Overwegingen
12-mei-2021 |

Zondag 18 april (3e zondag van Pasen)


‘Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.’ Dat is de laatste regel van de geloofsbelijdenis die we bijna elke zondag staande en hardop met elkaar uitspreken. We spreken het bijna allemaal uit. Toch, als we er met elkaar over in gesprek raken, blijkt het een van de lastigste uitspraken die we kunnen doen. Als we spreken over onze geliefden die gestorven zijn, zeggen we dat ze geborgen zijn bij God, dat ze opgenomen zijn in zijn liefde, dat ze in de hemel zijn, of we gebruiken andere beelden die willen uitdrukken dat het goed met ze gaat. Het zijn allemaal beelden waarin het lichaam van de gestorvene eigenlijk geen rol meer speelt. Dat lichaam hebben we immers aan de aarde toevertrouwd of in het vuur tot stof laten terugkeren. Het gaat dan eigenlijk nooit over de opstanding van het lichaam, die wij toch wel belijden.Voor joden en moslims is de opstanding uit de doden zelfs een reden om crematie af te wijzen. Katholieken mogen sinds de jaren ’60 wel hun doden cremeren. De apostel Paulus schrijft ( 1Kor 15) immers al dat de opstanding zal gebeuren met een nieuw en ander lichaam; wij zullen worden herschapen. Hieruit blijkt wel dat het lichaam in onze geloofstraditie belangrijk is, en dat zijn we in onze cultuur toch weleens vergeten. Er zijn tijden geweest dat alles dat lichamelijk was eigenlijk werd afgewezen, minderwaardig werd gevonden. Je mocht vooral niet van het lichamelijke genieten. In veel kringen is dat nog altijd verdacht. Nee, het geestelijke, daar ging/gaat alles om. De verhalen die de evangelisten vertellen over de begrafenis van de gestorven Jezus vertellen juist hoe belangrijk zijn lichaam werd gevonden: Hij eet en drinkt met mensen, hij wordt met olie verzorgd. Na zijn dood wordt zijn lichaam in doeken gewikkeld en op paasmorgen gaan de vrouwen naar zijn graf om zijn dode lichaam te verzorgen. Ook in de verschijningsverhalen is Jezus heel nadrukkelijk lichamelijk aanwezig. Dat hebben we zojuist ook kunnen horen. Hij laat zijn handen en voeten zien; Hij nodigt zijn leerlingen uit om naar Hem te kijken en Hem aan te raken. Hij eet zelfs voor de ogen van zijn leerlingen een stuk vis. Hij zegt daarmee: ‘Zie, ik ben het, geest én lichaam...


Misschien is een goede vraag die wij onszelf n.a.v. die evangelieverhalen kunnen stellen of wij het lichaam de eer geven die het toekomt? Zien wij onszelf als één heel mens, lichaam én geest? Dat wij zo geschapen zijn en dus zó door God gewild en dat wij zó, naar ziel én lichaam, geborgen zijn in Hem? Wij hoeven het niet erg te vinden als wij moeite hebben met dat geloof dat toch een groot geheim is. Wij hebben zojuist gelezen dat de leerlingen er ook grote moeite mee hadden. Lucas schrijft dat ze met ‘verbijstering en schrik’ dachten dat het een geest was, er staat ook dat ze twijfel in hun hart hebben. Hij schrijft daarna ‘dat ze stomverbaasd waren’ en nog niet konden geloven. Ook wij  krijgen dus alle ruimte om op onze manier te reageren. Het is niet erg om te twijfelen en om te zoeken hoe wij die goede boodschap – de boodschap dat Jezus helemaal leeft en dat ook wij helemaal in God geborgen zijn -  in ons leven kunnen opnemen. Er staat in de evangelietekst die wij zojuist hebben gelezen ook:  ‘Toen maakte Hij hun geest ontvankelijk’; toen begrepen ze. Dat is, denk ik, niet een begrijpen met het hoofd, maar veel meer een begrijpen met het hart. De ervaring van de leerlingen was dat Jezus aanwezig was; ze voelden Hem helemaal aanwezig als ze samen waren: met Hem aten ze; met Hem zouden ze gaan getuigen van het Rijk Gods, dat Rijk van Gods liefde. Ook wij kunnen ons geloof niet forceren. Het heeft ook geen enkele zin om tegen elkaar te zeggen: ‘Je móet geloven’ of, ‘als je dit niet gelooft hoor je er niet bij’. Het hart van ons allemaal moet nog verder en verder open voor die liefde die Jezus heeft getoond en nog altijd toont aan ons. Altijd, als wij het brood delen, als wij luisteren naar het Woord van God en proberen te zoeken naar wat het ons te zeggen heeft, als wij samen zijn en proberen elkaar op te bouwen tot wij een levend lichaam van Christus zijn met een warm kloppend hart. Tot die tijd spreken we ons geloof uit, ook als we moeten toegeven dat we het Geheim van wat we zeggen niet helemaal kunnen volgen. Wij gaan gewoon door, tot Hij helemaal onze geest en ons hart heeft geopend. Amen.


Overweging Paaswake


Als we de verhalen over Jezus die zich na zijn dood als levende laat zien naast elkaar leggen valt op dat er maar één punt van overeenkomst is: Jezus leeft en de boodschap dat Hij leeft, moet verder verteld worden. Hij is verrezen, Hij is de levende.


Dit verhaal ging als een lopend vuur door het Romeinse Rijk. Het verhaal over hoe Hij had geleefd, hoe Hij bevrijdend omging met mensen. Hij was dan wel gestorven met de meest pijnlijke en vernederende dood die de Romeinen konden bedenken, maar God had zijn leven bekrachtigd. Het was alsof er vanuit de hemel werd gezegd: dit leven was góed en jullie vernietigen het niet…


In die dagen was het Romeinse rijk heerser over de wereld. Wij zijn vaak vol bewondering voor alle prachtigs van deze cultuur. De ruïnes die ervan zijn overgebleven, de literatuur die is bewaard. Maar we vergeten dan misschien wel dat een groot deel van de mensen die in dat rijk leefden totaal geen rechten hadden; dat een groot deel van de mensen eigendom was van een ander, totaal afhankelijk van hun meester. Een eigenaar mocht een slaaf doden, als hij of zij dat wilde. Voor niet-Romeinen waren er speciale straffen, bijvoorbeeld kruisiging…


In dat Romeinse Rijk  was het evangelie dan ook een boodschap die de mensen als het ware indronken. Hij leeft! De mens waarin arme en kwetsbare mensen Gods nabijheid hadden gevoeld, die tegen uitgestoten mensen op allerlei manieren liet blijken: ‘Jij bent Gods kind, jij hoort erbij’, Hem hadden ze niet kapot kunnen krijgen. Zó nabij was Gods liefde in Hem, dat van Hem zelfs werd gezegd dat Hij God is.


Toch een lastige boodschap.  Het is niet voor niets dat de apostel Paulus schrijft dat een gekruisigde God “voor Joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid is”. Goden waren in het religieus denken van de mensen sterke wezens, zonen van goden waren bijna onsterfelijke helden. Deze was gekruisigd als het minste van de minsten. Dit was een volstrekt nieuwe boodschap, dit was ongehoord.


Dat God een God van bevrijding is, was natuurlijk niet nieuw. We hebben zojuist de lezing uit Exodus gehoord over Gods bevrijdend handelen aan het volk Israël. Maar dit was anders:  Gods aanwezigheid in een mens van vlees en bloed; een mens die juist de mensen die met de nek werden aangekeken bij zich nam, opbeurde, nieuw leven gaf.


Het is opvallend dat mensen die geloven in die boodschap vaak een enorme inzet laten zien om die boodschap te verspreiden. Dat was toen en dat is eigenlijk nog steeds: mensen die diep vertrouwen in een God die mensen liefheeft gaan juist die liefde in woord én daad doorgeven aan anderen. Die opdracht kregen ook de vrouwen bij het lege graf: ‘Hij is niet hier, ga terug naar Galilea, ga het vertellen’.


Die opdracht klinkt iedere Pasen weer, welk evangelieverhaal ook wordt gelezen: ‘Ga het doorgeven, laat in woord en daad blijken dat de Jezus in wie je Gods liefde voor mensen kunt ontmoeten leeft.’


Het is natuurlijk heel terecht dat mensen dan vragen waar Hij dan te vinden is.


Ik las heel kort geleden de volgende woorden van bisschop Johan Bonny van Antwerpen die een antwoord op die vraag geeft. Hij schrijft:  “Blijf niet op dat kerkhof hangen. Er is geen dode Jezus meer om te balsemen. Wat de vrouwen niet meer kunnen, moeten ook wij niet langer proberen. Zoek de levende Jezus niet tussen dode stenen. Laat het verleden achter. Ga voor een nieuwe ontmoeting met Hem, op een nieuwe en een betere plek. Volg het spoor dat de engel je aangeeft: ga terug naar Galilea, naar je gewone leven, waar alleen jij het verschil kan maken. Daar verwacht de verrezen Christus je in de frisse buitenlucht van je bestaan, met een nieuwe boodschap en een nieuwe zending”


Wij kunnen allemaal ‘het verschil maken’. Hier en nu, voor mensen die zoeken, zoeken naar Gods liefde die uitgaat naar iedere mens. Elk moment dat wij die boodschap verder dragen maken wij die liefde springlevend.


Bidden wij dat wij aan die oproep gehoor zullen geven. Amen


Susan van Driel o.carm.


 


Palmzondag 2021     


evangelielezing: Marcus 11,1-10


overweging


Jezus wordt vandaag ingehaald op een manier die eigenlijk alleen gebruikelijk was bij de intocht van een koning. De mensen rukten takken van de bomen, ze spreidden hun kleren uit op de weg waar hij overheen zou gaan en ze riepen: “Hosanna, gezegend is hij die komt in de naam van de Heer”. Alleen één ding was niet zo gebruikelijk, ongebruikelijk zelfs: hij gebruikte een veulen waarop nog nooit iemand had gezeten. Door dat nadrukkelijk te vermelden zegt Marcus de evangelist dat Jezus geen gewone koning was, maar een heel bijzondere… Zijn koningschap was niet een koningschap van pracht en praal, heldhaftig of trots. Jezus was vooral koning door zijn eenvoud en door zijn zorg en zijn bezorgdheid om het lot dat mensen soms te dragen krijgen. Jezus was een man van de dienstbaarheid, - dat zullen we trouwens ook heel uitdrukkelijk horen op Witte Donderdag, als hij de voeten wast van zijn leerlingen… Maar hoe zorgzaam, goed en rechtvaardig hij ook was, toch riep hij ook irritatie op, verzet en zelfs haat. Dat zullen we in de komende week ook horen, m.n. op Goede Vrijdag. Dan wordt het ‘hosanna’ van vandaag tot een ‘weg met hem’. Maar juist toen… juist toen hij zeer ernstig op de proef werd gesteld… toen de mensen hem lieten vallen, …’aan het kruis met hem’… en toen zijn vrienden hem in de steek lieten, …’konden jullie dan nog niet één uur met mij waken’… en toen het erop leek dat hij té zwaar zou worden beproefd, …’God mijn God, waarom heb je mij verlaten’… juist toen bleef hij na een zware innerlijke strijd toch overeind en had hij oog voor zijn moeder, Maria, en voor zijn beste vriend, Johannes, en vroeg hij hen om voor elkaar te zorgen… ja, zelfs had hij toen de kracht te bidden voor zijn beulen, …’Vader vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen’… en kon hij een bange misdadiger moed inspreken, …’jij zult vandaag nog met mij zijn in het paradijs’… tot het allerlaatste bleef hij geloven dat God hem niet los zou laten… De koning op zijn veulen vraagt ons deze hele komende week om met hem mee te gaan, met hem mee te leven: om ons te bezinnen op zijn dienstbaarheid, op zijn liefde voor God, op zijn trouw aan zijn roeping en aan zijn zending… Hij laat ons zien wat het is om ook in de alleruiterste beproeving te blijven geloven in Liefde, Gerechtigheid, Zachtmoedigheid… En dat is nog steeds een heel actuele boodschap. Laten we de komende week met Jezus in de geest de weg gaan die hij ging. 


Ben Wolbers, pastor-teamleider


 


Zondag 21 maart (5e zondag van de veertigdagentijd)


‘Vader, verheerlijk uw Naam’, bidt Jezus.


‘Verheerlijking’ lijkt iets prachtigs. Zoiets als wat bij de verheerlijking op de berg gebeurde, Jezus, opgenomen in prachtig, schitterend licht. Mozes en Elia die uit de hemel neerdalen om daarbij aanwezig te zijn. Petrus, vond het allemaal zó prachtig dat hij daarbij wel altijd wilde blijven. Wát een heerlijkheid… Maar is het allemaal wel zo heerlijk. Als wij de tekst die wij zojuist hebben gehoord eens goed gaan bekijken dan blijkt al gauw dat ‘verheerlijking bij God’ anders is dan wij er ons van voorstellen. Het blijkt eigenlijk direct als Jezus zegt: ‘Ik zeg u: als de graankorrel sterft brengt hij veel vrucht voort.  Wie zijn leven bemint verliest het, maar wie zijn leven in deze wereld haat zal het ten eeuwigen leven bewaren.’ Dit soort woorden zijn vaak zo begrepen alsof de dingen van deze wereld geen waarde hebben. Dat wij niet van de wereld mogen genieten, de schoonheid er niet van mogen zien. In het Johannes evangelie gaat het woord ‘wereld’ echter veel meer over de duistere, vernietigende krachten waar wij in ons bestaan mee te maken hebben: het recht van de sterkste; bestaansdrift ten koste van de ander; gewelddadige krachten die uit zijn op eigen macht en eigen bestaan juist ten koste van het goede dat God heeft geschapen. Daarom staat in het begin van het Johannes evangelie: ‘Hij kwam in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet aangenomen.’ Nee, die wereld van zelfzucht zal Hem vernietigen. Jezus ziet onder ogen dat als Hij op zijn weg blijft gaan, precies dat zal gebeuren. Op dat moment bidt Jezus: ‘Vader, verheerlijk uw Naam’, Hij zal de weg blijven gaan van zelfgave. Wij mensen zijn wat dat betreft op deze aarde een heel bijzonder wezen: Wij kunnen onszelf bewust geven aan een ander, en daarmee, zegt onze christelijke traditie, geven wij ons aan God. In de geschiedenis zien wij veel van dat soort lichtende figuren, die een voorbeeld zijn geworden van goedheid. Voor mij is Etty Hillesum zo’n voorbeeld. Een jonge joodse vrouw die op 27 jarige leeftijd werd vermoord in Auschwitz. Zij weigerde onder te duiken, hoewel zij een van de mensen was die heel helder wist dat haar dit het leven zou kosten. Zij wilde, ‘bij haar volk blijven’. Zij schreef op 11 juli 1942 in haar dagboek: 


"Velen verwijten mij onverschilligheid en passiviteit en zeggen, dat ik me zo maar overgeef. En zeggen: ieder, die uit hun klauwen kan blijven, moet dat proberen en is dat verplicht. En ik moet iets dóen voor mezelf. Dit is een sommetje, dat niet op gaat. Iederéén is op het ogenblik n.l. bezig iets voor zichzelf te doen om er onder uit te komen en er moet immers toch een aantal, een zeer groot aantal zelfs, gaan? En het gekke is: ik voel me niet in hun klauwen. Niet als ik blijf en niet als ik weg getransporteerd word. Ik vind dat alles zo clichéachtig en primitief, ik kan die redenering helemaal niet meer volgen, ik voel me in niemands klauwen, ik voel me alleen maar in Gods armen, […] of dat nu hier aan dit verschrikkelijk dierbare en vertrouwde bureau is, of over een maand in een kale kamer in de Jodenbuurt of misschien in een arbeidskamp onder S.S.-bewaking, in Gods armen zal ik me geloof ik altijd voelen.”


Etty en vooral ook Jezus was het mogelijk om zichzelf te geven in diep vertrouwen op Gods liefde. Er zijn mensen die deze weg gaan zonder dat zij op een bepaalde manier gelovig zijn.  Het zit ook niet in wat we geloven maar in wat we dóen. Ieder moment waarin mensen voorbij zichzelf kunnen kijken wordt God verheerlijkt. Meestal hoeven wij niet zover te gaan dat dit ons tot op het kruis leidt. Iedere zorgmedewerker die in de afgelopen maanden met gevaar voor eigen gezondheid aan het bed van een  coronapatiënt is blijven staan, iedere mens die zorgvuldig is omgegaan met andere mensen om besmetting te voorkomen, iedere mens die tóch die prik gaat halen, ook al is er misschien angst voor: die mens is op eigen kleine wijze de Naam van God aan het verheerlijken. En zo zijn er nog veel meer momenten waarin mensen gewoon góed zijn voor een ander. In de eerste lezing staat geschreven: ‘Ik leg mijn wet in hun binnenste, lk grif ze in hun hart.’ God is een verbond aangegaan met ons mensen: een verbond in goedheid.


Bidden wij dat Gods Naam in ons verheerlijkt wordt.


Amen.


Zondag 14 maart (4e zondag van de veertigdagentijd)


Efeziërs 2,4-10 en Johannes 3,1-12.16-21


inleiding


We zijn op weg naar Pasen. Vandaag horen we in het evangelie een gesprek tussen Jezus en een zekere Nicodemus. Best wel een pittig gesprek. Ik zou er vandaag in de overweging een paar woorden uit willen nemen en daar wat nader bij stilstaan. Jezus zegt tegen Nicodemus: ‘Jij moet opnieuw geboren worden…’ Wat kan dat eigenlijk betekenen? In dit gesprek krijgen de woorden ‘licht’ en ‘waarheid’ een sterke nadruk. Jezus zegt aan het eind van het gesprek: ‘wie de waarheid doet, komt naar het licht toe’. Wij mogen hier denken aan de woorden die in de Paaswake klinken bij de intocht met de paaskaars: ‘Licht van Christus’ zingen we dan. Het doen van de waarheid brengt ons dichterbij hem, bij het licht dat hij ons gebracht heeft. Genoeg om vandaag te overdenken. 


overweging


“Het licht is in de wereld gekomen,


maar de mensen waren meer gesteld op de duisternis dan op het licht”. We hoorden deze woorden van Jezus zojuist aan het eind van zijn gesprek met een zekere Nicodemus. Nicodemus was een invloedrijk man uit de leidende Joodse kringen. Hij wilde wel eens kennismaken met die Jezus over wie zoveel gesproken werd. Hij benadert Jezus met veel respect:  “Rabbi, we weten dat U als leraar van Godswege gekomen bent”.  Maar Jezus reageert nauwelijks op deze mooie begroeting.  Hij zegt onmiddellijk: “Alleen wie opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God zien”. Als Nicodemus Jezus wil leren kennen, dan moet hij opnieuw geboren worden. Hij moet zijn ogen openen voor een nieuwe werkelijkheid, de werkelijkheid van de hemel, de werkelijkheid waarin God woont, de werkelijkheid van het licht en de waarheid. Dit is niet alleen de boodschap voor Nicodemus, maar ook voor ons. Het gaat Jezus toen en vandaag om een andere werkelijkheid dan die wij meestal zien. Wij zien dikwijls vooral wat we graag willen zien. Ik las bij de voorbereiding van deze overweging een kras staaltje van hoe overtuigd mensen soms van hun eigen wereldje kunnen zijn. In New York bestaat een christelijke gemeente waarvan de leden er heilig van overtuigd zijn dat God de mensen die in Hem geloven, zegent met materiële rijkdom en gezondheid. De predikant is dan ook schatrijk. Een krant komt hem interviewen en legt hem een bekende bijbeltekst voor: “het is moeilijker voor een rijke om het Rijk van God binnen te gaan, dan voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen”. En dan vraagt de verslaggever aan de rijke dominee hoe hij deze uitspraak vindt. Die antwoordt dan zonder blikken of blozen: “Als dat voor een rijke al zo moeilijk is, dan kun je nagaan hoe moeilijk het is voor een arme!” De dominee zet de werkelijkheid helemaal naar zijn hand. Natuurlijk is dit volkomen belachelijk. Maar toch…  Hoe vaak doen wij dat niet: de werkelijkheid verdraaien omdat we ons daar beter bij voelen? Een paar voorbeelden. Wie gebruikt er niet soms een leugentje om bestwil om een fatsoenlijk beeld van zichzelf hoog te houden? Of minder onschuldig: hoe vaak wordt er niet gezegd of minstens gedacht dat arme mensen zelf schuldig zijn aan hun armoede omdat ze niet goed met hun geld omgaan, of dat het weer eens de buitenlanders zijn die de problemen veroorzaken, of dat verslaafde mensen geen ruggengraat hebben. Het is makkelijk te denken dat de natuur zichzelf wel zal herstellen en dat je niet ziek wordt als je maar gezond eet; het is makkelijk  de achteruitgang van het kerkbezoek te wijten aan laksheid en gemakzucht. Zo maken we van de werkelijkheid een eigen werkelijkheid waarin wij ons thuis voelen. Wij hebben alles geprobeerd om een ruzie bij te leggen, menen we, maar die ander… Maar wat wij als werkelijkheid zien, is dikwijls maar een klein deel ervan. Want armoede is lang niet altijd de schuld van de armen. En de toeslagenaffaire laat zien dat bepaalde regelingen in Nederland helemaal niet  rechtvaardig zijn. Uiteraard zijn buitenlanders net zulke goede of slechte medemensen al u en ik, herstelt de natuur zich niet vanzelf, garandeert gezond eten niet dat je gevrijwaard blijft van ziekten en is de achteruitgang van het kerkbezoek niet simpelweg te wijten aan gemakzucht. Vandaag zegt Jezus tegen Nicodemus: “wie de waarheid doet, komt naar het licht toe, en dan zal blijken dat zijn daden in God zijn verricht”. De waarheid begint waar wij bereid zijn opnieuw geboren te worden en waar we leren kijken met de ogen van God. Dat wil zeggen: waar wij boven ons eigenbelang uitstijgen en ophouden steeds maar van onszelf uit te gaan. De waarheid begint waar wij onze medemensen als ménsen zien, - kunnen zien dat zij net als wij allemaal iets in hun rugzak hebben: wij zijn allemaal op zijn tijd gewonde, geraakte, mooie of gekwetste mensen. Wij zijn allemaal mensen die op zijn tijd mededogen nodig hebben, barmhartigheid, liefde, gerechtigheid…


Dat leren zien, dát is opnieuw geboren worden in God. Daarvoor heb je nodig dat je met nieuwe ogen kijkt naar de werkelijkheid en naar elkaar. Natuurlijk gaat dit niet zomaar. Bij mij niet. Bij u niet. Het gaat, maar wel met kleine stapjes. Bidden we daarom om geduld met onszelf. En bidden we ook dat we steeds meer gesteld raken op hem, het licht van de wereld, Jezus. 


Ben Wolbers, pastor-teamleider


 


Zondag 7 maart ( 3e zondag van de veertigdagentijd )


In de eerste lezing hoorden we wat wij gewoonlijk ‘de tien geboden’ noemen.


Ze worden ook wel, eigenlijk veel beter, ‘aanwijzingen tot leven’ genoemd. Want het zijn dé grote levensrichtlijnen waarmee wij elkaar het leven mogelijk maken; waarmee wij het beschermen, omdat het kostbaar is. Heel vaak wordt echter, als wij over die ‘geboden’ nadenken, de eerste zin vergeten waarmee het allemaal begint: 'Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.’ Het is daarmee het uitgangspunt en de kern van alles. Gods bevrijdend handelen, zijn bevrijding van Israël uit de slavernij in Egypte, staat aan de basis van heel het religieus bewustzijn van het joodse volk en daarmee ook aan de basis van ons gelovig leven. Na die zin komt daarom direct: ‘Gij zult geen andere goden hebben ten koste van Mij.’ Want alles dat kan knechten en het leven kan bedreigen staat in directe vijandschap tegenover de Schepper God die tot leven wil brengen. Die andere goden zijn de oude, soms bloeddorstige goden van het Midden-Oosten, sommigen namen zelfs kinderen als offer. Nee, de God van Israël laat vanaf het eerste begin weten dat zijn wetten zijn gegrond op de bescherming van het leven dat Hij heeft gegeven. Het is die God die Jezus ‘Abba’, Vader,  noemt, waarmee Hij zich verbonden voelt, waardoor Hij zich geliefd voelt, die Hij verkondigt in woord en daad in heel zijn optreden. God, is een bevrijdende God die niet toelaat dat mensen worden geknecht. Niet door mensen, niet door kwade geesten, niet door invalide makende ziekten. In het evangelie dat wij zojuist hoorden kwam precies die bewogenheid van Jezus aan het licht. Sommige mensen schrikken van deze Jezus. Wij zien hem toch liever als de Goede Herder of als de leraar van de Bergrede. Toch is de Jezus die het tempelplein met behoorlijk wat geweld leeg veegt, precies dezelfde als die Goede Herder. Wat heeft het een dan met het ander te maken? In de evangelietekst over de ‘Tempelreiniging’ staat er nadrukkelijk dat dit gebeurde ‘kort voor het paasfeest der Joden’. Dat is opvallend want in een Joods huishouden is het verplicht om vóór het Pesachfeest het huis helemaal schoon te maken. Volgens de joodse wet mag er in het hele huis geen kruimeltje gedesemd brood achterblijven. Tijdens het Pesachfeest wordt  ongedesemd brood gegeten, de matzes. Die kunnen niet bederven, zoals gedesemd brood. In de keuken, in alle kamers, die onzuiver kunnen zijn door beschimmelde kruimeltjes, moet alles helemaal  gezuiverd worden voor het Pesach, die al duizenden jaren terugkerende viering van Gods bevrijding. Zuivering probeert altijd naar de kern te gaan van waar alles om gaat. Zo is ook het zuiverend vasten in onze joods-christelijke cultuur geen doel op zich. We vasten in onze traditie niet om te ervaren hoe sterk we zijn, ook niet om ons lichaam te ontslakken en een heldere geest te krijgen, ook niet om geld over te houden voor goede doelen, dat is een hele leuke bijkomstigheid. Nee, vasten en onthouding zoekt vooral naar de kern waar het allemaal om gaat. Het zoekt om met Gods hulp ons te ontdoen van alles dat we in de plaats stellen van die God van leven, liefde en bevrijding. ‘Het huis van mijn Vader is geen marktplaats,’zegt Jezus, en Hij veegt winstbejag en het gemarchandeer het huis uit. Zo zuivert Jezus het huis van zijn Vader. Als Hij dan door geschokte mensen ter  verantwoording wordt geroepen wijst Hij op zichzelf: 'Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.' Jezus voelt hoe Hijzelf de plaats is waar God leven en bevrijding voor mensen kan zijn. Als we dit goed tot ons door laten dringen dan is dit een oproep aan ons allen, om ook zo’n plaats te zijn waar God bevrijdend kan werken aan leven en bevrijding, aan zijn Rijk van Gerechtigheid. Een tempel waarin zijn Geest kan wonen; Wij voelen allemaal wel aan dat ook de tempel die wij zijn onzuiver gemaakt kan worden, door verslavingen, door hang naar macht of geld; van meer en meer willen; zaken die ons mensen in de ban houden én die onszelf en de schepping kapot kunnen maken. Ieder jaar weer worden wij opgeroepen om in de veertigdagentijd even pas op de plaats te maken en daarbij stil te staan om de tempel die wij zijn eens kritisch te bekijken en misschien hier en daar wat schoon te vegen. Bidden wij dat in deze 40-dagentijd dit zuiverend werk in ons kan gebeuren. Amen.


Zondag 28 februari ( 2e zondag van de veertigdagentijd )


Filippenzen 2,5-11 en Marcus 9,2-10


opening


 We leven in de Veertigdagentijd, de tijd waarin we gedenken op weg te zijn naar Pasen. We zien uit naar het feest waarop we vieren dat Jezus van God nieuw en ander leven heeft ontvangen. Het grote Geheim van Pasen. Niet de dood heeft het laatste woord, maar God. Hij is onvoorwaardelijk trouw. In het evangelie van vandaag zullen we horen dat de leerlingen als het ware een voorproefje krijgen van dit grote Mysterie. Het vertelt het verhaal van de gedaanteverandering. We zullen horen dat leven meer is dan wat wij hier en nu ervaren. Ook ons wacht eens de ervaring van Pasen. Laten we vandaag in die hoop én in dat vertrouwen met elkaar eucharistie vieren.


overweging


Jezus neemt drie van zijn leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes, met zich mee naar een berg. Een berg is in de Bijbel vaker dé plek is waar God en de mensen elkaar raken en ontmoeten, waar God wordt ervaren als heel nabij. Daar op die berg – door de traditie de Thabor genoemd – krijgen de leerlingen een visioen. En wat ze zien is een korte blik op hoe het zal zijn als Jezus na zijn dood is opgenomen in het huis van God, zijn Vader. Ze zien een hemelse wereld waarin Jezus is veranderd van gedaante en in schitterend witte kleren in gesprek is met Elia en met Mozes. Én ze zien dat een wolk hen overdekt. Als er dat staat bedoelt de Bijbel altijd dat God zelf aanwezig is. Vanuit die wolk klinkt een stem, de stem van God: “Dit is mijn veelgeliefde zoon, de zoon van wie ik heel veel hou. Luister naar hem”. Vanuit die wolk klinkt een en al liefde. God ís een en al liefde. Petrus, Johannes en Jacobus hebben daar toen op die berg als in een flits even mogen zien waar het met het leven van Jezus en van hen naar toe zal gaan. Naar een wereld waarin alle mensen thuis mogen komen in de liefde van God. Maar de leerlingen waren bang en bezorgd. Jezus had hen een paar keer gezegd dat hij veel zou moeten lijden en zelfs dat hij ter dood zou worden gebracht. Daar waren ze erg van geschrokken. Dat Jezus er aan had toegevoegd dat hij na drie dagen zou verrijzen, dat was niet goed tot hen doorgedrongen. Integendeel. Vooral Petrus had hevig geprotesteerd. Zó hevig zelfs dat Jezus hem streng tot de orde had moeten roepen: “Weg Satan”, zei hij tegen Petrus, “jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen..” Deze ruzieachtige scène ging vooraf aan het evangelieverhaal van vandaag. Wat ik Jezus vandaag zie doen dat is dat hij zijn leerlingen in die zorgen en angsten uitzicht probeert te bieden, perspectief. Dat doet hij in het prachtige visioen dat wij hoorden in het evangelie. Maar even plotseling als het is begonnen is het ook weer afgelopen. Ik vind het niet zo vreemd dat Petrus hier tenten wilde bouwen. Dat hij vast wilde houden aan dat overweldigend mooie. Maar ik vind het ook niet zo vreemd dat Jezus zijn leerlingen weer met zich mee neemt naar beneden, de berg af, terug de vlakte in, naar de mensen die daar leven. Want dáár, in de alledaagse werkelijkheid, in wat Jezus voor de mensen gaat doen, - ook dáár moeten zij zijn goddelijkheid leren zien, evenzeer als op de berg. Daar in de vlakte,  waar Jezus zich bekommert om de noden van de mensen, om armen en zieken, melaatsen en zondaars, weduwen en wezen, om allen die een beroep op hem doen. Daar, in de vlakte, op de stoffige weggetjes van Palestina, in de armoedige dorpjes, daar, bij al die gekwelde mensen, dáár wordt de majesteitelijke schoonheid van Jezus zichtbaar. Dáár doet Hij de wil van zijn Vader. Dáár is Hij de Zoon van wie de Vader zoveel houdt. Daarom moeten zij, moeten wij, van de berg af om hem te helpen die hemelse werkelijkheid tot een aardse werkelijkheid te maken, hier op de plekken waar wij wonen en werken. Jezus zelf heeft hiervan niet alleen met woorden, maar met zijn léven getuigenis afgelegd. Hij heeft zich niet laten voorstaan op zijn bijzondere relatie met God. Of zoals het in de eerste lezing stond: “hij heeft zich niet vastgeklampt aan zijn gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf belangeloos gemaakt en dienstbaar”. Hij heeft gekozen voor een leven van totale dienstbaarheid.  En uiteindelijk heeft hij zich in de keuzes die hij maakte toevertrouwd aan de belofte van zijn Vader in de hemel dat Hij ons draagt in de palm van Zijn hand. Tot in de dood. Ook ons kan van alles overkomen, net zoals Jezus en zijn leerlingen. Bidden wij dat wij in dat alles toch steeds weer houvast kunnen vinden in het vertrouwen dat de Vader in de hemel ook ons niet aan ons lot overlaat, maar in liefde draagt. 


Ben Wolbers


 


 


 


 


 


 


Zondag 21 februari (1e zondag van de veertigdagentijd) – Susan van Driel


Er staat op YouTube een heel leuk filmpje van een chimpansee in een dierentuin. Het is een groot en sterk mannetje. Er is in het verblijf van de chimps een lading appelen gestort zodat zij ervan kunnen nemen wat ze nodig hebben. Hij als grootste man neemt natuurlijk het eerst. Hij pakt wat hij kan en stapelt zoveel mogelijk appelen in zijn armen, pakt dan in iedere hand en iedere voet nog een of twee appelen en stopt er ook nog een stuk of drie in zijn mond. Zo probeert hij naar een rustig hoekje te komen waar hij alles rustig kan opeten. Dat lukt hem nog ook. Het is heel grappig, omdat het een aap is. Als wij mensen zo graaien wordt het minder leuk. Toch gebeurt dat ook, de aap in ons is niet helemaal weg. Wij mensen hebben ook een sterke drang tot overleven. De schrijver Jean Jaques Suurmondt die prachtige artikelen en boeken schrijft over het geestelijk leven van mensen noemt dat deel van het innerlijk  van de mens - en ook en vooral ook van zijn eigen innerlijk – de ‘knurftige aap’; het is dat wat wil hebben; dat op de allereerste plaats denkt aan eigen overleven, eigen veiligheid, eigen gezondheid, eigenbelang. Het is dat wat ook, voor op zich mooie idealen, over lijken wil gaan. Wij weten allemaal waartoe bv. de prachtige idealen van het communisme hebben geleid: onderdrukking; moord; kampen vol met gevangen mensen die anders dachten. De knurftige aap zegt nogal eens: ‘het doel heiligt de middelen’. Als Jezus in de woestijn is, is Hij, staat geschreven, bij ‘de wilde dieren’. Hij gaat er de confrontatie mee aan; met de ‘wilde dieren’ en met de Satan die Hem beproeft. In die veertig dagen woestijn ziet Hij alle negativiteit die onder en in mensen is onder ogen. In de tekst die wij zojuist als tweede lezing hebben gehoord, wordt het maar kort verteld. Bij Matteus wordt het uitgewerkt. Jezus ziet onder ogen hoe Hij zijn zending zou kunnen misbruiken; hoe Hij macht zou kunnen krijgen; zichzelf zou kunnen verheffen. In onze veertigdagentijd, waarvan deze zondag de eerste is, hebben wij de kans om contact te maken met de wilde dieren en die ‘knurftige aap’ in onszelf, met wat in ons destructief is. Niet dat wij dan direct andere mensen zijn, maar het helpt op z’n minst om anderen niet te veroordelen; om meer begrip te hebben voor ons kleinmenselijke gedrag. Het is niet fijn, die confrontatie, maar misschien worden wij in deze veertig dagen ook geholpen en worden, we net als Jezus, geholpen door die andere zijde van ons mensen en zijn er, net als bij Hem, engelen die ons bedienen. Zo’n engelachtige stem had Jezus gehoord bij zijn doop. Direct na zijn doop kwam Hij het water uit en hoorde Hij een stem: “Jij bent mijn geliefde Zoon”. Wij zeggen ook weleens als bij ons een kwartje valt, ‘Het was alsof de hemel openging’. Jezus had zo’n ervaring: Hij zag opeens heel helder in hoezeer God Hem liefhad en hoe God een God van Leven is. Die ervaring was zo diep dat Hij dat onmogelijk voor zichzelf kon houden. Wanneer Jezus naar de woestijn gaat dan is dat voor hem ook een tijd van opnieuw contact maken met het Leven dat God geeft, want het is dat leven dat Hij nodig heeft voor alles wat Hij voor de mensen wil zijn. De God van Noach, de God van Abraham, Izaak en Jacob, de God die Israël uit Egypte bevrijdde, die Jezus zond om het Rijk Gods te verkondigen is bij uitstek een Schepper God. Hij wil bestaan en leven schenken, zelfs als wij mensen er een bende van maken. Dat konden wij horen in de eerste lezing. Iedere keer als wij een regenboog zien, mogen we daarop vertrouwen. Daarom is het zo belangrijk niet alleen het duister in ons ons onder ogen te zien maar ook om open te zijn voor die stem van de engel, die ons uit onszelf trekt naar de andere mens om op onze beurt zelf een engel te zijn voor wie ons nodig heeft. Wij mensen zijn complexe wezens: apen en engelen, goed en kwaad, het zit allemaal in ons. Maar het is met dat bijzondere wezen dat God een verbond is aangegaan. Ondanks alles zijn wij werktuig voor zijn Rijk: een Rijk van vrede en medemenselijkheid. Bidden wij dat in deze veertigdagentijd de engelen ons zullen helpen. Amen.


Marcus 1,40-45 - 6e zondag door het jaar 14 februari 2021


begroeting en inleiding


De oude bijbelse tijden waren niet bepaald gemakkelijk, zeker niet als je  aan een besmettelijke huidziekte leed of een ernstige beperking had. Als duidelijk werd dat jij melaatsheid had, dan kon je niet thuis blijven wonen. Dan moest je het dorp of de stad uit. En als je dan per ongeluk toch in de buurt van andere mensen kwam, moest je zorgen dat je afstand hield en dan moest je vanuit de verte met hard roepen of met een ratel kenbaar maken dat je er aan kwam.


Wat er dan met je gebeurde, - dat horen we vandaag. In beide lezingen. Je raakte sociaal totaal geïsoleerd. Vandaag zullen we horen dat Jezus iemand die melaats was juist wel aanraakte. Wat heeft deze daad van Jezus betekende en nog betekent, - daarop willen wij ons vandaag bezinnen. 


lezingen: Leviticus 13,1-2.45-46 en Marcus 1,40-45


overweging


Toen u aan het begin van de viering mijn inleiding hoorde – en zeker toen u het evangelie hoorde – kan het bijna niet anders dan dat u in uw gedachten even naar de maatregelen ging waarmee wij in deze dagen elkaar beschermen tegen besmetting door het coronavirus. Afstand houden, geen fysiek contact met andere mensen, geen bezoek ontvangen, op bepaalde tijden niet op straat…


Het lijkt een beetje op die oude tijden. Een beetje, want de maatregelen van vroeger waren nog wel wat erger dan die van nu. Bovendien: corona is hopelijk tijdelijk, iets dat voorbijgaat; melaatsheid was, zeker toen, levenslang. Maar toch.. wat overeenkomt is dat ook wij erachter komen, hoe zwaar het voelt eenzaam te zijn en afstand te houden van elkaar… of nog erger er helemaal niet meer bij te horen.


Maar nu naar het evangelie. Waarom zou Marcus dit verhaal verteld hebben? Welke waarde heeft dit verhaal voor de tijd van nu? Er worden in onze ziekenhuizen zoveel duizenden mensen genezen. Daar zullen ze over tweeduizend jaar toch ook niet meer over praten? Waarom is het verhaal van Marcus over deze ene melaatse voor ons nú dan wél belangrijk? Ik denk omdat Jezus deze melaatse niet genas als dokter, als arts, maar als iemand met een zending van Godswege. Dat wilde Marcus vertellen. Bij Jezus ging het niet alleen om een medisch proces. Dat wordt duidelijk als we letten op dat ene zinnetje: ‘Jezus raakte hem aan’. En zoals ik al duidelijk heb gemaakt: dat mocht eigenlijk helemaal niet. Toch raakte Jezus hem aan. Op datzelfde moment voelde die melaatse dat hij weer verder kon met zijn leven. Er was iemand die hem liet voelen dat hij voor hem niet vies was, niet smerig, niet gevaarlijk. Dat hij voor hem een méns was.


Misschien moet je zeggen dat deze melaatse op twee manieren is aangeraakt: ja, hij is genezen van zijn ziekte… maar op de eerste plaats  voelde hij zich gezíen als méns. Jezus zág hem en is diep ontroerd. Jezus, in wie wij de gestalte van God mogen herkennen, in wie de liefde van God zichtbaar geworden is, laat de man voelen dat God naar hem omziet, dat God door medelijden bewogen wordt, dat Hij ons uit ons isolement wil halen.


Verder zitten er nog twee kanten aan dit verhaal.


De eerste kant is dat ieder van ons die zich buitengesloten voelt – en dat kun je ook vertalen met gekleineerd, miskend, uitgerangeerd – dat iedere mens die zich zo aan de kant gezet voelt, wat Jezus betreft moet kunnen rekenen op andere mensen die hem of haar er weer bij halen. Daar mag hij of zij op rekenen zolang er nog echte christenen zijn.


De tweede kant is: als iemand van ons een ander kleineert, miskent, bang maakt of buiten de kring drukt, - dan zit die iemand er helemaal naast. Wij mogen geen mensen buitensluiten. Want voor alle mensen – of ze nou melaats zijn, of egoïstisch, geslagen door het leven, of hoe dan ook mislukt of aan de rand geraakt – voor alle mensen vraagt Jezus in Gods naam om een plaats in de kring. Daarom zei ik dat Jezus de man uit het evangelie niet genas als dokter, maar als iemand met een zending van Godswege..


Het optreden van Jezus in dit evangelie is voor mij een beeld dat duidelijk maakt dat God ons ziet, – hoe we er ook aan toe zijn. Hij heeft  oog voor ons.


Een aantal jaren geleden was hier ergens in Brabant het motto van carnaval: ‘k zè ‘r gère bij. Als ik het niet helemaal goed uitspreek: ik hoor er heel graag bij. Ik denk dat dat een levenslang verlangen is van alle mensen, ziek én gezond. Namens God laat Jezus ons vandaag zien dat we dit verlangen serieus moeten nemen.


Ben Wolbers


 


 


 

Archief
 
Het Parochiehuis
 van Sasse van Ysseltstraat 8
    5831 HD BOXMEER
 (0485) 57 32 77
 secretariaat
Noodnummer:
Voor een acute ziekenzalving of een uitvaart
 06-12089054