Overwegingen
19-okt-2021 |

Zondag 17 oktober (29ste zondag door het jaar)


Er is een tijd geweest waarin mensen manieren zochten om heilig te worden. Ik heb nogal eens zusters op hoge leeftijd gesproken die tegen mij zeiden dat zij precies daarom in het klooster waren gegaan: ‘Ik wilde heilig worden, daarom trad ik in’. Het is opvallend dat zij dit altijd zeggen met een beetje verontschuldigend lachje. Zo van: ‘Ach ja, ik wist toen niet beter’. Het blijkt namelijk altijd dat zij gaande hun leven erachter zijn gekomen dat het zo niet werkt. Je kunt er niet van alles en nog wat aan dóen om heilig te worden. Je kunt nog zoveel ascetische oefeningen doen: vasten, weinig slapen, zelfkastijding, boetegordels omdoen, uren en uren, ja nachtenlang bidden en er was nog zoveel meer dat mensen bedachten in hun pogingen tot zelfheiliging. Het werkte niet. Vaak gebeurde het tegenovergestelde: mensen werden nogal eens gefrustreerd met alle gevolgen van dien. Frustratie, dat weten wij allemaal, maakt geen betere mensen van ons. Helaas was dat toch heel vaak dé manier die mensen probeerden om Christus na te volgen. Zó wilden zij de beker drinken die Hij dronk: de beker van het lijden. Eigenlijk is dat heel gek, want Jezus heeft volgens onze evangelieverhalen nooit op die wijze het lijden gezocht. Hij at en dronk, Hij sliep, Hij had vriendschappen, Hij was onder de mensen en Hij hield van ze. Heeft het lijden dan geen plaats in ons geloof? Dat kunt u nu denken. In de evangelietekst die wij zojuist hoorden spreekt Jezus wel degelijk over lijden. “Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink?” Wij weten maar al te goed dat Jezus in Getsemane ook in gebed over een beker zal spreken en in hevige angst zal bidden dat die beker van Hem zal worden weggenomen. Een beker die níet zou worden weggenomen; een beker die Hij tot de bodem zal legen. De toenmalige leerlingen snappen niet goed waar het over gaat als Jezus zijn lijden aankondigt. Zij laten zich leiden door menselijke overwegingen. Zij blijven dromen van een aardse en politieke Messias, die alle problemen in een oogwenk zal oplossen, die een leger zal aanvoeren. Zij zien alles alleen nog maar in hun eigen kaders en structuren. Het kader waarin wij aan van alles en nog wat willen en kunnen werken. Jezus geeft opnieuw duidelijk aan wat zijn levensvisie en programma is. Dat had Hij al eerder gedaan. Jezus had toen een kwetsbaar kind in hun midden geplaatst. Nu komen de leerlingen opnieuw met de vraag naar erebaantjes: wie links en rechts van Hem mogen zitten. De eerste raadgevers van de keizer zaten links en rechts van hem.  Maar wéér zegt Jezus dat het bij Hem anders is: wie eerste wil zijn, moet slaaf van allen zijn. ‘Slaaf’, geen vrije dienaar, zoals die links en rechts van de Keizer zitten. Die eigenlijk verlengstuk van de Keizer zijn en delen in zijn macht. Nee, ‘slaaf’, die doen wat gedaan moet worden, aan wie alles kan worden gevraagd. Zoals aan Jezus uiteindelijk alles werd gevraagd. Ja, dan kan de navolging van Christus leiden met een lange ij worden. Niet omdat dat op zichzelf goed is, maar omdat dit de uiterste consequentie van een levenswijze kan zijn; de consequentie van wat de mens ziet als een leven dat gericht is op goedheid, op het welzijn van mensen. Wij hebben afgelopen week in de media Siegried Kaag gezien die voor de rechtbank vertelde wat ernstige bedreigingen met haar hadden gedaan. Ze had zich zelfs in oorlogsgebieden nog nooit zo angstig gevoeld. Virologen die zich in de media uitspreken over vaccinatie overkomt hetzelfde. Toch gaan ze door, ze laten zich niet intimideren, hoewel zij en wij weten dat het een keer kan gebeuren…Peter R. de Vries wist het ook… Dit zijn niet allemaal christelijk gelovige mensen, Tóch drinken ook zij de beker, ze laten zich niet afhouden van dat wat ze zien als een oprecht en goed leven. Ongeveer honderd jaar geleden leefde een jonge vrouw. Zij wilde ook een heldhaftige en ascetische religieuze zijn, maar daar was ze veel te zwak voor. Dat zat er voor haar gewoon niet in. Dat was een enorme worsteling, want hoe zou het nou met haar heiligheid gaan? Na een paar jaar geworstel viel het kwartje. Ze had zich ooit verwonderd over een nieuwe uitvinding: een lift. Christus is de lift, begreep ze; de lift van de liefde die er ís: Gods liefde en haar liefde. Voor die liefde hoefde ze niets speciaals te doen. Toen accepteerde ze haar kleine en weinig heldhaftige bestaan dat ze had ontvangen. Toen ze tuberculose kreeg en een vreselijk ziekbed hield ze dat vertrouwen tot en met dat ze zelfs al haar geloof in de hemel kwijtraakte. Maar juist daarom werd Theresia van Lisieux niet alleen heiligverklaard, maar zelfs verheven tot lerares van de kerk. Kun jij de beker drinken die ik drinken moet? Dat vraagt Jezus door de eeuwen heen aan al zijn leerlingen, ieder in hun eigen grootse of kleine bestaan. Bidden wij dat Hij ons daarbij te hulp zal komen. Amen.


Susan van Driel o.carm.


 


 


Zondag 17 oktober. Overweging tijdens de Eerste Communie mis


Beste kinderen, voorop het boekje zien we: geluksvogels. Dat slaat op jullie! Jullie mamma’s en pappa’s hebben dat samen met meneer Roger bedacht! Ze vinden dat jullie geluksvogels zijn. Toen ik een beetje nadacht over dit Bijbelverhaal dat ik zojuist voorlas, toen moest ik ze gelijk geven: ze hadden het verhaal goed gelezen: Jezus noemt jullie eigenlijk ook geluksvogels. En waarom noemt hij jullie zo? Omdat de nieuwe wereld van God heel in het bijzonder voor jullie bestemd is. Jullie zijn geluksvogels omdat jullie nog heel veel kansen hebben om van de wereld die God ons geeft, iets moois van te maken. Jullie zijn geluksvogels… Maar als dat zo is, moeten we natuurlijk ook weten wat een geluksvogel eigenlijk is. Ik denk dat je het antwoord op deze vraag kunt vinden in dat mooie gedicht dat Josien ons voorlas; je bent een geluksvogel als je weet waar je het geluk kunt vinden. Je vindt het geluk, zegt het gedicht, als je kunt genieten van de natuur: van de wind om je oren, van de zon in de lucht, als je de stilte kunt horen. Je wordt gelukkig als je kunt délen in je leven. Als je niet alleen voor jezelf zorgt, maar ook aandacht hebt voor een ander. Als je iemand overeind helpt die gevallen is. Als je een ander probeert te troosten als die verdriet heeft. Je kunt gelukkig worden als je gaat spelen met een kind dat er een beetje buiten valt. Als je ziet dat een ander hulp nodig heeft, dat je dan ook gewoon gáát helpen. Je wordt gelukkig als je gewoon lekker kunt spelen op school of bij jou in de straat. En je vindt geluk als je leert in Jezus te geloven, want hij vond al die dingen in het gedicht belangrijk. Hij liet zien hoe fijn ‘samen’ is en hoe goed het is plezier én verdriet te delen. Hij wist dat je echt gelukkig kunt worden als je probeert de dingen te doen die daar aangeraden worden. Nu ga ik iets tegen de grote mensen zeggen. Beste mensen, jullie die allemaal nauw betrokken bent bij het wel en wee van deze kinderen: deze boodschap van Jezus klinkt eenvoudig, maar ze is zó ongelofelijk belangrijk voor ons en voor onze samenleving. En het is ook zó ongelofelijk belangrijk dat deze kinderen die vandaag voor het eerst de heilige communie ontvangen, die boodschap meekrijgen. Daarom zeg ik vandaag tegen jullie: ik ben blij dat jullie deze kinderen door de eerste communie betrekken in wat ik zou willen noemen: ‘de wereld van Jezus’, dat is de wereld waar mensen verantwoordelijkheid willen dragen voor elkaar… Ik ben er óók blij mee dat jullie kinderen hun eerste communie ontvangen in een gemeenschap, de gemeenschap van de Onze Lieve Vrouwe Parochie.  Niet alleen omdat ik hier pastoor ben, maar vooral omdat ik vind dat onze parochie een plek is waar we ons geloof op een eigentijdse manier beleven. Onze parochie is een gemeenschap waar iedereen welkom is, wie hij of zij ook is, ongeacht afkomst, kleur of geaardheid. Onze parochie probeert actief betrokken te zijn bij allerlei gebeurtenissen uit de samenleving. We trekken ons werkelijk iets aan van de noden van onze maatschappij; dat doen we door actie te voeren voor kinderen in Afrika, door bij voorbeeld Amnesty International te ondersteunen. Door elke week boodschappen in te zamelen voor de Voedselbank.  En natuurlijk door de goedheid en de onderlinge hulp die niet opvalt maar die mensen elkaar hier wel in stilte geven. Op die manier probeert onze parochiegemeenschap het voorbeeld van Jezus na te volgen. En daarom is het fijn en goed, beste mensen dat jullie kinderen vandaag hier hun eerste communie ontvangen. Ik wens jullie samen met je kinderen heel veel geluk en zegen. En ik wens uit de grond van mijn hart dat deze nu nog kleine mensen uit zullen groeien tot gelukkige mensen.


Ben Wolbers, pastor-teamleider


Donderdag 29 september 2021. Overweging tijdens de Lourdesmis.


De kleine heilige Theresia van Lisieux heeft eens gezegd: ‘Een preek over Maria doet mij eigenlijk alleen maar iets, als ik haar leven voor mij kan zien zoals het werkelijk was en niet zoals het vaak uitgedacht is door geleerde mensen. Ik ben ervan overtuigd’, zei zij, ‘dat het werkelijke leven van Maria heel eenvoudig geweest moet zijn. Men stelt haar vaak voor op een manier die niet na te volgen is, onbereikbaar, maar men moet haar zó uitbeelden dat ze na te volgen is; het is al genoeg te weten dat ze uit haar geloof heeft geleefd’. Ik vind dit heel raak gezegd. Er staat niet zoveel over Maria in de bijbel. Maar wat er staat, is voldoende om ons helpen om haar leven voor ons te zien zoals het werkelijk was. Het begint al wanneer zij te horen krijgt dat zij zwanger is, op een geheimvolle wijze. Dat bracht haar behoorlijk in verwarring, maar uiteindelijk zei ze ‘Uw wil geschiede…’ en bewaarde ze alles in de stilte van haar hart. En vanavond hoorden we dat zij op bezoek ging bij haar nicht Elisabeth, toen die net als zij zwanger was. Maria ging naar haar toe, gewoon om te helpen; ze bleef drie maanden bij haar. Haar zoontje moest ze ter wereld brengen in een smerige stal in Bethlehem. Toen haar kindje Jezus geboren was moest ze op de vlucht naar Egypte, op de vlucht voor het geweld van koning Herodes, vluchten voor geweld van machthebbers het is helaas van alle tijden. En dan het gedrag van haar zoon hoe vaak hebben zij en Josef zich niet moeten afvragen wie of wat hem toch bezielde als kleine jongen al tussen de geleerde mensen in de tempel in Jeruzalem en later op de bruiloft van Kana. En tenslotte dat vreselijke gebeuren dat ze moest aanzien dat hij vermoord werd door de machthebbers. Naar die Maria gaan wij vrijdag op reis. De Maria die heeft moeten meemaken wat zoveel mensen voor en na haar soms ook moeten meemaken. Daarom staat ze ook zo dichtbij veel gewone mensen. Ze leidde een gewoon, onopvallend leven. Maar toch, toch was het leven van Maria meer dan gewoon, eenvoudig en onopvallend. Het was ook bijzonder. Bijzonder omdat zij altijd is blijven vasthouden aan die ene ervaring die ze had toen haar de geboorte van Jezus werd aangekondigd: dat God haar in al haar kwetsbaarheid kracht zou geven, dat Hij haar zou blijven vasthouden. Daar haalde zij haar kracht vandaan. Daarom is onze reis naar Maria ook geen gewone reis. Het is een bedevaart. Een bedevaart is een reis naar een plek waar je op een bijzondere wijze vertrouwen kunt ervaren, geloof, hoop en liefde. Je gaat op bedevaart om tot bezinning te komen, tot gebed, tot bezinning, om even afstand te nemen van je dagelijks bestaan.  Een bedevaart is een reis waarvan je hoopt dat je er kracht zult vinden, moed, inspiratie, hulp voor je leven van alledag. Wij gaan op bedevaart naar Maria in het verre Lourdes. We hopen dat we daar iets mogen ondervinden en aanvoelen van het geloof en het vertrouwen waardoor Maria kon omgaan met wat haar allemaal overkwam. We zullen de komende week van alles met elkaar meemaken en met elkaar delen. Verdrietige dingen, mooie dingen. We zullen mogen ervaren hoe goed het is dat we met elkaar optrekken. We zullen bij elkaar ontdekken dat wij niet de enigen zijn die kwetsbaar zijn of zwak. We zullen elkaars hoop versterken, elkaars geloof versterken. We zullen ook heel veel andere mensen zien van over de hele wereld. Die zijn daar net als wij ook gekomen om iets te ervaren van het geloof en het vertrouwen van Maria. We zullen samen bidden en vieren. Elkaar vast houden en bemoedigen en daar doorheen zullen we kunnen voelen, dat God ons vasthoudt en ons kracht geeft. Zo zal het met Maria ook gegaan zijn. Want God werkt door mensen, door onze handen, door onze woorden, door onze glimlach, door ons medelijden, door onze kleine gebaren van goedheid. Ik herinner u aan Therese van Lisieux: het is al genoeg als je weet dat ze uit haar geloof heeft geleefd. Ik hoop dat we de komende dagen in Lourdes kunnen ervaren dat we in de teleurstellingen en de verdrietige ervaringen die iedereen op haar of zijn levensweg onherroepelijk tegenkomt. Dat we daarin overeind kunnen blijven. Straks zullen we het uitzingen: ‘Als de golven dreigen, hoger, hoger stijgen, schijn dan veilig voor ons uit...’ Om dit alles wens ik u en mijzelf toe: “een goede vaart, een gezegende bedevaart”.


Ben Wolbers, pastor-teamleider


Zondag 26 september 2021 (26ste zondag door het jaar)


We hoorden twee verhalen die erg op elkaar lijken. We horen over Mozes en over Jezus. Beiden hebben een kring van mensen om zich heen die ze gevraagd hebben hen te helpen. Maar als er dan mensen van buiten die kringen hetzelfde doen, dan is Leiden in last. Vorige week – in de oecumenische viering – hebt u kunnen horen over het onderlinge gekibbel van de leerlingen van Jezus, – de latere leiders van de kerk dus – wie van hen de belangrijkste was, wie de baas zou zijn. En we hoorden toen hoe Jezus hen op hun plaats zette. In het evangelie van vandaag doet hij dat weer. De leerlingen hebben niet het alleenrecht om de goede boodschap van Jezus te verkondigen. Tussen dit evangelieverhaal en de eerste lezing van dit weekend liggen vele eeuwen. Maar in beide verhalen gebeurt eigenlijk hetzelfde. En ik denk dat we sindsdien nog weinig of niets hebben bijgeleerd, maar daarover straks meer. Eerst even naar de lezingen kijken. Mozes heeft God gevraagd of hij de leiding over het volk van Israël mag delen met zeventig anderen. Zijn leiderschap werd hem te zwaar. Maar als Mozes die zeventig aangesteld heeft, dan blijken er nog twee anderen te zijn die ook als leider optreden. Dat vonden enkele mensen te ver gaan. Ze gingen naar Mozes: ‘Dat moet u hen verbieden. Die horen niet bij die zeventig. Dit mogen ze niet.’ Maar Mozes zegt dat het wel degelijk mag. Nog sterker: ‘Ik zou willen dat het hele volk zo in de Geest van God zou werken’. Eeuwen later in de tijd van Jezus speelt iets soortgelijks. Dat hoorden we in het evangelie. ‘Rabbi, meester, we hebben iemand die niet bij ons hoort, duivels zien uitdrijven. Dat mag toch niet?’ Kennelijk dachten zijn leerlingen dat ze een soort alleenrecht hadden. Maar Jezus reageert net als Mozes: ‘Laat ze maar doen’, zegt hij tegen zijn jaloerse leerlingen. ‘Laat ze maar doen. Wie niet tegen ons is, is voor ons’. Ruimer denken kan bijna niet. We zijn intussen twintig eeuwen verder en wat ik al zei: volgens mij hebben we nog steeds weinig bijgeleerd. Ik bedoel dit: wanneer overtuigde gedoopte en gevormde christenen in het openbaarheid gaan spreken, dan gebeurt het nogal eens dat hen gevraagd wordt te zwijgen, dat ze in bepaalde kringen van de kerk geen recht van spreken hebben. Ik heb hier aan een medebroeder op het oog, Carlos Mesters heet hij, die als jongen van zeventien naar Brazilië ging, daar priester werd gewijd en zich ontwikkelde tot een ook nu nog steeds zeer bekende bijbelgeleerde. Carlos leeft nog en is inmiddels de negentig gepasseerd. Omdat hij naast zijn wetenschappelijke arbeid ook als missionaris werkte in de sloppenwijken van de grote steden en op het arme platteland, kwam hij ertoe om juist voor de arme en gewone mensen een bijbelschool op te richten. Dat werd uiteindelijk een bloeiend instituut, bekend in heel Brazilië. Op internet kunt u daarover wel het een en ander vinden. Het speciale aan die bijbelschool is, dat hij daar de gewone mensen leerde de Bijbel verstaan als een boek voor hen, een boek dat beschrijft dat God bevrijding wil en rechtvaardigheid voor álle mensen, en speciaal ook voor de armen en de mensen aan de rand. Maar omdat dit een beetje te veel deed denken aan de bevrijdingstheologie, gaf het Vaticaan hem in negentiger jaren een spreekverbod. Hij mocht niet meer preken en een les meer geven. Zijn bijbeluitleg was te gevaarlijk… Dat verbod werd gelukkig na een jaar weer opgeheven, maar toch…


Mozes en Jezus wilden de werking van de heilige Geest juist niet beperken tot een kleine exclusieve groep. Dat zouden wij als kerk – juist in deze tijd – heel goed moeten beseffen. De Bijbel vraagt juist van ons dat we elkaar waarderen en wederzijds respecteren. Daarmee bedoel ik niet dat we alle verschillen glad moeten strijken, maar juist op hun waarde te schatten. Een bloementuin is pas mooi als er verschillende bloemen en kleuren in staan, zei Carlos ooit. We hebben elkaar nodig. Juist doordat we soms zo verschillend zijn, kunnen we er samen iets moois van maken. Dat betekent dus: niemand buitensluiten. In onze samenleving niet en zeker niet in onze kerk. Stelt Jezus dan geen eisen? Jawel. Lees maar verder in het evangelie. Wie kleine mensen verdrukt, armen uitbuit en de ander zijn of haar loon onthoudt, die is te licht voor het Rijk van God. Maar wie naar eer en geweten aandacht besteedt aan gewone en kleine mensen, die hoort bij ons thuis, - zegt Jezus. Dat is de ruimdenkendheid die ik aan het begin bedoelde. 


Ben Wolbers, pastor-teamleider


 


Overweging van dhr. Jos de Graaf op 19-9-21 oecumenische viering rond de Vredesweek


Thema van de overdenking is:


Durf te Kiezen


Dinsdag is het Prinsjesdag, alle belangrijke mensen zijn dan weer aanwezig, wellicht aangepast i.v.m. de corona, Wat zou dit land enorm geholpen zijn als het dienen waartoe Jezus oproept, de hoofden en harten weer eens zou beheersen. Dan zouden keuzes gemaakt worden en zouden ouderen, zieken, werklozen, armen en arbeidsongeschikten ontzien worden. Jezus maakt keuzes en stelt prioriteiten. Er is nu even geen tijd om zieken te genezen of het woord te verkondigen; integendeel, Hij moet onderricht geven aan zijn leerlingen; en dat dat nodig is blijkt al duidelijk uit dit gedeelte (Marcus 9: 30-37) want de discipelen snappen niet wat Jezus zegt als Hij lijden moet en ze lopen te kibbelen over de vraag wie van hen de belangrijkste is! Durven te kiezen; velen van ons hebben het er moeilijk mee om duidelijk te zijn; aan te geven wat prioriteiten zijn; zeggen dat we niet alles tegelijk kunnen doen. Aangeven wat je wel of wat je niet wil of kunt. Velen van ons proberen alle ballen tegelijk in de lucht te houden met als gevolg dat er voortdurend steken vallen. Jezus durft te kiezen. Hij kiest hier voor onderricht. En zegt dat Hij zal moeten lijden. Dan staat er dat de leerlingen Hem niet begrijpen, maar ook geen vragen stellen. Ook dat herkennen we naadloos. Je wil niet dat men je voor dom houdt. Je wil niet laten merken dat er iets is dat je niet snapt. Je durft dus niet kwetsbaar te zijn. Je suggereert dat je alles wel weet…Niet voor niets zal Jezus zo dadelijk een kind in het midden stellen; want kinderen zijn kwetsbaar en weten niet alles. De discipelen zwegen; zo doen we dat als we de confrontatie niet aandurven; we houden ons mond en hopen dat de bui overwaait… Maar we zien niet dat de bereidheid om de eigen grootsheid te relativeren de eerste voorwaarde is om werkelijk tot God te komen… Ze komen in Kapernaüm. Onderweg voeren de discipelen een heel gesprek. Waarover spraken zij? Over het aanstaande lijden van Jezus, waarvan ze zojuist uit zijn mond hoorden? Nee dus. Het zijn net mensen, die discipelen. Ze hebben niet zo veel boodschap aan de woorden van de Heer, ze hebben zo hun eigen programma, hun eigen vragen. Heel herkenbaar. Het geldt bij tijd en wijle voor ieder van ons; we horen de woorden van de Heer, maar parkeren ze. Andere zaken zijn belangrijker.De discipelen hebben een brandende vraag aangesneden: Wie van hen is de grootste, de belangrijkste, de invloedrijkste. Hoe komen de leerlingen van Jezus bij die vraag?  Jezus vraagt hun: En waarover was onderweg die discussies? Ze zwijgen. En blijven zwijgen, want ze zijn beschaamd. Maar helaas! Jezus weet het: Wie de belangrijkste wil zijn, zegt Hij… en sluit zo aan bij wat hen bezighield. Wij kunnen wel denken dat God niet weet wat in ons omgaat, maar het is Hem bekend. Hij immers is onze Schepper en hij heeft toegang tot ons hart. God weet wat ons bezig houdt… Daarom kunnen we het beter met Hem delen, bijvoorbeeld in onze gebeden. Toen naam Jezus een kind en plaatste dat in hun midden. Hij bedoelt hier niet te zeggen dat mensen moeten worden als een kind; Het is niet zoals in die bekende tekst: Laat de kinderen tot Mij komen… Het gaat hier om iets anders. Jezus wil zeggen dat mensen weerloos en kwetsbaar zijn als een kind, niet moeten heersen als de groten der aarde. De dienst bewezen aan een kind is onbaatzuchtig en bewijst zelfopoffering. Dan zegt Jezus: Wie de belangrijkste, de grootste wil zijn, moet de nederigste zijn, moet dienen! En dat is nu net wat Hij bedoelde in zijn onderwijs aan de leerlingen over het lijden. Het gaat niet om straks, het gaat om nu. Niet met een gouden koets, niet met pracht en praal maar door te dienen. We schrijven de armen, de hongerigen, de dorstigen, de zieken, de gevangenen, de vreemdelingen – buitengeslotene net zo gemakkelijk af zoals we God afschrijven. Ze lijken niets voor te stellen, maar ze blijken dichter bij het koninkrijk te zijn, dan vele andere. Durven wij ook te kiezen: Wie in het oorlogsmuseum is geweest heeft wellicht de foto zien hangen van de scheepswerf waar Hitler aanwezig was, en daar staan heel veel medewerkers op die de Hitler groet doen. Maar er staat een man tussen die dat niet doet, hij durfde te kiezen omdat niet te doen, met alle risico’s van dien voor hem. Kiezen we voor een injectie of niet, met mogelijke negatieve of de positieve gevolgen. Onlangs in Afghanistan waar de taliban weer de macht heeft. Kozen Afghanen om het land te verlaten, o.a. voor hun godsdienst anders dan de taliban zal dicteren. Zelf iemand die de keuze had gemaakt om aan een landingsgestel van een vliegtuig te gaan hangen, met fatale gevolgen; zijn dodelijke val van grote hoogte. We maken keuzen met je hoofd, Maar je hoofd weet het antwoord niet. In je hoofd zitten twijfels. Het resultaat is dat je alleen nog meer nadenkt en piekert over de mogelijke consequenties van je keuze. Bovendien denk je vaak alleen maar aan de negatieve gevolgen van je keuze. Je vergeet na te denken over de positieve gevolgen van je keuze. Nadenken over de negatieve consequenties werkt verlammend. Bovendien wordt het alleen maar erger, want alles wat je aandacht geeft groeit. Het antwoordt op je keuze zit niet in je hoofd. Het antwoord zit in je hart. Heb mijn Lief, MIJN alleen betracht het goede en weet dat ook het goede zich duizendvoudig voorplant. Durf te kiezen.  Amen


Jos de Graaf


 


Overweging van ds. Marise Boon op 19-9-21 oecumenische viering rond de Vredesweek


Wat heeft dit verhaal nou met vrede te maken, kun je je afvragen? Probeert u zich eens in te denken hoe het voor de leerlingen geweest moet zijn, om hier bij te zijn. Volgens mij moet het een bijzonder ongemakkelijke situatie geweest zijn. Er spreekt maar weinig vrede uit de tekst. Al pratend trekken Jezus en zijn leerlingen door Galilea en Jezus probeert te vertellen wat er in de nabije toekomst zal gaan gebeuren. Dat hij zal sterven, maar dat dit het einde niet zal zijn. Het is op zich geen wonder dat de leerlingen dit niet helemaal begrijpen. Wat wel vreemd is, is dat niemand de moed heeft om te vragen wat hij bedoelt. Waar dit over gaat. Of de toekomst die zij zich gedacht hebben, dan wel in beeld is. Zij dachten met een overwinnaar op pad te zijn, met iemand die koning zou gaan worden in Jerusalem. Niet met iemand die gedood zou worden. In plaats van hun verwarring uit te spreken, zwijgen ze tegenover Jezus. Onder elkaar zwijgen ze echter niet. Onder elkaar lopen ze zich breed te maken, ze lopen zichzelf te vergelijken met de anderen om te zien wie het belangrijkste is. Jezus hoort ze wel praten onderweg, maar zegt er niets van. Hij zal er het zijne wel van gedacht hebben. Pas als ze thuis zijn, als ze onder elkaar zijn, vraagt Jezus waar ze het onderweg eigenlijk over hadden. Dat ze hierover zwijgen als Jezus hen er naar vraagt, zegt wel iets. Schamen ze zich? Weten ze wel dat Jezus hier heel anders over denkt? Ze zouden het in elk geval wel kunnen weten. Een mooi stel is het, die leerlingen van Jezus. Ze zwijgen als er wezenlijke vragen gesteld worden, en als ze praten dan hangen ze de macho uit. Het zijn net echte mensen…. Want dit herkennen we allemaal wel, toch? Het is veel makkelijker om over iets nietszeggends te kletsen, dan om te laten zien dat je verward bent, of bang, dat je iets niet weet of gewoon niet weet wat je moet zeggen. Dan doen we allemaal wel op zijn tijd. Toch? Als Jezus zijn leerlingen vraagt naar waarover zij spraken, zwijgen ze. Ze worden geconfronteerd met hun eigen onvermogen en houden bedremmeld hun mond. Jezus gebruikt deze gelegenheid om zijn leerlingen een les te leren. Het is op zich niet erg, dat je belangrijk wilt zijn, zegt hij, maar weet je wie voor God belangrijk is? Dat is niet degene met de beste baan, de grootste spierballen, de grootste mond. Dat is niet degene die zijn leven het beste voor elkaar heeft, en ook niet degene die het eerste voor de ander klaarstaat. Voor God is dit kind belangrijk – en Jezus omarmt en knuffelt een kind dat blijkbaar ook in het huis aanwezig is. Een kind is kwetsbaar en wordt snel over het hoofd gezien. God kijkt daarnaar: hoe ga je om met kwetsbaarheid: die van jezelf en die van een ander? Als je God wilt ontvangen, houd je dan bezig met kwetsbare mensen en met je eigen kwetsbare kanten, zegt Jezus. Laat die stoere spierballentaal maar over aan anderen. Nu komt dan toch de vrede in beeld. Want die spierballentaal is taal van de macht. En waar die toe leidt, zien we dagelijks op het journaal. Je mag niet over je laten lopen. Je moet laten zien wie de baas is. Als zij mij aanvallen, dan moeten wij die aanval vergelden. Wij heersen over de aarde en gebruiken alles om er rijker of beter van te worden. Dit alles gaat ten koste van kwetsbare mensen, die honger lijden of armoede, die moeten vluchten voor geweld, die worden uitgebuit of vergeten. Wat doe jij in Vredesnaam? Dat is de vraag van deze vredesweek. Het antwoord van Jezus leidt ons in de goede richting. Houd je bezig met kwetsbaarheid. Die zien we dagelijks, om ons heen. Zeker hier in Sint Anna. Probeer elkaar te helpen, probeer geduldig en begripvol te zijn, probeer dat te doen wat in jouw vermogen ligt. Wees een medemens – dat is oneindig veel waard. Kwetsbaar, dat is niet alleen de ander. Dat zijn wij zelf ook. Wees daar niet bang voor, dat hoort bij de essentie van mens zijn. Durf kwetsbaar te zijn. Dat is eng, want een ander kan je pijn doen, als je laat zien waar je kwetsbaar bent. Maar het is ook verrijkend, want de ander heeft dan ook de kans om je géén pijn te doen, omdat hij/zij weet heeft van jouw gevoelige plekken. En daar… daar is God aanwezig. Tot slot een vertelling uit de joodse traditie: aan een joodse rabbi werd door zijn leerlingen de vraag gesteld: Vroeger waren er mensen die God zagen van aangezicht tot aangezicht. Nu hoor je dat nooit meer. Waarom zijn die mensen er tegenwoordig niet meer? De rabbi antwoordde: omdat vandaag niemand zich meer zo diep wil bukken. Diep bukken, dat is onze opdracht. Durft u het te proberen? Amen


Ds. Marise Boon


Zondag 5 september (23ste zondag door het jaar)


Tot op vandaag wordt bij het doopsel een ritus voltrokken die Effataritus wordt genoemd. Bij de dopeling wordt dan symbolisch mond en oren geopend. Het gaat erom dat het woord van God gehoord en verkondigd kan worden.  Alles wat het hem of haar onmogelijk zou maken om goed te kunnen horen en het goede te kunnen vertellen wordt symbolisch of, beter gezegd, sacramenteel geheeld. Als Jezus in het evangelie volgens Matheus spreekt over mensen die zien en toch niet zien; die horen en toch niet horen, dan weten wij eigenlijk direct dat het om meer gaat dan alleen onze zintuigen. En dat is dus ook in de lezingen die wij zojuist hebben gehoord het geval. Ook als wij goed werkende ogen hebben, kunnen wij blind zijn; ook als wij goed werkende oren hebben, kunnen wij dicht zijn. En eigenlijk is dat soms maar goed ook. Dat afgesloten zijn hebben wij zo nu en dan hard nodig. Het is immers een van onze belangrijkste strategieën tot zelfbescherming. Als kinderen hun handen op hun oren houden, en daarbij hard gaan zingen, doen ze dat om zich af te sluiten, wanneer ze bang zijn om iets te horen wat ze niet willen horen of omdat ze het niet kunnen verdragen. Ik las over een gespreksgroep waarin aan de deelnemers de opdracht werd gegeven om zinnen op te schrijven waarbij ze eigenlijk als kind de oren dicht hadden willen houden. Het resultaat waren woorden zoals: ‘Wat zullen de buren ervan zeggen – ‘Wat ben jij toch waardeloos, je kunt ook helemaal niets’– ‘Je maakt me ziek – ‘Dat had ik van jou niet verwacht’- ‘Wanneer maak je mij eens trots,’ enzovoort. Goede voorbeelden die verklaren waarom wij, als we volwassen zijn, zo nu en dan de poort van onze geest op slot doen. Voor we het weten oordelen we en luisteren bij voorbaat niet meer, of we weten al wat iemand gaat zeggen, nog voor iemand uitgesproken is.  Of we luisteren met een soort filter en horen alleen datgene wat ons aangenaam in de oren klinkt en wat natuurlijk ook ons eigen standpunt bevestigt. Ongewenste nieuwe ideeën of iets waarbij we dieper moeten nadenken worden bij voorbaat afgewezen.  Hoeveel misverstanden ontstaan niet omdat we maar met een half oor luisteren?  Ik betrap mijzelf er vaak op dat ik al een antwoord heb terwijl de ander me nog iets wil uitleggen. Als ik dan zou moeten herhalen wat me werd verteld, dan zou ik daar niet veel van terecht brengen. Dit soort doofheid is, als we het ons al bewust zijn, heel hardnekkig. Het is dan ook opvallend dat Jezus veel dóet, om de doofheid van de man te doorbreken: zijn woord alleen is hier niet genoeg. Nee, Hij kijkt naar de hemel, Hij steekt de man vingers in de oren, Hij doet zijn speeksel op zijn tong. Jezus moet hem dus heel dicht op zijn huid komen. Die moeite die Jezus doet is niet verwonderlijk, want heel de geschiedenis van God en mensen is afhankelijk van het horen. Het is niet voor niets dat het ‘Sjema Israël’, ‘Hoor Israël’ het belangrijkste gebed van het jodendom is. Want, zonder wérkelijk horen gaat het hele heilsaanbod van God aan mensen voorbij. Horen, d.w.z. open zijn, is fundamenteel. Open zijn voor wat van God komt. De woorden die wij hoorden in de eerste lezing zijn uit een veel grotere context gelicht. Hoofdstuk 35 in het boek Jesaja is één prachtig visioen van dat wat van God komt: ballingen worden bevrijd, de woestijn zal bloeien, kreupelen zullen dansen, blinden zien en doven horen, wilde dieren zullen er niet meer zijn. Het is een wereld die er nu niet is. Hoewél, misschien is die er voor een deel al wel, het ligt er maar aan hoe wíj met de wereld en met elkaar omgaan. Wij kunnen hier en nu die wereld een stukje tot stand brengen. Vanaf het eerste hoofdstuk in het evangelie volgens Marcus is Jezus op zoek naar mensen die willen meewerken; willen meewerken aan die wereld van God, het Rijk van God. Mensen die net als Hij willen verkondigen dat het eigenlijk heel dichtbij is en die net als Hij erop vertrouwen dat zij daarvoor kracht uit de hemel de hemel zullen krijgen. Jezus keek, lazen wij, naar de hemel. Hij stond met geheel zijn wezen open voor de Vader. Bij de meesten van ons zal opengaan een langzaam proces zijn waarvoor we gelukkig een leven lang de tijd krijgen. En zelfs daarna mogen we vertrouwen dat de Eeuwige zíjn werk zal afmaken. De kerk heeft in dat woord ‘Effata’, ‘ga open’, altijd een oproep gehoord tot de hele mensheid en de hele aarde. Bidden wij dat ook wij zullen horen. Amen


Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 29 augustus bij de start van het nieuwe parochiejaar


Thema: werk in uitvoering


Begroeting en inleiding


Van harte welkom in onze startviering!


De meeste vakanties zijn voorbij. En ook in onze parochie maken wij een nieuwe start. Dat doen we in een tijd waarin de dreiging van het corona-virus voorzichtig wat aan het afnemen is. ‘Gelukkig maar’, zeggen velen. Maar er zijn er ook bij wie ik zorg hoor. Zullen wij ons er wel van bewust blijven dat veel afhangt van ieders persoonlijk gedrag?


Straks zullen we in de lezingen horen dat Jezus en de apostel Jacobus een beroep doen op ieders persoonlijke verantwoordelijkheid. Natuurlijk niet alleen op het vlak van de beheersing van de gevaren van het corona-virus. Beiden spreken over de persoonlijke verantwoordelijkheid. De persoonlijke verantwoordelijkheid voor de keuzes die we maken. Hoe gaan we om met wat er leeft in ons hart: aan welke waarden geven wij voorrang? Durven we ons eigen gedrag kritisch te bekijken? werken we nog aan onszelf? willen wij af en toe nadenken over de  manier waarop wij elkaar benaderen? Het gaat hier over de gebieden in ons leven waar we zelf aan kunnen werken, waar we zelf verantwoordelijkheid voor dragen. Vandaar ook het thema van deze viering: ‘werk in uitvoering’… en vandaar de prachtige afbeelding voorop uw boekje: waar iemand werk maakt van het schoonmaken en oppoetsen van zijn of haar hart…


Overweging


Een oude indiaan gaf zijn kleinzoon onderricht over het leven en levensgeluk. "Binnen in me is een gevecht gaande," zei hij tegen de jongen. "Het is een gevecht tussen twee wolven. De ene wolf is slecht; hij bestaat uit woede, jaloezie, hebzucht, verwaandheid, schuld, wrok, leugens, valse trots en ego. De andere wolf is goed; hij is vrede, liefde, hoop, kalmte, nederigheid, vriendelijkheid, vrijgevigheid en compassie. Die twee wolven vechten met elkaar in het hart van iedere mens, ook in jouw hart." De kleinzoon dacht enkele ogenblikken na en vroeg toen aan zijn opa: "Welke wolf zal dit gevecht winnen?" De oude man glimlachte en antwoordde, "De wolf die jij te eten geeft.” Misschien begrijpt u al wel waarom ik dit verhaaltje vertel. In deze levenswijsheid van een oude indiaan komen beide lezingen samen: de eerste lezing, waarin Jezus het heeft over de duistere kant van ons mens-zijn. En de tweede, waarin de apostel Jacobus vertelt over het licht dat we óók in ons meedragen. Als we het hadden gelaten bij alleen de waarschuwende woorden van Jezus, dan was u straks waarschijnlijk met een vervelend gevoel naar huis gegaan. Want Jezus pakt daar nogal uit tegen de farizeeërs: het binnenste van een mens, zegt hij, wordt echt niet vies als iemand zijn handen niet wast of als hij een keer de afwas niet doet, nee… de mens wordt van binnen smerig door wat daar aan vuiligheid leeft. En dan noemt Jezus een hele rij: boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk en nog veel meer. U hebt het net gehoord. Het is goed dat de strenge woorden van Jezus van vandaag werden gevolgd door de brief van Jacobus. Dat is ook de reden waarom we voor deze keer de volgorde van de lezingen hebben omgedraaid. Want de boodschap van Jezus in het evangelie mag dan misschien wat hard overkomen, Jacobus laat zien dat de boodschap van Jezus zeker ook een blijde boodschap genoemd mag worden. Jacobus zegt: God heeft bij iedere mens in het hart een vermogen tot liefde geplant; en Hij hoopt dat wij die liefde laten uitgroeien tot iets moois. In ons hart leven niet alleen slechte neigingen. Maar ook goede. De titel van een bekend boek zegt het raak: ‘De meeste mensen deugen’. De wijsheid van de oude indiaan is een prachtige aanvulling op de beide lezingen van vandaag. Hij brengt die beide lezingen als het ware samen. Hij laat ons zien dat er van alles kan leven in het binnenste van een mens. Maar hij laat het daar niet bij; hij voegt er een wijs woord aan toe: dat het er vooral op aankomt wat je dóet met wat er leeft in je hart: geef je voedsel aan het negatieve dat daar soms broeit of zorg je dat het goede dat er leeft, kan groeien? Wij zoals wij hier bijeen zijn zullen het erover eens zijn dat je voor het laatste moet kiezen. Dat je de verantwoordelijkheid hebt dat het goede dat in je leeft groeien kan. Dat je met zorg aandacht moet besteden aan het vermogen tot liefhebben dat in ieder van ons leeft. De apostel Jacobus benadrukt dat ook in zijn brief. ‘Besef’, zegt hij, ‘dat er in je binnenste krachtige woorden zijn geplant, woorden van Godswege, woorden die je in beweging kunnen zetten. Wees uitvoerders van die woorden en niet alleen toehoorders en zoek bij voorbeeld wezen en weduwen op in hun nood’. ‘Bij voorbeeld’ want hij bedoelt natuurlijk alle mensen die onze steun nodig hebben, die er in het leven alleen voor staan, alle mensen die om welke reden ook moeilijk hebben. ‘En’ gaat hij verder: ‘doe dat met zachtmoedigheid’, - wat niet hetzelfde is als softheid. Doe het vanuit een hart dat zich durft te laten raken door mensen die het niet makkelijk hebben. Op deze manier verstaan geven Jezus en Jacobus ons een grote maar ook mooie opdracht mee voor het jaar dat wij als parochiegemeenschap voor de boeg hebben: dat wij niet ophouden aandacht en zorg te hebben voor elkaar, vooral voor hen die dat het hardste nodig hebben… dat wij elkaar helpen groeien in verbondenheid met elkaar… én dat we ons daarin laten sturen door Gods woord. En tenslotte: dat wij daarbij regelmatig stilstaan bij onze eigen verantwoordelijkheid, onze eigen rol. Er is dus nog genoeg te doen. Maar er wórdt ook al veel gedaan. Om het met het motto van deze viering te zeggen: veel van wat gedaan moet worden is al in uitvoering. Laten wij daarom bidden dat wij als parochie een echte gelóófs-gemeenschap zullen zijn – en dat, zoals Jacobus het zegt, niet alleen als toehoorders maar ook als uitvoerders. 


Ben Wolbers o.carm. pastor teamleider


Zondag 22 augustus (21ste zondag door het jaar)


Thema: Kiezen en delen                  


Een boek wordt geschreven om de inhoud te delen. De schrijver vertrouwt de woorden toe aan het papier of tegenwoordig - de laptop of tablet - en de lezer is het die er vervolgens ‘iets’ mee doet: die er van geniet, die er lessen uithaalt, gespreksstof of er mee aan de slag gaat, bijv. zoals bij een kook- of klusboek. Het ligt aan de inhoud, voor wie of waarom het boek geschreven is. De schrijver kiest zorgvuldig de woorden uit zodat hetgeen bedoeld wordt, zo goed mogelijk begrepen kan worden. Het is een vorm van breken en delen die iedereen wel kent. Vele bibliotheken zijn gevuld met, ja in feite dode boeken waarvan de woorden pas tot leven komen als ze ook gelezen worden en zo verder leven in en door de lezer. Jezus heeft geen boek geschreven maar wel geschiedenis en enkele van zijn apostelen voelden zich achteraf geroepen om zijn levensverhaal en levenslessen op schrift te stellen, te vertellen over Hem zodat veel méér mensen van het Evangelie - het Goede Nieuws - zouden horen en zo mogelijk kunnen lezen. In vele talen en door de eeuwen heen in vele vertalingen is de bijbel handmatig of door middel van drukwerk gekopieerd en uitgegeven en de vele commentaren en studies die volgden zijn niet te overzien. ‘Gij hebt woorden van eeuwig leven, tot wie zouden wij anders gaan?’ Spraken we met Petrus uit als acclamatie na het Evangelie. Het gaat erom dat hetgeen je leest - of hoort voorlezen - je echt aanspreekt, in een taal die je begrijpt en dat is nog niet zo eenvoudig. Zelfs voor Jezus lijkt het een hele klus om hemels leven en hemelse principes te vertalen naar aardse begrippen. In woord en daad probeert Hij z’n Goede Nieuws te vertellen, echter met wisselend succes. ‘Begrijpen jullie het nou nog niet!?,’ horen we Jezus regelmatig tegen z’n apostelen zeggen. Daarom stuurde Hij na zijn hemelvaart ook de H. Geest die zou helpen om Jezus’ woorden en uitleg te begrijpen, te bevatten zodat ze er daadwerkelijk mee aan de slag konden. Voor woorden van eeuwig leven, daar heb je bijzondere Eeuwige hulp bij nodig maar dat niet alleen. In onze werkgroep krijgen we regelmatig met teksten te maken waarvan we aanvankelijk denken dat we er niks mee kunnen maar het gelezene met elkaar doorspreken werkt heel verhelderend, het krijgt langzaam als het ware handvatten en handen en voeten; iedereen kijkt er weer anders tegen aan. We halen er dan verschillende, ook actuelere vertalingen bij; spreektaal verandert in de loop van de tijd. Dat viel me eens in het bijzonder op toen een familie uit Canada, - die in de jaren ‘50 van de vorige eeuw van hieruit geëmigreerd was, - op bezoek kwam. Ze spraken nog de taal uit de tijd van hun vertrek en dat is logisch. Die typische klanken en dat woordgebruik en ik dacht verbaasd: ‘Ja, zo zeiden we dat toen!’ terwijl het elkaar verstaan geen enkel probleem vormde, was het verschil duidelijk waarneembaar. Over de langere termijn is dat verschil natuurlijk nog veel groter. ‘U spreekt woorden van eeuwig leven.’ Deze woorden sprongen er bij de lezing van vandaag voor mij uit. Vrijwel allemaal zoals we hier bijeen zijn, hebben we wel een bijbel in huis. Gekregen of ooit gekocht maar er in je eentje een stukje in lezen valt niet mee als je het van huis uit niet hebt meegekregen dat te doen. Zeker een oudere vertaling – ook al is het in een kostbare uitvoering -, kan anders overkomen, als je het voor de eerste keer leest; het dagelijks woordgebruik sluit vaak niet meer aan bij de manier van spreken en schrijven van pakweg een kleine eeuw geleden. Toch is het belangrijk met het Levensboek bezig te blijven; het is naar mijn idee een werkboek en de teksten kunnen ons meehelpen om onze geloofsrelatie levend te houden. Het verstoft zo gemakkelijk onder de beslommeringen van de dag en dat leidt tot geestelijke verschraling. Jezus’ woorden van eeuwig leven zijn als dagelijks eten en drinken soms zware kost, dan weer helder en licht verteerbaar. Zijn aanwijzingen voor het leven zijn kostbare woorden hoe God met mensen omgaat en dat heeft eeuwigheidswaarde, ze helpen ons een visie verder in het hier en nu, ze helpen ons om in het dagelijks leven Gods liefde bewuster in praktijk te brengen. Alleen wij zelf kunnen van hieruit kiezen om te delen. 


Betzie Brakels werkgroep Woord- en Communieviering


 


Zondag 15 augustus 2021 (Maria tenhemelopneming)


Begroeting en inleiding


Als een van ons ’s avonds om een uur of zes de basiliek sluit dan zien we dat er hier de dag door behoorlijk veel mensen zijn geweest om bij het beeld van Maria een kaarsje op te steken. Velen van ons bidden tot Maria, ook in deze tijd. Misschien zelfs wel juist in deze tijd van corona. Wij vinden het dikwijls gemakkelijker om tot haar te bidden dan rechtstreeks tot God. Maria is dan onze voorspreekster. Maar wie is Maria nog meer? Laten we daarvoor even alvast naar voren kijken, naar de lezingen van vandaag. In de eerste lezing wordt gesproken over een vrouw die vecht met de draak, het kwaad. En het kwaad uiteindelijk verslaat. De traditie heeft in deze vrouw al heel lang Maria gezien. In de tweede lezing zien we Maria opnieuw als een krachtige vrouw die de handen uit de mouwen steekt bij haar nichtje Elisabeth en die dat beroemde lied zingt, het Magnificat, waarin God bezongen wordt als Degene die opkomt voor gerechtigheid en bevrijding. Al in de eerste eeuwen van onze christelijke traditie was men ervan overtuigd dat het geloof van Maria zo hecht was, dat haar band met haar zoon en met God niet kon worden verbroken door de dood. In het gelovige aanvoelen van de mensen heeft God Maria op een bijzondere wijze bij zich thuis laten komen, in Zijn liefde. En daarmee vieren we eigenlijk ook de hoop en het geloof, dat dit ook eens voor ons allemaal zal zijn weggelegd. In die hoop willen we vandaag vieren en bidden.  


Overweging


Al in de eerste eeuwen van onze christelijke traditie leefde de overtuiging dat het lichaam van Maria niet begraven is, maar dat het opgenomen is bij God. De eerste aanwijzingen dat dit geloof ook echt feestelijke is gevierd, vinden we al rond het jaar 450. ‘Natale Sanctae Mariae’ heette het toen. Vrij vertaald: ‘Maria is opnieuw geboren in de hemel’. Het evangelie zegt niets over deze wonderbare overgang van Maria naar de hemel. Maar het evangelie tekent Maria wél als een vrouw die heel dichtbij God leefde. Het allersterkst komt dit naar voren in het lied dat we haar vandaag hoorden zingen. Het Magnificat. Daar zingt ze uit hoe vertrouwt ze zich voelt met God. Niet de vorsten, de premiers en de presidenten van deze wereld zullen het laatste woord hebben, maar God! Niet de alleskunners, maar de kleine en gewone mensen die op Hem hun vertrouwen hebben gesteld, díe mogen rekenen op Zijn hulp en mededogen. Maria heeft dit vertrouwen in haar leven ook daadwerkelijk laten zíen: zij durfde het leven aan zich te laten gebeuren. Zij vertrouwde erop dat het – wat er ook gebeurde in haar leven – uiteindelijk goed zou komen, - met de hulp van God. Wij reageren dikwijls heel anders op de werkelijkheid waarin wij leven. Ik heb me in de afgelopen maanden wel eens bezorgd afgevraagd hoe het verder zal gaan met onze parochie nu we vanwege corona zo lang met beperkingen moeten leven. Zou u nog terugkomen? Of zou de loop eruit zijn? Gelukkig niet, zo te zien. Maar het zijn soms wel angstige vragen. Of hoe zouden we het anders moeten aanpakken om jongeren meer bij onze parochie te betrekken? Of – iets heel anders – wat zouden we kunnen doen om de bedreigingen van de klimaatverandering weg te nemen of om te buigen? De onmacht die we bij deze vragen voelen, maakt soms weleens mismoedig… Maria ging anders om met de werkelijkheid waarin zij leefde. Zij durfde het leven aan zich te laten gebeuren. Zij zocht niet voor alles een onmiddellijke oplossing. Zij bewaarde de dingen in haar hart, staat er in het evangelie. Maar zij ging intussen wel gewoon door met de dingen die ze meende te moeten doen. Ze ging gewoon naar haar nicht Elisabeth om die te helpen bij de bevalling van haar kindje Johannes. Zij trok gewoon met Jezus mee op zijn reizen door het land. Het vertrouwen dat in haar Magnificat te beluisteren valt, was niet gebaseerd op overspannen verwachtingen, waardoor ze zichzelf verlamde en een machteloos gevoel gaf. Nee, - in haar Magnificat horen we een bepaalde zekerheid dat het uiteindelijk God is, die alles ten goede keert. Die zekerheid gaf haar van de ene kant de vrijheid om te doen wat ze kon doen, en van de andere kant ook de vrijheid om niet méér te willen dan voor haar mogelijk was. Deze innerlijke zekerheid zie ik ook terug bij onze medebroeder Titus Brandsma. Titus heeft net als Maria altijd de overtuiging gehad dat wij op onze levensweg geleid worden door God en dat ons leven in Zijn hand ligt. Dit vertrouwen heeft hem tot het eind toe kracht gegeven en een diepe innerlijke zekerheid, - ook toen hij wist dat het concentratiekamp Dachau het einde zou betekenen van zijn leven in deze wereld. Een diepe innerlijke zekerheid… máár net zoals bij Maria was zijn vertrouwen in Gods leiding niet een simplistisch denken dat God alle tegenwind weghoudt, maar wel een van binnen weten dat onze weg hier op aarde ons hoe dan ook naar een goede bestemming voert. Ik ben ervan overtuigd dat Maria in dit vertrouwen voor Titus een zeer belangrijk voorbeeld was. Precies om dit geloof en om dit vertrouwen mogen wij vandaag vieren dat Maria hoog in de hemel is opgenomen als het stralende teken dat God kleine mensen groot maakt…


Ben Wolbers o.carm. pastor teamleider


 


Zondag 1 augustus 2021 (18e zondag door het jaar)


Begroeting en inleiding


Vijf zondagen lang lezen we uit het evangelie van Johannes, waarin gesproken wordt over brood, honger en dorst, eten en drinken. Dat begon vorige week met het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging. Vandaag het vervolg: de toespraak van Jezus over honger hebben, maar honger waarnaar?Een pasgeboren baby, nog maar net op de wereld, heeft een ingeboren reflex om onmiddellijk te willen drinken. Als het pasgeboren kind de borst of de fles krijgt, zuigt het met veel kracht de melk naar binnen. Maar het is méér dan alleen voedsel dat het binnenkrijgt. Wat het naar binnen zuigt, is ook: aandacht, warmte, nabijheid, liefde, leven. En over dat meer gaat het in het evangelie van vandaag. Dus nogmaals: honger hebben, maar honger waarnaar?


Overweging


‘Operatie Manna'. Zo werden de voedseldroppings genoemd die de geallieerden organiseerden aan het eind van de hongerwinter van 1945. Limburg en Brabant waren al bevrijd, maar in het westen was honger, echte honger. De Duitsers hadden een regelmatige voedseltoevoer geblokkeerd. Op 29 april 1945 werd, na maanden onderhandelen, door meer dan 200 bommenwerpers 535 ton voedsel uitgeworpen. In de kranten stond: ‘Brood uit de hemel’. Na zo’n lange tijd vreselijke honger was het voor heel velen inderdaad een wonder: brood uit de hémel, eindelijk te eten. Die woorden ‘brood uit de hemel’ hoorden wij zojuist ook in de eerste lezing. Daar reageerde God op de klacht van het Joodse volk dat het niets te eten had tijdens zijn lange reis door de woestijn. ‘Ik zal brood uit de hemel voor jullie laten regenen’. En in het evangelie klonken die woorden weer: daar zegt Jezus: ‘Mijn Vader geeft u brood uit de hemel, het echte. Want het brood dat God geeft, dat ben ik’. Ik ga daar direct verder op in. Maar eerst nog dit. Hebt ú wel eens echte honger gehad? Echte honger? De meesten van u waarschijnlijk niet. Ik ook niet. Als wij thuis tegen moeder zeiden dat we honger hadden, zei ze bijna altijd: ‘Jullie hebben trek, maar honger, - nee hoor; de kinderen van Biafra, díe hebben echt honger’. Wij kennen nauwelijks echte honger. Onder de mensen die indertijd achter Jezus aangingen waren zeer waarschijnlijk wel behoorlijk wat vaders en moeders die elke dag opnieuw maar moesten zien hoe ze hun kinderen te eten gaven. Die misschien wel noodgedwongen op de markt bleven hangen, op zoek naar iets eetbaars, een paar vruchten die overbleven of een weggegooid stuk brood. Daarom was de samenkomst met Jezus, waar we vorige zondag over hoorden, waar duizenden mensen te eten kregen, ook zoiets geweldigs geweest, een feest van eindelijk even geen zorgen. Een groot wonder. En daarom was het ook heel begrijpelijk dat ze hem nu weer zochten. Maar Jezus geeft ze dit keer niet te eten. En hij legt hen ook uit waarom hij dit niet doet. Vrij naverteld zegt hij ‘Ik begrijp dat jullie ook vandaag graag te eten krijgen. Maar vandaag wil ik jullie iets zeggen over mijzelf. Ik wil jullie zeggen dat ik zelf het brood ben dat mijn Vader in de hemel jullie geeft. Ik ben het brood waar je van kunt leven.’ In feite zegt Jezus hier tegen de mensen van toen én tegen ons dat wij meer nodig hebben dan het brood dat wij dagelijks eten. Hij nodigt ons uit om zijn hele manier van doen en denken te gaan zien als voedsel dat je elke dag nodig hebt, waarmee je je elke dag weer kunt voeden. En wat hij daar dan precies mee bedoelt, kunnen we hier elke zondag in de evangelieverhalen horen: dat leven meer is dan gewoon maar bestaan; dat leven ook is: vreugde, liefde, vrijheid, geborgenheid en voelen dat je er mag zijn; dat leven breken en delen is, elkaar vergeven en opnieuw beginnen; dat leven bij tijd en wijle ook lijden is; maar dat we er zijn om elkaar dan bij te staan; dat God liefde is en dat Hij ons altijd vasthoudt, ook als we sterven. Aan het begin van zijn openbare leven zei hij het kort en bondig: ‘Een mens leeft niet van brood alleen’. Amen


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 8 augustus 2021 (19e zondag door het jaar)


Elia, hoorden wij in de eerste lezing, was depressief. Hij had enorm zijn best gedaan om het volk van Israël en de koning en koningin, Achab en Izebel, tot bekering te brengen. Maar Izebel wil dat Baäl, de God van vruchtbaarheid wordt vereerd. Zij heeft zelfs de profeten van Israël laten doden. Nu is zij uit op het leven van Elia. Elia is op de vlucht en wil eigenlijk niet meer leven. In een depressieve bui loopt hij zonder eten en drinken de woestijn in. Hij doet dus een zelfmoordpoging, want zonder drinken red je het in de woestijn niet. Hij is er klaar mee en gaat onder een struik liggen. Hij geeft het op. Hij wil dood. God reageert heel rustig op de vertwijfeling van zijn profeet: geen antwoord op het klagen; geen boosheid of vermaning voor zijn zwakheid; Hij laat een engel zelfs brood en water brengen: “Sta op en eet, anders is de weg te lang voor jou”. Het is heel eenvoudig eten. Karig eten. Maar het is genoeg om Elia te laten herleven. Het geeft hem de kracht om zijn weg voort te zetten.  Hij gaat op weg naar de Horeb, de berg van God in de Sinaï, waar hij God zal ontmoeten. Zonder het brood uit de hemel zou Elia het niet hebben klaargespeeld. Was het alleen dat brood, of ook het besef dat hij er uiteindelijk niet alleen voor staat? Ik denk dat het in ieders leven voorkomt dat er in moeilijke tijden engelen zijn en er brood uit de hemel wordt gezonden. Dat hoeft natuurlijk niet per se materieel te zijn. Nee, zo nu en dan krijgen we ook geestelijk voedsel dat ons verder helpt op onze levensweg. Van dat laatste las ik een mooi voorbeeld van een depressieve tamelijk orthodoxe dominee die in zijn gemeente niet meer verder kon. Hij liep stuk op de zondenleer in zijn kerk. Hij kreeg het boek Eerlijk voor God in handen dat geschreven is door de Anglicaanse bisschop Robinson. Dat gaf hem méér dan zijn hele godsdienstige opvoeding tot dan toe. Het brood dat Robinson aan deze dominee gaf was het inzicht dat áls we zeggen dat God liefde is, áls we dat geloven, dat we dat dan heel erg serieus moeten nemen. Elke uitspraak waarin het begrip God met iets hatelijks, iets verwijtends, iets discriminerends wordt verbonden moet dan als vals worden beschouwd. Pijn doen en een ander ongelukkig maken in naam van God is niet mogelijk, of we zouden met een afgod van doen hebben. Een soort van Baäl dus. Voor deze dominee was het alsof er een enorme last van hem werd afgenomen. Dat geestelijk voedsel dat hij op het moment van het lezen van dat boek kreeg was voedsel voor de rest van zijn leven. Het licht van de liefde liet op alles een ander licht schijnen. De wereld leek wel omgekeerd. Hij zag toen ook pas echt in hoe groot de liefde is die in Christus aan ons mensen is gegeven, die zich niet voor niets brood uit de hemel noemt. Ja, ik denk dat wij allen wel zo’n ervaring hebben. Bij mij was het op het juiste moment een oude zuster die hoorbaar verzuchtte: “Waarom snappen mensen toch niet dat God alleen maar liefde is?” Toen viel bij mij opeens het kwartje. Als het echter waar is dat God zo nu en dan een engel stuurt om ons een zetje te geven met het juiste voedsel op het juiste ogenblik, dan is het andersom ook zo dat God zijn woord zo nu en dan in onze mond wil leggen. Soms zal God onze mond lenen, onze pen, onze laptop, om even zijn engel te zijn. Af en toe zullen wij, misschien zonder het in de gaten te hebben, een woord zeggen dat voor een ander richtinggevend en reddend is. Dat kan natuurlijk vooral gebeuren als we, zoals de engel bij Elia, niet oordelend met het vingertje omhoog staan of willen manipuleren en de ander naar onze hand willen zetten. Engel zijn en brood voor een ander. Mensen kunnen dat. Misschien zijn wij daarom beeld van God? Amen


Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 25 juli 2021 (17e zondag door het jaar)


Ik weet niet of u de film kent over de sociaal bewogen priester Daens. Daarin komt een scene voor van een jongentje dat honger heeft. Hij vangt een paar visjes, stekelbaarsjes, legt ze voor zich neer met een paar stukjes brood. Met zijn ogen stijf toegeknepen gaat hij daarbij bidden. Zijn handen zijn zo strak gevouwen dat zijn knokkels wit worden. Er wordt verder niets bij toegelicht, maar iedereen die enigszins het evangelie kent dat wij zojuist hebben gehoord, weet waar het hier over gaat. Als de jongen klaar is met zijn hartstochtelijk gebed doet hij zijn ogen open. Daar liggen nog steeds de kleine stukjes brood en drie stekelbaarsjes. Hij staat kwaad op en loopt, nog steeds hongerig weg. Zijn kinderlijk geloof is definitief weg. Het is ook geen wonder dat het juist dit evangelieverhaal is dat door critici van het christendom wordt aangegrepen om te laten zien dat ons geloof niet meer dan een zoethoudertje is. Want, zo geef je mensen niet te eten. Mensen worden gevoed door hulp en sociale gerechtigheid… Ja, als je dit verhaal als niet meer dan een wonderverhaal ziet, dan is die kritiek misschien wel terecht. Ik denk dan wel dat een paar heel belangrijke gedachten in het verhaal worden gemist. Allereerst is er de houding van Jezus. De evangelist laat er geen twijfel over bestaan dat Jezus het als zijn verantwoordelijkheid ziet om de mensen te voeden. Hij schrijft: ‘Hij wist wat Hij zou gaan doen’. Het is zijn grondhouding om voor mensen te zorgen. Hij ziet hun vermoeidheid, hun honger naar brood en naar Hem. Vervolgens - en dat is het tweede dat van belang is - doet Hij dat met het weinige dat er is: de paar broden en vissen die een jongetje bij zich heeft, iemand die nog niet volwassen is en eigenlijk niet eens wordt geteld. Alleen volwassen mannen werden immers geteld. Hoe je het ook bekijkt, het is allemaal ontoereikend. Als wij mensen delen, doen wij dat juist vaak vanuit overvloed. Dat doen wij met geld en goed. Wij geven graag aan acties en projecten. Voor de meesten van ons is dat delen niet zo moeilijk. Echt hebberige, gierige mensen zijn er gelukkig niet zo veel. Maar het wordt lastiger als het b.v. om persoonlijke inzet gaat óf nóg lastiger, om delen van wat er in ons omgaat. Delen van wat we geloven, onze idealen, iets van onze ziel delen met een ander. Wij hebben immers veel meer aan elkaar te geven, wij kunnen elkaar namelijk inspireren, we kunnen elkaar geestelijk voeden. Niemand gelooft zomaar uit zichzelf, wij hebben het ergens vandaan, van mensen die het met ons hebben gedeeld. Het probleem bij dit delen is echter nogal eens dat wij denken dat wij daarvoor niet genoeg in huis hebben. Ik kom ik dat best vaak tegen. Dan kun je dingen horen als: ‘Wat heb ik nou in te brengen?’ ‘In een gespreksgroep wil ik niet, ik kom niet goed uit mijn woorden.’ ‘Wat zou ik nou kunnen bijdragen aan die werkgroep’?  En zo zou ik nog veel meer kunnen opnoemen. Delen, aan een ander iets van jezelf gunnen, van misschien het weinige dat we volgens ons in huis hebben, is een heel grote opgave. Er is ook durf voor nodig: wát als ik niet word begrepen of de mensen het gek of verkeerd vinden wat ik te zeggen heb. En toch hebben we elkaar echt broodnodig als we geïnspireerde, gelovige mensen willen zijn en blijven. Geloven in je eentje is echt niet zo makkelijk. Morgen is het de sterfdag van Titus Brandsma. Hij noemde ons mensen Goddragers. Hij bedoelde daarmee dat wij mensen juist in het van onszelf aan de ander geven, iets van God in de wereld brengen. Dat was geen nieuwe gedachte. Paulus zegt het al: ‘Niet ik leef maar Christus leeft in mij’. Dat kunnen we supermystiek gaan verstaan, alsof dat alleen voor heel bijzondere mensen geldt. Maar ik denk eigenlijk dat het heel gewoon is. Wij zijn als gemeenschap én als personen de plaats waar God aan het licht kan komen, waar God in de wereld geboren kan worden, juist in dat op wat voor manier dan ook delen van wat van onszelf is Als wij dát doen, als wij geven en delen, doen wij dat altijd van het weinige, het tekort, dat we hebben. Want, Superman bestaat echt alleen in stripboeken. Ook Titus Brandsma was fysiek een kleine, zwakke man. Maar hij was bereid te geven, een leven lang, ja, tot in Dachau. Zo werd hij tot inspiratie voor heel veel mensen. Ik wil sluiten met een gebed dat ik kortgeleden las: 


Ook een verdorde boom


kan mooi zijn in het landschap.


Laat mij in al mijn kwetsbaarheid


een teken zijn van jouw mateloze schoonheid,


en geef me het vertrouwen


dat ik van mijzelf kan weggeven


en daarbij mijzelf vindt in Jou.


Amen


Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 18 juli 2021 (Feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel)


Een voormalige prior generaal van de Karmel heeft een ooit uitgerekend dat er over de hele wereld zo’n 60.000 mensen op de een of andere wijze verbonden zijn met de Orde van Karmel. Afgelopen vrijdag vierden al die mensen wereldwijd het feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel. Ooit, rond het jaar 1200, begon onze Karmelorde met een klein groepje monniken die bij elkaar woonden in hutjes en grotten in het Karmelgebergte, in het toenmalige Palestina. Omdat ze hun verblijfplaats in het Karmelgebergte hadden, werden ze al gauw Karmelieten genoemd.De monniken woonden daar dicht bij een kapel die was toegewijd aan Maria. Zij wisten zich op een bijzondere manier verbonden met haar, Onze Lieve Vrouw, Maria, de moeder van Jezus. Daar komt die andere naam van de karmelieten vandaan: zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel.Iets meer dan een halve eeuw na dat eerste begin vertrokken de Karmelieten onder de druk van hevig oorlogsgeweld naar Zuid-Europa. Daar breidde de groep zich snel uit en in een mum van tijd waren ze te vinden in bijna alle landen van Europa. Maar hun beide namen bleven ze houden: Karmelieten, zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel. Een belangrijke vraag bij het feest van vandaag is volgens mij: welk aspect van het leven van Maria zou óns als zusters en broeders van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel in onze tijd het meest kunnen aanspreken? Maria als onze zuster? Maria als moeder van Karmel? Voorspreekster? Tochtgenoot op onze levensreis? Toevlucht? Gids? Dit zijn allemaal namen die ze in de loop der jaren binnen en buiten de Karmel heeft gekregen. Maar voor de meeste zusters en broeders van de Nederlandse Karmel zeggen die namen op zich niet zo veel. Ik denk dat ik mag zeggen dat wij ons meer thuis voelen bij het antwoord dat Maria gaf aan de engel, toen die haar de boodschap kwam brengen die u net in het evangelie hoorde: “Schrik niet, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en zoon van de Allerhoogste worden genoemd”. En dán vooral haar antwoord: “Mij geschiede naar uw woord. Laat met mij gebeuren wat U hebt gezegd”. Dat antwoord is voor velen en ook voor mij het meest inspirerende in de houding van Maria. In groot vertrouwen is ze vanaf die eerste boodschap blijven kiezen voor de weg waarvan ze zelf het einde niet kon overzien. Maria durfde zich toe te vertrouwen aan de weg die ze kreeg te gaan. Een weg die God haar wees. En dát spreekt ons aan. Ze durfde erop te vertrouwen dat God niet alleen spreekt in de woorden van de Schrift. Hij spreekt ook in wat er met je in je leven gebeurt, in de feitelijkheden van je leven. Als Jezus als twaalfjarige tijdens een bedevaart met zijn ouders naar Jeruzalem drie dagen zoek is, vinden ze hem terug in de tempel terwijl hij daar druk zit te praten met een groepje Schriftgeleerden. En als Maria dan zegt: “Kind hoe kon je ons dit aandoen?” en Jezus antwoordt: “Wist je dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?” – dan staat er dat Maria hem niet begreep; maar onmiddellijk volgt dan: “zijn moeder bewaarde alles in haar hart.” Precies dát is kenmerkend voor Maria. Ze overwoog de dingen die haar overkwamen in de stilte van haar hart, ook als ze het niet helemaal begreep, en ze durfde zich dan over te geven aan wat er gebeurde. Dit is ook een van de kenmerken van onze karmelitaanse weg. Je durven toevertrouwen aan wat er op je weg komt. Onze prior generaal zei in een videoboodschap aan de wereldwijde Karmel: “Karmel is een manier van leven waarin we proberen ons bewust te zijn van de tegenwoordigheid van God in de heel gewone dingen en gebeurtenissen van ons leven. We proberen ons leven en ons werk biddend te beleven, met beide voeten op de grond van de alledaagse problemen en zorgen”. Daarom nog even terug naar Maria. Toen de engel aan Maria de boodschap kwam brengen die we in het evangelie hoorden, trok ze zich niet terug in haar huis en hield ze niet op haar gewone dagelijkse leven te leven. Ze bleef niet erg lang stilstaan bij wat haar gebeurd was, - al na een paar dagen trok ze door de bergen naar haar nicht Elisabeth die ook in verwachting was. Ze bleef drie maanden bij haar om haar te helpen bij de bevalling en de verzorging van haar kind. Luisteren naar God wil niet zeggen je terugtrekken in je binnenkamer en je afsluiten voor wat er om je heen gebeurt. De weg die God ons wijst, leidt ons altijd naar het gewone leven. Daar is de plek waar God ons aanspreekt. En daarin spreekt Maria ons aan.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 11 juli 2021


Zojuist hebben wij gehoord hoe Jezus zijn leerlingen uitzendt: Ze krijgen de macht onreine geesten uit te drijven; ze gaan oproepen tot bekering, zalven zieken met olie en genezen hen. Ze nemen het op tegen het kwaad. Prachtig! Net als Jezus verkondigen zij het Rijk van God, niet alleen met woorden, maar ook met daden.Tóch, als je het evangelie volgens Marcus van voren tot achter leest dan lijkt dat moment van uitzending plotseling en ook wat voorbarig te zijn. Immers: de leerlingen worden geroepen en vervolgens krijgen ze te maken met van alles en nog wat dat nou bepaald niet hun vertrouwen ondersteunt. Ze horen de reacties van de mensen: sommigen zijn enthousiast, maar farizeeën en schriftgeleerden zijn meestal heel negatief, al heel snel willen zij Hem uit de weg te ruimen. Dat zijn wél de leiders van het geloof. De mensen die Jezus het meest na staan zijn dorpsgenoten en familie, die zijn achterdochtig, ze denken zelfs dat Hij gek is. De leerlingen moeten dat allemaal maar een plaats geven. Als er een storm over het meer opsteekt en Jezus in de boot ligt te slapen, blijkt dan ook dat het vertrouwen van de leerlingen maar een dun laagje is: ‘Meester, kan het u niet schelen dat wij vergaan?’, roepen ze in hun angst. Zelfs twee hoofdstukken na de tekst die wij zojuist hebben gehoord, als ze dus al uitgezonden zijn geweest, neemt Petrus Jezus apart om hem de les te lezen, want Petrus accepteert niet dat, zoals Jezus zegt, zijn weg naar het kruis zal voeren. Nee, dat past niet in zijn beeld van de Messias. Maar toch worden ze uitgezonden. Had hun vertrouwen niet eerst wat moeten groeien, voordat ze op zo’n belangrijke missie worden gestuurd? Moeten ze niet eerst leren om een antwoord te hebben op al die kritische en negatieve geluiden? Moet hun geloof niet grondiger worden beproefd? Wij zitten in onze tijd eigenlijk in precies dezelfde situatie als die eerste leerlingen. Wij hoeven bij wijze van spreken de televisie maar aan te doen, of er is wel een kritisch geluid te horen over alles wat met christendom te maken heeft. En het is vaak zo ongenuanceerd, zo zonder enig begrip en vanuit de negatieve houding dat gelovige mensen maar simpele zielen zijn. Maar is het alleen de buitenwacht en zitten die geluiden niet ook in onszelf? Is het bij ons allemaal zo rotsvast? Een poos geleden sprak ik iemand die mij vertelde hoe zij een enorme weerstand had gekregen tegen alles dat met geloof te maken had. Dat kwam volgens haar omdat alles haar in haar jeugd was opgedrongen: zó is het, dát heb je te geloven, geen vragen stellen, vooral niet kritisch zijn. Vooral niet twijfelen, want dat is een teken – zo was dat in de kerk waar zij bij hoorde - dat je niet gered bent. Zij twijfelde wel, ze twijfelde heel geregeld. Ze kon niet anders dan ‘twijfelend geloven’. Het resultaat was, dat ze, toen ze zich aan haar milieu had ontworsteld, nergens meer mee te maken wilden hebben. Had ze maar mogen twijfelen, dan was haar weg misschien veel eenvoudiger geweest, in ieder geval met veel minder weerstand. Met veel minder ballast zodat ze zich wat eerder had kunnen openen voor wat en wie op haar weg kwam. De twaalf apostelen die worden uitgestuurd weten niet goed wie Jezus is. Ze worden niet altijd met veel enthousiasme ontvangen en waar hun weg hen uiteindelijk brengen zal, weten ze ook niet. Ze zijn ondanks dat wel bereid om te gaan én om niets mee te nemen. Dat betekent dat ze moeten ontvangen wat op hun weg komt: de negatieve opmerkingen en achterdocht van de mensen, mensen die ze weer moeten verlaten, maar ook de mensen bij wie ze wel te gast mogen zijn; de mensen die zich wel laten raken door die boodschap over God als Vader van alle mensen. Ze zijn maar half opgeleid. In dat opzicht is ook onze eerste lezing heel toepasselijk: Amos zegt: “Ik ben helemaal geen profeet, m.a.w. ik hoor niet bij die club, ik ben boer, ik hoed koeien en verbouw vijgen”. Hij voelde zich ook tot niets in staat en ook zijn boodschap werd echt niet met open armen ontvangen. Wij mogen uit het evangelie leren dat wij geen rotsvaste zekerheden hoeven te hebben. Maar ook kunnen wij leren dat wij mét al onze twijfels zo in het leven kunnen staan dat wij iets laten zien van dat Rijk van God: opkomen voor wat het leven bevordert, opkomen tegen het kwaad, omkijken naar elkaar. Vertellen van een God die gewoon van mensen houdt zoals ze zijn. Bidden wij dat wij mét onze twijfels dat doen. Amen


Zr. Susan van Driel o.carm


 


Zondag 4 juli 2021 (Slotviering)


Jezus trekt rond, zo vertelt Marcus ons. Hij bezoekt met een groepje leerlingen de dorpen rond het meer van Galilea. Hij geneest zieken en op de Sabbat gaat hij naar de synagoge en geeft daar zijn visie op God en op de samenleving. “Het koninkrijk van God is nabij”, zegt hij, “daarom raad ik jullie aan na te denken over je leven en je bezig te gaan houden met wat werkelijk belangrijk is. Wees rechtvaardig, zorg voor de weduwen en wezen. Heb je naaste lief, bemoedig elkaar, zie elkaar als medemens, leg elkaar geen onnodige lasten op…”. Bij veel mensen vindt Jezus gehoor voor zijn boodschap. Maar er is ook kritiek. De religieuze overheid vindt Jezus te vrijpostig. Zijn moeder en sommige andere familieleden maken zich zelfs zorgen over hem. Zorgt hij wel goed voor zichzelf? Maar dan gebeurt er iets bijzonders. Jezus bezoekt Nazareth, het dorp waar hij is opgegroeid. Wat de Farizeeërs en de Schriftgeleerden niet klaarkregen, dat lukt zijn dorpsgenoten wel: op een paar uitzonderingen na kan Jezus in zijn dorp geen zieken genezen, er is geen vertrouwen in hem is, geen geloof. Want ze menen dat hij geen bijzondere zending kan hebben, hij is toch de zoon van de timmerman. En ze kennen ook de rest van zijn familie. Zijn moeder woont bij hen en zijn zussen en broers…Deze wetenschap verhindert hen om in Jezus iets bijzonders te zien. Jezus is voor hen de dorpstimmerman en daarmee uit. Er staat dan ook dat Jezus verwonderd was over hun ongeloof. Ook onze tijd kent dit onvermogen om vertrouwen te stellen in de woorden en daden van Jezus. Soms ligt de oorzaak bij de kerk die in de ogen van veel mensen te autoritair is en wereldvreemd. Soms vinden mensen het moeilijk om te geloven in de boodschap van Jezus vanwege alle ellende en rampen die direct onze huiskamers inkomt. Hoe kun je dan zeggen dat God ons nabij is en ons wil steunen. Maar er is nóg reden waardoor sommige mensen het moeilijk vinden te geloven. Die beschrijft Marcus vandaag. De mensen van Nazareth kúnnen Jezus niet geloven omdat hij veel te gewoon is. De zoon van een timmerman… iemand uit het dorp… Misschien is dit wel een heel belangrijk punt voor ons. Want het onvermogen om te vertrouwen op de boodschap van Jezus zou wel eens samen kunnen hangen met het feit dat wij het moeilijk vinden om in het dagelijkse leven iets goddelijks te zien, iets van God. Als dit waar is, dan zouden wij iets kostbaars kunnen winnen, door onszelf meer open te stellen voor het bijzondere dat vaak schuilgaat in gewone mensen en in gebeurtenissen uit onze directe omgeving. Als zieken blij, opgeknapt en dankbaar terugkomen van Lourdes, waarom zouden wij dat dan niet beschouwen als een gave van God... als een chirurg een moeilijke operatie succesvol afrondt, waarom zouden we dat dan niet een wonder noemen... Misschien raken we juist hier wel de kern van geloven: dat geloven eigenlijk het vermogen is om Gods aanwezigheid te ervaren in de dingen die om ons heen gebeuren…  de trouwe zorg aan een ziekbed… het vertrouwen dat een klein kind je schenkt… buren die oog hadden voor de overbuurman toen die maar moeilijk overweg kon met zijn eenzaamheid tijdens de lockdown…



  • de geweldige inzet van de mensen uit de zorg toen de corona-pandemie gruwelijk uit de hand dreigde te lopen…

  • uw stroom van goede gaven voor de voedselbank…


Waarom zouden die dingen er niet op kunnen wijzen dat God aan het werk is in ons midden? Dat is in ieder geval wél iets waar de profeten in de Bijbel ons telkens weer op wijzen: dat in de zogenaamd kleine gebaren van goedheid en barmhartigheid iets te zien is van Gods bedoeling met ons… De profeten vragen ons om Gods aanwezigheid te zien én om Gods aanwezigheid zichtbaar te maken in onze daden van goedheid en liefde. Misschien is het goed met deze gedachte onze komende vakantietijd in te gaan.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 27 juni 2021 (13e zondag door het jaar)


Ik wil beginnen met een Joods verhaal: Op zekere dag kwam God tot de conclusie dat er maar een nieuwe zondvloed moest komen, zonder ark, zonder duif, zonder overlevenden. Hij zond een engel naar de aarde om dit besluit bekend te maken. Eerst kwam de engel bij de paus. De paus zei: ‘God is groot, tegen zijn oordeel mogen we ons niet verzetten’. Toen ging de engel naar de leider van de moslims. Die zei: ‘De wil van Allah moet geschieden’. Tenslotte bezocht de engel de joodse opperrabbijn. De rabbi dacht lang na en zei: ‘Het is waar, we hebben gezondigd, maar goeie God, het zal nog niet meevallen om te leren leven onder tien meter water…’ Ik begin met dit verhaaltje, omdat dit zo goed laat zien hoe het joodse volk in het leven gelooft. Er is geen volk dat zo heeft geleden. Maar er blijft vertrouwen in het leven; vertrouwen dat het leven verdergaat. Het is opvallend dat in de woorden van Jezus - die Hij zegt tegen de bloedvloeiende vrouw en tegen de man die op het punt staat zijn kind te verliezen - het helemaal niet gaat over Gods wil en over berusting en aanvaarding. Nee, het is het vertrouwen dat zal redden. En dat is iets heel anders dan berusting en aanvaarding. Vertrouwen gaat namelijk vaak helemaal tegen zogenaamd realistisch menselijk denken in. Want realistisch gezien hebben die twee mensen in het evangelieverhaal geen enkele kans: Allereerst is er een man die om leven voor zijn dochter vraagt. Hij is een hooggeplaatst en machtig man: een overste van de synagoge. Een machtige man met aanzien. Maar hij is niet opgewassen tegen de dood, de dood van zijn kind nog wel. De tweede die een beroep op Jezus doet is een vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt. Haar toestand zette haar aan de rand van de maatschappij. Zij is altijd onrein, de strenge voorschriften voor de menstruerende vrouw moet zij altijd in acht nemen. Zij wordt daarmee feitelijk een paria, een onaanraakbare. Daarom ook raakt ze Hém niet aan, want als ze Hem aanraakt wordt ook Hij onrein. Dat wil ze Hem niet aandoen. Nee, heel voorzichtig én respectvol raakt ze alleen maar de zoom van zijn kleed aan. Een man van aanzien en een vrouw aan de rand van de samenleving. Toch hebben zij één ding gemeen. Zij zijn, naar menselijke maat, in een hopeloze situatie. De vrouw is overal om hulp geweest, niemand kan haar helpen. De synagogebestuurder kan niets beginnen tegen de ziekte die zijn dochter in de greep heeft. Er is geen mens op deze aarde die zich niet kan herkennen in deze mensen. Wij maken allemaal vroeg of laat mee dat er krachten zijn waar wij machteloos tegenover staan. We worden ziek, oud, we verliezen mensen waarvan we houden. We staan zo vaak machteloos. Sommige mensen raken daardoor verbitterd. Ze worden verdrietig en kwaad, ook op God. Iemand die haar eerste kind na een half jaar verloor vertelde eens: 'Mijn vertrouwen in het leven is diep geschokt en de toekomst is in een totaal ander licht komen te staan. Mijn beeld van God is in duigen gevallen. lk heb het gevoel nooit meer echt van het leven te kunnen genieten.' Haar vertrouwen in een God die liefde is en goedheid was helemaal weg. Het is ook moeilijk om met elkaar te rijmen, het verlies van een kind en de boodschap dat God, een God van leven is. Dat hebben we in de eerste lezing gehoord: ‘Hij toch heeft alles geschapen voor de onsterfelijkheid. En in evangelie volgens Marcus staat: ‘Hij is geen God van doden maar van levenden’. De mensen zeggen tegen Jairus: `Uw dochter is gestorven. Wat valt u de meester nog lastig?' Met andere woorden: er is geen hoop meer, dood is dood. Geen wonder dat Jezus zegt: ‘uw vertrouwen is uw redding’. Zonder vertrouwen in het leven zou er allang geen Joods volk meer bestaan. ‘Vertrouwen, wat moet ik er mee’, zei iemand niet zo lang geleden tegen me. Maar vertrouwen ís leven. Met vertrouwen durf je zelfs te geloven dat je onder 10 meter water kunt leren leven, zoals die oude rabbijn. Ook al is dat niet realistisch. Een student zei eens tegen een professor theologie: ‘wat als het nu eens allemaal niet waar is. Wat als we nu met z’n allen al 2000 jaar voor de gek worden gehouden’? De professor dacht lang na en zei toen: ‘dan laat ik me voor de gek houden, maar wel samen met Jezus’. Bidden wij dat ook wij zullen groeien in vertrouwen. Amen


Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 20 juni 2021 (12e zondag door het jaar)


Welkomstwoord


Ik heet u allen van harte welkom in deze eucharistieviering. Op het meer van Gennesareth kan het regelmatig hevig spoken. De oorzaak zijn valwinden die vanaf de koude Hermon in het noorden het broeierige dal van de Jordaan binnen vallen. Hoe verwoestend valwinden kunnen zijn, weten we sinds eergisteren. In Leersum is een aantal huizen verwoest en op de Utrechtse heuvelrug is een grote strook bos volkomen ontworteld. Vandaag lezen we het verhaal van de storm op het meer. Het verhaal gaat echter over veel meer dan een storm. In de zee en in de storm huizen de mythische monsters van de chaos en de dood die ons leven bedreigen. In allerlei verhalen vertelt de Bijbel hoe God de chaos bedwingt en hoe Hij uit de chaos onze levensruimte uitspaart. Het verhaal van de storm op het meer vertelt ons hoe onze angst voor de chaos en de dood kan worden omgevormd tot ontzag voor het geheim van God. Het is het geheim van God dat in iedere mens aanwezig is, het geheim dat vraagt dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar. Ik wens u een goede viering.


Overweging


Ooit heb ik een storm op zee meegemaakt. Het was tijdens een oversteek van Turkije naar Cyprus. Zolang onze boot voer onder de kust van Turkije viel het nog enigszins mee. Maar eenmaal op volle zee werd het verschrikkelijk. De boot rolde heen en weer en stampte omhoog en omlaag. Het leek alsof er overal water was, onder ons, links en rechts van ons, soms zelfs boven ons. En soms leek het alsof onder ons helemaal geen water was. Iedereen zag groen van ellende. Niemand kon iets binnen houden. Het boek van de Psalmen beschrijft hoe mensen in een vliegende storm terecht komen. Psalm 107 vertelt hoe mensen met hun schepen de zee opgingen om handel te drijven. Er stak een stormwind op die de golven hoog op zwiepte. Hemelhoog rezen zij. In afgronden daalden zij. Zij vergingen van angst. Ze tolden en tuimelden als waren zij dronken. Van al hun zeemanskunst bleef niets over. De psalm vertelt verder hoe ze in hun angst tot God riepen en hoe Hij hen redde uit de nood. God bracht de storm tot bedaren. De golven kwamen tot rust. De mensen waren blij toen het kalm was geworden. En God leidde hen tot de veilige haven. In de Bijbel is het kolkende water de vijand van God. De kolkende zee is de vijand van elke orde, ook van de scheppingsorde. In de oerzee heeft God een ruimte uitgespaard voor de schepping. In die ruimte heeft hij licht en donker geordend, dag en nacht, land en zee, man en vrouw. Zo maakte Hij voor ons een ruimte om te leven. In de oerzee huizen de chaosmonsters, Behemoth en Leviathan. Ze zijn uit op onze vernietiging. Toen God zijn volk leidde uit de slavernij van Egypte naar de vrijheid van het beloofde land, spleet Hij de zee. Op meerdere plaatsen spreekt de Bijbel erover dat God toen de koppen van Leviathan vermorzelde. In het evangelie van vandaag wordt de vernietigende kracht van de oerchaos opnieuw bedwongen. Het leven behaalt opnieuw de overwinning op de dood. Maar er is een belangrijk verschil. Jezus slaapt. Hij merkt niet dat zijn leerlingen de ondergang tegemoet varen, dat ze dreigen te vergaan in de kolkende chaos. Mensen die een beetje bekend zijn met de Bijbel, denken meteen aan de profeet Jona, die zijn roeping om in Ninive te gaan verkondigen, probeert te ontlopen. Hij scheept zich op een schip dat naar Tarsis vaart. Precies de andere kant op. Het schip komt in een storm terecht die alsmaar heviger wordt. Maar Jona ligt in het ruim van het schip te slapen. Na veel gedelibereer gooit de bemanning hem in zee en de woede van de zee bedaart. Behalve Psalm 107, het scheppingsverhaal en het verhaal van Jona klinken nog andere teksten mee uit de Bijbel. Het zijn teksten die erover spreken dat God zelf in slaap is gevallen en de noodkreten van zijn volk niet hoort. In Psalm 44 vragen mensen die met de dood worden bedreigd, God om wakker te worden. ‘O Heer, ontwaak. Waarom slaapt U? Ontwaak, stoot ons niet af voorgoed… Sta op en kom ons te hulp. Bevrijd ons omwille van uw liefde.’ In Psalm 78 is het nog erger. God is als een dronken soldaat die zijn roes ligt uit te slapen. Maar als Hij wakker is geworden slaat Hij zijn vijanden achteruit. Als Hij weer nuchter is, komt Hij in actie en redt Hij zijn mensen. God slaapt. Hij hoort ons niet. Hij doet niets. Hij redt ons niet. In die ervaring zullen vele mensen zich herkennen. Hij was er niet toen de pandemie wereldwijd toesloeg. Toen het conflict in het Midden-Oosten voor de zoveelste keer oplaaide in ziedend geweld en vele slachtoffers eiste, deed Hij niets. Hij is er niet als vluchtelingen aan de grenzen van Europa worden terug gestuurd en geen asiel kunnen aanvragen. Zijn bedoelingen met ons blijven onzichtbaar wanneer mensen tot de pijnlijke en verdrietige conclusie komen dat ze niet met elkaar verder kunnen.  God doet niets. Hij slaapt. Hoe verlost Hij ons uit onze nood? De leerlingen maakten Jezus wakker en vroegen: ‘Raakt het U niet dat wij vergaan?’ De vraag rijst hoe wij God wakker maken? De leerlingen vroegen dat Jezus ingreep in hun levens­ bedreigende situatie. Als wij dat doen, als wij God smeken om ons bij te staan in onze ellende, dan betekent dat niet dat wij de verantwoordelijkheid voor ons ongeluk op God kunnen afwentelen. Voor veel onrecht in onze wereld blijven wij zelf verantwoordelijk en dus ook voor het herstel van dat onrecht. Als wij God wakker willen roepen en Hem vragen ons te helpen, moeten wij ook ons zelf wakker roepen. Wij moeten ook zelf nabijkomen in de situaties die ons bedreigen. Wakker worden betekent beseffen dat God in ons en door ons werkt aan een betere wereld. De rechtvaardigheid en de vrede die God wil, wordt bereikt doordat wij de verantwoordelijkheid voor elkaar op ons nemen. Wij kunnen erkennen dat de ander niet onze vijand is, maar dat hij ons respect verdient omdat hij een geheim in zich draagt dat ons besef te boven gaat. Natuurlijk is er ook lijden dat we niet kunnen voorkomen en verhinderen. Dat lijden echter kunnen we samendragen in het besef dat onze God bereid is geweest om ook ons lijden op zich te nemen. Samen ons lijden dragen is ook een vorm van wakker worden uit onze onverschilligheid en vormgeven aan onze verantwoordelijkheid voor elkaar.


Huub Welzen o.carm.


 


Zondag 13 juni 2021 (11e zondag door het jaar)


De profeet Ezechiël sprak in de eerste lezing opbeurende woorden, vol vertrouwen. Opmerkelijk, want die woorden staan tussen allerlei profetieën die rampspoed verkondigen. Hij kondigt aan dat het hele volk in ballingschap wordt gevoerd naar Babylon. Er was door de machthebbers van Juda een puinhoop van gemaakt: woekeren, bloedvergieten, complotten smeden, afgoderij, het zaad, door God zelf in Israël geplant, was kapotgemaakt. In het boek Ezechiël wordt in een eerder hoofdstuk het beeld gebruikt van een pasgeboren kind dat te vondeling wordt gelegd. Er staat geschreven: ‘Niemand had medelijden met u of ontfermde zich over u om voor u te zorgen. Op de dag van uw geboorte werd u in het vrije veld te vondeling gelegd, omdat men aan uw leven geen waarde hechtte. Toen kwam ik voorbij u en toen ik zag hoe u daar lag te spartelen in uw bloed sprak ik tot u: ‘Blijf leven!’ Ja Ik sprak: ‘Blijf leven’. Prachtige woorden waarmee de profeet Ezechiël zegt hoezeer het volk van Israël álles te danken had aan de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Een God die het schreeuwen van zijn volk had gehoord toen het werd onderdrukt en gedood in de slavernij van Egypte. Hij wil ermee zeggen dat het volk helemaal niets aan zichzelf te danken had. Hulpeloos was het, toen het werd gezien én geholpen. Dat bewustzijn was en is er in het jodendom. Immers: ieder jaar opnieuw werd en wordt de bevrijding gevierd met het Pesachfeest. Het moment van uittocht, van het duister naar het licht, van slavernij naar bevrijding. Je zou dan denken, dat als mensen zich er diep van bewust zijn dat zij hun bestaan als mens en volk helemaal te danken hebben aan de Eeuwige, dat dit een besef is dat gunnend maakt; dat het bestaan en het leven wordt gegund aan andere mensen; dat er zorg is voor elkaar en de wereld. Het volk van Israël had dan ook vele wetten en regels die juist dát moesten waarborgen: nee je mocht slaven niet eindeloos uitbuiten; ja, je moest zorgen voor weduwen en wezen; je moest je houden aan reinheidswetten omdat – hóe wist men natuurlijk niet – dat mensen gezond hield; nee, je mocht wrede en bloed eisende goden niet vereren. Allemaal regels die moesten zorgen voor een goed leven, voor zover dat in de macht van mensen ligt. Een samenleving waarin het gunnen van God centraal staat. Het evangelie laat zien dat dit gunnende leven, het leven is dat Jezus heeft geleid. Hij besefte diep hoe Hij alles had ontvangen van zijn Vader en Hij gaf het door, juist aan de mensen die door anderen het leven werd misgund omdat ze in de ogen van die mensen niet deugden. Jezus begreep echter dat wij mensen maar één ding echt verkeerd kunnen doen, en dat is ons afkeren van dat leve gevende van God, het Rijk van God. Daartegen kon Jezus behoorlijk tekeergaan, tegen de farizeeën en schriftgeleerden die met de opgeheven vinger stonden, maar ondertussen het leven aan kwetsbare mensen misgunden. Die noemde Hij witgepleisterde graven en adderengebroed. In die tijd en cultuur echt vreselijke scheldwoorden. Wij mensen kunnen allerlei redenen hebben om tegen dat gunnen van God in te gaan: omdat we méér willen of willen houden wat we hebben of omdat we gewoon bang zijn voor onze kwetsbaarheid. Maar Hij probeert ons over de streep te trekken en Hij lokt ook ons naar het Rijk van God met die vergelijking van de kiemkracht van het kleinste zaad. En het wordt groot, Jezus zegt, ‘daarin kunnen de vogels wonen en schuilen’, ergens anders zegt Hij, het heeft vele woningen, plaats voor iedereen. Het gunt iedereen, ook jou, je leven. De vraag is of we ons over de drempel láten trekken. Kunnen we het vertrouwen opbrengen om in het Rijk van God te gaan wonen? Want vertrouwen vraagt het, bij iedere keuze die wij moeten maken in het leven. Wij kunnen namelijk nooit zeker weten of het ook iets oplevert wat we doen. Het is net als met de boer die het zaad in de aarde stopt. Hij weet dat de oogst ook wel eens mislukt, maar hij blijft zaaien en hij hoopt en vertrouwt op een mooie oogst. Enige weken geleden was ik in de Achterhoek en ik heb daar een drie eeuwen oude eik mogen bewonderen die een stamomtrek heeft van 7 meter. Ook die boom was ooit begonnen als eikeltje dat nou heel toevallig niet door de varkens werd opgegeten. Nu woonden er al driehonderd jaar vogels en allerlei andere wezens tussen zijn takken. Bidden wij dat wij het aandurven om gunnend te leven, zo gunnend als God. Amen. 


Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Zondag 6 juni (Sacramentsdag en Vaartzondag)


Het is alweer wat jaren geleden dat ik als voorbereiding op de eerste communie een ouderavond organiseerde over de eucharistie. Ik had tien stapeltjes kaartjes meegenomen waarop in steekwoorden iets over de eucharistie stond. Die had ik op tafel gelegd en ik vroeg toen aan de ouders een kaartje te pakken dat zij het meest toepasselijk vonden. Van de kaartjes waarop stond ‘delen van brood en leven’ werden er de meeste gepakt. De kaartjes met ‘gemeenschap’ deden het ook goed. Ook van de kaartjes met ‘Jezus’ erop werden er nogal wat gepakt. En ik zie nog zo voor me dat twee mensen het kaartje met ‘aanwezigheid van God’ meenamen. Maar van het stapeltje ‘Eucharistie is offer’ bleven alle kaartjes liggen. Dat heeft me toen behoorlijk aan het denken gezet. Want in de eucharistie gedenken we toch dat Jezus zijn leven heeft gegeven uit liefde voor God en de mensen? Daar hebben we die avond op doorgepraat. En toen werd het me duidelijk dat praten over ‘offer’ en vooral ‘jezelf opofferen’ tegenwoordig niet erg populair is. Integendeel. Wij willen ons leven liever zelf inrichten. Én we willen het liefst een heleboel dingen tegelijk: een baan, een goed salaris, een carrière, leuke sociale contacten en als het kan kinderen. Soms worden die wensen vervuld. Maar vaker kan het ook niet allemaal en moet je overleggen met elkaar: wie er werkt en hoeveel, wie voor de kinderen zorgt en hoelang... En dan komt onherroepelijk het punt dat je sommige wensen moet opgeven en inleveren. M.a.w. er worden regelmatig offers van ons gevraagd. Je kunt dit offer, dit inleveren negatief beleven. De ander wil dat jij iets inlevert, opoffert. En dan heeft de ander het gedaan. Maar het is ook mogelijk dat je ‘jezelf op eigen initiatief opoffert’, niet omdat een ander dit van jou vraagt, maar omdat jij ervoor kiest. Je kunt zo bezield worden door een doel of een ideaal dat je er andere zaken met liefde voor laat. En dan maak je dus die keuze zelf. Als je je met liefde en toewijding inzet voor iets dat je ter harte gaat, dan neem je het als-vanzelf voor lief dat je dit iets kost. Een man die zijn zieke vrouw verzorgt, offert met liefde zijn nachtrust op. Ouders die hun kinderen voor een studie naar het buitenland laten gaan, hebben daar soms van harte heel veel voor over. Een onderwijzer die een kind met problemen aandacht wil geven, levert vrije tijd in. Dan is het dus de zorg, de bekommernis of de liefde voor een ander die maakt dat jij bereid bent je eigenbelang los te laten. Offer wordt dan een daad van liefde of van zorg. Als ik zo over offer kan gaan denken, dan krijgt dit woord voor mij een heel andere betekenis. Toegepast op Jezus: toen hij voor de laatste keer met zijn vrienden aan tafel was, wist hij dat de machthebbers hem wilden pakken en dat een van zijn vrienden hem zou verraden. Hij had misschien nog kunnen vluchten, maar dan had hij zijn diepste dromen verraden. En zijn dromen gingen bijna altijd over LIEFDE, RECHTVAARDIGHEID EN GOEDHEID. Hij droomde ervan dat de liefde tussen mensen een onvoorwaardelijk karakter zou krijgen, dat de maatschappij een rechtvaardige samenleving zou worden, waar iedere mens recht zou worden gedaan, en dat onze onderlinge goedheid een goedheid zou worden die niemand uitsluit. In de ogen van Jezus is er eigenlijk maar EEN die echt helemaal goedheid is, helemaal rechtvaardigheid, helemaal liefde. En dat is God. Heel zijn leven was het Gods liefde, Gods goedheid, Gods rechtvaardigheid waardoor Jezus zich had laten leiden. Dat had hem gemaakt tot wie hij was. Daar kón hij uiteindelijk niet meer van afwijken, ook op het laatste moment niet. Dát is het wat Jezus zeggen wil als hij op die laatste avond van zijn leven het brood breekt en de beker met wijn ronddeelt en zegt: ‘dit ben ik, zo wil ik zijn voor jullie en voor alle mensen; als je aan mij denkt of over mij spreekt, blijf mij dan zó gedenken’. Overstromende liefde is het geweest, ook al kostte het hem zijn leven. Die liefde, die houding van Jezus, die gedenken wij vandaag op Sacramentsdag en die gedenken wij in de Vaart. Het is niet toevallig dat die liefde van Jezus hier in Boxmeer op Sacramentsdag al eeuwenlang is uitgebeeld met een kelk die tijdens de eucharistie overstroomt. Jezus heeft zichzelf helemaal gegeven, overstromende liefde is hij geworden. Dát gedenken wij. Amen


Pastor Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 30 mei (Feest van de Heilige Drie-eenheid)


Tot leerling gemaakt  


Vandaag luisterden we naar de woorden van Paulus die hij schreef aan de Romeinen en naar de laatste woorden van Jezus die Mattheus in zijn Evangelie heeft opgetekend. Deze laatste drie zinnen zijn te lezen als een samenvatting van het hele Evangelie volgens Mattheus. In mijn voorbereiding op deze zondag, werd ik door de middelste zin aangesproken. De zin: Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, en leer hun alles onderhouden wat Ik jullie geboden heb. Vele vragen kwamen naar aanleiding van Jezus zijn slotwoorden in mij op. Enkele daarvan waren: zijn onze kinderen door de doop tot leerling gemaakt? Hebben wij hen geleerd alles te onderhouden wat Jezus ons geboden heeft? We hebben het geprobeerd. Dat wel. En nog steeds. Maar, het is gebrekkig, onvolmaakt. We zijn als ouders zelf ook leerlingen. En wat betekent het dat Jezus zegt: maak alle volkeren tot leerling? Mijn vragen gingen over in bidden. Want aan wie kan ik mijn vragen beter voorleggen dan aan Jezus zelf? De andere woorden van Jezus kwamen als een antwoord: Míj is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Weet wel dat ik met jullie ben… Ik ben met jullie. Dat is de naam van God. Onze God heeft alle macht in de hemel en op aarde. En wij? Wij zijn kinderen van God zoals Paulus ons leert. Kinderen en erfgenaam. Kind zijn betekent dat we een Vader hebben, dat we bij die Vader horen. Kind zijn betekent dat we op onnavolgbare wijze Zijn erfenis in ons dragen en dat we op Hem lijken. Ook al gaat dat ons begrip te boven. Én we zijn leerling van Jezus. Als leerling van Jezus zijn we ons leven lang bij Hem in de leer. Van Jezus leren wij hoe wij zijn geboden kunnen onderhouden. Van Jezus leren wij hoe wij bovenal God en elkaar zullen liefhebben en hoe wij elkaar zullen dienen. Jezus heeft ons zichzelf als voorbeeld gegeven. Een voorbeeld dat wij als leerlingen proberen na te volgen. Dat is, zo is mijn ervaring, niet eenvoudig. Daarom hebben wij dagelijks het onderricht van Jezus nodig. Vaak onderricht Jezus ons in ons dagelijks leven. Laat ik u hiervan een voorbeeld geven. Afgelopen week liepen mijn dochter en ik door Gennep. We gingen de Mariakapel in. Een kaars brandde. Omdat we beiden geen geld bij ons hadden om zelf een kaars aan te steken, zei ze: we mogen ook wel bij deze kaars voor mijn vriendin en haar zieke man bidden. Daarna maakte ze voor haar vriendin die met haar man in Oman leeft en Moslim is, een foto van de kapel met Maria en de brandende kaars. Buiten maakte ze nog een foto van de kerk. Boven de ingang staat in grote letters: IK BEN ER. Ze verstuurde ook deze foto. Ik keek naar mijn dochter, ik keek naar het opschrift IK BEN ER. God gaf mij op dat moment een les in hoe Hij werkt. God leerde mij door deze twee jonge vrouwen, dat leerlingen maken, Góds werk is. Gód maakt ons tot leerling en laat het werk van zijn handen nooit los. In het verborgene werkt Gods liefde en Jezus zijn onderricht in en door mensen. Hem is alle macht gegeven. Wij mogen vragen, bidden, van Hem leren en proberen mensen lief te hebben zoals Hij. Misschien bedoelt Jezus met zijn woorden: maakt alle volken tot leerling, dat wij net als Hij alle mensen van alle volken moeten zien als kinderen van God, zoals we dat zelf ook zijn. Dat we naar alle mensen kijken en met ze omgaan zoals Jezus ons leert. Misschien bedoelt Jezus met zijn woorden: en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, dat we ons steeds ervan bewust zijn dat élk mens een kind van God is, dat élk mens leeft in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, dat God met élk mens wil zijn. En dat het Gods verlangen is dat alle mensen leven als broeders en zusters van één Vader, als erfgenaam van zijn liefde. Nadat mijn dochter de foto’s en gebeden in het Arabisch naar haar vriendin had gestuurd, kreeg ze in de avond een berichtje uit Oman met de tekst: je bent mijn lieve vriendin maar bovenal: je bent mijn zuster. Zusters, kinderen van dezelfde Vader. Zusters die voorbij alle cultuurverschillen elkaar zien en zorg en liefde voor elkaar hebben. Zou het zo kunnen zijn dat als we met elkaar omgaan zoals Jezus ons leert, dat we dan mensen van alle volken tot leerling maken en tot broeder en zuster? Laten we het er met elkaar op wagen om Jezus’ leerling te zijn, laten we het wagen om met elkaar om te gaan als broeders en zusters, twijfelend en gelovend dat Hij mét ons is. Hij, die is Vader, Zoon en heilige Geest. Amen.


Greetje Feenstra


Zondag 23 mei 2021 (Pinksteren)


Als iemand lange tijd leider is geweest van een vereniging en zo iemand valt plotseling weg, dan loop je de kans dat zo’n club in elkaar zakt en helemaal uiteenvalt. Dat gevaar dreigde na de dood van Jezus ook in de kring van zijn eerste leerlingen. Ze dreigden uiteen te vallen. Ze zaten met een klein groepje teleurgesteld en uitgedoofd bij elkaar, - verdrietig om het verlies van Jezus. Tot ze in de morgen van Pinksteren plotseling als het ware weer wakker werden geschud uit hun verdriet… Dat is wat we zojuist hoorden in de Handelingen van de Apostelen. ‘Ineens kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak. En heel het huis waar zij waren, was er vol van. Zij werden allemaal vervuld van de heilige Geest…’ Wat mogen we ons daarbij voorstellen? Ik dacht aan het volgende. Als wij een dierbare verloren hebben en wij zitten bij elkaar om een afscheidsviering voor te bereiden, dan komen er als vanzelf allerlei verhalen naar boven. Mooie verhalen, verhalen waar je opnieuw weer verdrietig van wordt, af en toe ook verhalen waar je met zijn allen vreselijk om moet lachen, - kortom, de dierbare om wie het gaat is dan weer even helemaal aanwezig… Ik heb het verschillende keren zo meegemaakt. Ik stel me zo voor dat de leerlingen van Jezus, daar, toen bijeen in dat huis in Jerusalem, - dat zij toen ook verhalen begonnen te vertellen aan elkaar over wie Jezus voor hen geweest was. Dat hij altijd bijzondere aandacht had gehad voor zieken en voor mensen die buiten de boot vielen, dat hij de farizeeërs soms keihard de waarheid had gezegd en zelfs tegenover de Schriftgeleerden geen blad voor de mond nam; of dat hij de mensen wees op de lessen die de natuur ons geeft: ‘Kijk naar de vogels van de hemel, ze zaaien niet en maaien niet, ze oogsten niet, je hemelse Vader voedt ze…’ Zéker hebben ze zich ook herinnerd dat Jezus hen nadrukkelijk had gezegd dat ze niet bij de pakken neer moesten aan zitten als hij er niet meer zou zijn, maar dat hij hen een Helper zou sturen, zijn heilige Geest… ‘ontvang de heilige Geest’,  had hij gezegd; ‘laat mijn heilige Geest in je werken, en dan komt het goed’. Er is daar, toen, tijdens het Pinksterfeest, écht iets gebéurd! Het verhaal uit de Handelingen van de apostelen zegt het heel duidelijk: ‘er waaide een frisse wind die het hele huis vulde’. Het was de Geest van Jezus, het was Gods Geest, die onder hen levend werd… Het is die Geest die niet alleen aan de leerlingen weer nieuwe kracht gaf, die Geest waait nog steeds, ze wordt ook aan ons gegeven, – steeds weer opnieuw… Hoe mogen wij ons nu, concreet, de werking van de heilige Geest voorstellen? De Nieuwe Catechismus uit 1966 zegt het in verstaanbare bewoordingen: “De helderste beschrijving van wat de Geest doet, geeft Paulus in zijn Galatenbrief: ‘de vruchten van de Geest zijn: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, zachtheid en trouw.’ (Gal.5,22) De manier waarop de Geest in ons werkt gaat niet buiten ons om. De Geest werkt juist in ons met en door deze eigenschappen”. Bidden we dat Zij ook in en door ons werkt: Kom heilige Geest, vervul de harten van Uw gelovigen en ontsteek in ons het vuur van Uw liefde. Kom heilige Geest en alles zal worden herschapen. En het aanschijn van de aarde zal worden vernieuwd.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 16 mei (7e zondag van Pasen) 


‘Heilige Vader, bewaar hen, opdat zij één mogen zijn zoals Wij’. Wij weten allemaal: dat mensen één zijn, is bepaald niet vanzelfsprekend. Dat was ook met de leerlingen van Jezus het geval. Uit de evangelieverhalen  blijkt dit héél duidelijk: je hebt Johannes, de zachtmoedige en Nathanaël, de vrome. Er is Thomas de twijfelaar en niet te vergeten Petrus, die behalve een steenrots ook behoorlijk opvliegend is. Een groot verschil in karakters. De leerlingen zijn, net als wij, ieder op eigen wijze mens. Daarbovenop hadden ze ook nog hun Heer in de steek gelaten, toen Hij gevangen was genomen. Ze waren zelfs gevlucht, ieder een eigen kant op. Wat hebben zij eigenlijk gemeenschappelijk? Wij hebben in de evangelielezing zojuist kunnen horen dat er toch één ding is dat ze gemeen hebben. Jezus zegt over zijn leerlingen dat zij niet ván de wereld zijn, zoals Hij niet ván de wereld is. Wat betekent dat? Dat is belangrijk, want over de eeuwen heen bidt Jezus natuurlijk niet alleen voor zijn leerlingen tóen, maar ook voor zijn leerlingen nú. Wij zijn allemaal ín de wereld, dat kan niet anders, anders zijn we dood. Maar ook wij zijn niet ván de wereld. Het kan allemaal wat duister klinken, de taal van die tijd is niet altijd zomaar toegankelijk. Wereld, kosmos in het Grieks, heeft veel betekenissen. In de taal van de evangelist Johannes heeft het vooral te maken met dat wat vervreemd is van God, met het kwaad dat in de wereld is. Ieder van ons heeft ervaring met het kwaad, niemand van ons mensen is er immuun voor. Er is kwaad in de wereld en dus ook in ons. Het kwaad bij mensen gaat over het dikke of grote IK: wat IK wil, wat IK graag heb, dat IK er koste wat het kost moet zijn. Het grote IK behouden gaat desnoods ten koste van anderen of van de schepping. Dat zelfbehoud zit in de natuur, in de wereld van planten en dieren, bij ons mensen: álles dat leeft wil bestaan. Eten en gegeten worden; het recht van de sterkste. Het grote verschil tussen de natuur en ons mensen is dat wij het ons bewust kunnen zijn. Er is overal in de natuur een drift tot leven, maar wij mensen kunnen bedenken tot hoever we daarin willen gaan. Wij kunnen nadenken over hoever we gaan met consumeren, ten koste waarvan dat mag gaan. Mogen we maar onbeperkt producten aanprijzen, steeds meer, die eigenlijk niemand nodig heeft. Mogen we eten wat we willen, terwijl mensen in grote delen van de wereld honger hebben en de aarde de last van bv. al die vleesconsumptie niet meer aankan. Die vragen zijn goed. We kunnen echter ook naar de andere kant doorslaan en alles wat in onze wereld is afwijzen. Er zijn hele perioden in onze geschiedenis geweest waarin er eigenlijk van werd uitgegaan dat alles dat wij nodig hebben voor ons lijfelijk voortbestaan dus eigenlijk slecht was. Dat was natuurlijk vooral het geval met zinnelijkheid, seksualiteit en eigenlijk alle genot. Maar dat is, denk ik, het kind met het badwater weggooien. Er is in Gods schepping niets slecht, de wereld is goed geschapen en we zijn zo geschapen dat wij er afhankelijk van zijn. Maar er is ook misbruik, wij kunnen plezier, genot najagen dat ten koste gaat van… Daarom zegt Jezus: ik ben wel in de wereld, maar ik ben niet van de wereld, júllie zijn in de wereld, maar niet ván de wereld. Jezus heeft in onze wereld zo geleefd dat Hij het Rijk Gods op aarde groeikracht gaf; een Rijk waarin er leven en liefde is voor alle mensen. Alles wat dat in de weg stond wees Hij af. Hij was niet uit op wereldlijke macht, rijkdom of op aanzien. Altijd verwees Hij naar zijn Vader van Wie Hij álles verwachtte. Aan Wie Hij ook alles gaf. Als Jezus bidt toont Hij geen afschuw voor de wereld, Hij eist niet dat we de wereld moeten verachten. Het gebed van Jezus laat wel zien dat wij de strijd tegen dat grote ik in onszelf niet zomaar op eigen kracht kunnen. Om te werken aan een nieuwe aarde hebben we zijn hulp nodig en in en door Hem de hulp van de Vader. Wij vinden onze eenheid in dat gevecht om het goede in onszelf en de wereld. Daarin vinden wij elkaar door elkaar aan te moedigen om vol te houden bij het gaan van zijn weg, met vallen en weer opstaan. Bidden wij  dat 'wij één mogen zijn zoals Hij één is met zijn Vader': Eén in de liefde van God. Amen. 


Zr. Susan van Driel o.carm.


Zondag 18 april (3e zondag van Pasen)


‘Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.’ Dat is de laatste regel van de geloofsbelijdenis die we bijna elke zondag staande en hardop met elkaar uitspreken. We spreken het bijna allemaal uit. Toch, als we er met elkaar over in gesprek raken, blijkt het een van de lastigste uitspraken die we kunnen doen. Als we spreken over onze geliefden die gestorven zijn, zeggen we dat ze geborgen zijn bij God, dat ze opgenomen zijn in zijn liefde, dat ze in de hemel zijn, of we gebruiken andere beelden die willen uitdrukken dat het goed met ze gaat. Het zijn allemaal beelden waarin het lichaam van de gestorvene eigenlijk geen rol meer speelt. Dat lichaam hebben we immers aan de aarde toevertrouwd of in het vuur tot stof laten terugkeren. Het gaat dan eigenlijk nooit over de opstanding van het lichaam, die wij toch wel belijden.Voor joden en moslims is de opstanding uit de doden zelfs een reden om crematie af te wijzen. Katholieken mogen sinds de jaren ’60 wel hun doden cremeren. De apostel Paulus schrijft ( 1Kor 15) immers al dat de opstanding zal gebeuren met een nieuw en ander lichaam; wij zullen worden herschapen. Hieruit blijkt wel dat het lichaam in onze geloofstraditie belangrijk is, en dat zijn we in onze cultuur toch weleens vergeten. Er zijn tijden geweest dat alles dat lichamelijk was eigenlijk werd afgewezen, minderwaardig werd gevonden. Je mocht vooral niet van het lichamelijke genieten. In veel kringen is dat nog altijd verdacht. Nee, het geestelijke, daar ging/gaat alles om. De verhalen die de evangelisten vertellen over de begrafenis van de gestorven Jezus vertellen juist hoe belangrijk zijn lichaam werd gevonden: Hij eet en drinkt met mensen, hij wordt met olie verzorgd. Na zijn dood wordt zijn lichaam in doeken gewikkeld en op paasmorgen gaan de vrouwen naar zijn graf om zijn dode lichaam te verzorgen. Ook in de verschijningsverhalen is Jezus heel nadrukkelijk lichamelijk aanwezig. Dat hebben we zojuist ook kunnen horen. Hij laat zijn handen en voeten zien; Hij nodigt zijn leerlingen uit om naar Hem te kijken en Hem aan te raken. Hij eet zelfs voor de ogen van zijn leerlingen een stuk vis. Hij zegt daarmee: ‘Zie, ik ben het, geest én lichaam...


Misschien is een goede vraag die wij onszelf n.a.v. die evangelieverhalen kunnen stellen of wij het lichaam de eer geven die het toekomt? Zien wij onszelf als één heel mens, lichaam én geest? Dat wij zo geschapen zijn en dus zó door God gewild en dat wij zó, naar ziel én lichaam, geborgen zijn in Hem? Wij hoeven het niet erg te vinden als wij moeite hebben met dat geloof dat toch een groot geheim is. Wij hebben zojuist gelezen dat de leerlingen er ook grote moeite mee hadden. Lucas schrijft dat ze met ‘verbijstering en schrik’ dachten dat het een geest was, er staat ook dat ze twijfel in hun hart hebben. Hij schrijft daarna ‘dat ze stomverbaasd waren’ en nog niet konden geloven. Ook wij  krijgen dus alle ruimte om op onze manier te reageren. Het is niet erg om te twijfelen en om te zoeken hoe wij die goede boodschap – de boodschap dat Jezus helemaal leeft en dat ook wij helemaal in God geborgen zijn -  in ons leven kunnen opnemen. Er staat in de evangelietekst die wij zojuist hebben gelezen ook:  ‘Toen maakte Hij hun geest ontvankelijk’; toen begrepen ze. Dat is, denk ik, niet een begrijpen met het hoofd, maar veel meer een begrijpen met het hart. De ervaring van de leerlingen was dat Jezus aanwezig was; ze voelden Hem helemaal aanwezig als ze samen waren: met Hem aten ze; met Hem zouden ze gaan getuigen van het Rijk Gods, dat Rijk van Gods liefde. Ook wij kunnen ons geloof niet forceren. Het heeft ook geen enkele zin om tegen elkaar te zeggen: ‘Je móet geloven’ of, ‘als je dit niet gelooft hoor je er niet bij’. Het hart van ons allemaal moet nog verder en verder open voor die liefde die Jezus heeft getoond en nog altijd toont aan ons. Altijd, als wij het brood delen, als wij luisteren naar het Woord van God en proberen te zoeken naar wat het ons te zeggen heeft, als wij samen zijn en proberen elkaar op te bouwen tot wij een levend lichaam van Christus zijn met een warm kloppend hart. Tot die tijd spreken we ons geloof uit, ook als we moeten toegeven dat we het Geheim van wat we zeggen niet helemaal kunnen volgen. Wij gaan gewoon door, tot Hij helemaal onze geest en ons hart heeft geopend. Amen.


Zr. Susan van Driel o.carm.


Overweging Paaswake


Als we de verhalen over Jezus die zich na zijn dood als levende laat zien naast elkaar leggen valt op dat er maar één punt van overeenkomst is: Jezus leeft en de boodschap dat Hij leeft, moet verder verteld worden. Hij is verrezen, Hij is de levende. Dit verhaal ging als een lopend vuur door het Romeinse Rijk. Het verhaal over hoe Hij had geleefd, hoe Hij bevrijdend omging met mensen. Hij was dan wel gestorven met de meest pijnlijke en vernederende dood die de Romeinen konden bedenken, maar God had zijn leven bekrachtigd. Het was alsof er vanuit de hemel werd gezegd: dit leven was góed en jullie vernietigen het niet… In die dagen was het Romeinse rijk heerser over de wereld. Wij zijn vaak vol bewondering voor alle prachtigs van deze cultuur. De ruïnes die ervan zijn overgebleven, de literatuur die is bewaard. Maar we vergeten dan misschien wel dat een groot deel van de mensen die in dat rijk leefden totaal geen rechten hadden; dat een groot deel van de mensen eigendom was van een ander, totaal afhankelijk van hun meester. Een eigenaar mocht een slaaf doden, als hij of zij dat wilde. Voor niet-Romeinen waren er speciale straffen, bijvoorbeeld kruisiging… In dat Romeinse Rijk  was het evangelie dan ook een boodschap die de mensen als het ware indronken. Hij leeft! De mens waarin arme en kwetsbare mensen Gods nabijheid hadden gevoeld, die tegen uitgestoten mensen op allerlei manieren liet blijken: ‘Jij bent Gods kind, jij hoort erbij’, Hem hadden ze niet kapot kunnen krijgen. Zó nabij was Gods liefde in Hem, dat van Hem zelfs werd gezegd dat Hij God is. Toch een lastige boodschap.  Het is niet voor niets dat de apostel Paulus schrijft dat een gekruisigde God “voor Joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid is”. Goden waren in het religieus denken van de mensen sterke wezens, zonen van goden waren bijna onsterfelijke helden. Deze was gekruisigd als het minste van de minsten. Dit was een volstrekt nieuwe boodschap, dit was ongehoord. Dat God een God van bevrijding is, was natuurlijk niet nieuw. We hebben zojuist de lezing uit Exodus gehoord over Gods bevrijdend handelen aan het volk Israël. Maar dit was anders:  Gods aanwezigheid in een mens van vlees en bloed; een mens die juist de mensen die met de nek werden aangekeken bij zich nam, opbeurde, nieuw leven gaf. Het is opvallend dat mensen die geloven in die boodschap vaak een enorme inzet laten zien om die boodschap te verspreiden. Dat was toen en dat is eigenlijk nog steeds: mensen die diep vertrouwen in een God die mensen liefheeft gaan juist die liefde in woord én daad doorgeven aan anderen. Die opdracht kregen ook de vrouwen bij het lege graf: ‘Hij is niet hier, ga terug naar Galilea, ga het vertellen’. Die opdracht klinkt iedere Pasen weer, welk evangelieverhaal ook wordt gelezen: ‘Ga het doorgeven, laat in woord en daad blijken dat de Jezus in wie je Gods liefde voor mensen kunt ontmoeten leeft.’ Het is natuurlijk heel terecht dat mensen dan vragen waar Hij dan te vinden is. Ik las heel kort geleden de volgende woorden van bisschop Johan Bonny van Antwerpen die een antwoord op die vraag geeft. Hij schrijft:  “Blijf niet op dat kerkhof hangen. Er is geen dode Jezus meer om te balsemen. Wat de vrouwen niet meer kunnen, moeten ook wij niet langer proberen. Zoek de levende Jezus niet tussen dode stenen. Laat het verleden achter. Ga voor een nieuwe ontmoeting met Hem, op een nieuwe en een betere plek. Volg het spoor dat de engel je aangeeft: ga terug naar Galilea, naar je gewone leven, waar alleen jij het verschil kan maken. Daar verwacht de verrezen Christus je in de frisse buitenlucht van je bestaan, met een nieuwe boodschap en een nieuwe zending” .Wij kunnen allemaal ‘het verschil maken’. Hier en nu, voor mensen die zoeken, zoeken naar Gods liefde die uitgaat naar iedere mens. Elk moment dat wij die boodschap verder dragen maken wij die liefde springlevend. Bidden wij dat wij aan die oproep gehoor zullen geven. Amen


Zr. Susan van Driel o.carm.


 


Palmzondag 2021     


Jezus wordt vandaag ingehaald op een manier die eigenlijk alleen gebruikelijk was bij de intocht van een koning. De mensen rukten takken van de bomen, ze spreidden hun kleren uit op de weg waar hij overheen zou gaan en ze riepen: “Hosanna, gezegend is hij die komt in de naam van de Heer”. Alleen één ding was niet zo gebruikelijk, ongebruikelijk zelfs: hij gebruikte een veulen waarop nog nooit iemand had gezeten. Door dat nadrukkelijk te vermelden zegt Marcus de evangelist dat Jezus geen gewone koning was, maar een heel bijzondere… Zijn koningschap was niet een koningschap van pracht en praal, heldhaftig of trots. Jezus was vooral koning door zijn eenvoud en door zijn zorg en zijn bezorgdheid om het lot dat mensen soms te dragen krijgen. Jezus was een man van de dienstbaarheid, - dat zullen we trouwens ook heel uitdrukkelijk horen op Witte Donderdag, als hij de voeten wast van zijn leerlingen… Maar hoe zorgzaam, goed en rechtvaardig hij ook was, toch riep hij ook irritatie op, verzet en zelfs haat. Dat zullen we in de komende week ook horen, m.n. op Goede Vrijdag. Dan wordt het ‘hosanna’ van vandaag tot een ‘weg met hem’. Maar juist toen… juist toen hij zeer ernstig op de proef werd gesteld… toen de mensen hem lieten vallen, …’aan het kruis met hem’… en toen zijn vrienden hem in de steek lieten, …’konden jullie dan nog niet één uur met mij waken’… en toen het erop leek dat hij té zwaar zou worden beproefd, …’God mijn God, waarom heb je mij verlaten’… juist toen bleef hij na een zware innerlijke strijd toch overeind en had hij oog voor zijn moeder, Maria, en voor zijn beste vriend, Johannes, en vroeg hij hen om voor elkaar te zorgen… ja, zelfs had hij toen de kracht te bidden voor zijn beulen, …’Vader vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen’… en kon hij een bange misdadiger moed inspreken, …’jij zult vandaag nog met mij zijn in het paradijs’… tot het allerlaatste bleef hij geloven dat God hem niet los zou laten… De koning op zijn veulen vraagt ons deze hele komende week om met hem mee te gaan, met hem mee te leven: om ons te bezinnen op zijn dienstbaarheid, op zijn liefde voor God, op zijn trouw aan zijn roeping en aan zijn zending… Hij laat ons zien wat het is om ook in de alleruiterste beproeving te blijven geloven in Liefde, Gerechtigheid, Zachtmoedigheid… En dat is nog steeds een heel actuele boodschap. Laten we de komende week met Jezus in de geest de weg gaan die hij ging. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 21 maart (5e zondag van de veertigdagentijd)


‘Vader, verheerlijk uw Naam’, bidt Jezus.


‘Verheerlijking’ lijkt iets prachtigs. Zoiets als wat bij de verheerlijking op de berg gebeurde, Jezus, opgenomen in prachtig, schitterend licht. Mozes en Elia die uit de hemel neerdalen om daarbij aanwezig te zijn. Petrus, vond het allemaal zó prachtig dat hij daarbij wel altijd wilde blijven. Wát een heerlijkheid… Maar is het allemaal wel zo heerlijk. Als wij de tekst die wij zojuist hebben gehoord eens goed gaan bekijken dan blijkt al gauw dat ‘verheerlijking bij God’ anders is dan wij er ons van voorstellen. Het blijkt eigenlijk direct als Jezus zegt: ‘Ik zeg u: als de graankorrel sterft brengt hij veel vrucht voort.  Wie zijn leven bemint verliest het, maar wie zijn leven in deze wereld haat zal het ten eeuwigen leven bewaren.’ Dit soort woorden zijn vaak zo begrepen alsof de dingen van deze wereld geen waarde hebben. Dat wij niet van de wereld mogen genieten, de schoonheid er niet van mogen zien. In het Johannes evangelie gaat het woord ‘wereld’ echter veel meer over de duistere, vernietigende krachten waar wij in ons bestaan mee te maken hebben: het recht van de sterkste; bestaansdrift ten koste van de ander; gewelddadige krachten die uit zijn op eigen macht en eigen bestaan juist ten koste van het goede dat God heeft geschapen. Daarom staat in het begin van het Johannes evangelie: ‘Hij kwam in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet aangenomen.’ Nee, die wereld van zelfzucht zal Hem vernietigen. Jezus ziet onder ogen dat als Hij op zijn weg blijft gaan, precies dat zal gebeuren. Op dat moment bidt Jezus: ‘Vader, verheerlijk uw Naam’, Hij zal de weg blijven gaan van zelfgave. Wij mensen zijn wat dat betreft op deze aarde een heel bijzonder wezen: Wij kunnen onszelf bewust geven aan een ander, en daarmee, zegt onze christelijke traditie, geven wij ons aan God. In de geschiedenis zien wij veel van dat soort lichtende figuren, die een voorbeeld zijn geworden van goedheid. Voor mij is Etty Hillesum zo’n voorbeeld. Een jonge joodse vrouw die op 27 jarige leeftijd werd vermoord in Auschwitz. Zij weigerde onder te duiken, hoewel zij een van de mensen was die heel helder wist dat haar dit het leven zou kosten. Zij wilde, ‘bij haar volk blijven’. Zij schreef op 11 juli 1942 in haar dagboek: 


"Velen verwijten mij onverschilligheid en passiviteit en zeggen, dat ik me zo maar overgeef. En zeggen: ieder, die uit hun klauwen kan blijven, moet dat proberen en is dat verplicht. En ik moet iets dóen voor mezelf. Dit is een sommetje, dat niet op gaat. Iederéén is op het ogenblik n.l. bezig iets voor zichzelf te doen om er onder uit te komen en er moet immers toch een aantal, een zeer groot aantal zelfs, gaan? En het gekke is: ik voel me niet in hun klauwen. Niet als ik blijf en niet als ik weg getransporteerd word. Ik vind dat alles zo clichéachtig en primitief, ik kan die redenering helemaal niet meer volgen, ik voel me in niemands klauwen, ik voel me alleen maar in Gods armen, […] of dat nu hier aan dit verschrikkelijk dierbare en vertrouwde bureau is, of over een maand in een kale kamer in de Jodenbuurt of misschien in een arbeidskamp onder S.S.-bewaking, in Gods armen zal ik me geloof ik altijd voelen.”


Etty en vooral ook Jezus was het mogelijk om zichzelf te geven in diep vertrouwen op Gods liefde. Er zijn mensen die deze weg gaan zonder dat zij op een bepaalde manier gelovig zijn.  Het zit ook niet in wat we geloven maar in wat we dóen. Ieder moment waarin mensen voorbij zichzelf kunnen kijken wordt God verheerlijkt. Meestal hoeven wij niet zover te gaan dat dit ons tot op het kruis leidt. Iedere zorgmedewerker die in de afgelopen maanden met gevaar voor eigen gezondheid aan het bed van een  coronapatiënt is blijven staan, iedere mens die zorgvuldig is omgegaan met andere mensen om besmetting te voorkomen, iedere mens die tóch die prik gaat halen, ook al is er misschien angst voor: die mens is op eigen kleine wijze de Naam van God aan het verheerlijken. En zo zijn er nog veel meer momenten waarin mensen gewoon góed zijn voor een ander. In de eerste lezing staat geschreven: ‘Ik leg mijn wet in hun binnenste, lk grif ze in hun hart.’ God is een verbond aangegaan met ons mensen: een verbond in goedheid. Bidden wij dat Gods Naam in ons verheerlijkt wordt. Amen.


Zondag 14 maart (4e zondag van de veertigdagentijd)


inleiding


We zijn op weg naar Pasen. Vandaag horen we in het evangelie een gesprek tussen Jezus en een zekere Nicodemus. Best wel een pittig gesprek. Ik zou er vandaag in de overweging een paar woorden uit willen nemen en daar wat nader bij stilstaan. Jezus zegt tegen Nicodemus: ‘Jij moet opnieuw geboren worden…’ Wat kan dat eigenlijk betekenen? In dit gesprek krijgen de woorden ‘licht’ en ‘waarheid’ een sterke nadruk. Jezus zegt aan het eind van het gesprek: ‘wie de waarheid doet, komt naar het licht toe’. Wij mogen hier denken aan de woorden die in de Paaswake klinken bij de intocht met de paaskaars: ‘Licht van Christus’ zingen we dan. Het doen van de waarheid brengt ons dichterbij hem, bij het licht dat hij ons gebracht heeft. Genoeg om vandaag te overdenken. 


overweging


“Het licht is in de wereld gekomen,


maar de mensen waren meer gesteld op de duisternis dan op het licht”. We hoorden deze woorden van Jezus zojuist aan het eind van zijn gesprek met een zekere Nicodemus. Nicodemus was een invloedrijk man uit de leidende Joodse kringen. Hij wilde wel eens kennismaken met die Jezus over wie zoveel gesproken werd. Hij benadert Jezus met veel respect:  “Rabbi, we weten dat U als leraar van Godswege gekomen bent”.  Maar Jezus reageert nauwelijks op deze mooie begroeting.  Hij zegt onmiddellijk: “Alleen wie opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God zien”. Als Nicodemus Jezus wil leren kennen, dan moet hij opnieuw geboren worden. Hij moet zijn ogen openen voor een nieuwe werkelijkheid, de werkelijkheid van de hemel, de werkelijkheid waarin God woont, de werkelijkheid van het licht en de waarheid. Dit is niet alleen de boodschap voor Nicodemus, maar ook voor ons. Het gaat Jezus toen en vandaag om een andere werkelijkheid dan die wij meestal zien. Wij zien dikwijls vooral wat we graag willen zien. Ik las bij de voorbereiding van deze overweging een kras staaltje van hoe overtuigd mensen soms van hun eigen wereldje kunnen zijn. In New York bestaat een christelijke gemeente waarvan de leden er heilig van overtuigd zijn dat God de mensen die in Hem geloven, zegent met materiële rijkdom en gezondheid. De predikant is dan ook schatrijk. Een krant komt hem interviewen en legt hem een bekende bijbeltekst voor: “het is moeilijker voor een rijke om het Rijk van God binnen te gaan, dan voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen”. En dan vraagt de verslaggever aan de rijke dominee hoe hij deze uitspraak vindt. Die antwoordt dan zonder blikken of blozen: “Als dat voor een rijke al zo moeilijk is, dan kun je nagaan hoe moeilijk het is voor een arme!” De dominee zet de werkelijkheid helemaal naar zijn hand. Natuurlijk is dit volkomen belachelijk. Maar toch…  Hoe vaak doen wij dat niet: de werkelijkheid verdraaien omdat we ons daar beter bij voelen? Een paar voorbeelden. Wie gebruikt er niet soms een leugentje om bestwil om een fatsoenlijk beeld van zichzelf hoog te houden? Of minder onschuldig: hoe vaak wordt er niet gezegd of minstens gedacht dat arme mensen zelf schuldig zijn aan hun armoede omdat ze niet goed met hun geld omgaan, of dat het weer eens de buitenlanders zijn die de problemen veroorzaken, of dat verslaafde mensen geen ruggengraat hebben. Het is makkelijk te denken dat de natuur zichzelf wel zal herstellen en dat je niet ziek wordt als je maar gezond eet; het is makkelijk  de achteruitgang van het kerkbezoek te wijten aan laksheid en gemakzucht. Zo maken we van de werkelijkheid een eigen werkelijkheid waarin wij ons thuis voelen. Wij hebben alles geprobeerd om een ruzie bij te leggen, menen we, maar die ander… Maar wat wij als werkelijkheid zien, is dikwijls maar een klein deel ervan. Want armoede is lang niet altijd de schuld van de armen. En de toeslagenaffaire laat zien dat bepaalde regelingen in Nederland helemaal niet  rechtvaardig zijn. Uiteraard zijn buitenlanders net zulke goede of slechte medemensen al u en ik, herstelt de natuur zich niet vanzelf, garandeert gezond eten niet dat je gevrijwaard blijft van ziekten en is de achteruitgang van het kerkbezoek niet simpelweg te wijten aan gemakzucht. Vandaag zegt Jezus tegen Nicodemus: “wie de waarheid doet, komt naar het licht toe, en dan zal blijken dat zijn daden in God zijn verricht”. De waarheid begint waar wij bereid zijn opnieuw geboren te worden en waar we leren kijken met de ogen van God. Dat wil zeggen: waar wij boven ons eigenbelang uitstijgen en ophouden steeds maar van onszelf uit te gaan. De waarheid begint waar wij onze medemensen als ménsen zien, - kunnen zien dat zij net als wij allemaal iets in hun rugzak hebben: wij zijn allemaal op zijn tijd gewonde, geraakte, mooie of gekwetste mensen. Wij zijn allemaal mensen die op zijn tijd mededogen nodig hebben, barmhartigheid, liefde, gerechtigheid…


Dat leren zien, dát is opnieuw geboren worden in God. Daarvoor heb je nodig dat je met nieuwe ogen kijkt naar de werkelijkheid en naar elkaar. Natuurlijk gaat dit niet zomaar. Bij mij niet. Bij u niet. Het gaat, maar wel met kleine stapjes. Bidden we daarom om geduld met onszelf. En bidden we ook dat we steeds meer gesteld raken op hem, het licht van de wereld, Jezus. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


Zondag 7 maart ( 3e zondag van de veertigdagentijd )


In de eerste lezing hoorden we wat wij gewoonlijk ‘de tien geboden’ noemen.


Ze worden ook wel, eigenlijk veel beter, ‘aanwijzingen tot leven’ genoemd. Want het zijn dé grote levensrichtlijnen waarmee wij elkaar het leven mogelijk maken; waarmee wij het beschermen, omdat het kostbaar is. Heel vaak wordt echter, als wij over die ‘geboden’ nadenken, de eerste zin vergeten waarmee het allemaal begint: 'Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.’ Het is daarmee het uitgangspunt en de kern van alles. Gods bevrijdend handelen, zijn bevrijding van Israël uit de slavernij in Egypte, staat aan de basis van heel het religieus bewustzijn van het joodse volk en daarmee ook aan de basis van ons gelovig leven. Na die zin komt daarom direct: ‘Gij zult geen andere goden hebben ten koste van Mij.’ Want alles dat kan knechten en het leven kan bedreigen staat in directe vijandschap tegenover de Schepper God die tot leven wil brengen. Die andere goden zijn de oude, soms bloeddorstige goden van het Midden-Oosten, sommigen namen zelfs kinderen als offer. Nee, de God van Israël laat vanaf het eerste begin weten dat zijn wetten zijn gegrond op de bescherming van het leven dat Hij heeft gegeven. Het is die God die Jezus ‘Abba’, Vader,  noemt, waarmee Hij zich verbonden voelt, waardoor Hij zich geliefd voelt, die Hij verkondigt in woord en daad in heel zijn optreden. God, is een bevrijdende God die niet toelaat dat mensen worden geknecht. Niet door mensen, niet door kwade geesten, niet door invalide makende ziekten. In het evangelie dat wij zojuist hoorden kwam precies die bewogenheid van Jezus aan het licht. Sommige mensen schrikken van deze Jezus. Wij zien hem toch liever als de Goede Herder of als de leraar van de Bergrede. Toch is de Jezus die het tempelplein met behoorlijk wat geweld leeg veegt, precies dezelfde als die Goede Herder. Wat heeft het een dan met het ander te maken? In de evangelietekst over de ‘Tempelreiniging’ staat er nadrukkelijk dat dit gebeurde ‘kort voor het paasfeest der Joden’. Dat is opvallend want in een Joods huishouden is het verplicht om vóór het Pesachfeest het huis helemaal schoon te maken. Volgens de joodse wet mag er in het hele huis geen kruimeltje gedesemd brood achterblijven. Tijdens het Pesachfeest wordt  ongedesemd brood gegeten, de matzes. Die kunnen niet bederven, zoals gedesemd brood. In de keuken, in alle kamers, die onzuiver kunnen zijn door beschimmelde kruimeltjes, moet alles helemaal  gezuiverd worden voor het Pesach, die al duizenden jaren terugkerende viering van Gods bevrijding. Zuivering probeert altijd naar de kern te gaan van waar alles om gaat. Zo is ook het zuiverend vasten in onze joods-christelijke cultuur geen doel op zich. We vasten in onze traditie niet om te ervaren hoe sterk we zijn, ook niet om ons lichaam te ontslakken en een heldere geest te krijgen, ook niet om geld over te houden voor goede doelen, dat is een hele leuke bijkomstigheid. Nee, vasten en onthouding zoekt vooral naar de kern waar het allemaal om gaat. Het zoekt om met Gods hulp ons te ontdoen van alles dat we in de plaats stellen van die God van leven, liefde en bevrijding. ‘Het huis van mijn Vader is geen marktplaats,’zegt Jezus, en Hij veegt winstbejag en het gemarchandeer het huis uit. Zo zuivert Jezus het huis van zijn Vader. Als Hij dan door geschokte mensen ter  verantwoording wordt geroepen wijst Hij op zichzelf: 'Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.' Jezus voelt hoe Hijzelf de plaats is waar God leven en bevrijding voor mensen kan zijn. Als we dit goed tot ons door laten dringen dan is dit een oproep aan ons allen, om ook zo’n plaats te zijn waar God bevrijdend kan werken aan leven en bevrijding, aan zijn Rijk van Gerechtigheid. Een tempel waarin zijn Geest kan wonen; Wij voelen allemaal wel aan dat ook de tempel die wij zijn onzuiver gemaakt kan worden, door verslavingen, door hang naar macht of geld; van meer en meer willen; zaken die ons mensen in de ban houden én die onszelf en de schepping kapot kunnen maken. Ieder jaar weer worden wij opgeroepen om in de veertigdagentijd even pas op de plaats te maken en daarbij stil te staan om de tempel die wij zijn eens kritisch te bekijken en misschien hier en daar wat schoon te vegen. Bidden wij dat in deze 40-dagentijd dit zuiverend werk in ons kan gebeuren. Amen.


Zondag 28 februari ( 2e zondag van de veertigdagentijd )


opening


 We leven in de Veertigdagentijd, de tijd waarin we gedenken op weg te zijn naar Pasen. We zien uit naar het feest waarop we vieren dat Jezus van God nieuw en ander leven heeft ontvangen. Het grote Geheim van Pasen. Niet de dood heeft het laatste woord, maar God. Hij is onvoorwaardelijk trouw. In het evangelie van vandaag zullen we horen dat de leerlingen als het ware een voorproefje krijgen van dit grote Mysterie. Het vertelt het verhaal van de gedaanteverandering. We zullen horen dat leven meer is dan wat wij hier en nu ervaren. Ook ons wacht eens de ervaring van Pasen. Laten we vandaag in die hoop én in dat vertrouwen met elkaar eucharistie vieren.


overweging


Jezus neemt drie van zijn leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes, met zich mee naar een berg. Een berg is in de Bijbel vaker dé plek is waar God en de mensen elkaar raken en ontmoeten, waar God wordt ervaren als heel nabij. Daar op die berg – door de traditie de Thabor genoemd – krijgen de leerlingen een visioen. En wat ze zien is een korte blik op hoe het zal zijn als Jezus na zijn dood is opgenomen in het huis van God, zijn Vader. Ze zien een hemelse wereld waarin Jezus is veranderd van gedaante en in schitterend witte kleren in gesprek is met Elia en met Mozes. Én ze zien dat een wolk hen overdekt. Als er dat staat bedoelt de Bijbel altijd dat God zelf aanwezig is. Vanuit die wolk klinkt een stem, de stem van God: “Dit is mijn veelgeliefde zoon, de zoon van wie ik heel veel hou. Luister naar hem”. Vanuit die wolk klinkt een en al liefde. God ís een en al liefde. Petrus, Johannes en Jacobus hebben daar toen op die berg als in een flits even mogen zien waar het met het leven van Jezus en van hen naar toe zal gaan. Naar een wereld waarin alle mensen thuis mogen komen in de liefde van God. Maar de leerlingen waren bang en bezorgd. Jezus had hen een paar keer gezegd dat hij veel zou moeten lijden en zelfs dat hij ter dood zou worden gebracht. Daar waren ze erg van geschrokken. Dat Jezus er aan had toegevoegd dat hij na drie dagen zou verrijzen, dat was niet goed tot hen doorgedrongen. Integendeel. Vooral Petrus had hevig geprotesteerd. Zó hevig zelfs dat Jezus hem streng tot de orde had moeten roepen: “Weg Satan”, zei hij tegen Petrus, “jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen..” Deze ruzieachtige scène ging vooraf aan het evangelieverhaal van vandaag. Wat ik Jezus vandaag zie doen dat is dat hij zijn leerlingen in die zorgen en angsten uitzicht probeert te bieden, perspectief. Dat doet hij in het prachtige visioen dat wij hoorden in het evangelie. Maar even plotseling als het is begonnen is het ook weer afgelopen. Ik vind het niet zo vreemd dat Petrus hier tenten wilde bouwen. Dat hij vast wilde houden aan dat overweldigend mooie. Maar ik vind het ook niet zo vreemd dat Jezus zijn leerlingen weer met zich mee neemt naar beneden, de berg af, terug de vlakte in, naar de mensen die daar leven. Want dáár, in de alledaagse werkelijkheid, in wat Jezus voor de mensen gaat doen, - ook dáár moeten zij zijn goddelijkheid leren zien, evenzeer als op de berg. Daar in de vlakte,  waar Jezus zich bekommert om de noden van de mensen, om armen en zieken, melaatsen en zondaars, weduwen en wezen, om allen die een beroep op hem doen. Daar, in de vlakte, op de stoffige weggetjes van Palestina, in de armoedige dorpjes, daar, bij al die gekwelde mensen, dáár wordt de majesteitelijke schoonheid van Jezus zichtbaar. Dáár doet Hij de wil van zijn Vader. Dáár is Hij de Zoon van wie de Vader zoveel houdt. Daarom moeten zij, moeten wij, van de berg af om hem te helpen die hemelse werkelijkheid tot een aardse werkelijkheid te maken, hier op de plekken waar wij wonen en werken. Jezus zelf heeft hiervan niet alleen met woorden, maar met zijn léven getuigenis afgelegd. Hij heeft zich niet laten voorstaan op zijn bijzondere relatie met God. Of zoals het in de eerste lezing stond: “hij heeft zich niet vastgeklampt aan zijn gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf belangeloos gemaakt en dienstbaar”. Hij heeft gekozen voor een leven van totale dienstbaarheid.  En uiteindelijk heeft hij zich in de keuzes die hij maakte toevertrouwd aan de belofte van zijn Vader in de hemel dat Hij ons draagt in de palm van Zijn hand. Tot in de dood. Ook ons kan van alles overkomen, net zoals Jezus en zijn leerlingen. Bidden wij dat wij in dat alles toch steeds weer houvast kunnen vinden in het vertrouwen dat de Vader in de hemel ook ons niet aan ons lot overlaat, maar in liefde draagt. 


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


Zondag 21 februari (1e zondag van de veertigdagentijd) 


Er staat op YouTube een heel leuk filmpje van een chimpansee in een dierentuin. Het is een groot en sterk mannetje. Er is in het verblijf van de chimps een lading appelen gestort zodat zij ervan kunnen nemen wat ze nodig hebben. Hij als grootste man neemt natuurlijk het eerst. Hij pakt wat hij kan en stapelt zoveel mogelijk appelen in zijn armen, pakt dan in iedere hand en iedere voet nog een of twee appelen en stopt er ook nog een stuk of drie in zijn mond. Zo probeert hij naar een rustig hoekje te komen waar hij alles rustig kan opeten. Dat lukt hem nog ook. Het is heel grappig, omdat het een aap is. Als wij mensen zo graaien wordt het minder leuk. Toch gebeurt dat ook, de aap in ons is niet helemaal weg. Wij mensen hebben ook een sterke drang tot overleven. De schrijver Jean Jaques Suurmondt die prachtige artikelen en boeken schrijft over het geestelijk leven van mensen noemt dat deel van het innerlijk  van de mens - en ook en vooral ook van zijn eigen innerlijk – de ‘knurftige aap’; het is dat wat wil hebben; dat op de allereerste plaats denkt aan eigen overleven, eigen veiligheid, eigen gezondheid, eigenbelang. Het is dat wat ook, voor op zich mooie idealen, over lijken wil gaan. Wij weten allemaal waartoe bv. de prachtige idealen van het communisme hebben geleid: onderdrukking; moord; kampen vol met gevangen mensen die anders dachten. De knurftige aap zegt nogal eens: ‘het doel heiligt de middelen’. Als Jezus in de woestijn is, is Hij, staat geschreven, bij ‘de wilde dieren’. Hij gaat er de confrontatie mee aan; met de ‘wilde dieren’ en met de Satan die Hem beproeft. In die veertig dagen woestijn ziet Hij alle negativiteit die onder en in mensen is onder ogen. In de tekst die wij zojuist als tweede lezing hebben gehoord, wordt het maar kort verteld. Bij Matteus wordt het uitgewerkt. Jezus ziet onder ogen hoe Hij zijn zending zou kunnen misbruiken; hoe Hij macht zou kunnen krijgen; zichzelf zou kunnen verheffen. In onze veertigdagentijd, waarvan deze zondag de eerste is, hebben wij de kans om contact te maken met de wilde dieren en die ‘knurftige aap’ in onszelf, met wat in ons destructief is. Niet dat wij dan direct andere mensen zijn, maar het helpt op z’n minst om anderen niet te veroordelen; om meer begrip te hebben voor ons kleinmenselijke gedrag. Het is niet fijn, die confrontatie, maar misschien worden wij in deze veertig dagen ook geholpen en worden, we net als Jezus, geholpen door die andere zijde van ons mensen en zijn er, net als bij Hem, engelen die ons bedienen. Zo’n engelachtige stem had Jezus gehoord bij zijn doop. Direct na zijn doop kwam Hij het water uit en hoorde Hij een stem: “Jij bent mijn geliefde Zoon”. Wij zeggen ook weleens als bij ons een kwartje valt, ‘Het was alsof de hemel openging’. Jezus had zo’n ervaring: Hij zag opeens heel helder in hoezeer God Hem liefhad en hoe God een God van Leven is. Die ervaring was zo diep dat Hij dat onmogelijk voor zichzelf kon houden. Wanneer Jezus naar de woestijn gaat dan is dat voor hem ook een tijd van opnieuw contact maken met het Leven dat God geeft, want het is dat leven dat Hij nodig heeft voor alles wat Hij voor de mensen wil zijn. De God van Noach, de God van Abraham, Izaak en Jacob, de God die Israël uit Egypte bevrijdde, die Jezus zond om het Rijk Gods te verkondigen is bij uitstek een Schepper God. Hij wil bestaan en leven schenken, zelfs als wij mensen er een bende van maken. Dat konden wij horen in de eerste lezing. Iedere keer als wij een regenboog zien, mogen we daarop vertrouwen. Daarom is het zo belangrijk niet alleen het duister in ons ons onder ogen te zien maar ook om open te zijn voor die stem van de engel, die ons uit onszelf trekt naar de andere mens om op onze beurt zelf een engel te zijn voor wie ons nodig heeft. Wij mensen zijn complexe wezens: apen en engelen, goed en kwaad, het zit allemaal in ons. Maar het is met dat bijzondere wezen dat God een verbond is aangegaan. Ondanks alles zijn wij werktuig voor zijn Rijk: een Rijk van vrede en medemenselijkheid. Bidden wij dat in deze veertigdagentijd de engelen ons zullen helpen. Amen.


Zr. Susan van Driel o.carm.


Zondag door het jaar 14 februari 2021


begroeting en inleiding


De oude bijbelse tijden waren niet bepaald gemakkelijk, zeker niet als je  aan een besmettelijke huidziekte leed of een ernstige beperking had. Als duidelijk werd dat jij melaatsheid had, dan kon je niet thuis blijven wonen. Dan moest je het dorp of de stad uit. En als je dan per ongeluk toch in de buurt van andere mensen kwam, moest je zorgen dat je afstand hield en dan moest je vanuit de verte met hard roepen of met een ratel kenbaar maken dat je er aan kwam. Wat er dan met je gebeurde, - dat horen we vandaag. In beide lezingen. Je raakte sociaal totaal geïsoleerd. Vandaag zullen we horen dat Jezus iemand die melaats was juist wel aanraakte. Wat heeft deze daad van Jezus betekende en nog betekent, - daarop willen wij ons vandaag bezinnen. 


overweging


Toen u aan het begin van de viering mijn inleiding hoorde – en zeker toen u het evangelie hoorde – kan het bijna niet anders dan dat u in uw gedachten even naar de maatregelen ging waarmee wij in deze dagen elkaar beschermen tegen besmetting door het coronavirus. Afstand houden, geen fysiek contact met andere mensen, geen bezoek ontvangen, op bepaalde tijden niet op straat… Het lijkt een beetje op die oude tijden. Een beetje, want de maatregelen van vroeger waren nog wel wat erger dan die van nu. Bovendien: corona is hopelijk tijdelijk, iets dat voorbijgaat; melaatsheid was, zeker toen, levenslang. Maar toch.. wat overeenkomt is dat ook wij erachter komen, hoe zwaar het voelt eenzaam te zijn en afstand te houden van elkaar… of nog erger er helemaal niet meer bij te horen. Maar nu naar het evangelie. Waarom zou Marcus dit verhaal verteld hebben? Welke waarde heeft dit verhaal voor de tijd van nu? Er worden in onze ziekenhuizen zoveel duizenden mensen genezen. Daar zullen ze over tweeduizend jaar toch ook niet meer over praten? Waarom is het verhaal van Marcus over deze ene melaatse voor ons nú dan wél belangrijk? Ik denk omdat Jezus deze melaatse niet genas als dokter, als arts, maar als iemand met een zending van Godswege. Dat wilde Marcus vertellen. Bij Jezus ging het niet alleen om een medisch proces. Dat wordt duidelijk als we letten op dat ene zinnetje: ‘Jezus raakte hem aan’. En zoals ik al duidelijk heb gemaakt: dat mocht eigenlijk helemaal niet. Toch raakte Jezus hem aan. Op datzelfde moment voelde die melaatse dat hij weer verder kon met zijn leven. Er was iemand die hem liet voelen dat hij voor hem niet vies was, niet smerig, niet gevaarlijk. Dat hij voor hem een méns was. Misschien moet je zeggen dat deze melaatse op twee manieren is aangeraakt: ja, hij is genezen van zijn ziekte… maar op de eerste plaats  voelde hij zich gezíen als méns. Jezus zág hem en is diep ontroerd. Jezus, in wie wij de gestalte van God mogen herkennen, in wie de liefde van God zichtbaar geworden is, laat de man voelen dat God naar hem omziet, dat God door medelijden bewogen wordt, dat Hij ons uit ons isolement wil halen. Verder zitten er nog twee kanten aan dit verhaal. De eerste kant is dat ieder van ons die zich buitengesloten voelt – en dat kun je ook vertalen met gekleineerd, miskend, uitgerangeerd – dat iedere mens die zich zo aan de kant gezet voelt, wat Jezus betreft moet kunnen rekenen op andere mensen die hem of haar er weer bij halen. Daar mag hij of zij op rekenen zolang er nog echte christenen zijn. De tweede kant is: als iemand van ons een ander kleineert, miskent, bang maakt of buiten de kring drukt, - dan zit die iemand er helemaal naast. Wij mogen geen mensen buitensluiten. Want voor alle mensen – of ze nou melaats zijn, of egoïstisch, geslagen door het leven, of hoe dan ook mislukt of aan de rand geraakt – voor alle mensen vraagt Jezus in Gods naam om een plaats in de kring. Daarom zei ik dat Jezus de man uit het evangelie niet genas als dokter, maar als iemand met een zending van Godswege.. Het optreden van Jezus in dit evangelie is voor mij een beeld dat duidelijk maakt dat God ons ziet, – hoe we er ook aan toe zijn. Hij heeft  oog voor ons. Een aantal jaren geleden was hier ergens in Brabant het motto van carnaval: ‘k zè ‘r gère bij. Als ik het niet helemaal goed uitspreek: ik hoor er heel graag bij. Ik denk dat dat een levenslang verlangen is van alle mensen, ziek én gezond. Namens God laat Jezus ons vandaag zien dat we dit verlangen serieus moeten nemen.


Ben Wolbers o.carm. pastor-teamleider


 


 


 

Archief
 
Het Parochiehuis
 van Sasse van Ysseltstraat 8
    5831 HD BOXMEER
 (0485) 57 32 77
 secretariaat
Noodnummer:
Voor een acute ziekenzalving of een uitvaart
 06-12089054