Overwegingen
22-feb-2021 |

Zondag 28 februari ( 2e zondag van de veertigdagentijd )


Filippenzen 2,5-11 en Marcus 9,2-10


opening


 We leven in de Veertigdagentijd, de tijd waarin we gedenken op weg te zijn naar Pasen. We zien uit naar het feest waarop we vieren dat Jezus van God nieuw en ander leven heeft ontvangen. Het grote Geheim van Pasen. Niet de dood heeft het laatste woord, maar God. Hij is onvoorwaardelijk trouw. In het evangelie van vandaag zullen we horen dat de leerlingen als het ware een voorproefje krijgen van dit grote Mysterie. Het vertelt het verhaal van de gedaanteverandering. We zullen horen dat leven meer is dan wat wij hier en nu ervaren. Ook ons wacht eens de ervaring van Pasen. Laten we vandaag in die hoop én in dat vertrouwen met elkaar eucharistie vieren.


overweging


Jezus neemt drie van zijn leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes, met zich mee naar een berg. Een berg is in de Bijbel vaker dé plek is waar God en de mensen elkaar raken en ontmoeten, waar God wordt ervaren als heel nabij. Daar op die berg – door de traditie de Thabor genoemd – krijgen de leerlingen een visioen. En wat ze zien is een korte blik op hoe het zal zijn als Jezus na zijn dood is opgenomen in het huis van God, zijn Vader. Ze zien een hemelse wereld waarin Jezus is veranderd van gedaante en in schitterend witte kleren in gesprek is met Elia en met Mozes. Én ze zien dat een wolk hen overdekt. Als er dat staat bedoelt de Bijbel altijd dat God zelf aanwezig is. Vanuit die wolk klinkt een stem, de stem van God: “Dit is mijn veelgeliefde zoon, de zoon van wie ik heel veel hou. Luister naar hem”. Vanuit die wolk klinkt een en al liefde. God ís een en al liefde. Petrus, Johannes en Jacobus hebben daar toen op die berg als in een flits even mogen zien waar het met het leven van Jezus en van hen naar toe zal gaan. Naar een wereld waarin alle mensen thuis mogen komen in de liefde van God. Maar de leerlingen waren bang en bezorgd. Jezus had hen een paar keer gezegd dat hij veel zou moeten lijden en zelfs dat hij ter dood zou worden gebracht. Daar waren ze erg van geschrokken. Dat Jezus er aan had toegevoegd dat hij na drie dagen zou verrijzen, dat was niet goed tot hen doorgedrongen. Integendeel. Vooral Petrus had hevig geprotesteerd. Zó hevig zelfs dat Jezus hem streng tot de orde had moeten roepen: “Weg Satan”, zei hij tegen Petrus, “jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen..” Deze ruzieachtige scène ging vooraf aan het evangelieverhaal van vandaag. Wat ik Jezus vandaag zie doen dat is dat hij zijn leerlingen in die zorgen en angsten uitzicht probeert te bieden, perspectief. Dat doet hij in het prachtige visioen dat wij hoorden in het evangelie. Maar even plotseling als het is begonnen is het ook weer afgelopen. Ik vind het niet zo vreemd dat Petrus hier tenten wilde bouwen. Dat hij vast wilde houden aan dat overweldigend mooie. Maar ik vind het ook niet zo vreemd dat Jezus zijn leerlingen weer met zich mee neemt naar beneden, de berg af, terug de vlakte in, naar de mensen die daar leven. Want dáár, in de alledaagse werkelijkheid, in wat Jezus voor de mensen gaat doen, - ook dáár moeten zij zijn goddelijkheid leren zien, evenzeer als op de berg. Daar in de vlakte,  waar Jezus zich bekommert om de noden van de mensen, om armen en zieken, melaatsen en zondaars, weduwen en wezen, om allen die een beroep op hem doen. Daar, in de vlakte, op de stoffige weggetjes van Palestina, in de armoedige dorpjes, daar, bij al die gekwelde mensen, dáár wordt de majesteitelijke schoonheid van Jezus zichtbaar. Dáár doet Hij de wil van zijn Vader. Dáár is Hij de Zoon van wie de Vader zoveel houdt. Daarom moeten zij, moeten wij, van de berg af om hem te helpen die hemelse werkelijkheid tot een aardse werkelijkheid te maken, hier op de plekken waar wij wonen en werken. Jezus zelf heeft hiervan niet alleen met woorden, maar met zijn léven getuigenis afgelegd. Hij heeft zich niet laten voorstaan op zijn bijzondere relatie met God. Of zoals het in de eerste lezing stond: “hij heeft zich niet vastgeklampt aan zijn gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf belangeloos gemaakt en dienstbaar”. Hij heeft gekozen voor een leven van totale dienstbaarheid.  En uiteindelijk heeft hij zich in de keuzes die hij maakte toevertrouwd aan de belofte van zijn Vader in de hemel dat Hij ons draagt in de palm van Zijn hand. Tot in de dood. Ook ons kan van alles overkomen, net zoals Jezus en zijn leerlingen. Bidden wij dat wij in dat alles toch steeds weer houvast kunnen vinden in het vertrouwen dat de Vader in de hemel ook ons niet aan ons lot overlaat, maar in liefde draagt. 


Ben Wolbers


 


 


 


 


 


 


Zondag 21 februari (1e zondag van de veertigdagentijd) – Susan van Driel


Er staat op YouTube een heel leuk filmpje van een chimpansee in een dierentuin. Het is een groot en sterk mannetje. Er is in het verblijf van de chimps een lading appelen gestort zodat zij ervan kunnen nemen wat ze nodig hebben. Hij als grootste man neemt natuurlijk het eerst. Hij pakt wat hij kan en stapelt zoveel mogelijk appelen in zijn armen, pakt dan in iedere hand en iedere voet nog een of twee appelen en stopt er ook nog een stuk of drie in zijn mond. Zo probeert hij naar een rustig hoekje te komen waar hij alles rustig kan opeten. Dat lukt hem nog ook. Het is heel grappig, omdat het een aap is. Als wij mensen zo graaien wordt het minder leuk. Toch gebeurt dat ook, de aap in ons is niet helemaal weg. Wij mensen hebben ook een sterke drang tot overleven. De schrijver Jean Jaques Suurmondt die prachtige artikelen en boeken schrijft over het geestelijk leven van mensen noemt dat deel van het innerlijk  van de mens - en ook en vooral ook van zijn eigen innerlijk – de ‘knurftige aap’; het is dat wat wil hebben; dat op de allereerste plaats denkt aan eigen overleven, eigen veiligheid, eigen gezondheid, eigenbelang. Het is dat wat ook, voor op zich mooie idealen, over lijken wil gaan. Wij weten allemaal waartoe bv. de prachtige idealen van het communisme hebben geleid: onderdrukking; moord; kampen vol met gevangen mensen die anders dachten. De knurftige aap zegt nogal eens: ‘het doel heiligt de middelen’. Als Jezus in de woestijn is, is Hij, staat geschreven, bij ‘de wilde dieren’. Hij gaat er de confrontatie mee aan; met de ‘wilde dieren’ en met de Satan die Hem beproeft. In die veertig dagen woestijn ziet Hij alle negativiteit die onder en in mensen is onder ogen. In de tekst die wij zojuist als tweede lezing hebben gehoord, wordt het maar kort verteld. Bij Matteus wordt het uitgewerkt. Jezus ziet onder ogen hoe Hij zijn zending zou kunnen misbruiken; hoe Hij macht zou kunnen krijgen; zichzelf zou kunnen verheffen. In onze veertigdagentijd, waarvan deze zondag de eerste is, hebben wij de kans om contact te maken met de wilde dieren en die ‘knurftige aap’ in onszelf, met wat in ons destructief is. Niet dat wij dan direct andere mensen zijn, maar het helpt op z’n minst om anderen niet te veroordelen; om meer begrip te hebben voor ons kleinmenselijke gedrag. Het is niet fijn, die confrontatie, maar misschien worden wij in deze veertig dagen ook geholpen en worden, we net als Jezus, geholpen door die andere zijde van ons mensen en zijn er, net als bij Hem, engelen die ons bedienen. Zo’n engelachtige stem had Jezus gehoord bij zijn doop. Direct na zijn doop kwam Hij het water uit en hoorde Hij een stem: “Jij bent mijn geliefde Zoon”. Wij zeggen ook weleens als bij ons een kwartje valt, ‘Het was alsof de hemel openging’. Jezus had zo’n ervaring: Hij zag opeens heel helder in hoezeer God Hem liefhad en hoe God een God van Leven is. Die ervaring was zo diep dat Hij dat onmogelijk voor zichzelf kon houden. Wanneer Jezus naar de woestijn gaat dan is dat voor hem ook een tijd van opnieuw contact maken met het Leven dat God geeft, want het is dat leven dat Hij nodig heeft voor alles wat Hij voor de mensen wil zijn. De God van Noach, de God van Abraham, Izaak en Jacob, de God die Israël uit Egypte bevrijdde, die Jezus zond om het Rijk Gods te verkondigen is bij uitstek een Schepper God. Hij wil bestaan en leven schenken, zelfs als wij mensen er een bende van maken. Dat konden wij horen in de eerste lezing. Iedere keer als wij een regenboog zien, mogen we daarop vertrouwen. Daarom is het zo belangrijk niet alleen het duister in ons ons onder ogen te zien maar ook om open te zijn voor die stem van de engel, die ons uit onszelf trekt naar de andere mens om op onze beurt zelf een engel te zijn voor wie ons nodig heeft. Wij mensen zijn complexe wezens: apen en engelen, goed en kwaad, het zit allemaal in ons. Maar het is met dat bijzondere wezen dat God een verbond is aangegaan. Ondanks alles zijn wij werktuig voor zijn Rijk: een Rijk van vrede en medemenselijkheid. Bidden wij dat in deze veertigdagentijd de engelen ons zullen helpen. Amen.


Marcus 1,40-45 - 6e zondag door het jaar 14 februari 2021


begroeting en inleiding


De oude bijbelse tijden waren niet bepaald gemakkelijk, zeker niet als je  aan een besmettelijke huidziekte leed of een ernstige beperking had. Als duidelijk werd dat jij melaatsheid had, dan kon je niet thuis blijven wonen. Dan moest je het dorp of de stad uit. En als je dan per ongeluk toch in de buurt van andere mensen kwam, moest je zorgen dat je afstand hield en dan moest je vanuit de verte met hard roepen of met een ratel kenbaar maken dat je er aan kwam.


Wat er dan met je gebeurde, - dat horen we vandaag. In beide lezingen. Je raakte sociaal totaal geïsoleerd. Vandaag zullen we horen dat Jezus iemand die melaats was juist wel aanraakte. Wat heeft deze daad van Jezus betekende en nog betekent, - daarop willen wij ons vandaag bezinnen. 


lezingen: Leviticus 13,1-2.45-46 en Marcus 1,40-45


overweging


Toen u aan het begin van de viering mijn inleiding hoorde – en zeker toen u het evangelie hoorde – kan het bijna niet anders dan dat u in uw gedachten even naar de maatregelen ging waarmee wij in deze dagen elkaar beschermen tegen besmetting door het coronavirus. Afstand houden, geen fysiek contact met andere mensen, geen bezoek ontvangen, op bepaalde tijden niet op straat…


Het lijkt een beetje op die oude tijden. Een beetje, want de maatregelen van vroeger waren nog wel wat erger dan die van nu. Bovendien: corona is hopelijk tijdelijk, iets dat voorbijgaat; melaatsheid was, zeker toen, levenslang. Maar toch.. wat overeenkomt is dat ook wij erachter komen, hoe zwaar het voelt eenzaam te zijn en afstand te houden van elkaar… of nog erger er helemaal niet meer bij te horen.


Maar nu naar het evangelie. Waarom zou Marcus dit verhaal verteld hebben? Welke waarde heeft dit verhaal voor de tijd van nu? Er worden in onze ziekenhuizen zoveel duizenden mensen genezen. Daar zullen ze over tweeduizend jaar toch ook niet meer over praten? Waarom is het verhaal van Marcus over deze ene melaatse voor ons nú dan wél belangrijk? Ik denk omdat Jezus deze melaatse niet genas als dokter, als arts, maar als iemand met een zending van Godswege. Dat wilde Marcus vertellen. Bij Jezus ging het niet alleen om een medisch proces. Dat wordt duidelijk als we letten op dat ene zinnetje: ‘Jezus raakte hem aan’. En zoals ik al duidelijk heb gemaakt: dat mocht eigenlijk helemaal niet. Toch raakte Jezus hem aan. Op datzelfde moment voelde die melaatse dat hij weer verder kon met zijn leven. Er was iemand die hem liet voelen dat hij voor hem niet vies was, niet smerig, niet gevaarlijk. Dat hij voor hem een méns was.


Misschien moet je zeggen dat deze melaatse op twee manieren is aangeraakt: ja, hij is genezen van zijn ziekte… maar op de eerste plaats  voelde hij zich gezíen als méns. Jezus zág hem en is diep ontroerd. Jezus, in wie wij de gestalte van God mogen herkennen, in wie de liefde van God zichtbaar geworden is, laat de man voelen dat God naar hem omziet, dat God door medelijden bewogen wordt, dat Hij ons uit ons isolement wil halen.


Verder zitten er nog twee kanten aan dit verhaal.


De eerste kant is dat ieder van ons die zich buitengesloten voelt – en dat kun je ook vertalen met gekleineerd, miskend, uitgerangeerd – dat iedere mens die zich zo aan de kant gezet voelt, wat Jezus betreft moet kunnen rekenen op andere mensen die hem of haar er weer bij halen. Daar mag hij of zij op rekenen zolang er nog echte christenen zijn.


De tweede kant is: als iemand van ons een ander kleineert, miskent, bang maakt of buiten de kring drukt, - dan zit die iemand er helemaal naast. Wij mogen geen mensen buitensluiten. Want voor alle mensen – of ze nou melaats zijn, of egoïstisch, geslagen door het leven, of hoe dan ook mislukt of aan de rand geraakt – voor alle mensen vraagt Jezus in Gods naam om een plaats in de kring. Daarom zei ik dat Jezus de man uit het evangelie niet genas als dokter, maar als iemand met een zending van Godswege..


Het optreden van Jezus in dit evangelie is voor mij een beeld dat duidelijk maakt dat God ons ziet, – hoe we er ook aan toe zijn. Hij heeft  oog voor ons.


Een aantal jaren geleden was hier ergens in Brabant het motto van carnaval: ‘k zè ‘r gère bij. Als ik het niet helemaal goed uitspreek: ik hoor er heel graag bij. Ik denk dat dat een levenslang verlangen is van alle mensen, ziek én gezond. Namens God laat Jezus ons vandaag zien dat we dit verlangen serieus moeten nemen.


Ben Wolbers


 


 


 

Archief
 
Inschrijfformulieren
Het Parochiehuis
 van Sasse van Ysseltstraat 8
    5831 HD BOXMEER
 (0485) 57 32 77
 secretariaat
Noodnummer:
Voor een acute ziekenzalving of een uitvaart
 06-12089054