U moet mij goed verstaan. Jezus zegt niet dat we niet met onze alledaagse zorgen en dankbaarheid aan mogen komen bij God. Natuurlijk mogen we dat. Maar wat in dit Onze Vader van Jezus duidelijk wordt, dat is dat God voor hem voorop staat. Jezus brengt onder woorden dat de dingen waar hij naar verlangt allereerst alles met zijn Vader in de hemel te maken. Dat wordt duidelijk in de eerste drie beden van het Onze Vader: “Vader in de hemel, dat Uw Rijk toch mag komen, dat Uw Naam toch geheiligd mag worden, dat wat U wilt toch werkelijkheid mag worden.”  Het gaat Jezus dus niet om wat hij zelf wil, niet om wat hij zelf verlangt, maar om wat de Vader in hemel wil. En daar geeft hij dan drie voorbeelden van, - van wat Gods wil is: het nodige brood voor iedereen, vergeving en barmhartigheid en verlost worden van het kwade. Zo bidt Jezus. En hij voegt er nog iets aan toe, iets wat we ook in de eerste lezing hoorden. Als we bidden, moeten we het niet te gauw opgeven. Soms lijkt het dat er ondanks ons bidden maar weinig verandert aan de situatie waarin we verkeren. Ook hier kunnen we bij Jezus in de leer. Want zelfs toen het op het eind van zijn leven leek dat heel zijn vertrouwen op God ijdel was geweest… 'God mijn God waarom hebt u mij verlaten?'. Zelfs toen bleef hij bidden: 'niet mijn wil geschiede, maar de Uwe… Steeds weer, tot het einde van zijn leven op deze aarde, probeerde Jezus zich te vinden in Gods wereldplan. En hij deed dat, met aandrang kloppend op de deur… En uiteindelijk vond hij zijn vertrouwen terug: 'in uw handen beveel ik mijn geest'. En daarom herhaal ik het: bidden geeft zin aan je leven; het helpt je om je te oriënteren op wat Gods bedoeling kan zijn met jou en met de wereld; en soms kun je de dingen en gebeurtenissen waarvan je eerst dacht dat het niet te doen was, beter aan… Augustinus zei ooit: "het verlangen bidt altijd". Amen 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider



Zondag 17 juli 2022, Feest van O.L.V. van de berg Karmel, 1 Koningen 18,42-45


Welkomstwoord


Gisteren is wereldwijd het feest gevierd van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel. In sommige landen wordt het zeer uitbundig gevierd met grote processies en feestelijke bijeenkomsten. In andere landen gebeurt het meer ingetogen. Sinds de fusie van de parochies van Vortum-Mullen, Sambeek en Boxmeer is Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel de patrones van onze parochie. Daarom is het goed om in de zondagse eucharistieviering aandacht te geven aan dit feest. De lezingen van vandaag zijn de klassieke teksten die horen bij het feest. De eerste lezing gaat over de profeet Elia. In de evangelie lezing prijst een vrouw uit het volk Maria gelukkig. Ik hoop dat Maria het me niet kwalijk neemt dat ik in de overweging ook aandacht geef aan Elia. Ik wens u een goede viering.


Lucas 11, 27-28


Overweging


De Karmelorde kent twee grote voorbeeldfiguren. De eerste is de profeet Elia. De andere is Maria van Nazareth. Beide personen laten op een geheel eigen wijze zien hoe vanuit hun intieme verhouding met God de aandacht en de verantwoordelijkheid voor de medemens vorm krijgt. Beide personen verenigen in zichzelf het dubbelgebod van de liefde: de liefde tot God en de liefde voor de andere mens die is als jezelf. Elia leefde in de negende eeuw voor Christus. Het is een ruige figuur die niet behoorde tot enig profetengilde. Hij leefde in het noord rijk Israël, op de berg Karmel. Zijn naam betekent ‘Mijn God is Jahweh’. Het staat op het schild bij de ingang van de kerk. Die naam is polemisch bedoeld. Het is gericht tegen het koningshuis van Omri. Omri heeft een veelgodendom ingevoerd. Zijn zoon Achab bouwt in Samaria een tempel voor de god van de vruchtbaarheid, Baal. In de cultus van Baal zijn de goden nauwelijks betrokken op mensen. Hun onderlinge strijd is bepalend voor het lot van de mensen op aarde. Is Mot aan de macht dan is er hongersnood en dood. Iam is de oorzaak van de verwoestende kracht van het water. Als Baal de overhand heeft, is er regen en vruchtbaarheid. Een godsdienst waarin de willekeur van de goden het lot van de mensen bepaalt, is een uitstekend legitimering voor het politieke beleid van Achab dat eveneens op willekeur, corruptie en zelfverrijking is gebaseerd. Een conflict tussen Elia en Achab kan niet uitblijven. Elia kondigt een grote droogte aan. Er zal geen regen of dauw meer zijn. De macht van Baal en daarmee ook de macht van Achab wordt aangetast vanuit de verbondenheid van Elia met Jahweh. Jahweh is een totaal andere god dan Baal. Hij heeft zijn naam geopenbaard als ‘Ik zal er zijn voor jullie’.  Anders dan Baal heeft Jahweh zich verbonden met zijn volk. Hij heeft zijn trouw en zijn solidariteit toegezegd aan zijn mensen. Hij heeft zich verplicht aan Israël. ‘Ik zal jullie God en jullie zullen mijn volk zijn.’Na drie jaar droogte komt het conflict tot een hoogtepunt. Op de berg Karmel zijn de priesters van Baal verzameld samen met Elia. De afspraak is dat zowel de priesters van Baal als Elia een offer zullen brengen, elk tot hun eigen god. De god die vuur uit de hemel stuurt om het offer te verteren is de ware god.  De priesters van Baal bidden, roepen en schreeuwen de hele dag. Ze kerven zichzelf tot bloedens toe. Elia kan het niet laten om hen flink te sarren. Jullie moeten harder schreeuwen, want Baal hoort jullie niet. Misschien slaapt hij of misschien is hij op reis. Misschien heeft hij zich even teruggetrokken. Dat betekent dat hij misschien even is gaan poepen. Jahweh stuurt wel vuur uit de hemel om het offer te verteren. Daarna volgt een groot bloedbad. Alle priesters van Baal worden vermoord. De nederlaag van Baal maakt duidelijk wie de ware god is. Het is Jahweh die met zijn volk is begaan. Uit de zee stijgt een wolk op. Er valt een stromende regen. Het is Jahweh die het land vruchtbaar maakt en het volk zijn voedsel schenkt, niet Baal Het verhaal van Maria is geschreven in een geheel andere toonaard. Er is veel minder geweld, minder bloedvergieten, minder moord en doodslag. Maar de grondbeweging is dezelfde. De verbondenheid met God leidt tot een profetische kijk op onze werkelijkheid. God heeft aan Maria zijn liefde aangeboden. Hij heeft dat gedaan bij monde van de engel Gabriel: ‘Verheug u, begenadigde, de Heer is met u.’ Maria heeft die liefde beantwoord met wederliefde.  ‘Zie de dienares van de Heer. Mij geschiede naar uw woord.’ De innige verbondenheid met God maakt dat ze behoort tot de familie van God. Ze is vanzelfsprekend bij Hem thuis. In de lofzang van Maria wordt duidelijk dat zij zich, net zoals God zelf, verplicht aan de armen en misdeelden. De machtigen, de patsers die hun macht misbruiken voor corruptie en zelfverrijking, de mensen die zichzelf onaantastbaar wanen als waren ze goden, zullen door de arm van God worden gebroken. Maar de slachtoffers, de mensen in de marge mogen rekenen op een God die zich met hen verbonden weet. Ze mogen rekenen op de solidariteit van hen die zich, net zoals Maria, met God verbonden weten. In de evangelietekst van vandaag prijst een vrouw uit het volk Maria. “Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten die U gezoogd hebben.’ Jezus breidt deze lofprijzing uit tot alle mensen die het woord van God horen en bewaren. Daarmee wordt ook van ons gevraagd om dezelfde bewegingen te maken als Elia en Maria deden. Ook wij kunnen onze verbondenheid met God omzetten tot een engagement met de mensen met wie God zich solidair heeft verklaard. We worden opgeroepen om een nieuwe gemeenschap te vormen. De muren die zijn opgetrokken door eigenbelang, zelfverrijking, xenofobie en homofobie worden neergehaald. De populistische afgoden van onze tijd zoals economie, winst, vooruitgang, consumisme, nut en eigen volk eerst zijn niet bekommerd om het lot en het welzijn van de gewone mensen. Maar het woord van God is: ‘Ik ben er voor jullie.’ De voorbeelden van Elia en Maria laten zien hoe wij kunnen leven naar dat woord. Ze laten zien dat God niet overwonnen kan worden, dat goedheid, liefde voor elkaar, solidariteit en betrokkenheid de grondslagen zijn waardoor alle mensen familie van God zijn en broers en zussen van elkaar.


Huub Welzen o.carm.


 


Overweging 15e zondag door het jaar (slotviering) op 10 juli 2022


Evangelielezing: Lucas 10, 25-28


Een wetsleraar stelt Jezus een vraag


Er kwam een wetsleraar naar Jezus toe. Hij wilde Jezus iets verkeerds laten zeggen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet? Wat lees je daar?’ De man antwoordde: ‘Houd van de Heer, je God, met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht. En houd evenveel van je medemensen als van jezelf.’ Toen zei Jezus: ‘Dat is het goede antwoord. Als je dat doet, zul je eeuwig leven.’


Overweging


Een oude man zat bij de toegangspoort van een stad in het Midden-Oosten. Een jonge man kwam naar hem toe en zei: “Ik ben hier nooit geweest. Hoe zijn de mensen die hier in deze stad leven?” De oude man antwoordde met een vraag. “Hoe waren de mensen in de stad waar je vandaan komt?” De jonge man zei: “Egoïsten en slechteriken. Het is trouwens om die reden dat ik blij was dat ik vandaar kon weggaan.” De oude man zei: “Je zal soortgelijke mensen hier vinden.” Iets later kwam een andere jongeman in de stad en hij stelde aan de oude man diezelfde vraag: “Ik ben hier net aangekomen. Hoe is het volk hier in deze stad?” Ook aan hem antwoordde de oude man met de vraag. “Zeg me eens jonge man hoe waren de mensen in de stad van waar je komt?” De jongen antwoordde: “Het waren goede mensen. Gastvrij en eerlijk. Het kostte me moeite hen te moeten verlaten.” Daarop zei de oude man: “Je zal dergelijke mensen hier eveneens vinden.” Een handelaar, die zijn kamelen liet drinken bij de bron, had de gesprekjes tussen de oude man en die twee jonge mannen gehoord.  Toen ook de tweede jongen weg was, zei de koopman tot de oude man bij de poort: “Hoe kun je twee totaal verschillende antwoorden geven op eenzelfde vraag, gesteld door twee verschillende personen?” De oude man zei: “Ik heb aan ieder van hen het antwoord gegeven dat hij reeds in zijn hart meedroeg.” Wat wij meedragen in ons hart bepaalt hoe wij kijken en wat wij zien. Overal om ons heen is er goed en kwaad; ook in onszelf is er goed en kwaad. Iedereen die een beetje in zichzelf wil kijken, zal dat erkennen. Hier ligt een belangrijk punt: als we bereid zijn echt in onszelf te kijken, werkelijk stil willen staan bij onszelf, dan moeten we zeggen dat we vaak niet hebben geleerd om op een welwillende manier naar onszelf te kijken. Ga maar na. Hoe vaak vinden we het niet lastig om van onszelf te zeggen dat we iets goed hebben gedaan? Wij hebben vaak niet geleerd om tevreden te zijn met onszelf. En dat komt misschien wel omdat wij elkaar te vaak beoordelen op wat we doen en presteren. Dat begint al vroeg, zeker tegenwoordig, nu kinderen vaak al een (te) volle agenda hebben en al op jonge leeftijd op allerlei gebied flinke prestaties moeten leveren. En als we niet oppassen houden sommigen daar het gevoel aan over dat ze niet goed genoeg zijn. Maar…je kunt pas echt het goede in een ander zien en genieten van het goede om je heen als je de mens die je zélf bent werkelijk kunt accepteren, met alles erop en eraan. Jezus had dat al goed begrepen. En daarom dat het stukje evangelie dat we voor vandaag gekozen, zo belangrijk is. Het belangrijkste gebod is: houd van God; en houd evenveel van je medemensen als van jezelf.  Als je jezelf een beetje kent en jezelf kunt liefhebben, d.w.z. als je er van jezelf mag zijn zoals je bent, pas dan kun je ook echt begrip hebben voor een ander en welwillend kijken naar al het goede dat er in die ander is. Dan kun je ook accepteren dat die ander negatieve kanten heeft en dan kun je verdragen dat niet alles altijd gaat zoals jij zou willen. Ook hier in onze parochie, is er heel veel om dankbaar voor te zijn. Ja, inderdaad ook hier is er ontkerkelijking, wordt het aantal eerstecommunicanten en vormelingen kleiner, zijn er minder huwelijken die kerkelijk bevestigd worden en ja, ook het aantal kerkelijke uitvaarten loopt terug. Maar met die oude man onder de stadspoort zou ik willen zeggen: de manier waarop je hiernaar kijkt, hangt ook af van wat je meedraagt in je hart. Want ondertussen is er wel heel veel onderlinge zorg en dienstbaarheid, hebben we vieringen die ook mensen van buiten aantrekkelijk vinden en is er in het dagelijks leven van onze parochie een sfeer van omzien naar elkaar… dingen om mee te dragen in je hart...  dingen waardoor onze parochie ondanks die terugloop een fijne gemeenschap blijft waar menigeen zich thuis voelt. Laten we bidden dat we dit soort goede ervaringen kunnen blijven zien en vandaaruit geloof, hoop en optimisme zullen blijven uitstralen.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Overweging  14e zondag door het jaar 2 en 3 juli 2022


We zie aan Oekraïne heel nadrukkelijk wat er gebeurt als je zwak bent. Het is heel begrijpelijk dat president Zelensky vraagt om wapens. Hij wil graag straaljagers, tanks en raketten om die grote agressor te kunnen bestrijden. “Geloof Poetin niet”, zegt hij tegen de westerse landen waar hij hulp aan vraagt. “Het is een wolf”. Heel begrijpelijk, we sympathiseren bijna allemaal met Oekraïne. We hebben zelf in onze recente geschiedenis te maken gehad met een nietsontziende agressor. De meeste mensen die tegenwoordig leven hebben WO II niet meer meegemaakt, maar we weten van de verhalen en de filmbeelden uit de concentratiekampen zitten in ons. Wij begrijpen die vraag om tanks en raketten. Daarom is het misschien goed om tot ons door te laten dringen hoe radicaal de boodschap van Jezus is die wij zojuist hebben gehoord. Als Hij zijn leerlingen uitzendt zegt Hij: “Neem helemaal niets mee, behalve míjn vrede die je brengt aan ieder huis waar je komt”. Hij beseft hoe radicaal dat is, want Hij zegt ook: “Ik zend jullie als schapen onder de wolven”. Toen ik hierover nadacht, kwam een gesprek met ouders van dopelingen bij mij op. Het was een gesprek met ouders over hun motivatie om hun kind te laten dopen. Het ging er veel ouders om dat zij Jezus een inspirerende figuur vonden en dat zij wilden dat hun kind ook door Jezus geïnspireerd zou worden. De oude pastoor uit Utrecht die het gesprek leidde, hoorde dat zo een poosje aan en zei toen: “Jullie hebben het er nou wel over dat jullie willen dat je kind in het voetspoor van Jezus zal gaan, dat het zijn weg zal gaan, maar houden jullie er wel rekening mee dat die weg eindigde op het kruis? Willen jullie ook díe consequentie voor lief nemen?” Zélf een mens van vrede willen zijn, heeft tot gevolg dat je heel kwetsbaar bent tegenover mensen die macht over je hebben. Dat is niet alleen in Oekraïne het geval. Wij mensen kunnen helaas niet zo heel goed met macht omgaan. Ik zeg nadrukkelijk ‘wij’, want het is overal. Er is machtsmisbruik op het werk, in gezinnen en relaties. Soms is het niet eens zo heel duidelijk, we misbruiken soms ook macht zonder dat we het zelf direct in de gaten hebben. We hebben er allemaal ooit mee te maken gehad, dat gevoel totaal onmachtig te zijn. In de moderne psychologie wordt het zelfs onderkend als een van de belangrijkste factoren bij depressiviteit. Wij hebben het psychisch nodig om verweer te hebben. Toch, tegelijk, hebben we ook grote bewondering voor mensen die echt tot het einde toe de weg van de geweldloze vrede gaan. Jezus die ook die weg ging, stond aan het begin van een hele wereldgodsdienst. In de vrede die Hij bracht herkenden mensen God zelf. Mahatma Ghandi, Ds. Martin Luther King. Hun verweer was géén verweer. En dat sloeg ook de wapens uit de handen van de onderdrukkers. Daarom ook waren er zoveel mensen die er werkelijk blij om waren dat Titus Brandsma heilig werd verklaard. Een mens die tot het einde toe de weg ging, die ging voor dat waarin hij geloofde: barmhartigheid, vergeving, liefde voor elke mens. Hij nam de uiterste consequentie en, heel belangrijk, vond daar zélf zijn vrede. Ergens voelen we wel aan dat die uiterste consequentie nemen van ons geloof, wérkelijk een weg van vrede gaan, ook onszelf vrede zal schenken. Dat we niet meer verscheurd zullen worden tussen onze angst voor onder te gaan en ons geloof dat ons vertelt dat we in Gods hand zijn en dat er niets is dat ons kan losmaken van onze Schepper. Want, dat is toch waar Jezus in geloofde, en Titus en al die mensen die werkelijk probeerden de weg van Jezus te gaan? Die mensen worden soms heiligverklaard. Maar er zijn zoveel mensen die helemaal niet als heilig bekend staan en die in hun leven vredebrengers zijn. Mensen die verzoening zoeken waar oorlog of ruzie is, die strijden voor gerechtigheid, waar onrecht heerst. Die de boodschap van vrede brengen, ongeacht wat dan ook. Bidden wij, dat ook wij die weg durven te gaan.



Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Boxmeerse Vaart 19 juni 2022 – Sint Petrus basiliek – Boxmeer


Evangelie en overweging


Lukas 9,11b-17


In die tijd sprak Jezus tot de menigte over het Rijk Gods; en wie genezing nodig hadden genas Hij. Toen de dag ten einde begon te lopen kwamen de twaalf naar Hem toe en zeiden: “Stuur de mensen weg; dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om daar onderdak te vinden, want hier zijn we op een eenzame plek.” Maar Hij antwoordde: “Geeft gij hun maar te eten”. “Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen”, zeiden ze, “of we zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen.” Er waren naar schatting wel vijfduizend mannen. Hij gelastte nu zijn leerlingen: “Laat hen gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig.” Dat deden ze en ze lieten allen plaats nemen. Daarop nam Hij de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, sprak er de zegen over uit, brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte voor te zetten. Allen aten tot ze verzadigd waren en wat zij overhielden haalde men op, twaalf korven met brokken. 


Overweging


Het leek een onmogelijke opgave: zoveel mensen te eten geven en die moesten daarna ook nog ergens onderdak zien te vinden. Dat vonden de leerlingen van Jezus ook: het was een onmogelijke opgave. Daarom zeiden ze tegen hem dat hij ze maar naar de dorpen in de buurt moest sturen. ‘Laat ze daar om eten en om hulp vragen’. Met andere woorden: laat ze het zelf maar uitzoeken. Maar Jezus ging daarin niet mee. ‘Zorgen júllie maar dat ze te eten krijgen’. We kennen de afloop. Na wat tegensputteren gingen zijn leerlingen toch aan de slag. Ze kregen de mensen zo ver dat ze met het weinige dat er was, gingen delen met elkaar. Wat eerst een onmogelijke opgave leek, werd toen toch werkelijkheid. Door het geloof en het vertrouwen en het aandringen van Jezus. In de weken na dit wonderlijke gebeuren had Jezus een paar heel indringende gesprekken met zijn leerlingen. Wat toen de meeste indruk op hen maakte was dat hij bij herhaling zei dat hij er alles voor over had als er maar een wereld zou worden waarin de liefde en de goedheid van zijn Vader in de hemel zichtbaar en richtinggevend zouden zijn voor alle mensen… Hij had er álles, zelfs zijn leven voor over. ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden en ter dood worden gebracht…’, zei hij. De leerlingen konden dat niet geloven… ‘Dat nooit, Heer…’, maar toch… dat hij er wel degelijk rekening mee hield dat zijn geloof hem zijn leven zou kosten, liet hij later zien, tijdens zijn laatste maaltijd met zijn vrienden. Toen nam hij namelijk het brood dat op tafel stond, hij brak het en gaf hun allemaal een stuk. Hij nam toen ook de beker met wijn en gaf hun díe te drinken. En toen zei hij: ‘Zo wil ik herinnerd worden… doe dit tot mijn gedachtenis… dit ben ik zelf… zo zal ik blijvend onder jullie aanwezig zijn… ik ben als dit brood dat nu gebroken wordt voor jullie en als deze wijn die jullie nu te drinken krijgen’... Wij weten nu dat hij daarmee al verwees naar zijn kruisdood op de volgende dag. Hij wist dat hij zou moeten sterven. Hij moest gebroken worden omdat de godsdienstige leiders het niet konden hebben dat hij, tegen alles en iedereen in, prioriteit gaf aan liefde, vrede, recht en gerechtigheid… én omdat hij erop vertrouwde dat dit ook het diepste verlangen is van de Vader in de hemel… Zo werd het brood dat hier en overal in onze wereld elke dag in Jezus’ naam gebroken en gedeeld wordt in de eucharistie, hét teken bij uitstek van zijn manier van zijn leven en sterven. En daarom is dit brood heilig brood. Brood op zich is niet heilig. Maar dit brood wel.  Het brengt ons in herinnering dat Jezus zijn leven gegeven heeft omdat hij intens geloofde in een wereld zoals God die bedoeld heeft. Dit brood is ook heilig omdat het ons oproept om net als Jezus veel, zo niet alles over te hebben voor de komst van die wereld. En de beker met wijn die bij iedere eucharistie op het altaar staat is heilig omdat je vanuit de traditie van de Boxmeerse Vaart kunt zeggen: ‘het is een beker die overstroomt van liefde’. Straks dragen wij dit heilig brood van Jezus in de processie plechtig rond door de straten van Boxmeer. Ik hoop dat dit ons én de mensen langs de kant te denken geeft en dat we, al is het maar in een flits, even beseffen wat Jezus ons heeft voorgedaan…


Ben Wolbers, pastor-teamleider o.carm.


Feest van de Heilige Drie-Eenheid 12 juni 2022


Als misdienaar heb ik vaak de tekst gelezen die rondom de apsis in de kerk van mijn geboortedorp geschreven staat: ‘Ere zij God de Vader die mij geschapen heeft. Ere zij God de zoon die mij verlost heeft. Ere zij God de heilige Geest die mij geheiligd heeft.´ Pas veel later heb ik beseft dat deze tekst op een specifieke manier gelezen wil worden. Het is geen beschrijving van God, maar een lofzang aan God. Het is de uitdrukking van mensen die God eer brengen vanwege de manier waarop zij God ervaren hebben. Het is de lof van mensen aan God die hebben ervaren dat hun bestaan een geschenk is, dat er ooit ruimte is gekomen in hun benauwenissen en dat ze deelgenoot mogen zijn van een werkelijkheid die groter is dan zij zelf. Het is van enorm belang te beseffen dat ons spreken over God zelden uitspraken zijn over hoe het is met God, hoe Hij in elkaar zit. Al ons spreken over God zijn uitdrukkingen van onze ervaringen met God. De geloofsformuleringen dat God één natuur is in drie personen is geen anatomie van de christelijke godheid. Het is een poging van mensen in de eerste eeuwen van het christendom om uit te drukken hoe ze God ervaren hebben. Het is ongelooflijk belangrijk om te beseffen dat al onze woorden over God niets anders zijn menselijke pogingen om tastenderwijze te reiken naar het geheim dat God is. Dat geheim gaat ons fundamenteel te boven. Ons spreken over God kan Hem nooit geheel omvatten. Dat besef maakt ons bescheiden als we spreken met mensen die geloven op een andere manier. In het verleden is in christelijke regionen vaak gesproken over ketters en afvalligen. Andersgelovigen zijn vaak met geweld gedwongen om zich te bekeren tot het ware geloof. We moeten ook niet vergeten dat de godsdienstoorlogen zelden met het geloof alleen van doen hadden. Meestal was het ook een strijd om de macht en om geldelijk gewin. Veel bloedvergieten is er het gevolg van geweest. Ook nu nog zien we dat de overtuiging van het eigen fundamentalistisch gelijk een nietsontziende agressiviteit met zich mee brengt. Bekeringsdrift en agressiviteit is een gevaarlijke combinatie. Niet alleen in christelijke kringen, maar ook in andere godsdiensten. We weten niet welke wegen God met mensen gaat. Wel kunnen we zien hoe mensen proberen uit te drukken wat God met hen gedaan heeft, hoe Hij hun leven veranderd heeft. Het besef dat de beelden en de woorden die we daarvoor we gebruiken, uitdrukkingen zijn van menselijke ervaringen met God, van ons verlangen naar God en soms ook van ons gemis aan God, maakt een dialogische omgang met elkaar mogelijk. We zouden ervan doordrongen kunnen zijn dat onze vragen naar God niet dezelfde hoeven te zijn als de vragen van andere mensen. Onze eigen weg hoeft niet per se dezelfde weg te zijn als de weg die God met anderen gaat. Religieuze taal is ervaringstaal. Het is de nooit gelukte poging om het onzegbare te zeggen. Dat betekent ook dat we op een bepaalde manier naar elkaar moeten luisteren. Als we willen verstaan wat werkelijk in onze woorden klinkt, zullen we in en achter de woorden moeten luisteren naar wat er werkelijk gezegd wil zijn, maar onzegbaar is. We zullen moeten luisteren met de oren van een gelovig hart en van een gelovige ziel. Het is als met de beroemde versregel uit het gedicht Awater van Martinus Nijhoff: ‘Lees maar er staat niet wat er staat.’ Awater werkt op een kantoor. Hij is accountant of zoiets, wordt in het gedicht opgemerkt. Met schrijft er Arabisch schrift met Italiaans. Dat wil zeggen dat men cijfers en letters gebruikt. Men is er aan het werk met rekenmachines en typemachines. 


… De schrijfmachine mijmert gekkenpraat.


Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:


‘O moeder, nooit zult gij de bontjas dragen


waarvoor elk dubbeltje werd omgedraaid,


en niet meer ga ik op vrije dagen


met een paar bloemen naar het hospitaal,


maar breng de rozen naar de Kerkhoflaan …’


Dit staat er…


In de cijfers en de letters die het kantoor produceert is verdriet, verlangen, teleurstelling, gemis en hunkering uitgedrukt. ‘De schrijfmachine mijmert gekkenpraat.’ Cijfers en letters staan er niet. ‘Er staat: ‘O moeder …’’ De zakelijkheid van de kantoorproducten communiceert de diepmenselijke emoties, die we allemaal kennen. Willen we het verstaan dan is het nodig te weten dat er niet staat wat er staat. Luisteren naar religieuze taal, luisteren naar de religieuze ervaringen van de ander, gebeurt op een soortgelijke manier. Het is horen wat niet wordt gezegd, en verstaan wat onzegbaar is. Kenmerk van de religieuze dialoog is terughoudendheid in het oordeel over wat de ander beweegt. Nodig is wederzijdse empathie, eerbied en respect, omdat we in de ander God werkzaam weten. In een dergelijke dialoog kunnen we wat de ander ter sprake brengt ervaren als een geschenk. We kunnen de werkzaamheid van God in de ander ervaren als we ons ontdoen van alles wat ons hindert tot God te naderen. Interreligieuze dialoog is daarom ook een ascese. Het is het opschorten van het eigen gelijk en erkennen dat God groter is dan we zelf kunnen denken. Het is erkennen dat God met ons soms onvermoede wegen gaat. Op Drievuldigheidszondag spreken we over God als Vader, Zoon en Geest. Misschien moeten we spreken over een meervuldigheidszondag. De erkenning dat God zich op velerlei wijzen aan mensen manifesteert en openbaart, kan een einde maken aan het religieuze geweld.


Prior Provinciaal Huub Welzen o.carm.


Tweede Pinksterdag maandag 6 juni


Eerste lezing: Handelingen 1,12-14, Evangelie: Johannes 19, 25-34


Wij willen altijd het beste voor hen van wie wij houden. Wij willen niet dat er iets ergs gebeurt met hen. Wij zouden verdrietig zijn als iemand die wij goed kennen pech heeft. De ouders willen zeker niet dat hun kinderen lijden. Het belangrijkste voor de ouders is het geluk van hun kinderen. Het evangelie dat wij vandaag horen vertelt dat Maria bij het kruis van haar Zoon stond. Dat was echt een aandoenlijk moment. Maria was beslist echt verdrietig. Voor de laatste keer was Maria naar haar Zoon aan het kijken. Ik vraag me af hoe ik me zou voelen als zoiets in mijn leven zou gebeuren. Wij kunnen ons voorstellen dat wij in positie van Maria waren. Menselijk, was dat echt een onaanvaardbaar incident. Wij zouden misschien erg boos kunnen zijn als er zoiets met ons zou gebeuren. Wij zouden eraan denken om wraak te nemen op mensen die ons hart en gevoel hebben gekwetst. Maar wat is er gebeurd met Maria? Zij was toen echt verdrietig. Welke moeder zou toestaan dat haar kind gemarteld wordt? Maria is echt een sterke moeder. Zij liep niet weg van die bittere werkelijkheid. Maria keek naar haar Zoon met de ogen van het geloof. Dat was een genadig moment. Op dat moment nam zij afscheid van haar Zoon, maar tegelijkertijd kreeg zij een opdracht. Jezus keek naar Zijn moeder en zei: “vrouw, daar is nu je zoon”. Een tegen de leerlingen van wie Hij hield zei Hij: “daar is je moeder”. Sinds dat moment kreeg Maria een opdracht als “de moeder van de kerk”, de moeder voor iedereen die in Jezus gelooft. Van Maria kunnen wij heel veel leren. Op het moment dat Maria bij het kruis van haar Zoon was, realiseerde Maria zich dat Jezus niet van haar was, maar van God en de mensheid. Maria leert ons hoe wij ons bezit los moeten laten. Alles wat wij hebben is van God. Wij moeten wat wij hebben terug aan God geven, als God dat wil. Van Maria leren wij ook om ons leven aan God te geven. Wij vertrouwen dat Gods wil het beste is voor ons. Wij zijn gevraagd om Zijn wil in ons leven te laten gebeuren. Maria realiseerde zich dat het de consequentie van haar antwoord was toen zij was gevraagd om de moeder van Jezus te worden. Maria heeft geantwoord: “ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt”. Misschien herinnerde Maria zich wat Simeon had gezegd: “ook door uw ziel zal een zwaard gaan”. Van Maria leren wij ook hoe wij nederig moeten zijn. Maria is moeder van Jezus. Maar zij is niet trots op haar positie als de moeder van God. Zelfs zij is de leerling van Jezus. Nadat Jezus was gestorven, ging Maria samenwonen met de leerlingen. Iedere dag gingen zij bidden. Samen met de leerlingen wachtten zij op de komst van de heilige Geest die Jezus had beloofd. Moge Maria ons voorbeeld zijn om goede leerlingen te worden. 


Simon Taa o.carm.


Zondag 5 juni Pinksteren


‘Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak.’ Mooi woord ‘gedruis’, in tegenwoordige vertalingen wordt het Griekse woord ook wel vertaald met ‘geraas’. Als wij in het woordenboek gaan opzoeken wat ‘gedruis’ is, dan zie je dat het heel veel betekenissen heeft. Gedruis is dof en verward geluid, dof geraas, drukte, leven. Maar ook is het geweld, lawaai, onrust, rumoer en tumult. Als je die betekenissen zo hoort, zou je kunnen zeggen dat wij in onze dagen bij uitstek leven in een tijd van gedruis; een tijd waarin er veel lawaai is, van muziek die door geluidsboxen dreunt, van verkeerswegen die overal het landschap doorsnijden. Er zijn in Nederland nog maar weinig plaatsen waar het écht stil is, waar je de vogels kunt horen zonder motorengeronk. Maar het gaat niet alleen over het lawaai van geluid, er is dagelijks op televisie en in de krant het lawaai en geweld van oorlog en terrorisme, van moord en doodslag, onderdrukking en uitbuiting, egoïsme en haatzaaien. Het is het gedruis waarmee angst wordt gezaaid tegen wat ánders is. Het is het gedruis dat muren wil bouwen om mensen tegen te houden die op zoek zijn naar een menswaardig leven en dat een heel grote mond opzet met de leus ‘eigen volk eerst’. Het gedruis van de H. Geest is heel anders, het is juist een tegengeluid. In de eerste verzen van onze Bijbel wordt al over Gods Geest gesproken, het is de Geest van God die over de wateren zweeft, al vóór de schepping. Hij schept hemel en aarde en alles wat daarin is. Die Geest wil opbouwen. Die Geest zoekt juist het leven en zeker niet afbraak en dood. Het gebeurt nogal vaak dat mensen zeggen dat zij niet zoveel kunnen met de H. Geest. Dat zij er nooit tot bidden. Tot God of tot Jezus is veel makkelijker. Het lijkt of de H. Geest ongrijpbaarder is. Toch, als we goed lezen wat in Jezus in de tweede lezing zegt: “de Helper, de heilige Geest die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.” ‘Hij breng u in herinnering’. De Geest maakt bewust van wat goed is en wat leven geeft. De Geest maakt bewust van de vrede en al het andere dat Jezus heeft geleerd: vergeving, barmhartigheid, elkaar daadwerkelijk terzijde staan; vernietigende en veroordelende krachten bestrijden. Als wij dan nu even denken aan al het lelijke gedruis van onze wereld dat ik zojuist heb genoemd; en beseffen hoe erg we het elke dag weer vinden dat al die ellende gebeurt, hoe we zouden willen dat de wereld ánders zou zijn. Wordt dan de geestkracht van God eigenlijk niet heel concreet? Gewoon in ons leven, elke dag dat wij ons bewust zijn dat dit heel vaak niet de wereld is die God voor ogen had toen Hij die schiep. Wij mogen geloven zo’n moment van besef een moment is waarin de Geest van God werkzaam is. De Geest van liefde in ons, die als het ware recht uit de hemel komt. En dat gebeurt niet altijd met veel tamtam, maar vaak in het verborgene. Als we alleen zijn, in onze eigen stoel, voor de televisie. Of ’s morgens, gebogen over de krant. Soms brengt die Geest ons dan ook weleens in gebed, want heel vaak is voor ons iets daadwerkelijk veranderen niet zomaar mogelijk. Soms blijft ons niet veel anders over dan ‘Heer ontferm U’, over die mens, ‘ontferm U’, over onze aarde, ontferm U over mij, want soms ben ik bang. De apostel Paulus zegt ‘de Geest zelf bidt in ons met onuitsprekelijke verzuchtingen’. Maar de Geest blijft nooit in zichzelf besloten. In de eerste lezing hebben we gehoord hoe de Geest de apostelen en leerlingen naar buiten drijft. Ze hadden angstig bijeengezeten, maar opeens voelen ze zich geroepen om aan wie het maar wil horen te vertellen over wat Jezus had geleerd over het Rijk Gods. Ze gaan de wereld in om op hun beurt gedruis te maken, het gedruis van de boodschap van liefde en vrede die – dat mogen wij geloven – door geen dood kapot is te maken. Ook ons drijft die Geest. Hij breng ons hier samen, Hij brengt ons tot gebed, als wij voor onze aarde bidden of als we een luisterend oor hebben voor mensen in nood én als we opkomen in woord en daad voor de zwakke en rechteloze. Wij leven door zijn adem, Hij leeft in ons. Daarom wil ik vandaag deze overweging besluiten met dat zo bekende gebed:


Kom heilige Geest, vervul de harten van Uw gelovigen


en ontsteek in hen het vuur van Uw liefde.


Zend Uw Geest uit en alles zal worden herschapen.


En U zult het aanzien van de aarde vernieuwen.


Amen



Zr. Susan van Driel o.carm.


Woord en Communie-viering op zondag 29 mei 2022


Eerste lezing: Handelingen 7,55-60  Evangelie: Johannes17, 20-26


Met elkaar hebben we geluisterd hoe Jezus bidt tot zijn Vader in het bijzijn van zijn door Hem geliefde leerlingen. In zijn gebed, bidt Jezus ook in het bijzijn van ons. Ook wij zijn door Hem geliefde leerlingen. Ook wij zijn door Jezus uitgenodigd om met Hem maaltijd te houden, zoals toen. Je gebed uitspreken in bijzijn van anderen, of luisteren naar het gebed dat een ander voor jou bidt, dat ervaar ik als intiem, als een uiting van verbondenheid, van Samen-zijn, van één- zijn. In onze voorbereiding op deze viering, hebben wij ons de vraag gesteld: wat gebeurt er in mij als Jezus in mijn bijzijn dit gebed voor ons bidt? Wat gebeurt er in u terwijl u luistert naar Jezus zijn gebed? Wij proberen onze ervaring te verwoorden.


Greetje


Het luisteren naar Jezus zijn woorden, roept de herinnering aan mijn ouderlijk huis in mij wakker. De laatste maaltijd die wij voor ons vertrek met elkaar gebruikten, werd altijd afgesloten met het gebed van mijn vader waarin hij God vroeg ons voor onheil te behoedden. Uit het gebed van mijn vader sprak liefde. Liefde voor God en liefde voor ons. In mijn luisteren naar Jezus zijn gebed, word ik ontroerd door Jezus zijn liefde voor zijn Vader en voor ons. Jezus bidt voor ons dat de liefde die Hij van God ontvangt ook in ons mag zijn opdat Hij zélf in ons mag zijn. In heel het gebed van Jezus vraagt Hij God de Vader dat wij één-zijn. Eén-zijn zoals Hij en de Vader één-zijn. En dat wij één-zijn mét Jezus en de Vader. Ik hoor in Jezus zijn gebed zijn grote wens om met ons, met mij één te zijn. De liefde en verbondenheid die ik in Jezus zijn woorden hoor, ervaar ik, maar kan ik nauwelijks onder woorden brengen. En wat ik ervaar is zo groots, dat ik er stil van word. Woorden schieten te kort. En als ik ga zoeken naar woorden, dan durf ik die niet in bijzijn van u uit te spreken. Schroom weerhoudt mij. Mijn oplossing hiervoor is dat ik wel wat durf te zeggen over de liefde die ik ervaar als ik op mijn beurt, voor anderen bidt of als mensen zeggen voor mij te bidden. Als ik voor iemand bidt, dan ben ik in mijn hart dicht bij die persoon. Ervaar ik diepe verbondenheid, een één-zijn in het samen kinderen van God zijn. Dat anderen hun verbondenheid, hun één-zijn met mij in gebed voor mij tot uitdrukking brengen, dat doet mij veel. Dat doet mij goed, dat doet mij mijn leed verzachten, vergeten ook. De liefde van de ander, het met mij samen-zijn voor God, balsemt mijn ziel. En als ik luister naar Jezus zijn bidden, luister naar zijn woorden van liefde en verbondenheid, dan hoor ik zijn liefde in mijn bidden voor anderen, ervaar ik zijn liefde in het bidden van anderen voor mij.  Aanschouw ik iets van Zijn heerlijkheid, Zijn gelaat in mensen. Hoe zou ik zonder kunnen leven?  


Betzie


Als ik me realiseer dat Jezus voor mij bidt voel ik me heel klein, voel ik me gekoesterd. Het geeft me vertrouwen in het leven. Het is zo’n intiem gebeuren dat me gegeven wordt, om míj het doet me blozen. Het geeft me kracht die ik niet had verwacht. Jezus voelt zich verantwoordelijk voor mij. Bidden is relatie over en weer en verbondenheid de hele dag door maar die verbondenheid moet ik wel onderhouden. Familie heb je, vrienden krijg je. Jezus is voor mij beiden. Het vraagt bewust zijn en aandacht en dat schiet er regelmatig bij in. Ik ben een gelegenheidsbidder, zo door de dag heen maar niet op vaste tijden is er een moment van even aandacht voor een vrij woord van gebed. Het maakt me blij dat ik dat zo kan doen, het voedt me. Doe ik dat niet dan voel ik een geestelijke verdorring en perkt dat het leven in. Ik wil wel graag ook geestelijk productief zijn daartoe roept Jezus ons op om vrucht voort te brengen en gelukkig te zijn. Samen lukt dat. Ik zou naar Titus Brandsma willen bidden:


Jezus als ik U aanschouw


dan weet ik dat ik van U hou


en dat ik door U wordt bemind


als Uw bijzondere vrind.


Mogen we allen ervaren dat we Jezus’ bijzondere vrienden zijn in een biddend leven.


Greetje Feenstra en Betzie Brakels


 


Hemelvaart donderdag 26 mei


Eerste lezing : Handelingen 1, 1-11, Evangelie     : Lucas 24, 46-53


Zusters en broeders


Om de paar jaar is er een opeenvolging van leiderschap in iedere instelling, of het nu gaat om politieke, sociale of religieuze instellingen. De nieuwe leider zal gaan werken, terwijl de oude leider niet meer zal functioneren. De nieuwe zal de macht overnemen en de oude kan zich niet inmengen. De oude heeft geen macht meer.Vandaag vieren wij de gebeurtenis die tweeduizend jaar geleiden heeft plaatsgevonden. Jezus is opgevaren naar de hemel en Zijn leerlingen zijn de getuigen geweest van wat er is gebeurd. Wij kunnen ons voorstellen hoe het spannend was toen de leerlingen Jezus naar de hemel zagen opvaren. Die spanning is verteld in de eerste lezing die wij net hoorden. Toen de leerlingen bij Zijn hemelvaart Jezus gespannen nastaarden, kwamen er twee mannen die hun lieten weten wat er zou gebeuren. Jezus die is opgeheven naar de hemel zou wederkeren.Jezus moest terug naar zijn vader gaan om zijn belofte te vervullen. Jezus had beloofd dat Hij naar zijn Vader terug zou gaan om een plaats voor ons gereed te maken. Aan de ene kant, was de hemelvaart van Jezus voor de leerlingen een onrustig en ontroerend moment, maar aan andere kant was het een bemoedigend moment. Dat was echt een moment van afscheid, maar ook een moment van geloof. In een andere tekst van het evangelie zegt Jezus: “als Ik niet ga, komt de Geest van troost niet naar jullie toe. Hemelvaart betekent een zending. Jezus vroeg zijn leerlingen om in Jeruzalem te blijven tot de heilige Geest op hen werd uitgestort. De Heilige Geest maakte hen sterk en bereid om de opdracht van Jezus te verrichten. Dat betekent dat de leerlingen geen opvolgers van Jezus waren. Zij namen de macht van Jezus niet over. Maar zij waren de boodschappers van Jezus. Zij moesten doen wat Jezus wilde. Zij werden gezonden om de bekering en vergiffenis te verkondigen. Jezus heeft de macht en de leerlingen kregen die macht van Jezus. Dat betekent dat Jezus ook in hen geloofde dat zij Zijn opdracht konden verrichten. 


Zuster en broeders


Wij allemaal zijn geroepen en gezonden om zijn verrijzenis te verkondigen. Wij zijn de getuigen van Gods liefde. Zoals de leerlingen krijgen wij ook dezelfde macht van God die ons sterk maakt. Jezus geeft ons Zijn kracht en macht opdat wij Zijn missie kunnen voortzetten. Jezus wil dat wij met Zijn macht en kracht de liefde en vrede kunnen verspreiden. Hij heeft Zijn missie aan ons toevertrouwd. Jezus die ons heeft geroepen en gezonden laat ons niet alleen. Hij is altijd bij ons. In het evangelie hoorden wij dat Jezus Zijn handen hief en hen zegende. De handen opheffing en zegening zijn het teken dat Jezus altijd met Zijn leerlingen meeging. Jezus zou ook hetzelfde doen als wij Zijn opdracht zouden verrichten. Aan het einde van het evangelie hoorden wij ook dat de leerlingen vol vreugde naar Jeruzalem terug keerden. Moge wij ons ook in Hem verheugen dat Hij ons zendt in ons dagelijks leven en dat Hij altijd bij ons is. 


Simon Taa o.carm.


 


Zondag 22 mei op de 6e zondag van Pasen 


in deze viering hebben de kinderen die op 26 juni hun eerste communie gaan doen, zich voorgesteld aan de parochianen; tevens is een van de communicanten in deze viering gedoopt.


Begroeting en inleiding


Goedemorgen. Welkom allemaal. In het bijzonder de kinderen die binnenkort hun eerste communie gaan doen. Jullie zijn vandaag gekomen om je voor te stellen aan de mensen hier in de kerk. Want zij willen heel graag weten wie toch die kinderen zijn die over een paar weken, op 26 juni, hun eerste communie gaan doen, die er graag echt bij willen horen, bij Jezus en bij ons allemaal. Wij vinden het met z’n allen héél  fijn dat jullie hier vandaag gekomen zijn. We vieren hier vandaag niet alleen dat jullie binnenkort eerste communie gaan doen. Jullie zijn hier ook omdat een van jullie, Amy, Amy Jansen, vandaag gedoopt wordt. De meesten van jullie zijn gedoopt toen je nog héél klein was. En je weet er dus helemaal niets meer van. Maar nu kun je dus meemaken, hoe dat gaat, gedoopt worden. 


De eerste lezing is genomen uit het boek Handelingen [2, 41-47]


De mensen die de woorden van Petrus aannamen, lieten zich dopen, zodat op die dag ongeveer drieduizend mensen zich aansloten. Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed. Ontzag beving eenieder, want door de apostelen werden vele wonderbare tekenen verricht. Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk; ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte. Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van het hart, loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst. En elke dag bracht de Heer er meer bijeen, die gered zouden worden. 


De evangelielezing is genomen uit het evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes     [14, 23-29]


Jezus zei eens het volgende: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden, mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Wie Mij niet liefheeft, onderhoudt mijn woorden niet; het woord dat u hoort, is niet van Mij, maar van de Vader die Mij gezonden heeft. Dit zeg Ik u, terwijl Ik nog bij u ben, maar de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.  Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden. U hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen, maar Ik keer tot u terug. Als u Mij lief zou hebben, zou u er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan Ik. Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u, opdat u, wanneer het gebeurt zult geloven. 


Overweging


Omdat we straks Amy gaan dopen, zal mijn overweging vandaag wat korter zijn dan u van mij gewend bent. Ik beperk me vandaag tot een korte uitleg van de lezingen die we zojuist hoorden. ‘Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef Ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan’, zegt Jezus in het evangelie van vandaag. Deze woorden maken deel uit van de toespraak die hij op de avond voor zijn dood hield voor zijn vrienden. ‘Mijn vrede geef ik jullie…’, hoorden we Jezus zeggen. In de eerste jaren na de dood van Jezus leken die woorden ook echt uit te komen. Als we de woorden in de eerste lezing mogen geloven, was er in het prille begin de jonge Kerk een grote saamhorigheid en eensgezindheid onder de vrienden en de leerlingen van Jezus. Maar dat zou niet zo blijven. Zo’n 10 à 15 jaar later brak er een pittige ruzie uit. Zo erg dat er een grote vergadering georganiseerd moest worden, een zo genaamd apostelconcilie. Want er dreigde een splitsing in de kerk. De kwestie waar het over ging was de besnijdenis. Enkele leerlingen vonden dat de volgelingen van Jezus zich volledig aan de Joodse wetten moesten houden. In de wet van Mozes, de Thora, staat geschreven: ‘Op de achtste dag moet het kind besneden worden’ (Leviticus 12,3). Alle Joodse mannen, ook Jezus, werden besneden op de achtste dag na de geboorte. Joden hebben grote eerbied voor de Thora. Zij beschouwen die als een geschenk van God. Geen letter van de Thora zal verloren gaan, had Jezus gezegd. Voor veel gelovigen van de jonge kerk was de besnijdenis daarom vanzelfsprekend. Maar twee leerlingen van Jezus, Paulus en Barnabas, zagen dit anders. Zij hadden lange reizen gemaakt naar onder andere Klein-Azië en Griekenland en daar veel mensen ontmoet die christen wilden worden. Maar gaandeweg waren ze zich gaan afvragen of je dan ook besneden moest worden. Volgens Paulus en Barnabas niet, volgens Petrus wel. En zo ontstond er een onenigheid die uitgroeide tot een grote ruzie. Een ruzie kan verschillende kanten op gaan. Mensen kunnen elkaar de oorlog verklaren en de wapens opnemen. Of ze kunnen elkaar de rug toekeren en gescheiden wegen gaan. Al die mogelijkheden hebben we in de loop der tijd werkelijkheid zien worden en ze zullen helaas plaats blijven plaatsvinden, met alle gevolgen van dien: levens die voortijdig worden beëindigd, mensen die moeten vluchten vanwege het geweld in eigen land, families die uiteen worden gerukt door een verschil van mening… De leerlingen kozen – gelukkig – voor een de andere mogelijkheid. Ze gingen praten met elkaar, hoe lastig dit ook was. Zij zetten hun standpunten uiteen. Er vielen harde woorden. De gemoederen liepen hoog op. Maar het lukte hun toch om vast te blijven houden aan hun gezamenlijke doel: volgelingen van Jezus blijven. Ze wilden er samen uit komen, ze wilden samen verder. Na veel praten lukte dat ook. De vrede en eensgezindheid waar het evangelie over spreekt is niet een gemakkelijke vrede. Het is een vrede waar wij ons voor moeten inspannen. Eensgezindheid komt er slechts als wij elkaar in ons anders-zijn willen ontmoeten en elkaar leren verstaan én accepteren. Jezus heeft ons zijn Geest beloofd om ons daarbij te helpen. Zijn Geest van elkaar willen verstaan, zijn Geest van liefde voor iedere mens, zijn Geest van geloof in de ander. Blijven wij bidden om die Geest.


Ben Wolbers, pastor-teamleider o.carm.


Zaterdag 14 mei bij gelegenheid van de heiligverklaring van Titus Brandsma o.carm.


‘Wat is nou eigenlijk mystiek?’ Dat is een vraag die ik heel vaak hoor. Ik vind dat op de vooravond van de heiligverklaring van Titus Brandsma een heel belangrijke vraag. Want bij alles wat Titus deed, voor heel veel mensen en allerlei goede doelen, speelde de mystiek op de achtergrond mee. Hij was er eigenlijk altijd mee bezig. Daarom denk ik dat wij Titus Brandsma pas echt de eer geven die hem toekomt als wij naar hem willen luisteren over die vraag ‘wat is mystiek?’ Een vraag die voor iedere mens, volgens Titus, belangrijk is. Want, meende hij, íedere mens is ten diepste een mysticus.Titus Brandsma geloofde dat heel de schepping het bestaan ontvangt van God, dus ook ieder mens. U en ik, hier en nu, wij krijgen het leven van God. Titus zou zeggen dat in de diepte van onze ziel wij met God verbonden zijn en dat God het leven in ons aanblaast. Dat is ook de reden dat mensen naar God kunnen verlangen. Daar is toch eigenlijk in onze wereld niet zomaar een aanwijsbare reden toe, maar toch zoeken veel mensen naar God: bidden ze, gaan ze naar de kerk, lezen ze de Bijbel en allerlei boeken die gaan over hoe God en mensen met elkaar omgaan. Daartoe voelen mensen zich getrokken. Titus Brandsma bestudeerde ook heel veel geschriften die over die relatie tussen God en mensen gaan. Geschriften van mystici die schreven over hún zoektocht en hun vaak heel sterke verlangen. Titus las in die geschriften dat diep in de ziel van de mens, waar God en mens met elkaar verbonden zijn ook het begin van de liefde ligt, liefde voor God én mensen. Titus Brandsma bestudeerde heel veel geschriften, maar hij had ook een paar lievelingsboeken. Een van die boeken was de Evangelische Peerle. In die Evangelische Parel staat een tekst die de oorsprong van de liefde beschrijft. Het is best een ingewikkelde tekst, maar toch wil ik er een paar regels van laten horen omdat Titus zo onder de indruk was van deze woorden. De schrijfster van het boek bidt tot God: O Leven van al wat leeft, Licht van alle licht, Wezen van alle wezens, Liefde van alle liefde, zo ben ik dan uit het diepste, uit de eindeloze Goedheid van Uw vaderlijk hart voortgekomen en hebt U Uw geest in mij uitgestort, bent U het leven van mijn ziel, en houdt U mijn ziel in U in stand […] U bent de macht en de kracht van mijn geest, de wijsheid en het licht van mijn verstand en de goedheid die ik in mij heb, die mij doet leven in liefde.God zelf doet ons leven en alle liefde die wij in ons hebben heeft Hij in ons gelegd. Maar, wij kunnen nog zo met God verbonden zijn, niet alle liefde die in ons is gelegd komt aan het licht. Liefde is geen leeg woord. Liefde uit zich in woorden en daden. Titus Brandsma zei zelfs dat als de woorden en daden er niet zijn, de liefde er niet is. Bij Titus stond er een is-gelijk teken tussen God en liefde. Als de liefde zich niet laat zien betekende dat voor hem dan ook dat God zich niet laat zien. Dan kunnen wij nog zo denken dat wij de liefde van God in onszelf voelen, er kunnen prachtige visioenen zijn, we kunnen prachtige en verheven gevoelens hebben, zoals veel mystici die beschrijven, échte mystiek uit zich altijd ook in daadwerkelijke liefde: goedheid en zorg voor de schepping en vooral voor mensen. Zoals ook heel zijn leven in Titus. Tot in het concentratiekamp waren mensen graag in zijn nabijheid omdat ze in hem iets proefden van Gods onvoorwaardelijke liefde voor mensen, álle mensen. Heeft Titus iets gedaan om die liefde van God in hem te laten groeien? Kunnen wij mensen daar überhaupt iets aan doen? Het is toch genade als die liefde van God in ons zó zuiver kan uitgroeien dat wij alleen nog maar voor alle mensen het goede gunnen. Als wij echter naar het leven van Titus kijken zien we wel een mens die zoveel als hij maar kon wilde meegeven met zijn eigen verlangen naar God. Hij klampte zich als het ware vast aan Christus, vooral aan de lijdende Christus. In Hem zag Titus hoever God wilde gaan in zijn liefde voor mensen, díe liefde voelde hij zich door gegrepen. Ik zei: ‘Titus wílde meegeven’. Maar die liefde aan het kruis trok hem zó de liefde in, dat hij niet anders kon dan erin meegaan. Hij kon niet anders dan ja zeggen als mensen een beroep op hem deden. Zo ging hij ook naar Dachau, niet omdat hij het lijden zo fijn vond of omdat hij de hemel wilde verdienen. Nee, hij ging omdat hij niet anders kón dan zeggen waarin hij geloofde: in de liefde van God.Titus zei heel vaak tegen mensen: ‘Laten wij niet vergeten dat wij Goddragers zijn en dat God uit ons geboren kan worden’.Toen Titus zijn handtekening zette onder zijn laatste geschrift dat hij moest schrijven op last van de Gestapo, waarmee hij wéér liet zien dat hij een zogenaamd 'gevaarlijk man' was voor de ideologie van de Nazi’s, met die handtekening tekende hij ook zijn doodvonnis. Maar met die handtekening werd ook God in onze wereld geboren. Titus gaf zichzelf uit handen als werktuig van Gods liefde. Alle mensen zijn mystici, vond Titus. Het kan dus ook in ons gebeuren, dat onze liefde en Gods liefde één worden. Dat onze liefde een zuivere liefde wordt voor God en mensen. Niet altijd wordt het zo duidelijk als in die kleine pater karmeliet, die professor wijsbegeerte en mystiek, die Heilige Titus Brandsma. Bidden wij dat hij onze voorspraak zal zijn. Amen.


Zuster Susan van Driel o.carm.


Overweging zondag 8 mei 2022 vierde zondag van Pasen


‘Mijn schapen luisteren naar mijn stem’, hoorden wij zojuist. In de eerste lezing werd gesproken over het Lam. Lam, met een hoofdletter! Een Lam dat zijn bloed heeft gegeven. Het bloed van een schaap vloeit makkelijk. Schapen zijn uiterst kwetsbare dieren, ze hebben veel zorg nodig. De schapen in het oude Israël waren waarschijnlijk wat steviger dan onze toch wat doorgefokte Texelaars, maar ook die schapen waren geen partij voor de gevaren in de natuur. Zij zijn een makkelijke prooi voor rovers, wolven en honden. Zonder de bescherming en leiding van de herder overleven ze niet. Velen van u hebben vast weleens een schaap dat op de rug lag overeind geholpen of er een uit een sloot getrokken. De schapen voelen die kwetsbaarheid, want waar de herder gaat gaan zij. Zij kennen en gaan af op zijn stem. En de herder? Hij zorgt en is waakzaam. Schapen en herder hebben dus een relatie, maar ze zijn absoluut niet gelijk: Hij is de eigenaar, zij zijn van hém ze zijn hem eigen. Met huid en haar zijn zij van hem. Hij leidt, zij volgen. Maar hoe verschillend ook, toch is er die eenheid, die betrokkenheid: zij kénnen elkaar. In de evangelietekst die wij hebben gehoord staat dat heel nadrukkelijk: ‘Ik ken ze en ze volgen Mij.’ ‘Ik ken ze’. Als in bijbelse taal gesproken wordt over ‘kennen’, dan veronderstelt dat altijd ervaring, voelen, intimiteit. Het is niet voor niets dat het oudtestamentisch ‘kennen’ ook de seksuele eenwording kan betekenen van man en vrouw: ‘En Adam bekende Eva, zijn huisvrouw en zij werd zwanger’, staat zo mooi in onze oude Statenvertaling geschreven. Dít kennen gaat samen met affectie, liefde. Het is kennen met het hart en het komt op de huid, nee, het gaat dieper, het komt op de ziel. In het evangelie volgens Johannes heeft Jezus zo’n intieme relatie met de Vader. Jezus zegt daar: ‘Goed, u kent Mij en u weet waar ik vandaan kom. Toch ben ik niet gekomen uit Mijzelf, maar iemand die waarachtig is heeft Mij gezonden, en u kent Hem niet. Ik ken Hem, want Ik kom bij Hem vandaan’. Jezus heeft heel diep ervaren dat Hij niet zichzelf in het bestaan heeft geroepen. Hij beseft álles te hebben ontvangen. Zijn héle bestaan. Hij voelt zich als een lam in de hand van de Vader. De Vader roept Hem en Hij volgt: ‘Zie, het lam van God’, riep Johannes de Doper al uit. Het is een relatie die wij natuurlijk allemaal hebben. Ons bestaan hebben wij allemaal uit de hand van de Vader ontvangen, wij zijn allemaal van Hem. Wat ons vooral onderscheidt van Jezus is dat wij het niet altijd beseffen dat wij álles van de Vader hebben ontvangen. Wij denken heel vaak dat wij van alles moeten doen om te zorgen dát we bestaan, waardoor we onze toevlucht nemen tot allerlei machtsdenken en strijd voor het eigen bestaan, eigen volk, eigen cultuur, eigen… Waar dat toe leidt kunnen we nu in Oekraïne zien. Het evangelie vertelt ons dat de Vader kennen en door de Vader gekend zijn in Jezus leidt tot vrij in het leven staan. Hij wil maar één ding, dat is dat mensen weten dat de Vader één en al liefde is, dat Hij iedereen bestaan geeft en dat mensen komen tot een liefdevolle relatie met Hem en met elkaar. Dat verkondigt Hij in woord en daad: Hij vergeeft zonden en geneest zieken. Naar lichaam en ziel wil Hij dat mensen tot leven komen, het leven dat Hij ook zelf ervaart in zíjn relatie met de Vader. En daarin laat Hij zich door niets en niemand tegenhouden, daarin gaat hij tot het uiterste. Een lam kan dan een offerdier worden. Het offer dat de liefde voor mensen kan vragen. Zoals nu in Oekraïne mensen hun leven offeren omdat zij hun principes niet opgeven, zich niet overgeven aan hun onderdrukkers, zoals ook in WO II mensen zich bleven verzetten, zoals Titus Brandsma en zoveel anderen die hun eigen leven offerden. Die als het ware een offerlam werden, een offer voor het goede waarin ze écht, diep geloofden. Al die mensen ‘kenden’ de Vader. Misschien waren ze niet eens allemaal op onze manier gelovig. Ze geloofden wel in wat goed is. God en goed het scheelt maar één letter. Onze traditie zegt dat als wij écht het goede, ware en schone kennen, wij God kennen. Bidden wij dat wij daarnaar blijven zoeken. Amen. 


Overweging Paaszondag 17 april 2022


Hoewel wij al twee lezingen hebben gehoord, wil ik deze overweging toch graag beginnen met woorden van Paulus uit de Efesiërs brief als Hij zegt over de mens Jezus:


Hij is het beeld van de onzichtbare God,


de eerstgeborene van heel de schepping.


Want in Hem is alles geschapen


in de hemelen en op aarde,


het zichtbare en het onzichtbare,


tronen en hoogheden,


heerschappijen en machten.


Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem.


Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.


Hij is ook het hoofd van het lichaam, dat de kerk is.


Hij is de oorsprong,


de eerste die van de dood is opgestaan,


om in alles de hoogste te zijn, Hij alleen.


Want in Hem heeft God willen wonen in heel zijn


volheid, […].


Als wij deze prachtige woorden horen, zou de vraag bij ons op kunnen komen: waarom is Christus in deze schitterende gestalte niet onder ons gebleven? Waarom is de triomfantelijk verrijzende Christus die ook op ons verrijzenisraam is afgebeeld niet nog steeds door ons te zien en aan te raken? Wij hebben echter, dat hebben wij in de evangelietekst gehoord, niet meer dan een leeg graf en windsels die zijn achtergebleven. Er is nog altijd een heilig graf en misschien zijn ook de windsels er nog steeds in Turijn. Maar kunnen wij daar werkelijk geloofsinspiratie aan opdoen? Zou u, als u bij een graf komt dat leeg blijkt te zijn, direct geloven in de verrijzenis van een dode? En van de Verrezene zeggen: In Hem is alles geschapen in de hemelen en op aarde. Ik weet wel heel zeker dat ik dat niet zou doen. Het treft mij, dat de dood van Jezus in geen van de paasverhalen wordt weggepraat. De dood van Jezus is definitief en onherroepelijk. Er is geen 'terug' mogelijk. Er ligt een grote steen voor zijn graf. Die krijgt geen mens meer weg. Hij is voorgoed weggeborgen, zoals elke dode... Dat zijn leerlingen tot geloof komen gaat dus dwars door dood en gemis heen: De door Jezus beminde leerling ‘zag en geloofde want zij hadden nog niet begrepen hetgeen er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan.’  Dat hoorden wij zojuist: Hij ‘zag’…maar er is niets. Hij gelooft, maar begrijpt niets. De verheerlijking waar Paulus over spreekt kan hij niet zien. Wat ineen gewikkelde windsels. Maar geen ‘beeld van de onzichtbare God’. Net als de door Jezus geliefde leerling zijn ook wij niet gevrijwaard van angst, gemis en verdriet. En toch is er, misschien maar wankel, geloof in ons hart. Misschien ligt het geheim van dat geloof in dat woord ‘bemind’ of ‘geliefd’ als het over de leerling gaat die slechts een leeg graf zag en geloofde. Tussen Jezus en die leerling was er liefde. In deze kerk staat onder een van de kruiswegstaties ‘liefde is sterk als de dood’. Er staat niet: ‘liefde is sterker dan de dood’, - nee ‘liefde is sterk als de dood’. De dood ís vreselijk sterk. Het is niet alleen de dood waarmee we mensen verliezen, maar ook verraad, roddel, achterklap, de pogingen die mensen soms doen om ons te beschadigen en af te nemen wat ons kostbaar is. Dat is allemaal doodJuist in dat gemis kijken wij niet naar ons verrijzenisraam, maar naar het kruis van Christus. Niet omdat het een vreselijk martelwerktuig was, niet omdat wij daaraan ook zien waartoe wij mensen in staat zijn om elkaar aan te doen. Wij kijken omdat wij er soms in geloof doorheen kunnen kijken. In de Domkerk in Utrecht hangt een kruis dat in 1965 gemaakt is voor de Verzoeningskerk in het concentratiekamp Dachau, maar het is daar nooit geplaatst. Nu is het in Utrecht een plaats waar zeeën van kaarsjes worden gebrand. Het kruis is gemaakt van ruwijzer, en een van de armen is gebroken. Vonden ze dat in de verzoeningskerk in Dachau te lelijk? Kan zijn. Toch is het juist die lelijke gebrokenheid die mensen trekt op die plaats. Juist daarin vinden mensen troost. In de nieuwe Katechismus uit 1966 staat geschreven: ‘Niet het gemakkelijk zien met de ogen, maar de aandacht van het hart is de weg naar Hem, immers: Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien’. ‘Hij zag en geloofde’, staat er geschreven van de ‘geliefde’ leerling. Een belangrijke boodschap van ons christelijk geloof is dat ook wij geliefde leerlingen zijn, ondanks dat voor onze harten soms grote stenen liggen en het gesloten graven zijn. Maar net als voor die eerste geliefde leerling is het juist in leegte en gemis dat wij soms onszelf overstijgen en is het de liefde die onze aandacht verder trekt, door de dood heen naar het leven. Alleen in de liefde blijven wij álles verwachten. Bidden wij, dat wij het volhouden in dat geloof. Amen.


Zuster Susan van Driel o.carm.


Paaswake 2022 – basiliek Boxmeer


Vorige week viel mijn oog toevallig, wat is toevallig, op een interview dat een tijd geleden in het dagblad Trouw stond met de bisschop van Roermond, Harry Smeets. Voordat hij bisschop werd, was hij pastoor en deken van Venray. U weet waarschijnlijk dat monseigneur Smeets ernstig ziek is. Vorig jaar werd bij hem een hersentumor ontdekt, waarvoor hij sinds september behandeld wordt. De behandeling heeft een zeker resultaat, maar echt beter worden zal hij niet. Een van de dingen die mij opviel in dit interview was dat hij zei: “Preken over Pasen zou verboden moeten worden. Niet omdat ik te lui ben om een preek te schrijven, nee, preken over Pasen is gewoonweg onmogelijk. Want hoe kun je nou iets zeggen over dingen die ons bevattingsvermogen ver te boven gaan? Dat Jezus verrezen is en dat hij de dood overwonnen heeft is met een gewoon mensenverstand niet te begrijpen. Je kunt het alleen maar geloven en ingetogen vieren, te beginnen in de stilte van je hart?” Zo zei hij het. En daarom heeft hij vanaf zijn priesterwijding niet gepreekt over Pasen. Wat hij wel deed was proberen in de huid te kruipen van de mensen die er indertijd bij waren, bij de wondertekenen, bij het laatste avondmaal, bij de veroordeling door Pilatus, bij de kruisiging en op de zondagmorgen bij het lege graf. Van die preken is een mooi boekje verschenen: “Getuigen van de Verrijzenis”. Ik wil vandaag proberen te beschrijven wat mij trof in de wijze waarop hij zelf, de bisschop en de mens Harry Smeets, vertelde over zijn ziekte en zijn naderende dood ervaart en hoe hij het geloof in de verrijzenis beleeft. Op die manier sluit ik me een beetje aan bij de bisschop: ik preek niet óver de verrijzenis, want dat gaat ons bevattingsvermogen inderdaad ver te boven. Ik vertel wel aan de hand van een heel concreet getuigenis van een hedendaagse bisschop hoe je lijden, sterven en verrijzenis kunt beleven. Een van de eerste dingen die mij opviel is dat bisschop Smeets op een eenvoudige wijze positief in het leven staat. “Er is nog elke dag vreugde. Ik laat het mooie dat er is, niet bederven door wat er nog komen gaat. Zo zit ik niet in elkaar. Natuurlijk is het zo dat ik een jaar geleden nog zonder enige moeite onder de douche sprong en nu moet ik in alles geholpen worden. Daar moet je aan wennen. Maar de keuze is heel eenvoudig: of je vervuilt, of je laat je helpen”. Dit klinkt inderdaad eenvoudig. Maar in dit alles speelt zijn geloof wel degelijk een belangrijke rol. Toen hij tot bisschop benoemd was, vroegen de mensen hem regelmatig “Wat gaat u doen? Wat bent u van plan, want het gaat toch helemaal niet goed met de kerk in ons land?” Zijn antwoord was dan vaak: “U weet wel: Maria krijgt bezoek van de engel Gabriël die voor haar de boodschap heeft dat ze de moeder van de Messias zal worden. En Maria reageert dan met: ‘Mij geschiede naar uw woord’. En dan staat er: ‘En de engel ging van haar heen’. Hij liet haar alleen achter. ‘Mij geschiede naar uw woord’,- dat geldt ook voor mij…” zegt de bisschop dan, “Ik weet ook niet waarom de dingen zijn, zoals ze zijn en hoe het allemaal zal gaan, maar het vertrouwen in Hem, de hemelse Vader, is er”. In mei 2021 – bijna een jaar geleden dus – werd bisschop Smeets ’s nachts niet goed. Later bleek dat hij een insult had gehad. Aanvankelijk leek het de goede kant op te gaan, maar vlak voor zijn ontslag uit het ziekenhuis kreeg hij weer een insult. En toen bleek dat het echt menens was: er zat een tumor in zijn hoofd. “We kunnen het proces wat afremmen, misschien stopzetten, maar het gaat een keer verder. Genezing is niet mogelijk”, kreeg hij te horen. “Hoe gaat u om met deze toch keiharde boodschap?” was de vraag van een van de interviewers. “Ik heb er vanaf het begin tamelijk rustig op gereageerd”, was het antwoord. “Ik heb dertig jaar in een parochie gewerkt, ik ben nu vier jaar bisschop. Ik heb best wel slapeloze nachten. Dat bracht onrust. Maar mijn ziekte bracht mij geen onrust. Want het is, zoals het is. Ik zal hieraan sterven”. “Bent u bang voor de dood?” “Nee, dat is niet het geval. En ik ben ook niet bang voor de wijze waarop ik zal sterven. Ik weet niet wat er allemaal gaat gebeuren, maar ik ben daar gewoon niet mee bezig”. “Heeft u een idee hoe de hemel er uit ziet?” “Daar heb ik wel over nagedacht. Jezus is hier zelf duidelijk over geweest: dat niemand zich kan voorstellen hoe het zal zijn. Dat zijn niet zomaar woorden. Het is ook niet voor te stellen. Daar zijn onze zintuigen te beperkt voor”. “Gaat u dierbaren terugzien?” “Het zou zomaar kunnen. Ik zou niet weten waarom niet. Augustinus heeft ooit tegen zijn moeder gezegd: ‘Als ik jou daar niet terugzie, hoef ik er ook niet te zijn’. Dat vind ik een prachtige uitspraak van deze bisschop Harry Smeets. Hij heeft geen uitgebreide redeneringen nodig heeft om een indringend getuigenis te geven van zijn diepe vertrouwen dat God ons vasthoudt tot in de dood. De bisschop sluit zijn boekje af met wat de engel zei bij het lege graf: “Waarom zoeken jullie de levende bij de doden? Hij is niet hier, hij is verrezen”. En dan is zijn allerlaatste zinnetje: “Gelukkig iedere mens die dit woord hoort en erin gelooft”.


Ben Wolbers O.Carm., pastor-teamleider


 


Overweging op de vijfde zondag van de Veertigdagentijd


Het is in het evangelie volgens Johannes, waaruit wij zojuist hoorden voorlezen, maar één hoofdstuk eerder dat Jezus tegen de Samaritaanse vrouw bij de bron zegt: “Ik ben de bron van levend water”, tegen een vrouw die 5 mannen heeft gehad en de man die zij op dat moment heeft, is niet haar man, tegen die vrouw zegt Jezus: “Ik ben de bron van levend”. Wie van mij drinkt zal nooit geen dorst meer hebben”. Hij biedt haar aldus het leven aan en haar enthousiasme steekt vervolgens heel veel mensen aan. Er komen veel mensen tot geloof, staat heel nadrukkelijk geschreven. Nu, één hoofdstuk later, komen farizeeën en Schriftgeleerden met een vrouw bij Jezus, op overspel betrapt, en zij willen haar doden. Zij willen haar stenigen, zoals nog geregeld in sommige landen gebeurt. Een onmenselijke en wrede straf. Jezus antwoordt niet, maar Hij buigt zich en schrijft in de aarde. Heel veel mensen hebben zich in de loop van 2000 jaar christendom afgevraagd wat Jezus toch in het stof van de aarde geschreven zou hebben. Heel veel antwoorden zijn daarover terug te vinden. Tijdens het voorbereiden van deze viering kwam ik zo’n antwoord tegen. Het is natuurlijk maar één van de vele. Maar het is een antwoord dat mij erg aansprak. In dat antwoord wordt verwezen naar het boek Jeremia. In dat boek staat namelijk geschreven: “HEER, bron van Israëls hoop, […] wie van u weggaan, zullen in de aarde worden geschreven, want ze hebben de HEER, de bron van levend water, verlaten” (NBV). Helaas, als u in onze Willibrord vertaling dit citaat opzoekt, vindt u het niet. ‘In het stof van de aarde schrijven is vertaald met: ‘zijn ten dode opgeschreven’. Maar het woord ‘eretz’ staat er wel degelijk, zij worden in ‘de aarde’ geschreven’. De farizeeën en schriftgeleerden waren Bijbelvaste mensen en goed op de hoogte van deze woorden. Ze móeten de verwijzing hebben begrepen. Op het moment dat zij de vrouw willen stenigen verlaten zij de God van Israël, die de Heer van het leven is. Ze laten zien dat ze de bron van levend water verlaten door met de wet in de hand voor de dood te kiezen. Terwijl wet en profeten laten zien dat God altijd weer een nieuw begin maakt: “Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet?” Dát hoorden we in de eerste lezing. Ik moest hierbij natuurlijk ook weer denken aan Titus Brandsma die juist ervan uitging dat voor iedere mens een nieuw begin altijd mogelijk is. Zelfs in zijn tijd, waarin de opvattingen behoorlijk streng waren over wie wanneer ter communie mocht gaan, zei hij nadrukkelijk dat wij maar één ding echt verkeerd kunnen doen en dat is níet ter communie gaan. En toen zijn medegevangenen tegen hem zeiden toch voorzichtiger te zijn met wat hij tegen de kampbewaarders zei, kon hij alleen maar zeggen: ‘Je weet maar nooit of ze zich bekeren’. Hij was diep overtuigd van dat artikel uit onze geloofsbelijdenis: ‘Ik geloof in de vergeving van de zonden’. Woorden die inhouden dat onze Schepper altijd op ons blijft wachten, ons altijd zoekt. Ja, Hij zoekt ons. We hoeven er dan eigenlijk ook niet veel voor te doen. Het enige dat Hij aan ons vraagt is om Hem te helpen Schepper te zijn; bestaan en leven te geven; liefhebben, gunnen, leven gunnen, het liefs in alle volheid, dat het tot bloei komt: ‘Een weg leg Ik door de steppe, rivieren laat Ik stromen door de woestijn’, riep de profeet Jesaja in de eerste lezing. Dat leven gunnende is ons mensen eigenlijk ingeschapen. Het is niet voor niets dat wij zo ontdaan zijn door de gruwel, de verwoesting en het zaaien van dood en verderf dat nu in Oekraïne aan de gang is. Wij voelen allemaal aan dat dit echt slecht is, ja, laten we het woord toch maar eens gebruiken: het is zondigheid. Het is goed dat mensen gelovig en ongelovig dat beseffen. Als wij echter de weg willen gaan van Jezus, van Titus Brandsma en van zoveel anderen, laten we dan niet vergeten altijd ook te geloven, hopen en bidden dat er ook voor de daders een weg is die naar het leven voert. Laten we niet vergeten ook daarvoor te bidden. Amen.


Zuster Susan van Driel O.Carm.


Overweging op de vierde zondag van de Veertigdagentijd,


27-03-2022, zondag ‘Laetare’


lezing: Lucas 15,1-3.11-32 – ‘de verloren zoon’


Voor mij is het verhaal van de verloren zoon een van de mooiste verhalen uit de Bijbel, al was het alleen maar omdat het een verhaal vol zeer herkenbare emoties is. De jongste zoon die zonder enige terughoudendheid tegen zijn vader zegt dat hij zijn deel van de erfenis wil hebben; daarmee op reis gaat, onderweg bezwijkt voor allerlei verleidingen, aan lager wal raakt en tenslotte op hangende pootjes terugkomt. Vervolgens de oudste die vindt dat de jongste na alle ellende die hij heeft aangericht, veel te goed behandeld wordt en dat als er één een feest verdient, dat hij dat dan hij toch wel is… en hij weigert dan mokkend en zwaar gefrustreerd te delen in de blijdschap van zijn vader. In een paar zinnen wordt hier een groot familiedrama geschetst. En tenslotte die vader zelf die de jongste een nieuwe kans wil geven en tegelijk wanhopig probeert de oudste toch ook binnen het gezin te houden. Het probleem voor ons als toehoorders of lezers van de parabel van de verloren zoon is dat het verhaal zo bekend is, dat we de reactie van de vader eigenlijk gewoon zijn gaan vinden. Maar dat is het natuurlijk niet. Toen, in Jezus tijd, dachten de meeste mensen net als nu ‘wie zich brandt, moet ook maar op de blaren zitten’ of ‘eigen schuld, dikke bult’. Ook toen was er vaak maar weinig meeleven met mensen die in de puree raakten, zeker als het om eigen stommiteiten ging. Maar ook in onze tijd horen we dit soort reacties nog steeds: ‘in Nederland hoef je toch geen armoede meer te lijden… en als het wel zo is, dan heb je waarschijnlijk niet goed opgepast…’ En ‘wie dak- of thuisloos is, zal vast wel iets stoms gedaan hebben……’


Maar stel nu dat de vader uit de parabel ook zo gedacht had? Wat zou er dan van die jongste zoon geworden zijn? Ik vertel u daarom het verhaal van een andere verloren zoon. Een vader had twee zonen. De jongste zei tegen zijn vader: ‘Ik heb het hier wel gezien, ik blijf hier niet langer, ik zoek mijn eigen weg’. Hij zocht een kamer, kreeg nieuwe ‘vrienden’, ging heel veel uit met hen, dronk veel, kwam in aanraking met drugs en raakte aan lagerwal. Toen hij geen geld meer had, belde hij aan bij zijn vroegere vrienden. Maar die waren niet thuis voor hem. Toen kwam hij tot bezinning. ‘Zou ik terug kunnen gaan naar mijn vader?’ Na lang aarzelen zei hij bij zichzelf: ‘Dat doe ik. Ik ga terug naar huis en zal zeggen: vader, ik ben verkeerd geweest, ik ben niet waard jouw zoon te heten, maar vergeef mij alstublieft en laat mij weer bij jou mogen wonen’. Zijn vader zag hem al aankomen. De zoon begon: ‘Vader, ik ben verkeerd geweest…’ maar zijn vader draaide zich om: ‘Je bent mijn zoon niet meer’. En hij gooide de deur voor zijn neus dicht. De vader vertelde aan zijn oudste zoon wat hij gedaan had. Die haalde zijn schouders op: ‘’t Is zijn eigen schuld. Het is nu eenmaal een mislukkeling en dat zal hij zijn hele leven wel blijven’. Enkele weken stond er een berichtje in de krant: ‘Brutale inbraak. Jonge dader nog dezelfde dag gepakt’. Deze laatste versie van de verloren zoon komt helaas maar al te vaak voor in onze maatschappij. Mensen proberen een eigen weg te zoeken, doen domme dingen, verdwalen en moeten maar zien hoe ze weer in het rechte spoor komen. Of mensen raken in de gevangenis, zitten hun straf uit, komen weer vrij en vinden dan vaak nergens meer een open deur. Niemand die vergeeft en vergeet. Het gebeurt nog elke dag: mensen zoeken barmhartige vaders, maar vinden vooral wantrouwen en achterdocht. Nu wordt het belangrijk te kijken naar het begin van dit stuk evangelie. Daar staat dat Jezus dit verhaal, deze parabel vertelt aan een aantal schriftgeleerden en farizeeërs. Die schriftgeleerden vonden het helemaal verkeerd dat Jezus zo begripvol was tegenover mensen die een scheve schaats gereden hadden. En nog erger: dat hij hen veel te vlug hun misstappen vergaf. Maar Jezus deed dat niet zomaar. Hij deed dit vanuit een diep vertrouwen in de goedheid van zijn Vader, God. Jezus geloofde dat God ieder van ons, iedere mens met open armen wil ontvangen als hij of zij zijn misstappen weer goed wil maken en wil proberen te herstellen wat er fout was. Wat Jezus betreft is er eigenlijk maar één voorwaarde, of liever gezegd, één vraag van God aan ons: dat ook wij ons hart openen voor anderen, - juist ook voor hen die ons pijn of verdriet deden of die wij uit de weg gaan omdat wij hun levenswandel afkeuren. Dat ook wij op de uitkijk staan en hen opnieuw willen ontmoeten, zonder oordeel of wraakgevoelens. En als het enigszins kan: ook van harte. Want ook in onze tijd is er veel behoefte aan barmhartige vaders en moeders…


Ben Wolbers O.Carm. pastor-teamleider


Overweging op de tweede zondag van de Veertigdagentijd 2022 


 lezingen: psalm 18,3-7 en Lucas 9,28b-36


Begroeting en inleiding


Binnenkort – over twee maanden, zondag 15 mei – zal paus Franciscus op het Sint Pietersplein Titus Brandsma heilig verklaren, - tachtig jaar na zijn sterven in het concentratiekamp van Dachau. Eigenlijk waren er kort na zijn dood al bijzondere berichten over hem. Mijn ouders kregen bijvoorbeeld bij hun huwelijk in 1944 al een klein geel boekje – ongeveer 10 bij 10 cm groot – over zijn leven. ‘Mijn cel’, heette het. Ook werden er over heel het land al gedachtenisprentjes verspreid. Titus was vooral bekend omdat hij al lang voor de oorlog – vanaf ongeveer 1930 – in talloze artikelen en redevoeringen had gewaarschuwd voor de gevaren van de nazi-ideologie, en zich had verzet tegen de praktijken waarmee de nazi’s en de NSB hun gedachtengoed bijna sluipenderwijs probeerden in te voeren. Vandaag echter zal in onze viering het accent niet zozeer liggen op de dingen die hij deed en zei en schreef. Het accent zal vooral liggen op de bron waaruit Titus zijn kracht putte en zijn moed om te doen wat hij deed en te zeggen wat hij zei: en die bron was zijn geloof in Gods liefde.


Overweging


In een eerste reactie op de aankondiging van de heiligverklaring van Titus Brandsma zei onze prior provinciaal, Huub Welzen: “Titus Brandsma is voor velen een bron van inspiratie: zijn mystieke verhouding met God en de totale overgave aan zijn levensroeping, zijn grote inzet voor waarheid en gerechtigheid, voor de waardigheid van ieder mens ongeacht ras, kleur of gender, in dit alles is hij een groot voorbeeld voor de hedendaagse karmelieten. We zijn dankbaar dat door zijn aanstaande heiligverklaring ook de innerlijke bron van het leven van Titus Brandsma aan het licht kan komen.”


Huub zegt daar iets heel belangrijks: alles wat Titus heeft gedaan en gezegd, komt voort uit een bron. Die bron was zijn geloof en zijn innige verhouding met God. Precies dit maakt dat wij pater Titus heilig mogen noemen. Om dit wat duidelijker te maken wil ik graag vertellen over een bijzondere gebeurtenis uit het leven van Titus. Het is begin 1942 en Titus bevindt zich als gevangene in het doorgangskamp van Amersfoort in afwachting van zijn transport naar het concentratiekamp van Dachau in Duitsland, waar hij nog in hetzelfde jaar op 26 juli zou sterven. Ik neem u mee naar de avond van Goede Vrijdag in dit Kamp Amersfoort. Daar stond in een van de barakken op een aardappelkistje tussen dicht opeengepakte gevangenen pater Titus Brandsma. Titus had er een gewoonte van gemaakt om iedere avond bij zijn medegevangenen een praatje te maken. En wie dat wilde, kreeg een kruisje op zijn voorhoofd, of hij nu katholiek was of protestant of iets anders. Zijn medegevangenen hadden hem gevraagd op Goede Vrijdag, de dag waarop het lijden van Christus herdacht wordt, een korte meditatie te houden. Ze verlangden ernaar om in hún toestand van ellende en lijden iets te horen over zijn geloof. Maar van de kampleiding mochten er absoluut geen godsdienstige oefeningen of vieringen gehouden worden. Daarom hield Titus een soort lezing over de betekenis van het lijden bij een aantal geestelijke schrijvers. Het was muisstil toen Titus sprak, want iedereen voelde aan dat het wel degelijk een getuigenis werd van zijn geloof. Titus vertelde dat wij mensen juist in tijden van nood en ellende meer dan anders onze toevlucht zoeken bij God. En hoe waar dat is, zagen we afgelopen tijd nog weer in Oekraïne, waar we de mensen in groten getale in een kerk bijeen zagen om te bidden, hartstochtelijk te bidden. Blijkbaar zoeken wij juist dan bijzonder naar Gods nabijheid; juist dan hebben we zijn boodschap van liefde en hoop het hardste nodig. Een van de gevangenen die er die avond bij was, was een zekere dokter Grond uit Deventer. Hij schreef kort na zijn bevrijding: ‘Klein en zwak stond hij daar. Hij sprak over de ellende die mensen soms moeten doorstaan zonder dat ze enig zicht hebben op de zin ervan. En dat ze dán eigenlijk alleen aangewezen zijn op elkaars barmhartigheid, liefde en offerbereidheid én op hun geloof in Gods machtige leiding’. ‘Alleen al om deze woorden’, schreef dokter Grond, ‘was Titus Brandsma’s leven, zijn priesterschap en zijn gevangenneming zinvol’. Tot zover dit citaat. ‘Nooit zal ik deze man vergeten’, schreef iemand anders. En opmerkelijk vind ik wat een zekere kolonel Fogtelo zei: ‘Het was of deze man in de vrije wereld was’. Dit tafereel: een barak met dicht opeen gevangenen, die stil luisterden naar pater Titus op een aardappelkistje, vergelijk ik graag met het tafereel uit het evangelie waar de leerlingen boven op een berg Jezus zien, samen met Mozes en Elia. Die twee situaties kun je in mijn ogen met elkaar vergelijken…


Ook de leerlingen van Jezus beleefden angstige tijden. Steeds vaker hadden ze zien gebeuren, dat Jezus’ optreden en zijn boodschap bij sommige mensen helemaal verkeerd vielen. Ze begonnen bang te worden, dat het fout zou aflopen met Jezus. Hoe zou het dan verder moeten zonder hem? Misschien wel daarom nam Jezus hen mee naar een hoge berg. En daar zagen de leerlingen Jezus in een visioen, in verblindend witte kleren. Als in een nieuwe wereld zagen ze hem. In de wereld van God. En ze zagen hem in gesprek met de meest bekende profeten van Israël, Mozes en Elia. Die twee hadden – net als Jezus – steeds opnieuw vastgehouden aan Gods trouw, - vooral toen ze het heel moeilijk hadden en eigenlijk geen uitweg meer zagen. Dat was voor de leerlingen in hun penibele situatie een bemoedigend visioen. Het was alsof God hen wilde zeggen dat Hij hen nabij bleef, zoals Hij Mozes en Elia nabij was gebleven in hun nood. Iets vergelijkbaars is volgens mij ook gebeurd in die barak in Kamp Amersfoort. Midden in de vreselijke onmenselijkheid van dit "Polizeiliches Durchgangslager" zagen meerdere van zijn medegevangenen in die zwakke, kwetsbare pater Titus even iets van Gods nabijheid. ‘Het was of deze man in de vrije wereld was.’ Ze zagen even, dat er in het leven van ons mensen iets is dat onvergankelijk is en dat door niets of niemand kapot kan worden gemaakt, ook niet door de nazi’s. Daarom durf ik het aardappelkistje waar Titus op stond te vergelijken met de berg waar de leerlingen Jezus zagen. In die afschuwelijke kwetsbaarheid werd even zichtbaar dat God ons nabij blijft wat er ook gebeurt én dat je dat kan sterken en steunen. Natuurlijk beseften ze waarschijnlijk heel goed dat het ergste voor de meesten van hen nog moest komen. En toch was God daar voor hen even heel dichtbij. Volgens mij maken dit soort ervaringen duidelijk dat iemand niet heilig wordt door een heiligverklaring: een heiligverklaring is slechts de erkenning van het feit dat iemand heilig geleefd heeft. Titus Brandsma leefde heilig omdat hij dichtbij God leefde, hij zag iedere mens zoals wij mogen geloven dat God iedere mens ziet. Hij zag in iedere mens het beeld van God en zou daarom nooit iemand afschrijven. Titus is heilig geworden omdat hij vanuit dit geloof geprobeerd heeft in heel moeilijke omstandigheden de menselijke waardigheid hoog te houden. 


Ben Wolbers O.Carm., pastor-teamleider


Overweging op de eerste zondag van de Veertigdagentijd


Deze overweging wil ik graag beginnen met een uitgebreid citaat uit het boek Bestaat u? van Jean Jacques Suurmond. Hij schrijft het volgende: ‘In een actualiteitenrubriek kwam een Amerikaanse geestelijke aan het woord. Hij toonde een foto waarop hij op de 9 van de 11e 2011 in de stofstorm van de instortende Twin Towers in New York staat. ‘Mijn geloof is gesterkt’, zei hij, ‘omdat God mij heel heeft gehouden te midden van zoveel gebrokenheid.’ O, dacht ik in mijn eenvoud, en die duizenden slachtoffers dan die niet zijn heel gebleven? Had de Allerhoogste soms een speciaal oogje op die geestelijke? Dat hij zich daardoor in zijn geloof gesterkt voelt is niet alleen naïef maar onrustbarend. Ziet hij dan niet dat Osama Bin laden eenzelfde soort geloof had? Ook die voelde zich door God uitverkoren, ten koste van de dood van vele anderen. Ook hij voelde zich door dat laatste gesterkt in zijn geloof.’ Wat een scherpe analyse van Suurmond en hoe passend niet bij de evangelielezing van deze zondag. Want is het niet ten diepste dát waar Jezus in die veertig dagen in de woestijn weerstand tegen biedt: God is met mij, dus wat kan mij gebeuren. God is met mij, dus van mijn dagelijks brood ben ik verzekerd. Ik hoef maar met mijn vingers te knippen en het is er; God is met mij, dus ik mag de schepping gebruiken zoals ik wil, alles staat mij ten dienste; God is met mij, dus ik kan doen wat ik wil. Ik word niet ziek, mijn leven loopt nooit gevaar. De mensen waar ik van houd blijven gezond en in leven. Maar zo is het niet…


Want, eigenlijk weten we dat allemaal: beproevingen horen bij het leven. Elk mens krijgt er op zijn of haar manier mee te maken. Beproevingen zijn niet te vermijden. Ze zijn als het ware de schepping ingebakken. Want alles, maar dan ook alles in onze schepping is eindig. Het kan 24 uur duren, zoals bij een eendagsvlieg, het kan 80, 90 jaar duren zoals bij de mens of bijna 200 jaar bij sommige schilpadden. Allemaal sterven ze op een gegeven ogenblik. Zelfs onze goede aarde zal ooit ophouden te bestaan. Dat duurt nog misschien miljarden jaren, langer dan wij ons überhaupt een voorstelling van kunnen maken, maar tóch houdt het een keer op. Is het dan geen hoogmoed om God voor onze kar te willen spannen, om te zeggen: Hij is met mij, want Hij doet wat ik wil? Wat ik wil…Daar zit misschien wel de kern van wat het evangelie ons deze zondag wil vertellen. De duivel,  het kwaad in deze wereld, biedt Jezus oplossingen die allemaal om Jezus zelf draaien: jíj hebt dan geen honger meer, jíj hebt dan de macht, jíj kan God voor je karretje spannen. Daarop ingaan zou een menselijke reactie zijn. Deze weg leidt tot de illusie dat we het leven zouden kunnen controleren. Jezus zoekt echter naar het goddelijke antwoord. Hij rekent niet naar zichzelf toe. In die zin is de eerste lezing uit Deuteronomium heel passend. Daarin gaat het immers over het diepe besef dat alles van God komt. Die eerste vruchten van het land, waarvoor de boer zelf hard heeft geploeterd, worden geofferd. Met dat gebaar zegt hij dat het uiteindelijk niet van hem is. Ook al is het zijn land en zijn werk. De eeuwige heeft het geschonken. Het is dat besef dat uiteindelijk niet alleen Jezus maar ieder mens tot zoon, tot dochter tot kind van God maakt. ‘Jij bent mijn Zoon, mijn veelgeliefde’, had Jezus gehoord. Het is iets dat wij ons allemaal bewust mogen zijn. Als er iemand was die zich dat bewust was, was het Titus Brandsma wel. Eergisteren is bekend geworden dat hij op 15 mei heiligverklaard zal worden. Het is niet zo dat hij heilig werd in het concentratiekamp. Nee, een leven lang heeft hij zich in dienst gesteld van God en mensen; een leven lang had hij verkondigd dat God op de eerste plaats liefde is. Een liefde die ons heeft geschapen en waarvan wij afhankelijk zijn, maar die juist daardoor een liefde is die, schreef Titus, ook ‘onze adel is’. Wij zijn kind van de Liefde, Liefde met een hoofdletter! In Jezus was dit geloof in de beproeving van de woestijn sterker dan het kwaad. In Titus was geloof in de liefde sterker dan de ergste gruwelen die mensen elkaar kunnen aandoen. Hij bleef liefhebben, hij bleef over de liefde van God vertellen, zelfs tegen de mensen die hem kapot wilden maken. Lieve kinderen, vormelingen, jullie kiezen voor het vormsel. Daarmee kiezen jullie ook voor liefde, dat grote hart dat vaak op de tafel ligt bij de vormselbijeenkomsten in het parochiehuis. Als jullie dát de rest van jullie leven kunnen onthouden, is het eigenlijk genoeg. Jullie kiezen voor de weg van de liefde, die Jezus ging, die Titus Brandsma ging, die wij hier allemaal proberen te gaan. Bidden wij dat dit geloof met jullie een leven lang zal meegaan. Amen. 


Zuster Susan van Driel O.Carm.


Overweging Eucharistieviering Sint Petrusbasiliek Boxmeer


8e zondag door het jaar – 27 februari 2022


Lezingen: Sirach 27,4-7 en Lukas 6,39-45 


De schrijver van het Bijbelboek waar vandaag de eerste lezing uit genomen is, heeft een samenleving op het oog waarin eendracht, vriendschap en harmonie belangrijke waarden zijn. De schrijver, ene Jezus Sirach, probeert dat te doen met behulp van allerlei spreuken, spreekwoorden en wijsheden. Wij kennen dat ook nog wel. Wij noemen dat soms tegeltjeswijsheid. Bij ons thuis bij voorbeeld hing in de keuken een bordje met ‘wie goed doet, goed ontmoet’. Mijn vader maakte daar een keer van: ‘wie goed doet, God ontmoet’. Dat is me altijd bijgebleven en dat was natuurlijk precies de bedoeling. Het stukje dat wij vandaag hoorden, bevat een aantal van dat soort spreuken. ‘Als men een zeef schudt, blijft het kaf liggen; en in het spreken ontdekt men het boze van de mens’. Als je na het dorsen de tarwe- of de gerstkorrels op een zeef heen en weer schudt, dan gaat het graan erdoorheen en blijft de rommel, het kaf, liggen. Zo ontdek je ook hoe betrouwbaar een mens is, als je hem hoort spreken. ‘Het werk van de pottenbakker wordt beproefd door de oven en de mens in wat hij zegt in het gesprek’. De hitte van de oven laat zien wat de kwaliteit is van de klei die de pottenbakker heeft gebruikt. Zo merk je ook hoe een mens is door wat hij zegt in een gesprek. En ik voeg daar maar aan toe: in de hitte van een gesprek. De betekenis van de rest van de spreuken, het zijn er nog twee, kunt u zelf ontdekken. Trouwens het boek van Jezus Sirach staat er vol mee. Het is leuk om daar af en toe in te grasduinen. Jezus doet vandaag iets vergelijkbaars. Hij gebruikt ook spreuken uit zijn tijd, beeldspraak om uiteen te zetten wat de grondslagen zijn van een goed, eerlijk leven en wat het fundament is van een rechtvaardige samenleving. Hij vraagt ons vandaag om vooral kritisch naar onszelf te kijken. Vandaar die indringende vraag: ‘waarom heb je zoveel aandacht voor de splinter in het oog van je broer en waarom sla je géén acht op de balk in je eigen oog? Huichelaars haal eerst die balk uit je eigen oog, want pas dan kun je scherp genoeg zien om die splinter uit het oog van je broer te halen. Kan soms de ene blinde de andere leiden?’ Jezus houdt vandaag een pleidooi voor een kritisch zelfonderzoek. En eigenlijk heeft hij het dan vooral over het oordeel dat wij vaak hebben over elkaar. Goed oordelen is een hele kunst. Maar wel een kunst die je kunt leren. De logica van Jezus is: als je wilt oordelen over een ander, oordeel dan eerst over jezelf. Echte waarheid begint bij de werkelijkheid van onszelf. Een wijze mens slaat zichzelf niet over. Een wijze mens loopt zijn of haar eigen ziel niet zomaar voorbij. Hij of zij zal leren om eerbiedig om te gaan met wat er leeft in het hart van zichzelf en daarna pas over wat er leeft bij de ander. Dus onderzoek eerst of je eigen ogen nog scherp genoeg zien en bemoei je dan pas met de zaken van een ander. Na deze wijze les krijgen we er van Jezus nog een paar spreuken bij: ‘Er bestaat geen goede boom die zieke vruchten voortbrengt en ook geen zieke boom die goede vruchten opbrengt’. En dan een hele mooie: ‘Een goed mens brengt het goede tevoorschijn uit de schat van de goedheid in zijn hart’. De moeite waard om af en toe mee bezig te zijn. In feite nodigt Jezus ons vandaag uit om onszelf beter te leren kennen én om kritisch te zijn op onszelf. Zelfkennis en zelfkritiek. Die vormen een goede garantie om gevrijwaard te blijven van een al te gemakkelijk of lichtzinnig oordeel over anderen. Maar het zelfinzicht dat we op die manier verkrijgen moet er niet toe leiden dat we onszelf gaan veroordelen. Want leven in de geest van Jezus houdt ook in dat we proberen alles en iedereen, en dus ook onszelf, te bezien met de ogen van de liefde. Bidden we dat God ons zal helpen steeds met een blik van liefdevolle barmhartigheid te kijken naar de ander en naar onszelf. 


Pastor Ben Wolbers, O.Carm.


Overweging Eucharistieviering MFA Knillus Vortum-Mullem


20 februari 2022 - 7e zondag door het jaar


Lezingen: 1 Samuël 26,2.7-9.12-13.22-23 en Lucas 6,27-38


In de beide Bijbellezingen wordt vandaag grondig afgerekend met het zogenaamde ‘vijanddenken’. Vijanddenken is de ander zien als een mogelijke vijand en daarop je gedrag afstemmen. Jezus vraagt vandaag aan ieder die dat doet eigenlijk bijna iets onmogelijks, als hij zegt: ‘bemin je vijanden’. Maar is het zo onmogelijk? David gaf ons vandaag het goede voorbeeld. Koning Saul heeft David tot zijn vijand verklaard. Saul achtervolgt David en hij wil hem eigenlijk vermoorden. Maar dan krijgt David op een bepaald moment de kans om Saul met gelijke munt terug te betalen. David was er namelijk achter gekomen waar Saul zijn tenten had opgeslagen. Hij besloot om met een paar van zijn soldaten in de nacht stiekem naar Saul toe te gaan. Zij slopen het kamp van Saul binnen. Bij de tent van Saul aangekomen, zagen zij dat deze rustig lag te slapen. Zijn soldaten fluisterden dat dit dé kans was om Saul te doden. Maar David weigerde dat, - u hoorde het in de lezing. Hij kroop voorzichtig de tent van de slapende koning Saul binnen en nam toen stiekem diens waterkruik en lans mee. Niemand merkte er iets van. De volgende morgen riep hij van grote afstand wat hij gedaan had en liet hij de lans en de waterkruik terugbezorgen bij Saul.  Zo liet hij aan Saul zien dat hij wraak had kunnen nemen en hem had kunnen doden. Maar dat geen kwaad met kwaad wilde vergelden. Zo liet hij zien dat hij goede bedoelingen met hem had. Bij ons thuis hing vroeger in de keuken een tegeltje: ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. Als er in de tijd van David zulke tegeltjes bestaan hadden, had David ook zo’n tegeltje naast de slapende Saul kunnen leggen. Mijn vader maakte van die tekst soms: ‘Wie goed doet, God ontmoet’. Jezus wil vandaag dus zijn volgelingen duidelijk wilde maken dat we nooit met gelijke munt terug moeten betalen. Niet vergelden. Wel vergeven. En goed doen aan die ander. Dit staat soms haaks op ons gevoel, denk ik. Als wij echt kwaad zijn, slaan wij liever terug, als het kan nog net iets harder. Wij kunnen in sommige gevallen maar moeilijk vergeven, want het recht moet toch zijn loop hebben? Maar als we dat blijven volhouden, worden we van slachtoffer tot dader. Het journaal laat ons dagelijks zien waartoe dat leidt. De vergeldingsgedachte is letterlijk een moordend principe dat alleen maar ellende oplevert. In de joodse samenleving en in het denken van toen vond men het heel opmerkelijk dat Jezus aan de mensen vroeg om de ander te vergeven in plaats van vergelding. Waar haalde hij het lef vandaan – vond men – om mensen die straf verdienden te vergeven en nieuwe kansen te bieden zonder dat ze boete hadden gedaan voor hun fouten. En bovendien – vond men toen ook – alleen God kan vergeven. ‘Bemin uw vijanden’ was daarom voor een deel van de schiftgeleerden veel te veel gevraagd. Maar toch. Toch spoort Jezus ons aan om meer te doen dan het gewone. Hij vraagt van ons vergeving en barmhartigheid. Hij laat dat zelf ook zien in zijn omgang met mensen die zogenaamd fout waren geweest. Tollenaars, vrouwen van de straat en al die mensen die niet gehoorzaamden aan de joodse wetten… telkens als hij zulke mensen onvoorwaardelijk vergaf, horen we hoe zij er andere mensen van werden, betere mensen… Zo is het nog steeds: vergeving kan mensen nieuw maken en de wereld een stukje beter. Dat lukt niet altijd, maar omdat Jezus het zo uitdrukkelijk zegt, zouden we het toch maar moeten proberen: barmhartig zijn zoals de hemelse Vader barmhartig is. En dus onze vijanden vergeven. Goed doen in plaats van kwaad met kwaad vergelden. Dat lijkt dwaas, maar soms is een beetje zot zijn zo gek nog niet.


Pastor Ben Wolbers. O.Carm.


Overweging bij 1 Kor. 15,12.16-20 en Lucas 6,17.20-26


 Sint Petrusbasiliek Boxmeer 13 februari 2022, 6e zondag door het jaar


Mattheus en Lucas hebben beiden al vrij vroeg in hun evangelie de lange toespraak die bij ons bekend is geworden als de rede van de zaligsprekingen. Misschien hebben ze de zaligsprekingen zo vooraan geplaatst omdat je ze kunt zien als een samenvatting van wat Jezus bezielde en waarvoor hij leefde. Want was hij niet ook zelf de arme was die leefde voor het Rijk van God? En hij was niet ook degene die hongerde naar gerechtigheid en was hij het niet die bij uitstek aandacht had voor het verdriet van mensen? Vandaag hoorden we het evangelie zoals Lucas het heeft opgeschreven. We hoorden de zaligsprekingen daar in een dubbele formulering: eerst vier keer als een soort gelukwensen: ‘zalig wie arm zijn, want voor jullie is het Rijk van God… zalig die nú honger moeten lijden, want jullie zullen volop te eten hebben, zalig die nu verdriet hebben, want jullie zullen lachen, zalig jullie die vervolgd worden om je geloof in de Mensenzoon… want in de hemel wacht jullie een rijke beloning… ’. Vier zaligsprekingen. Maar daarna volgen onmiddellijk vier wee-spreuken, waarschuwingen. Paus Franciscus heeft ze eens ‘anti-zaligheden’ genoemd…  : ‘Wee jullie die nu rijk zijn, want je hebt je troost al binnen, wee jullie die nu genoeg te eten hebben, want je zult echt honger hebben, wee die nu lachen, want het lachen zal je vergaan, wee als alle mensen lovend over je spreken want jullie zal hetzelfde lot treffen als de valse profeten…’ De zaligsprekingen zoals Lucas ze heeft, zijn net even anders geformuleerd dan bij Mattheüs. En daar komt nog iets bij. Want anders dan bij Mattheüs leggen ze een sterke nadruk op het verschil tussen het normale leven van veel mensen én het leven in het Rijk der hemelen. In het rijk van God zullen de rollen omgedraaid zijn. Of, zoals Maria het zingt in haar Magnificat: armen zullen worden overladen met gaven, maar rijken worden weggestuurd met lege handen … Zoals Lucas de zaligsprekingen formuleert, hebben ze soms veel onheil gesticht, - omdat ze vaak werden verstaan als een beeld van hoe het later zou zijn, in de hemel. Ze werden dikwijls gebruikt als zoethoudertje: later zal het beter zijn, stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw… Dus als een alibi om niks te doen aan de noden waar mensen nu onder gebukt gaan. Berucht is een uitspraak geworden die wordt toegeschreven aan een rijke Twentse textielfabrikant. Die zou tegen een pastoor gezegd hebben: ‘hou jij ze dom, dan hou ik ze klein’. Of dat helemaal zo waar is, weet ik niet, maar het illustreert wel hoe de woorden van Lucas soms werden geïnterpreteerd. Maar dat is dan wel een verkeerde interpretatie.


Want het visioen van Lucas gaat over het Rijk van God dat eens in zijn volheid zal komen, maar dat nú ook al onder ons is. Daarom zijn de zaligsprekingen en de wee-spreuken bij Lucas tegelijkertijd een oproep én een belofte: er moet recht worden gedaan aan mensen die lijden onder onrecht. Mensen die het altijd tegenzit, moet het toch ook eens goed gaan… Maar dat neemt niet weg dat deze zaligsprekingen evengoed óók een belofte zijn. Wij hoorden Paulus in zijn brief aan de Korintiërs zeggen: “Als wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. (-) Maar zo is het niet”, schrijft hij, “Christus is opgewekt uit de doden als eerste van ons allen”. Hoe onbegrijpelijk het mysterie van ons leven nu én na dit leven ook is, toch, hoor ik in de woorden van Paulus dat de kinderen van Somalië, Eritrea, Syrië en... vult u zelf maar aan… al die kinderen en volwassenen die nu moeten leven in oorlog en geweld, - zij moeten toch ook de liefde mogen ervaren en de vrede…waar Jezus zo vol van was, - nu al én straks... De troost van het Rijk van God, het Rijk der hemelen is geen zoethoudertje… laat dit voor ons een reden zijn om vandaag al te beginnen met een bijdrage aan een betere wereld. Het Rijk Gods is immers ook nu al aan ons gegeven. God heeft ons ook in dit leven al aan elkaar toevertrouwd. En Hij rekent op ons, ook hier en nu. Maar tegelijkertijd – ik zei het al – zijn deze zaligsprekingen evengoed óók een belofte. God zelf zal, hoe dan ook, opkomt voor alle mensen die in dit leven hun deel van het goede niet krijgen. Wij mogen erop te vertrouwen dat God zeker ook andere dan menselijke mogelijkheden heeft. Misschien mogen we juist daarom de zaligsprekingen rekenen tot de meest hoopvolle woorden uit het evangelie.


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


Overweging 6 februari 2022 5e zondag door het jaar


Het beeld van de barstensvolle netten, die met moeite in de boot worden getrokken, werd en wordt nogal eens gezien als beeld voor de kerk, stampvol met gelovigen, binnengehaald door trouwe werkers en werksters, die overal, tot diep in tropische binnenlanden de goede boodschap verkondigden. Een tijd geleden had ik een apparaatje in mijn handen waarvan ik niet direct begreep wat was. Het bleek een biechttellertje te zijn. Een apparaatje voor biechtvaders om bij te houden hoeveel gelovigen zij in hun biechtstoel ontvingen. Het apparaatje stamt uit de tijd dat het succes van de kerk werd afgemeten aan de aantallen gelovigen bij vieringen, dopen, 1e communie en dus ook bij het biecht horen. Men was trots op die succesvolle kerk en triomfantelijk liet ze zich zien in allerlei massa manifestaties: ‘Roomschen zijn wij en dat zullen ze weten’. Een zeer oude medebroeder van mij vertelde mij eens dat pastoors bij hun ontmoetingen, onder het genot van een glas wijn en een goede sigaar, elkaar graag een beetje aftroefden met die aantallen. Het werd immers ook wel een beetje als het succes van de pastoor gezien. Maar het evangelie dat wij zojuist hebben gehoord laat juist zien dat het eigenlijke werk niet door menselijke inspanningen wordt verricht.  Petrus, waarschijnlijk toch een doorgewinterd visser, had op eigen kracht die nacht helemaal niets binnengehaald. Petrus is diep geschokt als hij door het woord van Jezus een net binnenhaalt dat tot scheurens toe met vissen is gevuld. Hij had waarschijnlijk gedacht: ‘nou ja, vooruit dan maar, omdat jij wilt’ en hij gooit de netten uit in het diepe en nog wel overdag. Het is de beste manier om helemaal niets te vangen. De nacht is de tijd om te vissen en in het diepe leeft niet zoveel. Petrus is, staat nadrukkelijk geschreven, ontzet. Hij ziet met een schok in dat hij in Gods hand een instrument is, niets meer maar ook niets minder. Later zal hij als instrument van God mensen gaan vangen. Wij christenen, wij leven in een tijd van lege netten. Althans, onze kerkelijke netten zijn zo goed als leeg. Voor ons is het onmogelijk geworden om in triomf ons te laten verblinden door de grote aantallen. En, wij worden steeds meer met onze neus op het feit gedrukt dat wij hier niet veel tegen in hebben te brengen. God lijkt gewoon zijn eigen weg met mensen te gaan. Een weg die vaak buiten onze voorstellingen en geloofskaders omgaat. Maar die weg ís er toch wel? Ja, zou het voorstelbaar zijn dat God zijn tot leven roepend werk niet meer doet? Hij spreekt zijn scheppend Woord toch altijd door? In zijn kerk, maar ook in de natuur waar steeds maar weer overal het leven verschijnt, in de harten van mensen die zich met alle macht inzetten voor elkaar, overal op deze wereld. Hij spreekt het scheppend Woord, waardoor ook wij helemaal gratis en voor niets in het leven worden gehouden. Dat Woord gaat zijn weg met ons en het is niet omgekeerd. Wij hebben onszelf niet gemaakt. Wij worden natuurlijk wel uitgenodigd om mee te werken en mee te geven, in onze tijd, in onze omstandigheden. In onze dagen wordt het ons eenvoudig onmogelijk gemaakt om bij het oppervlakkig getal te blijven stilstaan. Want, wij zijn en worden, net als Petrus in het evangelie, steeds verder gebracht aan het eind van wat wij zelf denken te kunnen doen. Misschien is dat ook wel een geluk. Zou het niet mogelijk zijn dat zo in ons ruimte kan ontstaan waardoor wij Gods werk kunnen zien op de plaatsen en in de mensen waar wij het niet zomaar zouden verwachten? Waar wij eerst misschien aan voorbij zouden zien? Dezelfde oude pater van het biechttellertje vertelde mij ook over de mensen waarmee hij soms tientallen jaren op weg was. Eenvoudige mensen, geen mensen die vaak op zondag in de kerk komen, maar hun Godsrelatie is vaak zo sterk en zo diep dat hij, zei hij zelf, er verlegen van werd. En ze zijn overal, zei hij, op iedere hoek van de straat kom ik ze tegen. Misschien verlaten we pas nu de oppervlakte en leren we in de diepte te kijken. Bidden we dat onze ogen daarvoor meer en meer opengaan. Amen. 


Zr. Susan van Driel o.carm.


Overweging 30 januari Thema: ‘Wordt vervolgd…’


1e lezing Jeremia 1,4-5. 17-19  2e lezing 1 Korintiërs 12,31;13,1-13 NBV ‘21 Evangelie Lucas 4, 21-30  


Boeken- en tijdschriftuitgevers, filmproducenten en hoorspelschrijvers weten het allang: verhalen in opeenvolgende gedeeltes verteld, houdt de verhaallijn spannend en doet mensen terug keren voor het vervolg, kassasucces vrijwel verzekerd. Hierbij gaat het veelal om vertellingen die vooral lekker weglezen, kijken of luisteren en waarbij mensen geboeid en verrast raken, benieuwd naar de ontknoping of afloop van het verhaal; het is meestal niet al te diepgaande kost maar gewoon ter vermaak of ontspanning van het dagelijkse leven. Fijn toch, om daarvan te mogen genieten! In de kerk worden het jaar door ook vaak vervolgverhalen verteld. Telkens een stukje van het verhaal van God met de mensen. We kennen de verhalen veelal wel - zo is ons idee – maar steeds opnieuw valt er weer iets anders op en we veranderen zelf ook! waardoor we de levenslessen vanuit een ander gezichtspunt bekijken. Het is verwonderend wat het met ons doet - als we tijdens een wat langere bezinning - samen de tekst op ons laten inwerken. Zo wandelen we vandaag als in een feuilleton het Evangelie binnen. Een boekrol waaruit is voorgelezen wordt opgerold en teruggegeven aan de tempeldienaar. Maar wat werd er door lector Jezus dan voorgelezen van de profeet Jesaja? We hoorden het vorige week zondag maar laten we het nog even in herinnering brengen; dit las Hij: 


De Geest is over Mij gezonden, om aan armen de blijde boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien. Om verdrukten in vrijheid te laten gaan, om een genadejaar van de Heer af te kondigen. 


In het dorp waar Jezus is opgegroeid, leest Hij deze compacte tekst voor aan het begin van Z’n openbare loopbaan. Aan de hand van deze tekst houdt Hij een nog compactere preek: ‘Het Schriftwoord dat u zojuist hebt gehoord, is thans in vervulling gegaan.’ Nadat Hij naar z’n plaats is gegaan, geeft Hij een kleine uiteenzetting van de opdracht die Hij heeft. Hoe Hij van binnenuit, gedreven door de H. Geest, de invulling van Zijn roeping ervaart. Het oude testament vindt in Jezus z’n vervolg. De mensen uit Nazareth hebben echter zo hun eigen ideeën over hun dorpsgenoot, ze kennen Hem immers en claimen Hem voor zichzelf. Heel menselijke vriendjespolitiek, ons kent ons. Maar ook Jezus kent z’n dorpsgenoten. Als Hij hen dan meteen de wind uit de zeilen neemt door kort en bondig te zeggen dat Hij daar niet op in kan gaan, valt dat natuurlijk niet goed. Toch wil Jezus de weg gaan zoals Hij die voelt te moeten gaan, anders komt Hij in conflict met zichzelf en z’n hemelse Vader. Gods liefde moet gróeien en is voor alle mensen, kent geen door ons getrokken grenzen. Jezus was in de wieg/kribbe gelegd om Gods liefde waar Hij maar kon duidelijk onder de aandacht te brengen en zo maximaal gestalte te geven. Over die liefde hoorden we vandaag ook een geliefd gedeelte uit de 1e Korintiërs brief. In kerkelijke huwelijksinzegeningen kiezen bruidsparen regelmatig déze tekst als lezing over grenzeloze onbaatzuchtige liefde, die ze met Gods hulp in praktijk willen brengen. En laten we eerlijk zijn, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan want liefde is een werkwoord dat dagelijks oefening vraagt om wederzijds de ander te willen verstaan en proberen tegemoet te komen. De apostel Paulus schreef zijn aanwijzingen niet alleen voor echtparen maar voor iedereen die met medemensen te maken heeft en er maar naar wil horen. De profeet Jeremia werd door God geroepen en ook Jezus kreeg z’n opdracht tot bekendmaking van liefde zonder eigen belang en dat kan in ons vervolg vinden ook al is liefde soms taaie kost, moet er veel voor gedaan en gelaten worden maar het loont absoluut de moeite. Immers ons geestelijke DNA vindt z’n oorsprong in de liefde waaruit we geboren zijn, iets waar we in het dagelijks leven gemakkelijk aan voorbijgaan. De teksten uit alle 3 de schriftlezingen van vandaag laten zien: wie ingaat op z’n roeping kan zich verzekerd weten van Gods steun bij het vervullen van zijn levensopdracht. We mogen zelf - met Gods hulp - in het dagelijks leven een vervolg schrijven met iedereen waar we mee te maken hebben want God wil dat alle mensen zijn liefde laten groeien, generatie na generatie, waar ook ter wereld. 


Betzie Brakels, werkgroep Woord en Communievieringen


Overweging oecumenische viering 16 januari 2022 (St. Anna)


Eind vorige maand vierde kerstmis, de geboorte van Jezus, een feest met veel licht. Als je door het dorp loopt zie je veel verlichting bij huizen en gebouwen, om de duisternis te verlichten. En nu staan we aan het begin van de gebedsweek met het thema” licht in het duister”. Toen ik aan de overdenking begon heb ik me afgevraagd, wat is de betekenis tussen duister en duisternis, of wat is het verschil daarvan; In het eerst Bijbelboek Genesis 1: In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en de duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. En God zag, dat het licht goed was. Het heeft meerdere betekenissen voor ons als toepassing maar ook het woord is het licht in de duisternis ‘Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.’ Psalm 119:105. Om bewust te worden om elke dag nodig te hebben, dat Licht en duisternis strijd met elkaar heeft. Jezus dan zei tegen hen: Nog een korte tijd is het licht bij u; wandel zolang u het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalt. En wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heen gaat.’Johannes 12:35 HSV. In deze breekbare en onzekere wereld zoeken wij naar een licht, naar een sprankje hoop. Te midden van het kwaad verlangen we naar goedheid. Wij zoeken het goede in onszelf, maar vaak worden we zo overweldigd door onze zwakheid dat de moed ons in de schoenen zinkt. Ons vertrouwen is gevestigd op de God die wij aanbidden. In zijn wijsheid stelde God ons in staat om te hopen op zijn ingrijpen. We konden echter niet voorzien dat Hij dat zou doen door mens te worden. Dat Hij zelf het licht in ons midden zou zijn, overtrof al onze verwachtingen. Midden in de duisternis van de mensheid verscheen de ster uit het oosten. Deze ster scheen niet alleen op een specifiek historisch moment, maar staat vandaag de dag nog steeds symbool voor het licht dat doordringt in de duisternis van onze verdeeldheid. Dit licht heeft de loop van de geschiedenis definitief veranderd. Door de eeuwen heen leerde de wereld hoop kennen. Deze hoop is geïnspireerd door de heilige Geest en wordt zichtbaar in het leven van de volgelingen van Christus. Zij getuigen van Gods werk en van de blijvende aanwezigheid van zijn Geest. Gods Geest van kracht en liefde leidt ons richting het volmaakte licht dat de duisternis van verdeeldheid overwint. Het verlangen om die duisternis te overwinnen, dwingt ons om te bidden en werken aan christelijke eenheid. Te midden van politieke onrust, een groeiende cultuur van hebzucht en machtsmisbruik, lijden christenen – net als anderen in het Midden-Oosten – onder vervolging en ervaren zij dat zij achtergesteld worden. Ze leven in angst voor geweld en onrechtvaardigheid. Toch zijn zij niet bang, omdat de Herder met hen wandelt, hen in één kudde verzamelt en hen tot een teken maakt van zijn liefdevolle aanwezigheid. Samen zijn zij het gist dat het deeg laat rijzen. In Christus vinden zij een voorbeeld van nederigheid. Van Hem horen zij een oproep om verdeeldheid te overwinnen en verenigd te zijn in één kudde. In het duister is, in het duister tasten, duistere praktijken, het is duister verhaal, zij leven in het duister, wereldleiders zijn soms duistere figuren. enz. enz. Ook zo Herodes, die de 3 wijze vroeg om terug te komen om hem te vertellen waar de Koning het kind was. Toen hij merkte dat ze niet terugkwamen, werd hij boos en gaf opdrachten alle kinderen van twee jaar en jonger in Bethlehem en de wijde omgeving om te brengen. De bootvluchtelingen die het land willen ontvluchten worden door mensen handelaars voor veel geld in te kleine bootje gestopt met alle gevolgen van dien. De president die vluchtelingen laat overvliegen om zo druk uit te oefenen om zijn politieke dictatuur uit te blijven oefenen en zijn eigen mensen onderdrukt. Allemaal voorbeelden van duistere praktijken, hoeveel leiden daar onder, ook dichtbij, hoe mensen worden misleid om hen bankpasje mee te geven aan mensen die zeggen van een bank te zijn, om vervolgens de rekening leeghalen. Het thema van de gebedsweek is LICHT IN HET DUISTER. Miljoenen mensen zijn op de vlucht en verlaten alles wat ze hebben. Laten wij vandaag bidden voor hen, dat zij hoop en moed mogen houden. Kregen ze allemaal maar zo’n droom als Jozef, dat hij met het kindje en moeder moest vluchten naar veilig land, Egypte voor Herodes en toen deze was overleden konden ze terug naar Israël. Is dat het licht in het duister wat ons de weg wijs, en het licht dat vreugde breng. Duisternis kan het licht niet doen verdwijnen. Licht kan duisternis wel doen verdwijnen. Amen


Jos de Graaf


Overweging oecumenische viering Week voor de eenheid 16 januari 2022 (Protestantse kerk)


Alle pastores horen weleens van mensen: ‘Ik merk nooit iets van God. Als ik nou eens een teken zou krijgen. Maar nee hoor, helemaal niks.’ Ja, om wat voor teken zou het dan moeten gaan? Wat zou God moeten doen om aan ons te openbaren dat Hij er is, dat Hij ons liefheeft?


De evangelielezing die wij zojuist hebben gehoord verhaalt van juist zo’n teken. Van oudsher hoort deze lezing bij het feest van Epifanie; of Driekoningen. Als betekenis van dat woord Epifanie wordt in woordenboeken gegeven: ‘Een plotselinge, verwarrende openbaring’. En dan staat er ook nog heel ingewikkeld bij geschreven: ‘Een zich aan de ratio onttrekkende, plotselinge, kortdurende, diep inwerkende ervaring waarin een zintuiglijk waarneembaar element in de gewone, alledaagse werkelijkheid een niet binnen een gangbaar kader te plaatsen reactie oproept bij wie het ondergaat.’ Hoe lang kun je een zin niet maken… Veel woorden die er eigenlijk gewoon op neerkomen dat er iets ingrijpends gebeurt in onze gewone wereld dat niet wordt gesnapt en mensen in de war brengt. Het valt buiten het gewone. 


Dat is zeker aan de hand met wat wij zojuist hebben gehoord. Het is niet gewoon, die geboorte van ‘de Koning van de Joden’. En dat zou het in onze dagen nog steeds zijn.  U heeft vast en zeker ook wel eens gezien, op televisie bijvoorbeeld, dat als de president van Amerika ergens verschijnt er muziek klinkt. Het is nogal pompeuze muziek, het heeft de naam Hail to the chief. Heil aan de leider, betekent dat. Het wordt meestal gespeeld door het koper van een militaire band, met een flinke dreun. Muziek om indruk te maken, om iedereen te laten weten: kijk, hier komt de leider van de wereld. Het is een oud gebruik, ook koningen lieten zich vroeger door trompetgeschal aankondigen.  Het gaat in al dit soort gebruiken om het laten zien van macht en kracht. Indruk maken, daar gaat het om. Dat is niet voor niets, want wij mensen zijn daar nu eenmaal gevoelig voor. Denk maar eens aan de speciale cursussen voor sollicitanten om te leren hoe je jezelf zo goed mogelijk kunt presenteren. Want je kunt nog zoveel opleiding hebben genoten, ervaring hebben en de aardigste mens van de wereld zijn: als je het niet kunt presenteren, dan kom je meestal niet erg ver.


Daarom is het eigenlijk een Godswonder dat het christendom een wereldgodsdienst is geworden, het zet eigenlijk de hele wereld op z’n kop.  Want de koning van de Joden die de magiërs zoeken, is niet in de prachtige paleizen van de koning. Daar zoeken de magiërs Hem natuurlijk. Ergens in een gouden wiegje, in het centrum van de macht. Maar bij zijn geboorte is er geen kanongebulder, geen schallende trompetten. Die zijn in Jeruzalem waar de paleizen van de koning zijn, waar de tempel is, het imposante bouwwerk waarmee Herodes indruk wilde maken op jood en niet-jood. Nee, de magiërs zoeken hem tevergeefs waar macht en kracht wordt getoond. Waar Herodes zo vreselijk van schrikt en hij heel erg bang voor is, wordt dan in een paar woorden gezegd: ‘Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria’. Meer is het niet.  Zó wordt de Zoon van God geopenbaard aan de wereld. Het was alsof God het kleine en kwetsbare bekrachtigde. Ja, zo is het goed. Zoals Hij in het begin van zijn schepping zag dat het goed was zoals het was.  Ook eindig en broos.  Een pasgeboren kind met zijn moeder. Meer was het niet, toen God in zijn wereld kwam. De magiërs lieten zich bekeren. Zij gingen niet meer naar de macht van Herodes terug. Zij wisten vanaf toen dat zij het niet moesten zoeken bij tempels en paleizen. Niet bij trompetgeschal.  Nee, integendeel, zoals wij in de woorden van Jesaja hoorden als hij spreekt over het licht dat schijnt voor de wereld: ‘de stok op de schouder, de staf van de drijver, die worden verbrijzeld; ledere laars die dreunend stampt en elke mantel die doordrenkt is van bloed, ze worden verbrand’. De magiërs werden in de traditie tot koningen, en later kregen ze in afbeeldingen verschillende huidskleuren en verschillende leeftijden.  Want zij werden in hun verscheidenheid tot symbool van de hele wereldbevolking; zo kunnen wij hen misschien ook beschouwen als symbool van de verschillen die er zijn tussen christenen. Verschillen die er gewoon zijn, maar die eigenlijk ook iedere mens, iedere cultuur én iedere kerkelijke stroming in hun eigenheid mooi maakt. Want het zijn ook verschillen die overbrugbaar zijn. De brug is het licht van Christus geraakt als wij zijn door Gods liefde die op deze aarde kwam in een mensenzoon, in kwetsbaarheid. Dat hebben wij allemaal gemeen.  De wijzen gingen niet terug naar de macht van Herodes. Met woorden van Paulus: ‘De vruchteloze praktijken van de duisternis’ waren voor hun ogen definitief ontmaskerd, zij gingen voortaan ‘een andere weg’. Nu ging het licht van Christus met hen mee. 


Bidden wij dat ook wij de weg van de Heer zullen gaan: zijn licht volgend en zijn licht zijn in deze wereld; bidden wij dat ook wij kwetsbaar durven te zijn, zo kwetsbaar als Hij. Amen.


Zr. Susan van Driel o. carm.


Feest van de doop van de Heer, 9 januari 2022


Overweging bij Jesaja 42,1-4.6-7 en Lucas 3,15-16.21-22


Gehouden tijdens de Eucharistieviering in de Karmelcommuniteit


Eerste lezing: Jesaja 42, 1-4.6-7


Zie hier mijn dienstknecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, die Mij welgevallig is. Ik heb mijn geest op hem gelegd, en hij maakt de volkeren het recht openbaar. Hij roept niet en schreeuwt niet, hij laat zijn stem niet horen op straat.  Het gekwetste riet zal hij niet breken en de kwijnende vlaspit blaast hij niet uit. Waarlijk, het recht maakt hij openbaar. Hij zal niet kwijnen en niet worden gekwetst, maar vestigt het recht op de aarde en de eilanden zullen zijn boodschap verbeiden. Ik Jahwe zelf, heb u geroepen om heil te brengen, Ik neem u bij de hand, Ik vorm u en bestem u om de man te zijn van mijn verbond met het volk, het licht voor de naties, om blinde ogen te ontsluiten, om gevangenen uit de kerker te bevrijden, uit de gevangenis degenen die wonen in de duisternis.


Evangelie: Lucas 3,15-l6.21-22


In die tijd toen het volk vol verwachting was en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde of hij niet de Messias zou zijn, gaf Johannes aan allen het antwoord: 'Ik doop u met water maar er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.'Terwijl al het volk zich liet dopen, en Jezus na zijn doop in gebed was, geschiede het dat de hemel openging, en dat de heilige Geest, in lichamelijke gedaante als een duif over Hem neerdaalde, en dat een stem uit de hemel sprak 'Gij zijt mijn Zoon, de Welbeminde, in U heb Ik mijn behagen gesteld.'


Overweging


 Een jonge vader vertelde tijdens een doopgesprek over het wonder van de geboorte van hun eerste kind. Ze waren ze blij geweest dat zij in verwachting was, dat ze samen het geboortekaartje al ruim vóór de geboorte gemaakt had. Tekst en beeld waren klaar. Alleen de naam en de datum moesten nog worden ingevuld. De vader vertelde hoe ontzettend veel indruk de geboorte van hun kindje op hem had gemaakt. Hij had het helemaal mee mogen maken, in het ziekenhuis, midden in de nacht en het had hem totaal overdonderd. Het had alles overtroffen wat hij er tevoren over had gehoord. Toen hij de ochtend na de geboorte naar de drukker reed, was dat gevoel er nog steeds geweest: dat hij een groot en ontzagwekkend wonder had meegemaakt. Maar “toen ik het kaartje nog even doorkeek in de drukkerij, vond ik het eigenlijk veel te gewoon. Het paste niet meer bij wat ik voelde”. En toen had hij er in een opwelling een zinnetje aan toegevoegd. Terug bij zijn vrouw had hij dat ook onmiddellijk opgebiecht. “Ik hoop dat je het niet erg vindt, maar ik heb de tekst een beetje veranderd. Ik vond de geboorte zo buitengewoon... Ik heb er toen onder de naam nog een paar woorden bij laten drukken: ‘Made in heaven’”. (Verteld door Nico ter Linden). Zo verwoordde de jonge vader het ontzagwekkende geheim dat hij voelde achter de geboorte van zijn kindje. Lucas gebruikt totaal andere woorden, maar hij bedoelde misschien wel hetzelfde Geheim onder woorden te brengen. Bij Jezus’ doop, vertelt hij, klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn liefste zoon, in jou heb ik mijn behagen gesteld’. Dat wil zeggen: ‘Jij bent een mens naar mijn hart. Ik hou van jou!’ Eigenlijk zegt God dit tegen ieder kind dat wordt geboren. Daarom lees ik het evangelie dat we zojuist hoorden ook graag voor in doopvieringen. En in een kort woordje zeg ik dan vlak voor de eigenlijke doop tegen de dopeling: “Nu wordt jij gedoopt, nu zegt God ook tegen jou: jij bent een kind van mij, jij bent mijn liefste dochter, jij bent mijn liefste zoon, in ben heel blij met jou, ik hou van jou”. De liturgie van vandaag heeft het verhaal van de doop van Jezus gekoppeld aan de eerste lezing met die bekende, prachtige woorden van Jesaja over de dienstknecht van God. Eigenlijk laat de liturgie daarmee zien waarom Jezus een mens was naar Gods hart, waarom God in hem zijn behagen had gesteld. ‘Hij roept en schreeuwt niet, hij laat zijn stem niet horen op straat. Het geknakte riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit blaast hij niet uit. Hij zal werkelijk gerechtigheid brengen’. Maar zo’n mens als Jezus worden wij niet vanzelf. De kans dat je zo iemand wordt is het grootst als je in je kinderjaren en in je jeugd lieve mensen om je heen hebt die, zoals die jonge vader, geraakt kunnen worden door het wonder en het geheimvolle van het leven. En de kans dat je een leven kunt opbouwen in de geest van Jezus is het grootst als je in je jonge jaren mensen om je heen hebt voor wie de levensstijl van Jezus iets betekent, die de levenswijze van Jezus serieus nemen. ‘Ik doop u’, hoorden we Johannes zeggen, ‘met water, maar hij die na mij komt, zal u dopen met heilige Geest en met vuur’. De Geest van Jezus, het vuur van Jezus, - daarmee worden wij gedoopt.Wat dit in de praktijk kan betekenen is me duidelijk geworden in het verhaal van een ouderpaar dat ik ooit in het ziekenhuis ontmoette. Zij hadden vijf kinderen. Alle kinderen waren slim, behalve één zoon. Hij bleek al gauw een zorgenkindje. Hij kon niet goed meekomen op school. In het voortgezet onderwijs kwam de aap uit de mouw. Hij had een tumor in zijn hoofd. En daarmee had hij lang gesukkeld. Uiteindelijk was hij gestorven, veertien jaar oud. Op de grafsteen van die jongen hadden zij toen de woorden laten zetten die wij vandaag in de eerste lezing hoorden: "Het geknakte riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit blaast hij niet uit." Aan die woorden hadden deze ouders zichzelf altijd opgetrokken in hun zorg voor hun zoon. Nu hun zorgenkind gestorven was, bleven ze zich optrekken aan die woorden. Ze geloofden dat God hun liefde en hun zorgzaamheid had overgenomen. Want zó was Jezus toch ook met mensen omgegaan?“Jij bent mijn geliefde zoon”, zei de Stem uit de hemel.Mijn kindje is “made in heaven”, zei de jonge vader.“Ik doop je met water”, zei Johannes, “maar die na mij komt zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur”.“God heeft onze zorg en onze liefde overgenomen”, zeiden die ouders.Van vóór onze geboorte in deze wereld tot ín ons leven na de dood zijn we met heel ons wezen verbonden met God. En Jezus heeft ons laten zien wat de uitwerking daarvan kan zijn. Bidden we dat we mensen kunnen zijn en worden zoals God ons graag ziet.


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


Overweging oud en nieuw 31 december 2021


Morgen weer een nieuw jaar, dus naar goede gewoonte wensen we elkaar straks gelukkig Nieuwjaar, en we voegen er heel vaak aan toe: ‘En een goede gezondheid.’ Dat doen we zeker in deze tijd heel nadrukkelijk, een tijd waarin we al een hele poos worden geconfronteerd met hoe kwetsbaar we eigenlijk zijn. Vroeger wensten we elkaar een ‘Zalig Nieuwjaar’, dat klinkt toch iets zegenrijker dan ‘gelukkig’, in ‘zalig’ klinkt de hemel door. En naar een beetje hemel op aarde verlangen we toch allemaal. Daar willen we zelfs verantwoordelijkheid voor nemen en ook aan werken. Maar wat we ook verlangen, waar we ook aan willen werken, we weten dat op 1 januari niet alles als bij toverstaf verandert. We mogen dan misschien een nieuwe kalender en een nieuwe agenda hebben, ons leven van vandaag gaat morgen gewoon door. Wat ons het voorbije jaar vreugde bracht, nemen we ook in het komend jaar met ons mee en het verdriet, de twijfel en de pijn die er gisteren waren, verdwijnen niet ineens omdat we in 2022 leven. Zojuist hebben we in de evangelielezing gehoord hoe de herders en Maria op hún nieuwe jaar reageren. Want er kan geen twijfel over bestaan dat er voor hen iets nieuws begonnen is. Dat hebben we met Kerstmis gevierd, en vandaag zien we wat er daarna gebeurt: de herders haasten zich naar Bethlehem om met eigen ogen te zien wat zij van Godswege hebben gehoord. En inderdaad, ze vinden het pasgeboren kind. Ze hebben dus gehoord en nu ook gezien. Wordt het vervolgens ‘horen, zien en zwijgen’? Nee, het wordt horen, zien en spreken, want ze worden verkondigers; ze maken openbaar wat hun over dat kind is verteld. Zij zijn eigenlijk de eerste apostelen. Zij, eenvoudige herders, die helemaal niet in de gunst stonden van het betere volk. En wanneer ze naar hun kudde teruggaan, verheerlijken en loven ze God. Dat is wat zij op de eerste dag van hún nieuwe jaar doen. Misschien kunnen we daar iets van leren en ook iets vaker doen: God verheerlijken, en Hem danken voor elke dag die Hij zo gunnend aan ons schenkt; Hem danken voor het leven, voor de liefdevolle mensen om ons heen, voor het licht in onze ogen en de klanken die we horen. Dat krijgen we allemaal, ondanks dat we ook in een donkere tijd leven en dat we het soms best wel moeilijk hebben met elkaar. En dan Maria. Wat moest ze beginnen met de woorden van de engel dat er vandaag een Redder geboren was, Christus de Heer’? Het enige wat ze er op dat moment mee kon doen, was die woorden bewaren in haar hart, ze bij zichzelf overwegen. en hopen dat zij ze ooit zou begrijpen. Maar daarvoor moest ze eerst groeien in geloof, en moesten haar geloof en haar hoop sterker worden dan twijfel en pijn. Ja, zij had gezegd: “Mij geschiede naar uw Woord”, maar toen zij jaren later tijdens een reis naar Jeruzalem haar kind kwijt was sloeg de schrik haar om het hart. En ze ging zoeken en ze liet het niet alleen over aan Gods voorzienigheid. Vertrouwen en verantwoordelijkheid nemen voor de wereld die wij hebben geërfd, het een heft het ander niet op, maar als het goed is maakt het elkaar wel sterker. En vooral dat wens ik ons toe: dat we doen als Maria, dat we Gods woorden in ons hart bewaren en ze bij onszelf overwegen, en dat ons geloof en onze hoop het winnen van de duisternis. Onze H. Schrift staat vol met voorbeelden van mensen die de weg gingen van de Heer, maar met angst en vrees in het hart. Vooral profeten vonden het nogal eens heel bedreigend als zij geroepen werden om Gods Woord tegen machten en duistere krachten in te verkondigen. Toch gingen ze, tegen moedeloosheid in. En ze ontdekten gaande de weg dat Hij er is. Dat ontdekten de herders, dat Hij er is, dat ondervond Maria, dat Hij er is. Zelfs in haar en uit haar… En ten slotte: in de eerste lezing hoorden we een prachtige, oeroude zegenwens. Ik herhaal hem graag: “Moge de Heer u zegenen en u behoeden! Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn! Moge de Heer zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!” Blijven wij bidden dat wij net als Maria zullen groeien in het geloof dat de Eeuwige door alles heen dat werkelijk ook dóet. Bidden wij dat wij net als Maria vrede zullen vinden in dat vertrouwen. Dan kan het nieuwe jaar niet meer stuk, want dan zal het echt een Zalig Nieuwjaar zijn waarin Hij met ons meegaat waarin zijn glans onze ogen zal verlichten. Amen


Zuster Susan van Driel o.carm.


Overweging op kerstavond 24 december 2020 


Overweging


Het is in zoveel gestalten dat de nood van mensen aan onze ogen voorbijtrekt. Dat is natuurlijk niet nieuw, altijd is er hongersnood en wreedheid, ziekte en oorlog geweest. Maar in onze dagen krijgen wij in de media de nood van de hele wereld dagelijks voorgeschoteld. Soms vliegt het ons aan. Als God bestaat, waarom laat Hij dit dan toe, waar ís God?’ Zo vaak kan zo’n vraag door ons hoofd spoken, zo vaak wordt die ook uitgesproken. Wáár is in godsnaam God? Dit is geen nieuwe vraag.  Tweeduizend jaar geleden stelden mensen ook die vraag. Het was een tijd waarin Herodes, de vazal van Rome de eretitel ‘Koning der Joden’ van de Romeinse bezetter gekregen had, omdat hij een opstand bloedig had neergeslagen.  In pracht en praal regeerde hij, hij had ook de tempel in Jeruzalem prachtig opnieuw laten bouwen heel de wereld keek er met bewondering naar. Maar het schild met de Romeinse Adelaar hing boven de ingang.  Een gruwel in de ogen van vrome Joden. Waar is God, vroegen de mensen zich af. Er wordt weleens gezegd dat wij mensen goddelijkheid alleen kunnen herkennen in pracht en praal, in schitterende kathedralen, prachtige gewijde plaatsen. Maar zojuist hebben we een verhaal gehoord dat eigenlijk het tegenovergestelde vertelt. Dat verhaal vertelt dat hij zomaar ergens in een uithoek van onze aarde geboren werd, midden in een tijd van harde onderdrukking en in een voerbak werd gelegd. De apostel Paulus zegt in onze H. Schrift over de kruisdood van Christus dat dit voor veel mensen ‘een aanstoot en een dwaasheid’ is. Het staat nergens, maar hij zou het ongetwijfeld ook hebben gezegd over zijn geboorte. De herders moeten een kind gaan zoeken dat in een voerbak ligt. Dat is geen plaats voor een pasgeboren kind, maar het is wel een plaats die tot de gewone wereld van de herders hoort. Natuurlijk kunnen herders een stal binnengaan. In een paleis of in het heilige der heiligen in die prachtige tempel van Herodes zou dat onmogelijk zijn geweest. Herders waren in die tijd ruw volk, de onderkant van de samenleving, ze werden zelfs heidenen genoemd. Die kwamen niet binnen in tempels en paleizen. Nee, Gods geboorte, Gods liefde voor mensen verschijnt midden in hún leefwereld. Zo kunnen zíj bij Hem komen. Zo kunnen zíj Hem vinden, in hun gewone dagelijkse leven. En precies dát is wat dit verhaal over de eeuwen heen vertelt Hij is geboren en Hij wordt altijd weer geboren heel dichtbij, vlak onder onze neus. Hoe wij Hem kunnen herkennen? Ja dat heeft dat Kind in die voerbak in zijn hele latere leven voorgedaan. Hij heeft voorgedaan dat mensen elkaar leven kunnen geven: als ze elkaar accepteren en niet uitstoten omdat ze anders zijn, of zich misschien niet helemaal aan de regels kunnen houden; hij heeft voorgedaan dat we elkaar kunnen vergeven als we elkaar pijn doen; Hij heeft aan mensen laten weten, in woord én daad, dat God maar één ding wil, leven geven. Hij zei tegen mensen: ‘je bent welkom, zoals je bent hoor je erbij’. Zo wordt Hij altijd maar weer geboren, midden in oorlogsellende waar mensen op de vlucht zijn en mensen opeens een andere mens ontmoeten die ze een stukje op weg helpt. Hij wordt geboren waar moedige mensen aan de grens met Wit-Rusland een lichtje laten branden, waarmee ze laten weten aan hongerige, onderkoelde vluchtelingen ik help je, je kunt aan mijn deur kloppen. En Hij wordt geboren als wij deze kerstmis weten dat we elkaar toegenegen zijn, misschien op afstand, maar toch…,


God wordt zo vaak geboren. Op de meest gewone plaatsen. Onder onze neus. Ja, en zelfs, ook al zijn we ons dat meestal niet bewust, ook in onszelf, in de liefde die wíj hebben te geven in de verantwoordelijkheid die wij nemen voor elkaar. Laten we dát vieren. Amen.


Zuster Susan van Driel o.carm.


Op de vierde zondag van de Advent was er vanwege de Covid-maatregelen  geen viering in de Sint Petrusbasiliek


 


Overweging op het feest van Driekoningen – 2 januari 2022  


lezing: Mattheüs 2,1-12 – (woorddienst is op YouTube geplaatst; opgenomen in het klooster)


Evangelielezing


Toen Jezus te Bethlehem in Juda geboren was, ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het oosten en vroegen: „Waar is de pasgeboren koning der Joden? „Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen. "Toen koning Herodes dit hoorde werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem. Hij riep alle hogepriesters en Schriftgeleerden van het volk bijeen en legde hun de vraag voor waar de Christus moest geboren worden. Zij antwoordden hem: “Te Bethlehem in Juda. „Zo immers staat er geschreven bij de profeet: En gij Bethlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman tevoorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël”. Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen en hij vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. Daarop zond hij hen naar Bethlehem met de opdracht: “Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar het Kind, en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan opdat ook ik het hulde kan gaan brengen”. Na de koning aanhoort te hebben vertrokken zij. En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat ze boven de plaats waar het Kind zich bevond stil bleef staan. Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten tevoorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre. En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.


Overweging bij Mattheüs 2,1-12 (Driekoningen)


Officieel heet het feest van vandaag: Openbaring van de Heer. Die uitdrukking komt van de Romeinen. Het woord ‘openbaring‘ werd door hen gebruikt als de grote keizer zich na zijn kroning op de trappen van de senaat liet zien aan het volk. De eerste christenen namen dit woord ‘openbaring’ over om uit te drukken dat God zich aan de wereld presenteerde, - niet in een machtige heerser, maar in het kleine kwetsbare kind Jezus… dat ook nog eens geboren werd in een plaatsje waar je het nooit zou zoeken: in het onbeduidende Bethlehem.      


Het sprookjesachtige verhaal van Mattheüs krijgt hiermee een diepere betekenis. Drie Wijzen vertrouwen op hun gebrekkige kennis en middelen en laten vanuit een eenvoudig geloof alles achter om zich in het volstrekt onbekende te storten. Ze ploeteren op hun kamelen door een eindeloze woestijn en moeten over de bergen van Juda, - beeld van de vele beproevingen die een mens soms moet trotseren. Pas dan wordt geleidelijk duidelijk waar de bestemming van hun reis zich bevindt. Echter, als ze denken dat ze er bijna zijn, raken ze de ster kwijt die hen tot dan toe de weg wees; koning Herodes probeerde hen op een dwaalspoor te zetten. Maar als ze zich niet in de war laten brengen door zijn koninklijke pracht en praal, vinden ze de ster weer terug. Uiteindelijk vinden ze dan hun bestemming: in een schaapsstal ligt een pasgeboren kind in een voerbak. ‘Ze werden vervuld van overgrote vreugde’ staat er. Ze wisten: ‘hier moesten we zijn; hier openbaart Hij zich die wij zochten’. En na dit kindje geëerd te hebben met geschenken, worden ze in een droom gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te gaan. Ze keren langs een andere weg naar huis terug. 


De weg die de Wijzen gingen voerde hen langs ravijnen en door onherbergzame woestijnen. Zij vertellen ons dat de beproevingen en de tegenslagen van dit leven én de Herodesen van deze wereld met hun willekeur en hun macht nooit het laatste woord mogen hebben… Het verhaal over hun zoektocht vraagt ons ook waardoor wíj ons laten leiden op onze levenstocht… Waar gaat het óns om? Door welke ster laten wij ons leiden?


Ik moest hier in deze dagen denken aan de woorden en de daden van Desmond Tutu. Een magiër, een wijze uit Zuid-Afrika. Hij durfde zich te laten gezeggen door zijn kwetsbare medemensen die al zoveel jaren te lijden hadden onder rassenscheiding. Hij hoorde hun roep om gerechtigheid. Voor hem is dit de ster geworden die voor hem uitging en hem de weg wees… het werd voor hem de droom die hem niet meer losliet… het werd de ster die hem hielp langs een andere weg een nieuw thuis te vinden… Dat de manier waarop de Wijzen hun weg gingen voor ons een voorbeeld kan zijn. Dat ook wij ons de weg laten wijzen, naar God, naar elkaar en naar de minsten onder ons…


Ben Wolbers o.carm., pastor-teamleider


Overweging op de derde zondag van de Advent – 12 december 2021


lezingen: brief van Paulus aan de Filippenzen 4,4-7 en Lucas 3, 10-18


Sint Petrusbasiliek Boxmeer


Uit de brief van Paulus aan de Filippenzen 4,4-7